De voorspelling

Peer begon deze week tijdens het eten over Paul de Octopus – een achtarmig dier dat voorspellende gaven werd toegedicht. Ten tijde van het WK in 2010 was ik twaalf, dus ik kan me er vaag nog wat van herinneren, maar het nieuws over die helderziende octopus was kennelijk niet blijven hangen. Peer is ouder, en was al twintig toen die octopus het tot krantenkop had geschopt.

Ze diept wel vaker absurde feitjes op als we een normaal gesprek voeren, en wist ook te vertellen dat er een kat heeft bestaan die Achilles heette, die ook wat voorspellingen had gedaan – een goedgelovig mens zou daarin kunnen geloven, of een achterlijk mens. Wij behoorden tot die laatste groep, maar dat kwam vooral omdat we al aangeschoten waren.

We hadden het over de verkiezingen, wisten allebei wat we gingen stemmen, hadden samen wat debatten gekeken en wat peilingen besproken, maar dus vooral veel wijn gedronken, tot we tot de conclusie waren gekomen dat er geen peiling te trekken viel op de aanstaande uitslag. Kort daarna was Peer over die octopus en die kat begonnen. Ze was opvallend soepel opgestaan, nam Madame Bovary op haar arm (die dat gedwee toeliet), en vroeg of ik nog wat lekkers voor mijn viervoeter in huis had, terwijl ze al naar mijn keukenkastjes liep.

‘Als jij even drie papiertjes scheurt en daar de grootste drie partijen op schrijft,’ beval ze, terwijl ze met één hand door mijn kastjes ging en met haar andere arm Madame Bovary tegen zich aangedrukt hield.

‘Je wilt toch niet –‘

‘Ja. Wie weet!’ zei ze, met de lach die ze altijd op haar gezicht heeft, alsof iemand haar tien minuten geleden een grap had verteld en de laatste restjes van die lach nog in de groeven van haar gelaat stonden.

Tien minuten later keken we gespannen naar Madame Bovary, die we los hadden gelaten op de drie grootste partijen, die gereduceerd waren tot een schoteltje met paté. Ze had het tafereel eerst van een afstandje bekeken, was langzaam naar de schoteltjes toegelopen, terwijl wij onze adem inhielden en nipten aan de laatste restjes wijn die we nog hadden.

‘Als ze van de VVD gaat eten, brengen we haar meteen naar het asiel,’ zei Peer.

‘En als ze van de NSC eet, gaat ze een week op rantsoen,’ voegde ik toe, terwijl het orakel haar tong al uitstak naar de paté die op het bordje van de VVD lag.

Nog voordat ik het kon roepen, had Peer vrij hard ‘Lief, niet doen!’ geroepen tegen de helderziende in de dop, die nietsvermoedend wilde beginnen aan de VVD-snack. Het arme beest was zo geschrokken dat ze weg was geschoten, via de krabpaal de kast op probeerde te komen en daarbij een vaas omstootte, die uiteenspatte op de vloer.

Nadat we Madame Bovary gerustgesteld hadden en de band tussen Peer en haar weer hersteld was, waren we naar bed gegaan, zonder echte voorspelling – dat was maar beter ook, want we hadden een ramp voorkomen, vonden we. We hadden nog steeds geen flauw idee wat de kapotte vaas nu precies betekende (het moest een diepere betekenis hebben), hadden er allerlei complotten op losgelaten, maar kwamen er niet uit.

De wijn bonkte in mijn hoofd, en toen ik net in halfslaap was gevallen, draaide Peer zich naar me toe en stootte me aan.

‘Ik weet wat het betekent!’ riep ze, terwijl ik de dekens over mijn hoofd trok en wat chagrijnigs mompelde.

‘Nou?’

‘Dat we morgen even naar het tuincentrum moeten, zodat ik een nieuwe vaas voor je kan kopen.’

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

recent

En dan…slaat het om

Eergisteren was dan eindelijk het moment om De schim van Raamswolde ten doop te houden. Vijf uur, in de ‘tuinkamer’ van Uitgeverij van Oorschot. Ik had mij van tevoren behoorlijk nerveus gemaakt, maar de zenuwen verdwenen als kakkerlakken waar het licht op valt toen ik een stukje kon gaan voorlezen. Daarna, tijdens het signeren, kwam ik zelfs in een jolige stemming. Ik kreeg cadeaus (vooral drank), kaarten, warme handdrukken en knuffels. We proostten op een tweede druk, we dronken, we lachten. Het was goed. Nee, meer dan goed. 

Met zijn goudgele lichten leek de hele Herengracht te delen in mijn vreugde toen ik later met een volle klapkrat naar de auto waggelde. 

Voor we vertrokken deelden mijn vrouw en ik een sigaartje. Met het opbranden van de tabak, groeide in mij langzaam een onaangenaam gevoel. Ik herkende het, dit had ik altijd na een feest: klein verdriet omdat het afgelopen was. Niet te veel aandacht aan besteden. 

Tijdens het rijden was ik stil. We stopten bij een wegrestaurant, maar ik at weinig. Boven mijn ogen zwol hoofdpijn aan en ik was een beetje duizelig. 

Nadat we thuis de kinderen naar bed hadden gebracht, zei ik: ‘Weet je wat het is? Ik voel mij zo leeg. Had ik niet verwacht.’ 

‘Je hebt natuurlijk veel indrukken opgedaan vandaag,’ zei mijn vrouw. 

‘Nee, dat is het niet. Ik ben totaal niet moe.’ 

‘Toch de zenuwen misschien? Mensen gaan er nu iets van vinden.’ 

‘Daar ben ik, gek genoeg, helemaal niet zenuwachtig voor,’ zei ik. ‘Je moet zelf tevreden zijn met je boek en je uitgever moet er tevreden mee zijn. Daar gaat het om. Volgens mij heeft Wolkers dat ook eens gezegd.’

‘Ben je misschien bang dat je de noodzaak niet meer voelt om verder te schrijven?’

‘O nee, ik heb een paar ideeën waar ik zelfs heel erg de noodzaak van voel.’ 

Ik houd al jaren een klein archief bij met mogelijke plotlijnen, krantenknipsels waar misschien iets in zou kunnen zitten en jeugdherinneringen. Ook heb ik drie plannen van toekomstige romans op de plank liggen die blijven roepen om geschreven te worden. 

‘Ik denk dat ik gewoon heimwee heb naar het schrijfproces,’ zei ik. ‘Naar de concentratie die nodig is om stijlvast te blijven, het puzzelen, het spelen met woorden, het sleutelen aan de alinea’s.’ 

Hoe lang heb ik al niet geschreven? Toch zeker al sinds de zomer niet meer. Natuurlijk heb ik daarna de drukproeven nagelopen (en ik blog nu al enkele weken), maar dat telt niet als schrijven, wat voor mij betekent: opgeslokt worden door iets dat net zo groot en werkelijk is als de dagelijkse realiteit. 

Zoals ik wel vaker doe, zocht ik steun bij mijn boekenkast. Had Ilja Leonard Pfeijffer hier niet eens iets over geschreven? Ik meende mij zoiets te herinneren. In Het geheim van het vermoorde geneuzel? Of Brieven uit Genua? Ik bladerde door de boeken. Nee, hier stond het niet in… Ik pakte Hoe word ik een beroemd schrijver? van de plank. Op de eerste bladzijde bleef ik meteen al hangen aan een passage waarin Pfeijffer schrijft dat schrijven voor de echte schrijver een instinct is. Het is ondenkbaar om het niet te doen.

Ik las het luid voor. Klopt helemaal. Ook ik krijg het benauwd als ik een poosje niet schrijf. De afgelopen maanden ben ik continu onrustig geweest en heb ik mij uit verveling bemoeid met allerlei zaken die mij niets aangaan en conflicten uitgelokt. Als ik geen schrijfproblemen op te lossen heb, ga ik blijkbaar in het echte leven problemen zoeken. (Pfeijffer gaat zelfs nog een stap verder en vergelijkt schrijven met ademhalen. Ook hierin geef ik hem graag gelijk, maar dan zou ik door de mand vallen. Ik zou dan immers nu dood moeten zijn.)

Was dit wat mij dwars zat? Enkele pagina’s verder vond ik het antwoord. Wanneer een boek af is, zegt hij, is er niet alleen euforie, maar ook rouw. Dit laatste omdat hij op dat moment gelijk zijn interesse in het boek verliest. Het is dan aan anderen om het te lezen.

Verdomd. Ik besefte dat mijn zojuist gepresenteerde roman niet meer van mij was, maar van de lezer was geworden. Ik herinnerde mij nu ook een aardig interview met Allard Schröder waarin hij zegt dat het boek van de lezer is en hij er dus als schrijver niets meer mee te maken heeft als het eenmaal in andermans handen terecht is gekomen.

‘Lieverd, ik ben in róúw. Hallo? Hoor je wat ik zeg?’

‘Luid en duidelijk,’ zei mijn vrouw. ‘Daar moet je even doorheen, denk ik.’ 

‘Gelukkig heb ik net vier flessen whisky gekregen.’ 

‘Dat dacht ik niet!’ riep ze. ‘Die drank gaat achter slot en grendel, vriend.’ 

"Foto van Alexander Baneman"
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Japan: veel in weinig

(De wereld in stukken 42)

Beminnelijk hoe
de navigatiedame
zegt: ‘Take the left lane.’

Door de ruit van je snelle Mazda-automaat is de Fuji niet zo heel anders dan op een houtblokprint van Hiroshige. Er is nog niet eerder een landkaartkaart geweest denk ik, waar zo’n interessant land in zijn geheel op staat. Wat de beperking van 500 woorden zo pijnlijk doet gevoelen. Maar de uitkomst wordt bijgeleverd: de haiku. Die versvorm kan immers ook zoveel duiden en tonen op zo korte baan. Recent verscheen Matsuo Bashō Verzamelde haiku’s.

Inktviskruiken –
vluchtige dromen
onder de zomermaan.

Het boek verzamelt ze allemaal en geeft onschatbare context. De haiku is het kortste bewijs van wat opvallendst is aan Japan: alles is anders. En folkelt van vreemdheid. De reden waarom er rondreizen zo’n feest is: de voortdurende verbazing.

Zet de wc aan
verbloemend geluid zorgt voor
ontspannen verblijf

Ik ken een vertaalster die een prijs won en overwoog er twee Japanse toiletpotten voor te kopen, met een scala aan mogelijkheden: een hele reeks geluiden en muziekjes om de schaamte van lichaamsgeluid te kunnen helpen voorkomen, door het geluid te maskeren. En een scala aan douches voor de optimale lichamelijke hygiëne. Koud en warm.

Toe, winterbui, door-
drenk alle aanwezigen,
hoe koud ook dit huis

In weer en wind – de Ukiyo-e – de prints van beroemde kunstenaars als Hiroshige of Hokusai, tonen een wereld in zomer en winter die tegelijkertijd totaal verdwenen als overal nog zichtbaar is. In het Sieboldhuis in Leiden zag ik een tentoonstelling van vroege fotografie in Japan en het opmerkelijkste was dat in de opnamen bleek dat er in de veel oudere prints niet zoveel gestileerd is als je wel denkt: de stilering is in ieder geval ook in de fotografie die soms straatbeelden geeft echt aanwezig. Met andere woorden, tot aan de manier waarop mensen staan in die afbeeldingen, en die je nu afwijkend voorkomen, volgden ze de waarneming. Ook dat was anders. En is het soms nog.

Bestel je eten
bij de automaat vooraan.
Na de maaltijd: weg!

De wonderlijke restaurantervaring: vooraf betalen bij een machine, geserveerd krijgen en weglopen als je klaar bent. Iets wat eerlijk gezegd zeer goed voelt.

Bloeiende chrysant –
soms zelfs een gemarineerd
hapje bij de sake!

Over de keuken kun je rustig een leven lang nadenken. Of over het glazen potje met een sardientjesachtig dekseltje waar sake in zit. En dat je steeds gehechter aan dat drankje raakt.

Telefoonnummer
is de code voor tomtom;
elk huis een lijn.

Zoiets: dat verbaast al, je voert het telefoonnummer van het huis waar je heen wilt in, en dan kom je aan. (Op plaatsnaamborden navigeren valt zonder kennis van de karakters niet mee.) Het feit dat niet je nummer meeverhuist is al zo opmerkelijk dat je realiseert dat op deze diepte de al structuren, maar nog veel dieper* alles steeds anders is.

Na mijn vertrek
uit de hoofdstad was ik dagenlang
met de goden op weg.

De even haiku’s zijn uit Matsuo Bashō Verzamelde haiku’s. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Jos Vos.

Verder, een eveneens onmogelijke beperking in 5 titels:

Yukio Mishima Een zeeman door de zee verstoten
Sei Shōnagon Hoofdkussenboek
Jun’ichirō Tanizaki De brug der dromen
Haruki Murakami De opwindvogelkronieken
* lees hiervoor: Ian Buruma De spiegel van de zonnegodin

Naar kaart 43

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.