Er geen vrij voor nemen

Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin.

Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was om begrijpelijk te maken waarom Ioannis en Ilse op het moment van hun ontmoeting zo sterk ontvankelijk waren voor elkaar.

Een niet gering aandeel in de bereidheid om de ware in een ander te zien ligt in het gevoel zonder die ander niet compleet te zijn, wat best op een probleem in de ontwikkeling kan wijzen. Maar ik wilde niet cynisch worden in dit proces – die twee verhalen moesten zo geschreven worden dat het er allebei kon zijn: geloof in ware liefde én een verleden dat hen daarvoor ontvankelijk maakte.

Gisteren belde uitgever en redacteur Menno. We vroegen hoe het met de ander ging en gaven antwoord op die vraag. Daarna zei hij dat hij wilde weten of mijn nieuwste mee zou kunnen in de najaarsaanbieding van dit jaar.

‘Nee,’ zei ik vrijwel meteen. ‘Dat lijkt me niet.’

Voorheen zou ik ja hebben geantwoord en daarna grote druk op mijn project hebben gezet, maar de haast die ik sinds het begin van mijn schrijverschap in 2010 gevoeld heb is weg. Ik had kennelijk iets in te halen, al die tijd – dacht dat ik méér moest maken, moest presteren. Mijn debuut Hier sneeuwt het nooit kwam ook pas op mijn achtendertigste.

Een reden voor het wegvallen van die haast zal in de erkenning liggen die ik voor mijn laatste boeken kreeg, en misschien helpt het dat ik sinds een paar jaar kan leven van mijn schrijverschap (wat betekent dat ik mijn inkomen haal uit optredens, lesgeven, manuscriptbegeleiding, royalties en projectsubsidies van het Letterenfonds).

Ik ben benieuwd of mijn afgenomen werkdruk tot betere boeken zal leiden. In 2010 heb ik een halfjaar vrij genomen om me volledig aan een paar korte verhalen voor mijn debuut te wijden, maar ik zou dat iedereen afraden: het kostte al mijn spaargeld en leidde niet tot meer of beter werk.

Sinds Ivo Victoria en ik als manuscriptbegeleiders samen verder gingen onder de noemer Victoria & Van der Loo, bespreken we binnengekomen werk eerst altijd even met zijn tweeën. Laatst schreef iemand in haar aanvraag dat ze een sabbatical genomen had om deze roman nu eindelijk eens af te kunnen maken. Ze had wat spaargeld, dus het was oké.

‘Wie van ons zal het haar zeggen?’ zei Ivo in die lichte toon van hem.

Don’t quit your day job is een Amerikaanse uitdrukking bedoeld om hoopvolle kunstenaars te wijzen op hun zeer magere kansen. Binnen het moderne schrijverschap hoor ik mezelf vaak Neem er vooral geen vrij voor zeggen.

Als je het echt meent, bedoel ik daarmee, dan kun je beter meteen beginnen met verdienen naast je schrijverschap.

–––––––––––––––––––––––––––––––––

beeld: Rob Waumans

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

‘Een koe laat elke 90 seconden een scheet, een mens 18 keer per dag. Het aantal scheten van een walvis kan alleen maar geschat worden.’

Zo ongeveer begint het toneelstuk Emily, of het geheim van Huis ten Bosch. De drie zonen van koningin Beatrix en prins Claus von Amsberg zitten in de centrale salon van Huis ten Bosch en bladeren in tijdschriften over watersport en diepzeeduiken. Hun ouders zijn voor een officieel bezoek in Israël.

Wapvo (Willem-Alexander, Prins Van Oranje) en broer Constantijn zijn geïnteresseerd in onderwaterfotografie, prins Friso grijpt naar de roddelbladen, waarmee het gesprek al snel gaat over het dreigend gevaar van damescontact. De prinsen zijn 23, 22 en 21 jaar, dus wordt het wel ‘s tijd voor erfopvolging, voortplanting en verantwoordelijkheden.

*

Samen met collega Dick van den Heuvel schreef ik over ene Emily op wie Willem-Alexander verliefd was geworden en die dus koningin zou kunnen worden. Dick en ik achtten de tijd rijp om bij de Oranjes de ramen open te gooien, om het gezin Von Amsberg te tonen als buren waarvan de oudste zoon met een verkeerd meisje aan komt zetten.

