In it to Guinness 4

Sinds hij in Los Angeles woont lukt het Col niet vaak om hierheen te komen, maar vorige week had ik geluk: weinig is zo fijn als een van je oudste vrienden op je stoepje treffen. Ik kwam mijn huis uit en daar stond hij, ontspannen leunend tegen mijn geparkeerde fiets.

Ik keek achterom naar de ramen van ons appartement, waarvan er een openstond. B straalde me aan, haar onderarmen op de leuning – ze had me onder valse voorwendselen naar beneden gestuurd.

Toen hij doorkreeg dat ik aan hem voorbij wilde lopen, veerde Colin op. ‘Waar ga je heen, Gil?’

‘Boter halen,’ zei ik. ‘Want dat moest van B.’

‘Zal ik met je mee?’

Ik trok een schouder op. ‘Het is een vrij land.’

‘Je weet dat je een knuffel wilt,’ zei Col, en hield me staande. ‘Je hebt me vreselijk gemist.’

De laatste keer dat ik met jou op pad ging, liep ik gekneusde ribben op.’

Ik maakte een schijnbeweging en stapte hem voorbij, maar Col rende vooruit, draaide zich om en ging met gespreide armen voor me staan. Zijn omhelzing was warm en duurde lang; mijn vriend rook naar heel lang in het vliegtuig zitten, en ik vroeg me af waar hij zijn koffers had gelaten, of hij dit keer een hotel genomen had.

De traditie wil dat Colin op het onderste matras van Nadims stapelbed logeert, iets waar mijn zoon zich altijd vreselijk op verheugt, ook omdat Col erg goed kan gamen en zich nimmer aan de afgesproken bedtijd houdt.

‘Dus,’ zei Col toen we aankwamen bij Rief op de Marnixstraat. ‘Heb je hem al gezien?’

Abdellatief leek goddank niet door te hebben wie er in zijn winkel stond, en had dan ook Nederlands gesproken tegen Colin. Een dame met een gehaakte tas in rastakleuren probeerde heel erg niet naar hem te kijken, en bloosde daar ook bij.

‘Je film?’ zei ik, terwijl ik een pak boter uit de koeling haalde.

Col hield een paar stevige aubergines op. ‘Deze zien er lekker uit.’

‘Het is januari, gek. En ik heb hem nog niet gezien, maar ik hoor dat het over oude vrienden gaat, waarvan de een de ander saai vindt. Die saaie is nog rossig ook.’

Colin mikte vier aubergines is zijn mandje en zocht ook een doos frambozen uit. Hij weet dat Ada (6) die dingen niet kan weerstaan. ‘Ik denk dat je er wel iets in zult herkennen.’

‘Kwam je helemaal naar Amsterdam om het met me uit te maken?’

Hij trok een dikke wenkbrauw op, stopte een aardbei in zijn mond en kauwde. Aan zijn grimas te zien viel het winterkoninkje wat zuur uit. ‘Dat nooit, Gil. Wij blijven altijd samen.’

Met onze inkopen wandelden we terug naar huis, waar Colin besprongen werd door Nadim (11) en in haar kamer werd opgewacht door Ada, die zich altijd eerst verkleedt en opmaakt voordat ze haar oom onder ogen komt. Hoewel hij geen woord Nederlands spreekt, babbelt ze heel graag met Col, en als ze de kans krijgt is ze altijd in zijn buurt te vinden.

Colin las haar voor uit Foeksia de miniheks en kreeg bij het uitspreken van die naam steeds de slappe lach. Misschien hadden we op weg naar huis geen jointje moeten kopen. Uiteindelijk gaf hij het op en las Fred het hert, waarna hij aanschoof bij Nadim voor een paar rondjes op de playstation.

Omdat het feest was maakte ik een pasta met wangspek en Spaanse artisjokjes, waarbij we misschien iets teveel wijn dronken. Toen onze glazen leeg waren zei Colin dat hij Otis de hond wilde uitlaten, dat hij nog iemand moest bellen voor werk; een uurtje later kwam hij terug met twee flessen Chianti van San Giusto a Rentennano.

‘Ik ken een gozer,’ zei Col toen hij mijn verbazing zag. Hij had ook een grammetje Bel Dia van de coffeeshop op de hoek. Een echte vriend weet wat je lekker vindt.

Toen de kinderen in bed lagen klommen we het dak op om daar nog een tijdje te lullen. B kwam melden dat ze ook maar eens ging slapen en kreeg een kus van Colin, die net een klunzig jointje draaide, me onderwijl verzekerend dat het perfect ging worden. Opeens besefte ik dat het voor het eerst in weken niet geregend had.

‘Wat een dag,’ zei ik, en nam het broddelwerkje van hem aan. Hij gaf me vuur, ik inhaleerde. Withete hompen hasj rolden als nagloeiende lava over mijn trui.

‘Is het oké als ik onder Nadim crash?’ vroeg Colin.

‘Maar natuurlijk,’ zei ik. ‘Volgens mij heeft hij je bed al opgemaakt.’

‘Episch.’

En dat was het – het was een epische dag geweest en straks zou ik – ook voor het eerst in weken – groots en meeslepend slapen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

recent

Sorry

Na een ruzie met een jeugdvriendin besloot ik naar de boekwinkel te gaan om een poëziebundel te kopen. Het een had niet veel met het ander te maken, maar ik was gefrustreerd, wilde er even uit en baalde van het feit dat ik nooit excuses kon maken: ik had iets venijnigs gezegd over haar nieuwe vriend. Roestige, lelijke jaloezie, die terugging naar de vierde klas, een soort jaloezie die ik in al die jaren niet meer had gevoeld, maar ineens weer was teruggekeerd als een hardnekkige jeugdpuist. Met een vijfletterwoord was de situatie misschien opgelost, maar ik had niets gezegd en was weggelopen.

Toen ik de deur van de boekwinkel opentrok, liep er een grijze dame tegen me aan. Ze wierp een geagiteerde blik, maaide met haar handen en wurmde zich langs mij heen, de deuropening door.

‘Van sorry ga je niet dood, hoor,’ siste ik haar toe, terwijl ik van mezelf schrok, en omdat ik daar, gezien haar verlopen voorkomen, wel eens ongelijk in kon hebben. De dame reageerde niet, stak een kraslot in haar jaszak en slofte weg. ‘En veel geluk,’ mompelde ik haar sardonisch na.  

In de rij voor de kassa stond een meisje. Ik hield de uitgekozen bundel tegen mijn buik als een baby, alsof de gedichten beschermd moesten worden tegen iets of iemand. Het meisje plukte wat neurotisch aan haar kortgeknipte haar, bewoog onrustig en tikte met haar voet onophoudelijk op het platgetreden tapijt dat in de winkel lag.

De man voor haar in de rij bestelde een pakje sigaretten, griste zijn verslaving van de toonbank en beende de winkel uit. Het meisje deed een stap naar voren, keek naar de kaartenmolen en draaide het ding rond. Voor bijna alle grote én kleine momenten in het leven bleek een stuk papier te zijn: geboortes, sterfgevallen, verjaardagen, het slagen voor de middelbare school, een rijbewijs en een examen, beterschapswensen, verhuisberichten – bijna alles.

 ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ vroeg de bebrilde man achter de kassa, nadat het meisje de molen drie keer had rondgedraaid, alsof ze hoopte dat na ieder rondje uit het niets nieuwe kaarten in de rekjes zouden verschijnen.

‘Hebben jullie ook sorrykaarten?’ hoorde ik haar zacht vragen, en ze gaf de molen een laatste, zachte zwaai.

‘Sorrykaarten?’ vroeg de bebrilde man, en krabde aan zijn ongeschoren gezicht.

‘Ja, sorrykaarten. Een kaart met Sorry erop. Een soort van bedankkaart, maar dan net anders.’

De man gaf nu zelf de molen een zwaai, schoof zijn bril wat verder naar het puntje van zijn neus en ging met zijn knoestige vingers langs de kaarten, terwijl hij wat onverstaanbare woorden mompelde. Ik vroeg me af in welke situaties je iemand een sorrykaart zou sturen. Een vergeten verjaardag? Een ruzie? Of iets veel ergers? Het was duidelijk dat het meisje dat vijfletterwoord niet in het echt tegen iemand wilde zeggen. Dit excuus moest met enige afstand gemaakt worden, met een postzegel, of werd snel en haast onzichtbaar door iemands brievenbus gedaan, of zou als een vondeling in een postvakje gelegd worden, misschien. Schaamte, misschien? Of lafheid? Of juist een oprecht excuus? Een kaartje sturen is een handeling, kost moeite, geeft het excuus wat meer gewicht. Woorden zijn terug te nemen, postzegels niet.

En: hoeveel jonge mensen zouden er nog kaarten versturen? Het meisje was waarschijnlijk niet ouder dan twintig, en ik had voor mijn twintigste één keer een kaart gestuurd, aan mijn jeugdliefde, toen ik op vakantie was.

De bebrilde man had de molen al twee keer rondgedraaid. Ook nu waren er geen nieuwe kaarten verschenen na het ronddraaien. Geen magie in deze boekwinkel op een woensdagmiddag, dacht ik. Hij drukte zijn bril weer omhoog, pakte een kaart uit het rek en keek het meisje aan.

‘Hier staat Het spijt me op, is dat ook goed?’

Het meisje schudde resoluut haar hoofd.

