Drie keer sorry

(De wereld in stukken 27)

In Bonn ligt het graf van Lothar von Trotha. In 2020 was er nog een relletje omdat een groep mensen een mededeling wilden in de buurt van dat graf over wie dat heerschap eigenlijk was. Er waren ook nogal wat mensen tegen. De Frankfurter Allgemeine schrijft: ‘Het ethisch radicalisme van de historisch-politieke beeldenstorm heeft een nieuw niveau van escalatie bereikt. Misschien is dit het laatste. De activisten van de groep “Bonn Postkoloniaal” roepen de stad Bonn op om “kritisch te reageren” op het graf van generaal Lothar von Trotha, die in 1920 in Bonn stierf, op de begraafplaats van Poppelsdorf. Het is niet genoeg voor hen dat Trotha’s naam is gekrast op een mededelingenbord bij de ingang van de begraafplaats. Ze eisen dat de stad een bord op het graf plakt waarop staat dat de gouverneur van Duits Zuidwest-Afrika verantwoordelijk is voor de genocide op Herero.’

Is er zoveel veranderd in drie jaar? Mij lijkt het ook niet zo gek om iets te melden. Maar de columnist heeft het vooral over de rust die we de doden moeten gunnen. Maar de zielerust van welke doden dan?

Von Trotha was opgedragen iets aan de opstand van de bevolkingsgroep de Herero te doen in Duits West-Afrika, de kolonie waarnaar Duitsland zo diep had verlangd. Het leidde tot het zogenaamde ‘Vernichtungsbefehl’ – elke Herero met of zonder wapen moest gedood worden – en aldus tot de eerste genocide van de 20ste eeuw. In 2023 verschijnen zijn dagboeken, die mogelijk meer licht werpen op het hoe en waarom: Lothar von Trotha in Deutsch-Südwestafrika, 1904–1905. Band I: Das Tagebuch. Band II: Das Fotoalbum.

Veel van het geschreven materiaal is op een zadel van een lopend paard geschreven, dus transcriptie had nogal wat voeten in de aarde.

Het is niet de enige uitzinnigheid die de Duitsers in Namibië bedreven – zoals op deze kaart de Nederlanders dat in Zuid-Afrika en de Belgen in de Congo deden etc.- Beroemd is die rare ‘pan handle’ in het noordoosten van dat land, de Caprivistrook. Naar nog zo’n adellijke Duitser: Georg Leo Graf von Caprivi de Caprara de Montecuccoli, die ooit Zanzibar namens Duitsland voor Helgoland ruilde en met deze vreemde strook wilde trachten een verbinding tot stand te brengen tussen de west- en de oost-Afrikaanse koloniën van Duitsland, wat nooit helemaal lukte, maar wel een eeuwendurend probleem voor de lokale bevolking tot stand bracht. Een landschap van grote fouten derhalve.

Toen ik op zoek ging naar wat informatie over de rotsschilderingen van de San, of Bushmen in Namibië stiet ik al vrij snel op een naam die ik uit boekhandeltjes wereldwijd kende: Laurens van der Post, en me dan altijd afvroeg wie hij was en waarom ik van die Nederlandse auteur nooit iets gelezen had. Welnu, de Afrikaans-Britse schrijver en documentairemaker van Nederlandse afkomst maakte een reeks films over de San en schreef over hen.

Gisteren in Sedbergh, Yorkshire kocht ik zijn A Walk with a White Bushmen. Ik was een beetje gewaarschuwd. Alles wat Laurens van der Post aangaat komt inmiddels ook met een bord vol voorbehoud: na zijn dood bleek nogal wat van wat hij beweerde totaal verzonnen en hij vertelde daarentegen nooit over het meisje van 14 dat hij zwanger maakte, maar dat kwam dan weer uit… Slordig.

In het boek spreekt Van der Post met Jean-Marc Pottiez. De vragen zijn steeds een kleine opmaat voor een wagonlading aan betrekkelijk zelfvervulde wijsheid van het type: ‘in Europa had niemand in de jaren ’30 door dat het oorlog zou worden, maar ik wel’ (echt waar, het staat er in). De wereld heeft overigens weet van Carl Gustav Jung door Laurens van der Post, dat u het weet. De toon van deze avonturier, goede bekende van koning Charles en Margereth-Thatcher-fluisteraar is nauwelijks uit te houden.

Toch een bushman anecdote: Laurens achtervolgt samen met een Bushman een buffel als de Bushman opeens afwijkt van het spoor: ‘ik volgde hem hoewel ik duidelijk de buffalo sporen de andere kant op zag gaan. Toen hield hij stil achter een bosje en wenkte me en daar stond een antilope voor me, die ik schoot. En ik vroeg hem: hoe wist je dat die antilope hier was? En hij zei: opeens terwijl we die buffalo  achtervolgden, waren mijn ogen vol antilope, en ik ging de kant op waar mijn ogen vol van waren en daar was de antilope.’

Ik doe Van der Post ongetwijfeld schromelijk tekort, maar oude zelfvervulde witte mannen zijn nu eenmaal steeds moeilijker te verkroppen. Er moet minstens een bordje bij. En op dit kaartje zijn duidelijk nog wel wat belangwekkender partijen tekortgedaan. Voor mij zijn de verhalen en tekeningen en mythes van de San nu pas goed begonnen, ik achtervolg ze de komende tijd maar een beetje en kijk waar mijn ogen vol van raken…  

Zie ook

https://africanrockart.britishmuseum.org/country/namibia/twyfelfontein/

zie ook porterville galleon, een San rotstekening van een waarschijnlijk Hollands galjoen.

Lezen (uit Zuid-Afrika): Anna Louw Kroniek van Perdepoort

Naar kaart 28

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent
Krantenartikel over het toneelstuk

Eigen waarde

Er was een periode waarin veel Surinamers zich schaamden om Surinamer te zijn. Hun gebruiken zoals de taal, cultuur en godsdienst werden namelijk onderdrukt door de kolonisator, vooral die van de Afro-Surinamer. Alles van het buitenland was beter, met name van Nederland, zoals de variant van de Nederlandse taal, literatuur, producten en godsdienst. De bundeling Wie Eegi Sani bracht daar verandering in.

In een interview in de Volkskrant van 1 december 2021 vertelde Cynthia McLeod dat Surinamers vroeger hebben geleerd dat alles wat met Suriname te maken had, slecht, dom en minderwaardig was. ‘Pas in de jaren vijftig, zestig kwam daar een beetje verandering in, speelden sommige schoolboekjes zich af op een erf in Suriname. Maar wij hebben geleerd dat alles wat zwart of gekleurd was, alles wat met Suriname te maken had, slecht, dom en minderwaardig was. Dat is een van de wrede nawerkingen van slavernij en contractarbeid en werkt nog altijd door in de mensen tot op de dag van vandaag. De mensen in Europa stelden zich zonder gewetenswroeging boven ieder ander.’

Volgens informatie van The Black Archives was Wie Eegi Sani, WES, een culturele vereniging, die in 1951 was opgericht onder leiding van toenmalige rechtenstudent aan de Vrije Universiteit te Amsterdam Eddy Bruma om de Surinaamse cultuur te verheffen. Vanuit WES werden er poëzie, literatuur en theaterstukken geschreven in het Sranantongo, een taal die vanwege het kolonialisme als inferieur werd gezien ten opzichte van het Algemeen Beschaafd Nederlands.

Bruma schreef ook het toneelstuk De geboorte van Boni waarin hij de vrijheidsstrijd van de Marrons onder leiding van Boni verbond aan de strijd van Surinaamse nationalisten. Het stuk werd in 1952 gespeeld door een cast met alleen zwarte acteurs. De hoofdrol werd vertolkt door Frits Pengel, de latere directeur van de Surinaamse Televisie Stichting. Otto Sterman speelde een priester.

De Theaterencyclopedie geeft aan dat de voorstelling ‘De Geboorte van Boni’ in 1952 als een politiek pamflet werd gezien en tevens een van de eerste echte manifestaties van Surinaams theater in Nederland was. ‘Bruma schreef het stuk over de leider van de slavenopstanden in Suriname, met als duidelijke boodschap dat ook het juk van het kolonialisme moest worden afgeschud.’

Kunstenaar Nola Hatterman schilderde het iconische ‘Na Fesie’ (1953): de toekomst, die van een onafhankelijk Suriname welteverstaan. De figuren die erop staan afgebeeld speelden mee in ‘De Geboorte van Boni’, dat vrijheid en onafhankelijkheid symboliseert. Allemaal waren ze lid van de Vereniging Ons Suriname dan wel van de culturele beweging Wie Eegi Sanie.

Tot de groep Wie Eegi Sanie behoorden ook historicus Eugène Gessel en Surinaams taalkundige Hein Eersel. Zij vonden het belangrijk dat de verschillende elementen van de Surinaamse cultuur, zoals het Sranantongo, beter gewaardeerd moesten worden. De organisatie ontwikkelde zich later tot een nationalistische partij, de PNR, onder leiding van Bruma. Een partij die een grote rol zou spelen in de Surinaamse strijd om onafhankelijkheid. Volgens informatie van de Vereniging Ons Suriname was Wie Eegi Sanie ook daarvoor opgericht, om Suriname onafhankelijk te maken van Nederland. Dat gebeurde uiteindelijk ook op 25 november 1975 en het leek erop dat met het bereiken van deze mijlpaal de organisatie zou ophouden te bestaan.

Lothar Boksteen zette in een aflevering van de podcast Vrijblijvende Gesprekken uiteen dat de onafhankelijkheid een migratiestroom op gang bracht doordat veel Surinamers de nieuwe status niet zagen zitten. De organisatie besloot toen de migrantenstroom in goede banen te leiden. De migranten werden begeleid in hun proces van aanpassing in hun nieuwe woon- en leefomgeving. 

Een belangrijk aspect van het Surinamer zijn, is het leveren van strijd tegen de verschillende vormen van onderdrukking waarmee zij kregen te kampen in de loop der jaren. Zij lieten zich niet tegenhouden door beperkingen. Daarom is het belangrijk om trots te zijn op de elementen als de taal, het Sranantongo en de koto.

Veel immigranten hebben verschillende cultuurelementen waarmee ze naar Suriname kwamen, in de loop der jaren aangepast, verder ontwikkeld en hun eigen gemaakt omdat ze iets nieuws moesten opbouwen in een vreemd land. Vooral bij de immigratievieringen is het belangrijk te gedenken de kracht die ze daarvoor hebben gehad. Maar het is ook belangrijk te waarderen wat we hebben op het vlak van cultuur en die ook trots uit te dragen. Dankzij de inzet van Wie Eegi Sanie durfden vele Surinamers deze zaken beter te waarderen, en op hun werk borduur ik ook voort.

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Aftellen

In het eerste jaar van mijn stadsdichterschap werd ik overal waar ik kwam voorgesteld als ‘de nieuwe stadsdichter van Amersfoort’. Nieuw is kennelijk een rekbaar begrip, want na een half jaar was dat kakelverse er wel af, wat mij betreft, maar het deerde me niet want ik had de allermooiste baan die ik me kon wensen, in de stad waar ik zo ongelofelijk veel van hield.

Toen ik al een jaar in het dichterlijke zadel zat, vroeg een vriendelijke, duifgrijze presentatrice in de coulissen van een theater aan me of ik na een jaar nog steeds zenuwachtig was, of dat de spanning ondertussen wel weg was. Ik weet nog dat ik de presentatrice zo kalm mogelijk vertelde dat gezonde spanning een voorwaarde is voor een goede voordracht, maar dat ik altijd te gespannen raak als mensen me vooraf vragen of ik zenuwachtig ben. Ze glimlachte ongemakkelijk, liep naar het licht, en kondigde me aan als ‘Twan de Vet, stadsschrijver’. Het was een wonder dat ik nog op durfde te komen.

In mijn tweede jaar vroegen mensen vooral of het nog steeds beviel, het stadsdichterschap, en daar antwoordde ik altijd eerlijk op. Heel vaak vond ik het leuk, maar soms worstelde ik ook met hoe ik de functie precies wilde invullen, wat voor gedichten ik wilde schrijven, hoe ik de kwaliteit van mijn gedichten hoog kon houden. Het stadsdichterschap is niet alleen maar mooi, maar soms ook moeilijk, ingewikkeld en broos. Ondanks de twijfels over mijn werk en hoe ik me moest opstellen, hoewel die twijfels me wel scherp hebben gehouden, was het altijd een eer. Zo’n erefunctie is iets geweldigs, maar ik heb er altijd voor gewaakt om die titel niet groter te maken dan het is, getracht te voorkomen dat de gedichten ondergeschikt raakten aan het verschijnsel.

Nu zit ik in mijn laatste maanden – daar was ik me helemaal niet van bewust, tot mensen de laatste paar weken steeds vaker aan me vroegen hoe lang ik nog moet, wanneer ik afzwaai. Over een half jaar mag ik het stokje doorgeven, maak ik plaats voor een andere dichter. Dan ben ik weer gewoon Twan Vet, en zal daar niets achteraan komen.

De laatste paar dagen heb ik veel teruggedacht en teruggelezen – ik schrijf vrij traag, maar het verbaasde me hoeveel stadsgedichten ik de afgelopen twee jaar had geschreven, hoeveel plekken ik heb bezocht, het aantal mensen dat ik heb mogen ontmoeten. Ik heb het stadsdichterschap een beetje als een roes ervaren, maar wel een hele fijne.

Toen ik door het mapje met stadsgedichten klikte, merkte ik dat ik vooral aan de kleine momenten de beste herinneringen heb. Begrijp me niet verkeerd: de grote evenementen en gebeurtenissen waren ook bijzonder, indrukwekkend en mooi, zo denk ik meteen aan de indrukwekkende herdenking in Kamp Amersfoort, de herbenoeming van de burgemeester, de interviews met de kranten, de halfvolle zalen, maar juist de kleine momenten, waarop de inwoners van de stad heel dichtbij voelden, staan me nog het beste bij.

Er was de begrafenis van een geboren en getogen Amersfoorter waar ik een gedicht mocht voordragen, er waren de middelbare scholen waar ik langsging en in gesprek ging met de leerlingen, er was het vrouwenkoor waarmee ik in een prachtig klooster voorlas, er waren prachtige openingen van tentoonstellingen in het Rietveldpaviljoen, er was een jonge dichter die ik onder mijn hoede mocht nemen, er waren lieve mailtjes van lezers, er was de vrouw die me na een voordracht vertelde dat ze al mijn gedichten in de krant uitknipte en voorlas aan haar dementerende man, er waren de voordrachten in buurthuizen voor een handjevol mensen die luisterden voor honderd – er was veel, heel veel.

Ik ben nog niet weg: tot januari mag ik nog schrijven voor de golvende, bruisende, veranderende stad die Amersfoort is, voor mij nog altijd de mooiste stad van dit land, en voor de bijzondere mensen die er wonen. En dat zal ik doen, met alles wat ik heb, zoals ik de afgelopen twee jaar heb gedaan.

Mijn stadsdichterschap loopt dan wel langzaam af: eigenlijk heb ik nu pas het gevoel dat ik écht begonnen ben.

Beeld: Chanou van Kampen

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman