Bewegingen van zwaluwen nabij het plafond

(De wereld in stukken 10)

Ik staar naar het plafond en opeens schiet een zwaluw langs, en nog een en nog een. We ontwaken van de eerste vogelkreet, een ochtendlijke zeebries over de lakens. We slapen in Campeche. Helemaal rechtsonder op de kaart, in Mexico op Yucatan, vlak onder het Yucatan Peninsula waar 66 miljoen jaar geleden de komeet insloeg die de verre voorvaderen van deze zwaluwen van de planeet wegvaagde. Misschien gierden ze eender. De kamer heeft aan drie zijden muren die niet tot aan het plafond reiken, maar een halve meter openhouden, dat is bouwen! Lekker koel want het is heet zat hier. En starend naar het plafond zie je voortdurend zwaluwen langszwiepen die een paar muggen die begerig naar je lichaam staren wegsnaaien. Ik heb vaak verlangd naar net zo’n kamer, vogels die in je kamer rondvliegen, wat een droom, en die niet alleen wonderschoon zijn maar ook de effectiefste muggendoders.

Welk land heeft zo’n sterke specifieke uitstraling als Mexico en onttrekt zich tegelijk zo een kenschets die dieper reikt? Drugsbendes zijn de tulpen van Mexico, de sombrero’s de molens. Enorme kazen hebben we beiden. De keuken lijkt me internationaal bekender dan de volksaard. In westerns is de grens voor vluchtende Amerikanen de veiligheid, daarachter ligt een rechteloze wereld waarin je niet meer vervolgd kunt worden. De migratiebeweging is al zeker een eeuw de andere kant op, voor veel Centraal-Amerikanen lonkt de toekomst uit het Noorden.

De diepste indruk maakte op mij Palenque, het Maya tempelcomplex dat lange tijd vrijwel geheel onder het oerwoud bedekt bleef voordat het woud van de wolken langzaam de architectonische schoonheden prijsgaf. Geweldige bomen met armen van korstmos eromheen geslagen en de zoet vochtige geur van woud herinner ik me, ceder, mahonie en sapodilla. Door de omgeving veel meer dan de andere grote complexen als Cichen Itza of Tikal in Guatemala een plaats waarvan je je voor kon stellen dat er geleefd werd. De ajaw, of heerser die er het langst aan de macht was (435-487) is bijgenaamd Casper, omdat zijn handtekening een beetje op Casper het vriendelijk Spookje lijkt, en men verder geen naam aantreft…  Wat weten we soms nog bedroevend weinig…

"Casper"'s signature

In het om meerdere redenen fascinerende Orwell’s Roses van Rebecca Solnit schrijft zij een hoofdstuk over de wrang-boeiende Tina Modotti, een Amerikaans-Italiaanse die een rol ging spelen in de Mexicaans Communistische beweging, alwaar we Diego Rivera en Frida Kahlo tegenkomen. Ze overlijdt onder verdachte omstandigheden. Rivera portretteerde haar vaak in zijn grote murals, ze werd een gestaalde staliniste. Ik herinner me opeens weer Rivera en Kahlo op een film naast Trotsky te hebben zien staan, een kortsluiting van werelden, en er opent zich een geschiedenis waar je onmiddellijk in wilt duiken, hoe zat dat precies, met die Russisch-Mexicaanse link? En wat gebeurde er in de tussentijd? Deze kaart stelt vooral vragen, zoals: zijn de VS en Mexico ooit wel goede buren geweest? Toen we er rondreisden, zelf wellicht te naïef – er waren heftige toestanden in Chiapas – kwamen we uitsluitend betrekkelijk angstige Amerikanen tegen. Een ervan was wel zo vriendelijk ons na weken overigens uitstekend maar eenvoudig straatvoedsel, bonen, mais, kaas, een echt diner aan te bieden. Graag zou ik even terugspoelen, om ons te zien, maar ook om deze Amerikaan te vragen hoe dat nou voelt als Amerikaan in Mexico. Zou er ergens een scherpere inkomensgrens een groter contrast in leefwereld denkbaar dan zijn dan juist de grens tussen groen en wit op dit kaartje?