‘Nee, er moet echt Sorry op staan,’ zei ze en slaakte een geknepen zucht. ‘Wat moet ik nu?’ vroeg ze, met de grondtoon van beginnende wanhoop. Haar stem trilde en het leek alsof ze elk moment in tranen uit kon barsten. De bebrilde man werd een beetje zenuwachtig.

Het spijt me lijkt erg op Sorry,’ probeerde hij nog, maar het hielp niet.

‘Nee, laat maar. Bedankt,’ mompelde het meisje en liep met korte passen de winkel uit. De bebrilde man keek haar wat onbegrijpend na.

‘Sorry. Succes, dan,’ riep hij, zich ogenschijnlijk niet bewust van de ironie van zijn uitspraak. Het meisje had een punt: er is een groot verschil tussen Sorry en Het spijt me. Sorry is makkelijker dan Het spijt me. In Het spijt me ligt een zwaarder gewicht dan Sorry, een mens kan Sorry zeggen, en het tegenovergestelde denken, maar in Het spijt me ligt een vorm van berouw die onomkeerbaar is. Kennelijk had ze ook weer niet zó veel berouw dat Het spijt me ook een optie was.

Ik had het te doen met het Sorrymeisje. Toen ik weer buiten stond, werd ik gebeld door de vriendin met wie ik ruzie had gemaakt. Ik nam niet op. Vandaag was geen dag voor excuses, dacht ik, zowel voor het Sorrymeisje als voor mij. Maar: ik begreep haar wel. Soms is een kaartje de juiste oplossing. Morgen, misschien. Dan zou ik, wie weet, een kaartje sturen. Niet met Sorry, maar met Het spijt me erop, want mijn berouw was eigenlijk al onomkeerbaar. En: ik wist nu waar ik moest zijn om dat kaartje te halen. 

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De wereld in 48 stukken – 0

In een van mijn vroegere huizen had ik een kaart van Zuid-Amerika boven mijn bed hangen. Dat betekent dat ik inslapend of zojuist ontwakend de landen kon oefenen, zodat ik zou weten welke daar allemaal lagen, en zodat ik kon dromen dat ik daarheen zou reizen. Colombia, Paraguay, Brazilië, Suriname. In mijn huidige huis hing een grote wereldkaart op zachtboard geplakt aan de muur. Er staken spelden met vlaggetjes in op plaatsen waar ik was of heen wilde. Die moest eraf omdat de muur geverfd werd. Ik trok die grote kaart langzaam van het zachtboard af en hij stond een weekje opgerold in een hoek, te twijfelen over hoe nu verder. Totdat ik hem vanmiddag neerlegde en met een schaar in stroken knipte, zodat ik de stukjes passend kon maken om een voor een in mijn dagboek te pakken.

Mijn dagboek dicteerde de omvang: ze zijn gemiddeld 19 bij 11 centimeter. Twaalf stroken van noord naar zuid, vier uit elke strook. De kaart is natuurlijk 180° van noord naar zuid, 360° van west naar oost. Een strookje is meestal een stuk aarde van 45° hoog en zo’n 30° breed. Later ga ik nog eens goed rekenen welk oppervlak dat is.

Waarom kaarten zo’n onstilbare aantrekkingskracht op mij uit oefenen denk ik wel te kunnen achterhalen als ik 48 weken lang (vier weken vakantie, waar zou ik eens heen gaan…?) steeds zo’n stukje aarde of zee goed bekijk. Van mijn grootvader heb ik een oude Leopoldsatlas waarop hij netjes aantekende hoe snel de reis per bananenschip door het Panamakanaal vorderde toen hij in 1953 een jaar op reis was. Dus misschien zijn het de genen after all.

En ik zal steeds een week naar de kaart moeten kijken voordat ik weet wat dat stuk wereld me te vertellen heeft. En ik zal wat problemen moeten overwinnen: wat te schrijven over de grote hoeveelheid blauwe stukken? Of wat te schrijven over een strook waar ongeveer heel Europa op valt? En er moet veel aan poëzie gerefereerd worden, deze van Mary Oliver bijvoorbeeld:

The old poets of China

Wherever I am, the world comes after me.
It offers me its busyness. It does not believe
that I do not want it. Now I understand
why the old poets of China went so far and high
into the mountains, then crept into the pale mist.

Maar waar het te plaatsen? Op de eerste kaart, links bovenaan, waar Amerika voor het eerst in zicht komt, (Oliver is een voormalig Poet Laureate van dat land) of eerder ergens in de 40 als we bij China zijn aanbeland?

Bij de eerste maar, want de wereld komt achter ons aan. En het zou over geschiedenis moeten gaan, over reizen, over boeken ook. En over boeken over kaarten (zoals Milo van Bokkums onvolprezen Grensstreken, of On the map van Simon Garfield)

Maar volgende keer dus eerst over de Tsjoektsjenzee, en de grens tussen Amerika en Rusland, in Kaart nummer 1.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.