Het bos van de toekomst

(De wereld in stukken 19)

Twee aan elkaar grenzende en buitengemeen fascinerende landen op deze kaart: Suriname en Brazilië. In Suriname kwam ik een man tegen die gespecialiseerd was in slangen. Hij woonde in de jungle en de wereld van deze reptielen was alles voor hem. Er is waarschijnlijk geen kaart in deze reeks van 48 waar meer oerwoud op staat. Waarom doen we in Nederland niet iets meer ons best om ons kwade verleden op te poetsen door te helpen wat we kunnen die waardevolle wereld die een groot deel van Suriname overdekt te behoeden: het bos?

Een vies verhaal

Nooit leerden ze de mensen
in zichzelf te geloven,
groot bos,
groot land.

Ze gaven het volk
geen geloof in hun land,
noch hielp men ze om
iets eigens te doen.

Suriname, mijn grond,
ik zie je met je groen,
de vette klei,
de lianen
die zich slingeren
met hun bloemen, hun vreugden,
hun zon, hun ochtenden
van gezond leven!

Nooit leerden ze de mensen
in zichzelf te geloven,
groot bos,
groot land.

Suriname,
jij bent immers ons leven!
Voorwaar, mijn land,
hoe ver mijn blik ook moge dwalen!
Ons land met onze bossen, voorwaar!

Michaël Slory

Een olifant in de kamer, dat lijkt me de jungle in Suriname te zijn. We hebben het er niet over. Het is een waanzinnig beperkende factor in de zin van mobiliteit. Feitelijk is een goed deel van bewoond Suriname aan de noordzijde te vinden, rond Paramaribo, en dus de kuststreek. De Nederlanders hebben tijdens hun verblijf het bos vooral bestreden. Nu er steeds minder van is en er dus meer redenen zijn om het bos te koesteren, schuilt er misschien een deel van de toekomst van deze landen in het bos. Maar in de landelijke politiek in Suriname gaat het er evenmin veel over. Suriname heeft te veel economische problemen om aan behoud te denken. 80% van het land is feitelijk onbegaanbaar omdat er weinig en slechte wegen zijn, omdat er illegaal goud gewonnen wordt, hardhout gekapt, gestroopt en omdat delen in het zuiden betwist gebied zijn. Het Wilde Zuiden.

Bij oppervlakkige beschouwing lijkt er weinig oriëntatie van Surinamers op Brazilië te zijn. Te ver weg, denk ik, in alle mogelijke opzichten. Een grens die waarschijnlijk de meeste Surinamers nooit gezien hebben, laat staan gepasseerd. Waarom zou je? Het is een grens tussen bos en bos. Hoe zou die eruitzien? Deze grens wordt vooral door dieren geslecht en ik. Mondiaal van intens belang, voor de twee regeringen minder interessant buitengebied. Naast steeds minder inheemsen wonen hier relatief vrij veel geldmakers voor wie het bos een wingewest is. Maar die landen delen daar een op mondiaal niveau steeds bijzonder wordend landschap. Dat toeristisch, ecologisch en economisch belang heeft. Er zou een natiestaat overstijgende bosregering moeten zijn.

Op de centrale markt in Paramaribo kun je een interessant soort souvenirs kopen. En aan souvenirs kun je aflezen wat localen denken dat toeristen boeit. De verkoopster vertelde van heel veel dingen, versierde kalebas, bekers van bitterwortel, veren van gevogelte op welke wijze ze ontsnappende slaven, de Marrons van nut waren in het bos. In het nabije bos waren de vrije marrons de slavenhouders vele stappen voor in hun kennis van het woud, dieper in het woud was de kennis van inheemsen natuurlijk nog weer veel groter. Overal in Zuid en Midden-Amerika hebben de inheemsen het moeilijk iets te behouden van wat vele nieuwkomers hen afpakten.

Er kan nog steeds ontsnapt worden naar het bos. Goed bosbeheer zal het land vooruit helpen. Het lijkt me welbegrepen eigenbelang om aan Suriname te vragen hoe Nederland daarmee zou kunnen helpen.

Lezen Suriname:

Anton de Kom Wij slaven van Suriname (en een blog erover.)
Prakseri, Tirade met Surinaamse verhalen, 2022
Bea Vianen Strafhok
Albert Helman Het eind van de kaart

Kevin Headley over de inheemse Surinamers

Brazilië

Over de inheemse wereld: Claude Levi-Strauss Het trieste der tropen

August Willemsen Braziliaanse brieven
João Guimarães Rosa Diepe wildernis, de wegen
Carlos Drummond de Andrade Gedichten

Naar kaart 20

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

De oorspronkelijke bewoners van Suriname

De Inheemsen, de oorspronkelijke bewoners van Suriname, hebben nog steeds te verduren als het gaat om het verwerven van een plek, letterlijk, in de multiculturele samenleving van het land. De groep is onder meer nog steeds bezig met de strijd voor hun grondenrechten, die politieke partijen gebruiken als een speelbal bij de verkiezingen in hun land om hun stemmen te winnen. De uitgifte van grond voor mijnbouw en houtkap in Inheemse grondgebieden werd als aanleiding gezien van de excessen op 2 mei in Pikin Saron. Daarbij vonden twee Inheemsen de dood. Er was weer aandacht voor deze achtergestelde groep en hun strijd voor hun grondenrechten. Helaas met de slechte participatie van enkele parlementariërs werd de vergadering over de Wet collectieve rechten van inheemsen en tribale volken weer uitgesteld en een duidelijk signaal gegeven wat de prioriteiten zijn van de regering. Ook uitspraken van personen uit de Surinaamse samenleving dat de Inheemsen de achtergestelde situatie waarin zij zich bevinden zelf hebben gezocht en hen zelf niet serieus nemen, wijzen op de onwetendheid die er is over het verleden van deze groep. 

Vele namen van plekken in Suriname hebben hun oorsprong in de Inheemse samenleving. Suriname verwijst naar de Inheemse stam Surinen. Net als de naam van de hoofdstad Paramaribo en hotel Torarica, die van Inheemse komaf zijn. Hoewel de Inheemsen prominent op het wapen van Suriname staan, zijn ze verder vrij onzichtbaar in de Surinaamse samenleving. 

Documentatie over het verleden van de Inheemsen is net als over het verleden van Suriname eurocentrisch geschreven. Er waren daardoor ook stereotiepe beschrijvingen gedaan die ver van de waarheid lagen. De Inheemsen werden namelijk als lui getypeerd in boeken die over hen zijn geschreven omdat ooit eens een Europeaan in een dorp vaak de mannen overdag in hun hangmatten zag slapen en de conclusie trok dat de mannen veel sliepen en weinig anders deden. Dit terwijl de mannen vaak in de avond op jacht gaan tot de volgende ochtend en daardoor overdag uitrusten. Ook werden de Inheemsen als zwak gezien omdat zij zich snel door de Europeanen lieten overrompelen. De Inheemsen waren het eerste volk dat de Europeanen tot slaaf maakten. Ze hebben aan de andere kant ook veel strijd geleverd waarvan de Rode Oorlog, een oorlog die elf jaar duurde, een bekende is. Dit geweld was ook een aanleiding dat de Europeanen besloten Afrikanen te laten halen om als slaven te werken in Suriname. Dit kwam ook naar voren in het boek Wij slaven van Suriname van Anton de Kom en bij een presentatie van Hermine Harman over de geschiedenis van de Inheemsen. Na veel strijd en uitroeiing besloten zij dieper het bos in te gaan voor bescherming tegen de Europeanen en rust. Ze vingen daar ook de Marrons op die later van de plantages vluchtten. Jammer dat premier Rutte bij zijn excuses van 9 december 2022 niet de Inheemsen heeft gekend en genoemd.