Beweging

Als jij de barnstenen merrie bent,
ben ik de weg van bloed.
Als jij de eerste sneeuwval bent,
ben ik de spijker die brandt in je voorhoofd.
Als jij de ochtendlijke zeebries bent,
ben ik de eerste vogelkreet.
Als jij de mand voor sinaasappelen bent,
ben ik het mes van de zon.
Als jij het altaar van keistenen bent,
ben ik de heiligschennende hand.
Als jij de neergevlijde aarde bent,
ben ik het lichtgroene riet.
Als jij de harde windstoot bent,
ben ik de mond van het mos.
Als jij het woud van de wolken bent,
ben ik de regen der heiliging.
Als jij de gelige bergrug bent,
ben ik de rode armen van ‘t korstmos.
Als jij de opgaande zonneschijf bent,
ben ik de weg van bloed.

[Octavio Paz, uit: Mexico zingt, vert. Albert Helman]

Lezen

Jorge Semprun De tweede dood van Ramón Mercader (refererend aan de Trotsky-moord)

Malcolm Lowry Under the Vulcano

Carlos Casteneda The Teachings of Don Juan: A Yaqui Way of Knowledge (bijna vergeten maar groot in de ’80’s)

Max Frisch Homo Faber (ook over Palenque)

En, vooruit een Mariachi

en Cielito Lindo (Bourdon) – Dusolina Giannini (soprano), Electrola ca 1929 (German pressing)

Naar Kaart 11

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Jimmy

Mijn historie met paarden is complex. Na een paar maanden rijles als zevenjarige, misleid te geloven dat ik enige controle had over de orka tussen mijn benen, werd ik in een gevorderd klasje gezet waarbij de juf me steeds dezelfde pony toewees.

Diamond kon zelfs in de meest slome stap haar hoofd zó plotseling voorovergooien dat de jongen op haar rug geen tijd had om de teugels los te laten. Met een felle zwiep landde ik keer op keer aan haar hoeven in het zand.

Het was niet zozeer de klap, maar niet te weten wanneer die kwam. Na drie weken hield ik het voor gezien, en in de jaren die volgden reed ik heel soms met vriendinnen, maar vertrouwen kreeg ik nooit meer terug.

Nadim (11) is dol op paarden – zijn eerste woord was paard – en toen we een tijdje in Oud-West woonden werd hij lid van de Hollandsche Manege. De voetbaljongens op school maakten grappen over zijn hobby, maar mijn zoon hield zó’n meeslepende spreekbeurt over paarden dat alle kritiek verstomde.

Zo is hij altijd geweest: trouw aan zijn eigen liefdes, absoluut niet bang zich daarin kwetsbaar op te stellen. Hoewel hij bijna naar de middelbare gaat, krijg ik nog elke ochtend een kus op het schoolplein. Toen ik hem laatst vroeg of hij dat zou blijven doen, knikte hij wat droogjes, alsof die vraag eigenlijk geen antwoord behoefde.

Vorige week reed hij zijn eerste dinges – ik weet niet hoe het heet als ze oefeningen doen in die bak. Is dat dressuur? Hij moest figuren rijden, lijnen maken tussen letters op de schotten rond het zand.

Een halfuur voor de kuur/dressuur/test waren we aanwezig. Het was de bedoeling dat ruiters én paarden perfect verzorgd waren. De meiden uit zijn groep hadden hun pony’s tot glimmens toe opgewreven, cornrows gemaakt van manen en elfachtige vlechten in staarten gelegd. Er waren dames met nieuwe uniforms, hun haar opgerold in een kanten bolletje.

Nadim droeg zijn oude joggingbroek en zijn te grote rijlaarzen. Hij had zijn eigen hoodie aan, en dezelfde stoffige cap waarmee hij altijd rijdt. Als pony nam hij Jimmy, een nogal ongezeglijk wit beest dat meestal als laatste gekozen wordt. Kinderen gaan zelfs extra vroeg naar de manege om niet op hem te hoeven rijden.

Door het gangpad tussen de boxen kwam mijn jongen aangelopen, het paardje langs zijn zij.

‘Wat heeft hij een mooie vlecht,’ zei ik. ‘Heb je die zelf gemaakt?’

Naadje knikte zuinig, zijn blik schoot door de stal en landde uiteindelijk aan mijn voeten. ‘Ik ben best wel zenuwachtig, papa. Ik denk dat ik misschien maar niet meedoe.’

‘Dat snap ik,’ zei ik, jagend op de juiste woorden. ‘Dat snap ik man.’

Zijn blik reisde omhoog, sloot aan op de mijne. Ik moest nú iets zeggen.

‘Denk maar niet aan al die mensen,’ zei ik, en aaide Jimmy, die wat schichtig reageerde. ‘Het is gewoon jij en je vriend. Jullie zijn vrienden, toch?’

Voorzichtig knikte Nadim, en keek zijdelings naar de pony.

‘Nou,’ zei ik. ‘Gewoon lekker samen rijden. Als ze niet dachten dat je het kon dan hadden ze je niet laten meedoen.’

Even later zat ik op de balustrade boven de binnenbak te wachten tot mijn jongen aan de beurt was. Natuurlijk dacht ik terug aan mijn eigen rijverleden, en ook aan de eerste lessen van Nadim, waar ik vaak bij geweest was.

Die eerste keren kostte het hem vreselijk veel moeite om zijn pony in het spoor te houden. Ik weet nog dat me dat verbaasde: die beesten doen niet anders dan dezelfde rondjes lopen, en toch ging het steeds mis. Zijn paardje wandelde naar het midden van de bak om een van de andere pony’s te bijten, of hield ergens halt en kwam niet meer in beweging.

Na een tijdje kreeg ik door dat het dier wél in haar spoor bleef als Nadim zich maar op haar focuste. Werd hij afgeleid door een van de spiegels naast de bak, dan sjokte ze meteen weer naar het midden. Met de weken werd mijn snel afgeleide man kalmer, zakte hij steeds meer in dat zadel. Eerst leek zijn lijf zich naar het dier te voegen, daarna ook zijn hoofd. De pony als detector van verbondenheid.

Nadims kuur/dressuur/test ving aan en hij was duidelijk gespannen. Toch zag ik ook iets kalmers in hem, iets wat daaronder lag. Het publiek, de directeur, zijn instructeurs en klasgenoten: hij wist dat ze er waren en dat maakte hem stikzenuwachtig, maar hij moest nu bij dit witte paardje zijn. Jimmy had het nodig dat hij duidelijk was, helder bepaalde wat er moest gebeuren.

Toen de beproeving erop zat, reed Nadim naar voren in het midden van de bak en bracht een ruitergroet, waarna iedereen applaudisseerde. Een halfuur later kwam hij naast me zitten.

‘Ik weet het niet hoor,’ zei hij. ‘Er ging van alles mis.’

‘Welnee,’ zei ik, en gaf hem zijn beloofde cola. ‘Waar bleef je nou zo lang?’

‘Ik moest Jimmy nog afzadelen,’ zei hij. ‘En borstelen en voeren en zo.’

Ik haalde mijn vingers door zijn haar, wat hij nog steeds in het openbaar laat doen, en kuste zijn zachte wang. Met al die zorgen in dat koppie had hij eerst goed voor zijn vriend gezorgd, daarna was hij pas steun voor zichzelf komen halen.

‘Voor mij ben je geslaagd,’ zei ik.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

En toen stond mijn trein ineens stil

Ik loop tegenwoordig stage bij de ethiekafdeling van het Erasmus MC. Zodoende reis ik vaak tussen Leiden en Rotterdam heen en weer. Dat is best te doen: er is een prima treinverbinding en een metrohalte precies voor de deur van het ziekenhuis. Maar treinen zijn treinen en soms gaat er wel eens iets mis. Ik zat in de trein, die precies op tijd was vertrokken van Leiden Centraal en rustig zijn eerste station Den Haag Laan van Nieuw-Oost Indië aandeed. Ik was verdiept in een boek met korte verhalen van Salinger: For Esmé – With Love and Squalor (ook uitgebracht als Nine Stories). Ik ben erachter gekomen dat korte verhalen – in ieder geval de niet al te lange – zich perfect lenen voor een forensenbestaan. In een uur (dus inclusief metro) kan ik minimaal één kort verhaal lezen, dus zo’n vijftien bladzijdes.

En toen, in de buurt van Den Haag Holland Spoor, weerklonk de stem van de conducteur of de machinist door de luidsprekers: ‘Beste reizigers, ik heb een naar bericht voor jullie.’ Er was een wisselstoring en Holland Spoor was voor ons de eindbestemming. Ik stapte uit, zoals iedereen, en het volgende uur was ik druk bezig een route naar Rotterdam uit te stippelen, maar het bleek al snel dat dat vanuit Hollands Spoor lastig zou worden. Ondertussen werden er op de borden steeds treinen op het laatste moment geannuleerd, of ze reden niet verder dan Delft. Daar had ik dus volstrekt niets aan. Ik pakte mijn telefoon en begon te appen met degene met wie ik in Rotterdam een afspraak zou hebben en mijn boek stopte ik in mijn jaszak (een echte pocketuitgave zullen we maar zeggen).

