[p. 647]
ik haal het kladje van een nieuw gedicht
uit de bovenste voorraadslade
van mijn bureau, houd het tegen het licht
en ga over tot de daden
van mijn dag.
Te midden van de schermutselingen
van de pen met het papier hoort men mij zingen,
gelijk een oude veteraan,
bij de herinnering aan zijn vaan.
Dan steek ik mijn wapen in de schede:
Zon, lucht en groen, ‘t is weer genoeg voor heden.
[p. 648]
Wat lopen al die zonnestralen daarbuiten
toch met hemelsblauwe ruiten,
of zij iets hebben vergeten
en zij niet meer weten
waar ze te leggen.
En ik sta hierbinnen
glimlachend te fluiten
en mij te bezinnen
of ik het hun wel mag zeggen.
[p. 649]
Er naderen woorden als klerenhaken,
daar hang ik mijn gedichten aan.
Wij kijken wel als beregende daken
en goten, maar ik zeg: Wij gaan!
Zo komen wij in een ontloverde laan,
daar voelen wij ons opgeheven,
wij krijgen er nerven en aderen
om voortaan als groene bladeren
te leven
en zo het licht te verstaan.
[p. 650]
Bloemen-binnen zijn nooit als bloemen-buiten,
die familie van mijn oude wangen,
wanneer ik dat wil verlangen
om in teergetinte ruiten
op de stengels van hun eeuwig groen
spelletjes met stralen zon te doen.
Eigenlijk daar kindertekeningen
met mijn vingers op hun kelk te zingen
en te luisteren met mijn oren-guiten
hoe de lange zonnevonken fluiten,
om met een haast gezellige zucht te treuren:
Kon dit de bloemen-binnen ook eens zo gebeuren!
[p. 651]
De wanden van het heelal
worden weer met stembanden van contra-tenoren behangen
en de ogen van de bomen vragen
in dat teer voorjaarswelbehagen
niet naar het einde van dit soort gezangen.
Zij weten niet meer, wat te verlangen,
ja toch, de nacht met de stilste uren
zonder lampen en zonder vuren,
zonder rumoeren van motoren
en het kermen van contra-tenoren,
een heelal dus zonder licht en oren.
[p. 652]
Zijn dat liedjes,
die tot onze vegetatie behoren?
Ik veeg ze bij herhaling van mijn lippen.
Maar zij willen blijven slippen
en draden uit mijn mond.
Daar beginnen ze weer van voren
en ik knijp er mijn zakdoek om.
Want ik wil mij niet laten storen
door hun vulwerk, daarvoor zijn zij te dom.
[p. 653]
Dit is je gezicht van 1920
en wat kom je nu in 1961 daarmee doen?
Ik zie, je bent niet meer zo warm-tintig,
maar och, mijn haar is ook niet meer groen.
Je ogen werden hele foto-albums,
de mijnen bedreven eveneens het vak.
Eigenlijk zijn wij beiden haast gelijken
en onze schoenen versleten naar het Niets.
Halt, daar staat een paal en een wereldfirma
van de mensbekleding voor vrouw en man
verklaart ons, hoe men ons dat Niets bekleden kan.
[p. 654]
Het doodshoofd van een poppekop
op een paar witte schoenen
komt achter me aan, en in galop,
om mij te zoenen.
Dat is dus wat je hebt gedroomd
en daarvan heb je zo gesprongen?!
Mis, Mrs., van de inspiratie als betoomd,
heb ik je karakterkop bezongen.
[p. 655]
En komt er dan een vrouw met een rode mantel aan,
stil staat de straat en ik kan niet meer gaan,
tot ik een wenk krijg en weet: ik moet.
Maar dan heb ik de vroegere klaproos ook gegroet.
Zij is er een van uit mijn eerste korenvelden,
van toen we elkander deze toekomst al voorspelden.
[p. 656]
Haar enkels werden zonder kousen geboren.
Die bleven niet zo.
Een kwart eeuw later zat zij onbevangen
in de gladheid van haar wangen
naast zijn bureau.
Hij was niet geschoren
en had zich dit als stoppelveld verbeeld.
Dit werd hem niet verheeld.
Hij beriep zich op jeugd, klaprozen en koren
en het oudste mensenspelletje daarin gespeeld
en vaak verloren.
[p. 657]
De kinderen gaan in hun vrouwtjes
en mannetjes naar school.
Er zijn roodjes, geeltjes en blauwtjes.
Horen zij plots een viool?
Zij beginnen onstuimig te springen
en hun sprongetjes te zingen.
Is dat om wat de zon in het groen
blijft doen?
[p. 658]
Er is maar water en lucht
en in directe aanwezigheid
alleen dingen die zeggen, soms met een zucht:
‘hier ben ik’, en vragen: ‘ben ik niet op tijd?’
Waar zijt gij dan? Ik zie u niet?
Ik voel geen beentje, zelfs geen poppenrokken.
Is hier dan maar van schoonheid op sokken
in dit eentonig water- en luchtgebied?
Daar krijg ik aan mijn slaap een vlindertik.
Hier ben ik, niet op tijd, mijn naam is Ogenblik.

Collage – over de schoonheid van een snipper
De encyclopedie van het geluk 28 13 april 1923 arriveert op station Drachten een man wiens belangrijkste bezit een koffer vol papiersnippers is. Hij wordt afgehaald door de broers Thijs en Evert Rinsema, beiden kunstenaar, de eerste ook schoenmaker. Het intieme detail dat de man meteen sympathiek maakt. Lijm moet een redelijk vroeg gereedschap van...
Lees verder
Dingen kwijtraken
Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
Lees verder
'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen, dat is een ongeschreven wet'* – Over het café
De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
Lees verder
Blog archief