Op zesjarige leeftijd werd ik getrakteerd op het boek Kainema de wreker en de menseneters van Thea Doelwijt waarin de Inheemsen centraal stonden. Er staan mooie illustraties in het boek van de bekende kunstenaar Paul Woei. Het boek gaat over de wraakneming van de krijger Kainema op de menseneters die zijn vader vermoord hebben. In het boek neem je ook een kijkje hoe de Inheemsen leefden en ook hoe hun mythische wereld eruit ziet. Doelwijt raakte geïnspireerd door het boek ‘De menschetende Aanbidders der Zonneslang’ van de gebroeders Penard. 

Voordat Okojo een besluit had kunnen nemen of hij te voorschijn zou komen of niet, had een groepje mannen zijn vader omsingeld en zag hij een knots door de lucht suizen. 

‘Niet doen!’ wilde Okojo schreeuwen, maar hij kon zijn lippen niet van elkaar krijgen. Hij wilde zijn ogen dichtdoen om niet te zien wat er verder zou gebeuren, maar het was alsof hij moest kijken, opdat hij dit alles nooit meer zou vergeten. Dit waren de verschrikkelijke menseneters, wist Okojo, terwijl de verhalen van zijn oma door zijn hoofd flitsen.

De wrede Indianen hingen het hoofd van zijn vader aan een tak van een boom, en begonnen daarna aan de voorbereidingen voor hun afschuwelijke maaltijd.

Passage Kainema de wreker en de menseneters, eerste druk 1977, pagina 13

De gebroeders Penard schreven in 1907 met eerbied over de geschiedenis en folklore van de oorspronkelijke inwoners van Suriname, iets wat tot dan toe ongebruikelijk was, geeft oprichter en eigenaar van Buku Bibliotheca Surinamica Carl Haarnack in zijn blog over de broers Frederik Paul Penard (1876-1909) en Arthur Philip Penard (1880-1932) die over de Inheemsen van Suriname hebben geschreven.

Vele schrijvers hebben daarna door de jaren heen ook over de Inheemse verhalen geschreven. Gerrit Barron, Kamla en de Vergulde man, Deryck Ferrier met In de ban van de bosgeest: Ontmoetingen met Panaike en Raoul de Jong met Jaguarman. Rode draad van de vele verhalen is de band die de Inheemsen hadden en helaas nu in mindere mate met de natuur. Deze werd onder meer door de kerk danig verstoord. De Inheemse stammen moesten zich namelijk massaal bekeren tot het rooms-katholiek en verloren velen de band met de natuur. Ook zijn er weinig sjamanen over.

De Inheemse volken blijven vooralsnog strijden voor erkenning van hun grondenrechten door de overheid. Zij hebben vele beproevingen moeten doorstaan en hoewel ze nog niet bereikt hebben wat ze nastreven en in aantallen zijn geslonken, zijn ze er nog. 

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

We leven nog

‘Het waren mooie dagen, als ik ze had gezien,’ zei ik tegen Eef toen ze me in de namiddag belde om te vragen hoe het met me ging, omdat we elkaar al een tijdje niet meer hadden gesproken. Na een korte stilte meldde ze dat ze over een kwartier voor mijn deur zou staan om me naar buiten te sleuren. En dat ze verwachtte dat ik tegen die tijd onder de douche had gestaan, mijn tanden had gepoetst en was aangekleed.

De bel ging toen ik mijn tandenborstel nog in mijn mond had. We stapten in haar auto en reden naar de Soesterduinen. Daar omvatte de benauwde lucht onze lijven als een grote, klamme hand en brandde de zon door onze zonnebrillen heen. Nadat we een kwartier door het zand hadden geploeterd, stopten we bij een grote boom die koele schaduw op ons wierp.

Eef toverde een kleedje en twee blikjes bier uit haar rugtas, legde het kleedje op de grond voor de boom en wierp me een van de blikjes bier toe. Ik zakte door mijn knieën en leunde met mijn rug tegen de boom. Eef ging tegenover me zitten op het randje van het kleedje, in kleermakerszit.

‘Ze zijn wel lauw, denk ik,’ mompelde ze terwijl ze het lipje van het blikje opentrok en een slok nam. ‘Ja, lauw. Maar het is bier.’

Ik knikte instemmend, opende mijn blikje ook en nam een slok.