Nadat ik had afgesproken dat ik haar op de hoogte zou houden van mijn voortgang, keek ik weer omhoog naar de borden. Zou die trein… Ik begon om mij heen te kijken, naar de andere reizigers. Iedereen had oortjes in en keek naar hun telefoon. Grappig genoeg was er een NS-medewerker die constant – tegen iedereen die hem vroeg welke trein wél reed – herhaalde dat de trein van 39 wel naar Rotterdam zou gaan (dat ging hij niet, hij werd net als alle andere treinen naar Rotterdam en verder geannuleerd). Ik moest denken aan wat Alfred Schaffer in Trouw zei toen hij de PC-Hooftprijs kreeg. Hij zei iets over een verschil tussen Zuid-Afrika en Nederland. Hij zei dat hij in Nederland in een defecte trein zat en dat het hem toen opviel dat niemand met elkaar begon te praten, terwijl dat in Zuid-Afrika wel zou zijn gebeurd. Ook bij mij begon niemand een gesprek. Iedereen knikte op de maat van de muziek en onderging het geheel met gelatenheid, berusting misschien. Een enkeling belde dat hij of zij later zou komen. Overal zag ik duimen over telefoonschermen bewegen. In de coupés ben ik vaak de enige die een papieren boek leest. De rest van de mensen zit op hun telefoon. Sommigen kijken zelfs series; ze houden hun telefoon horizontaal en kijken ernaar terwijl ze er niet op tikken of vegen.

De mensen op het perron appten dat ze later waren of verzetten afspraken. Wat is Signal of Whatsapp of welke andere berichten-app dan toch ook een zegen. En toch… Er is mij iets opgevallen de laatste tijd: weinig afspraken die ik maak, beginnen ook daadwerkelijk op de vooraf afgesproken tijd. Er is altijd wel weer een berichtje dat meldt: ‘Sorry, iets later!’ Of: ‘Ik rijd nu weg! Omw.’ Of: ‘Oh, de trein rijdt net voor mijn neus weg!’ En: ‘Oh, helemaal door mijn wekker heen geslapen! Kom er zo snel mogelijk aan!’

Het is een beetje flauw om te zeggen, maar ik had een tijdje geleden een afspraak met iemand die geboren is vóór de uitvinding van de mobiele telefoon en die was dus precies op tijd. We hadden een tijd afgesproken en daar bleef het bij.

Het ergste is dat dat gehannes met de tijd algemeen geaccepteerd is, want in elke groep waar ik in heb gezeten gebeurt het. Het heeft iets te maken met gemakzucht, denk ik. Juist omdat het zo makkelijk is om even een berichtje te sturen doen mensen het (soms bellen ze ook om te zeggen dat ze later zijn of nu wegrijden. Ik weet eigenlijk niet wat ik erger vind). Maar gemakzucht is wellicht niet de enige verklaring. Misschien is het ook een soort uiting van een bepaald individualisme. Mensen denken niet meer aan de ander. Denken niet meer na over hoe die het vindt als ze niet komen opdagen op het afgesproken tijdstip. Of als dat tijdstip steeds wordt opgeschoven.

Van Alfred Schaffer gaan mijn gedachten naar Antjie Krog en dat schitterende gedicht Probeerslag 1: die bus, waarin ze probeert haar medemensen in de bus te verdragen: ek oefen om lief te hê. Ze kijkt om zich heen en ziet al haar medepassagiers, ergert zich aan hen, walgt van sommigen van hen, maar probeert te onthouden dat iedereen met elkaar verbonden is. Zij keek zeer zeker niet op haar telefoon terwijl ze in de bus stond. Maar misschien is dat wel iets dat eigen is aan schrijvers: om je heen kijken om materiaal op te doen voor een roman of een verhaal.

Op Holland Spoor heerste de stilte. Heel af en toe werd er wat gepraat, en dan alleen tussen mensen die sowieso al samen reisden. Ik nam de trein terug naar Leiden en had mijn afspraak online. In de trein terug keek weer iedereen op hun telefoon. En ik, ik las een kort verhaal van Salinger. Maar dat komt natuurlijk eigenlijk op hetzelfde neer.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.