De onsmakelijke heiligheid, de hardnekkige hersenloosheid rond zo’n koninklijke familie onteren, dat was de bedoeling. Dat lukte, enigszins.

Uit heel Europa stroomden cameraploegen toe. De voorstelling werd geregistreerd en uitgezonden op tv door de Vara, het theaterseizoen 1995-96 opende ermee en de minister-president acteerde diepe verontwaardiging. Toch kwam deze aandacht niet in de eerste plaats door de kwaliteit van die voorstelling zelf, maar doordat staatssecretaris Aad Nuis hoogst persoonlijk en ingefluisterd door koningin Beatrix subsidie weigerde.

Een rel was geboren.

*

Op Huis ten Bosch blijkt, tot grote ontzetting van Willem-Alexander, dat broer Constantijn al eerder de bewuste Emily heeft benaderd, ook lichamelijk.

‘Yes!’ kraait Friso vrolijk. ‘Die burgerjuf is een mol die bij onze troonopvolger bovengronds komt!’

Willem-Alexander is woedend, maar onmiskenbaar verliefd en zelfs bereid de troonopvolging aan zich voorbij te laten gaan als zijn voorgenomen huwelijk met…

‘Huwelijk??? Wapvo!!’

als zijn voorgenomen huwelijk met Emily niet door mag gaan.

Daar waren Friso en Constantijn al bang voor: ‘Wij hebben geen zin om dit ondemocratisch gekkenhuis op onze nek te nemen, hoor.’

Ze gaan pal voor die arme Willem-Alexander staan.

‘Jij zorgt, één dat je blijft leven, twée, dat je zes kinderen krijgt van een willig, goodlooking Moldavisch prinsesje en dríe… Jij bent niet kieskeurig! Dat staat in de Grondwet.’

De ruzie wordt onderbroken door de onverwachte thuiskomst van vader prins Claus. Hij kreeg in Jeruzalem een paniekaanval, heeft abrupt de koninklijke delegatie verlaten en is in ‘t geheim teruggevlogen.

‘Wat is er gebeurd, pa?’

‘Eh… Yad-Vashem. In Jeruzalem. Dat monument van de Tweede Wereldoorlog. Er is daar een… een soort kelder waar namen… Namen, namen, namen… op zwarte stenen. Op vier mei in Amsterdam vind ik het nooit zo zwaar. Daar zit, als we over de Dam lopen, iets optimistisch in de lucht, voorjaar. Ik ben naar buiten gerend. Maar daar zag ik ook overal stenen, met namen erin gebeiteld. Ik keek of mijn eigen naam ook…’

In Emily, of… zien we verder ook koningin Beatrix en haar ouders, de sussende Juliana en de botte Bernhard, maar het belangrijkst blijven de broers, want deze drie jongemannen zijn verbaal lekker dynamisch, bovendien staat hun toekomstige status op het spel.

*

Ik veronderstelde ooit dat monarchieën en mythologieën met argumenten bestreden konden worden. Dat lukt nooit. Dus kozen we met Emily, of… voor het ondermijnende wapen van de humor. Gewoon uitlachen, zoals dat jongetje in het sprookje De Nieuwe Kleren van de Keizer.

Toch moet ik nu constateren dat ook humor of regelrecht afzeiken geen antimonarchistisch wapen meer is. Denk aan het cartoonachtige Lucky TV.

Blijft over: het verspreiden van een niet te verifiëren roddel. Zo wordt van president Trump gezegd dat hij incontinentiepampers draagt. Tegen zo’n bericht kan geen politiek- of juridisch onderbouwde Trumpkritiek op. Ik kan de man niet zien of ik denk aan luiers.

Emily, of… werd geen tragedie, geen melodrama, geen whodunit, geen klucht, geen satire, maar light-drama in een well-made play.

*

Aan het slot zijn Claus en Beatrix alleen in de salon.

CLAUS:

‘Ze zeggen dat mijn hersenen een bepaalde stof niet aanmaken. Dat is niet waar. Hier in m’n hoofd zit iets dat… passie heet. Het is een kiezel, een steen met namen erop.’

BEATRIX:

‘Wij respecteren de keuze van onze oudste zoon en wij zullen hem en die … die Emil… of hoe ze dan ook gaat heten, in slechte en voorspoedige tijden blijven steunen.’

Ze knielt, vouwt de handen en zegt: ‘God zij met ons.’

EINDE

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Een scherp verlangen – over zakmessen

Larousse 26

Het begon ongetwijfeld met een Zwitsers legermes. Rood plastic met een wit kruisje erop. Een hoeveelheid functies: een mes, een klein mesje, een zaag, een nagelvijl, priem, blikopener, flessenopener, een kurkentrekker. Misschien was ik tien jaar toen ik er de eerste keer uiteindelijk eentje kon kopen. Het is eveneens een haptische sensatie: het gevoel van de intens gladde buitenkant in contrast met het gevoel van het scherp van de snede van het mes. Een uiterste eenvoudig mechaniek en er is een wezenlijk verschil met een normaal mes: je kunt hem inklappen, het is een veilig instrument. Het draagt duidelijk een mogelijkheid in zich: in je zak een glad ding, maar opengeklapt iets bedreigends. Een potentie, een zakmes kan iets, maar kan eveneens letterlijk in zichzelf gekeerd in rust zijn.

Ik heb toen ik me minder goed voelde eindeloos zakmessen geslepen: een repeterende beweging met een aangenaam geluid, met als resultaat dat er iets beter wordt, scherper. Het mooie is dit: als je een oud zakmes slijpt, van niet zo hard metaal, verzamelt zich ijzervijlsel op het scherp van de snede. Dat ijzervijlsel kun je fotograferen en uitvergroten en wanneer je dat uitvergroot, lijkt het een bos in de verte, aan de einder: een landschap. Een functie van het zakmes die ik nog niet kende: het kan verte suggereren. Een mes is een symbool, het biedt mogelijkheden, het is geïmplodeerde kracht, verwachting en met zijn talige associaties als ‘scherpte’ en ‘lossnijden’, ‘aansnijden’ beweegt het. Mijn slijplandschapjes tilden me uit de misère naar elders.

Ik kocht twee kleine zakmesjes met een houten heft. Ze kwamen uit Polen. De fabrikant heette Gerlach. In 1760 opgericht door Filip Szaniawski, in 1846 zat de eerste Gerlach in het bedrijf – Samuel – en hij opende een fabriek in Warschau. In de oorlog werd het natuurlijk door de nazi’s onteigend. De mesjes ogen zo oud dat het lijkt alsof ze de Tweede Wereldoorlog nog meegemaakt hebben als stille getuigen van ongelukkige mensen die het tijdperk misschien niet overleefd hebben. Deze mesjes tonen niet alleen een landschap, mogelijkheden maar ook een geschiedenis.

Ik vond een ander zakmes met een benen heft, het is een Sardijns mes: Pattada.  Meer dan een nieuw mes sleept een oud, een geschiedenis met zich mee. Het mes uit Sardinië heeft zo stel ik me voor aan een boer toebehoord. Zo droom ik me de wereld van Salvatore Satta in, met zijn op het Sardijns platteland spelende meesterwerk De dag des oordeels. Ik loop mee door een zonovergoten dal, wijnranken alom, met een wijnboer die hier en daar een wilde loot afsnijdt. Of die voor bij de lunch een tros kleine druiven los snijdt, uit zijn tas een droge worst haalt en een stuk brood. Het Poolse mes heeft een minder bucolisch verleden. Er is misschien wel brood mee gesneden, maar ik situeer het in minder gelukkige tijden. Zo blijkt een mes een sleutel naar historie.

Ik heb er ook met veel recentere geschiedenis. In een kookwinkel kocht ik een knaloranje keramisch zakmesje. Ik had het tot mijn verbazing nog in mijn tas zitten toen ik een maand terug in Parijs naar het Fondation Louis Vuitton ging. Een beter beveiligd museum ken ik niet, maar ik liep met een loeischerp zakmes naar binnen. Plastic en keramiek hadden de metaaldetectors bedot en de beveiligers ervan overtuigd dat ik niet alleen zeer onschuldig was, maar vooral geen instrument tot verwoesting op zak had.

Herinnering aan zakmessen in mijn jonge jaren zijn verbonden met het schillen van takken. Lopend door het bos de bast van een stevige stok afsnijden zodat je een mooi blankhouten wandelstok hebt. Punten snijden aan pijlen, het opensnijden van baguettes, schillen van een bloedsinaasappel, de onthoofding van een eitje. Het ontkurken van een flessen rode wijn naast je tent.

Dit is dus het mes: herinnering, landschap, geschiedenis, mogelijkheid, symbool, taal. Zoveel functies als een Victorinox, en heel andere. Maar er komt er nog een bij: een mes als een symbool van wat je in het hart snijdt, een scherp inzicht waardoor je getroffen wordt, als door een bliksem. Zoals hier in Mary Olivers schitterende gedicht:

Mes

Iets
schoot zojuist
door mijn hart
als het dunste lemmet
toen de roodstaartbuizerd
zijn grote vleugels sloeg
en over de grijs gebarsten
rots wiekte.
Het ging niet
over de vogel, het ging
over de wijze waarop
steen stil
en zichzelf blijft, wat er ook
voorbij vliegt.
Soms als ik zo zit, stil
lijken alle dromen in mijn bloed
en alle buitensporige stukjes tijd
te willen verdwijnen,
uit me wegglijden.
Dan, stel ik me voor, zal ik nooit meer bewegen.
Intussen
heeft de buizerd acht kilometer gevlogen
minstens,
Wie verder nog maar omhoog
keek verbijsterend.
Ik was verbijsterd, maar dat
was het mes niet
Het was de steile, vulkanische wand
van blind gesteente
zonder een greintje hoop
of maar een onvervuld verlangen
inzuigende en weerkaatstend
schitterend
zoals het al eeuwen deed
het vuur van de zon.

Lezen: Salvatore Satta De dag des oordeels, vertaling Frida Vogels

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Theater

Tot tien jaar geleden had ik weinig met toneel, maar heel geleidelijk ben ik er toch in gerold. Het begon met Nita, die me vroeg om mee te werken aan een experimenteel stuk over mannelijkheid.

Ik ontmoette haar in Paramaribo en ze zal daar iets in me gezien hebben, maar ik ben te ongemakkelijk op een toneel; doe te veel of te weinig – ontspannen wordt onmogelijk als er dat soort focus op me staat. Het maken van de voorstelling Amsterman was een leuk proces, maar ik zou zoiets nooit meer doen.

Allebei mijn kinderen gaan sinds jonge leeftijd naar toneelles, en blijken op een podium zo mogelijk relaxter dan erbuiten; vol verwondering kijk ik naar de optredens van mijn zoon Nadim (14) – naar hoe tekstvast hij is en hoe vrij hij zich beweegt.

Een paar jaar geleden raakte ik bevriend met Manoushka, die bijna elke dag optreedt. Naar al haar stukken neem ik ook mijn kinderen mee, en zo waren B, onze dochter Ada (9) en ik afgelopen vrijdag in de Meervaart om Moeder van Europa te zien.

Ga erheen als je de kans nog hebt, het is een belangrijke toevoeging aan je denken over onze geschiedenis. De stukken van Orkater werken – ook als ze voor volwassenen bedoeld zijn – goed voor kinderen omdat er veel muziek in zit.

Zelf had Aad de hele week gerepeteerd voor een stuk dat de dag erna zou worden opgevoerd; mijn dochter was doodmoe en zag bleek als een zeepje, maar ze moest en zou mee naar het theater. Manoushka is de afgelopen jaren ook een vriendin van háár geworden.

Moeder van Europa is een lange voorstelling en Ada, tussen B en mij in op een verhoogde stoel, kon met geen mogelijkheid snappen waar het allemaal over ging, maar ze wilde géén cola of snoep; volgde de acteurs met grote ogen tot het doek om half elf viel.

In de foyer vroegen we haar of ze niet naar huis wilde, morgen was tenslotte haar eigen voorstelling, maar Aad zei stellig dat ze zou wachten op de spelers. Ik keek op mijn horloge, zette mijn boevenpet op en sloop via een verboden gang met haar naar de kleedkamers, waar ze stralend door Manoushka werd ontvangen. Ze kreeg ijsthee van Michiel (uit een eigen koelkast!) en Shahine herkende haar.

‘Ik weet wie jij bent,’ zei hij. ‘Jij brengt mij altijd drankjes als je vader in De Druif werkt.’

Na de ijsthee droeg ik onze dochter naar de parkeergarage, haar armen hingen slap over mijn schouders.

‘Heb je nog dingen,’ vroeg B haar toen we in de auto zaten, ‘waarvan je dacht: die neem ik morgen mee in mijn eigen spel?’

De hoge lampen boven de Pieter Calandlaan schitterden in Ada’s wijdopen ogen; ze knikte traag.

‘Dit,’ zei ze even later, ‘was de mooiste avond van mijn leven.’

De volgende dag speelde ze de sterren van de hemel.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.