‘We zijn vergeten te proosten,’ merkte ik op. ‘Je weet wat dat betekent.’ Eef lachte, pulkte wat aan de randen van haar topje en schudde haar hoofd.

‘Wat je niet hebt, kan ook niet slecht zijn.’

‘Heb je nog wel contact met –’ begon ik.

‘Nee. Niks meer,’ zei Eef koeltjes en nam een grote slok. ‘Heb jij nog afgesproken met –’

‘Nee. Niet meer gezien.’ Ik nam ook een grote slok en maakte met mijn voet wat cirkels in het warme zand. ‘Als ik stelletjes zie, word ik boos, maar ik weet niet goed waarom.’

‘Dat heb ik ook een tijdje gehad,’ zei ze.

‘En hoe kwam je daar vanaf?’

‘Ik kijk nu gewoon niet meer,’ lachte ze en schoof haar zonnebril omhoog, als een haarklem. ‘Hoe is het schrijfbestaan?’

‘Mooi,’ loog ik met een routine waar ik zelf van schrok. Ze gooide haar inmiddels lege blikje naar mijn hoofd.

‘Niet tegen me liegen. Dat doe je maar tegen je dates.’

‘Kut. Het is even kut,’ verbeterde ik mezelf. ‘Het schrijven niet, natuurlijk, maar de zorgen. En dat eigenlijk ook niet eens alleen, maar ik kan zo moeilijk met mezelf overweg de laatste tijd. Met de dag. En iedereen zegt dat het beter wordt, maar dat wordt het niet. Later, ja, later, maar nu wil ik mezelf liever oprollen en opbergen in een kast. Maar aan de andere kant zijn er natuurlijk ook mensen die –’

‘Het is gewoon kut dus.’

‘Ja. Maar genoeg over mij. Hoe is het met jou?’ vroeg ik, in een poging om het onderwerp te veranderen.

‘Wat heb je gisteren gedaan?’ ging Eef verder, alsof ze mijn vraag niet had gehoord, al wist ik beter.

‘Gister heb ik koffiegezet,’ gaf ik toe. ‘En moest ik huilen. Zo, ineens. Niet omdat de koffie zo slecht was, dat niet. Omdat ik al drie dagen niet naar buiten was geweest, omdat ik me zo eenzaam voelde terwijl ik dat niet ben, omdat ik niet wist wat ik in vredesnaam met mijn leven aan het doen ben, misschien. Ik weet het niet. Maar ik huilde, en –’

‘Je huilt nooit.’

‘Maar toen wel, dus. En ik was niet eens dronken.’

Eef lachte, kroop dichterbij en ging naast me zitten, tegen de boom. Ze legde haar hoofd op mijn schouder en speelde wat met de manchetten van mijn overhemd. Ik verwachtte dat ze iets zou zeggen, maar ze zei niets. De zon boog al langzaam naar beneden.

We lagen in de stilte die rondom ons hing als een schild tegen de wereld. De dag trok voor onze ogen weg. Toen de zon onder was gegaan en een grijze donkerte over het uitzicht viel, neuriede Eef het liedje van Shaffy dat ik altijd luister als de dag niet meer te tillen lijkt en kroop naar haar tas voor nog wat bier.

‘Dit zijn de laatste twee,’ zuchtte ze en drukte haar lijf weer tegen het mijne. Ik sloeg een arm om haar heen, voelde hoe de wind opstak, zag hoe het briesje het zand verschoof en keek naar het landschap dat schemerend en leeggewaaid voor ons lag.

‘De volgende keer mag jij zeuren,’ zei ik, omdat ik me schaamde voor mijn zware gemoed dat ik zo in haar schoot had geworpen.

‘Dat zien we dan wel weer,’ fluisterde Eef en vouwde haar hand in mijn hand. Met de hand die nog over was dronken we ons bier en zakten weer weg in de stilte.

‘We leven nog,’ zei ze, nadat het bier op was. Ik gaf haar een zoen op haar voorhoofd.

‘Ja, we leven nog,’ zei ik. ‘En tóch zeuren.’  

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman