Geen woord

Afgelopen zondag was Ada voor het eerst in Artis. B en ik hebben gewacht tot we er zeker van waren dat ze zou begrijpen wat ze zag, en omdat Ada de afgelopen weken haar dierenboekjes met de juiste kant naar boven doorbladerde leek de tijd rijp.

Er was geen rij bij de kassa’s omdat we achterlijk vroeg waren. Reden voor Nadim om op en neer te springen en een lied aan te heffen. Toen we onze kaartjes lieten scannen door een van de aardige studenten was hij nauwelijks meer te houden.

‘Pap-Mam, zullen we doen dat we allemaal omstebeurt mogen kiezen naar welk dier we gaan? Pap-Mam? Zullen we dat doen? Zullen we?’

Er zijn maar twee routes in Artis: links- of rechtsom. Als je met Nadim naar Artis gaat dan loop je altijd linksom. Ik wilde hierover beginnen, maar B zei dat het goed was. We zouden om beurten een dier kiezen.

Nadim zette de vaart erin en jakkerde ons langs de pelikanen, vliegende honden en zeevogels. Soms vroeg hij welk dier wij nu wilden zien, maar wachten op het antwoord deed hij niet. Ada, in een waterdicht en valbestendig skipakje, zwalkte als een kleine dronkeman over de paden, evenveel interesse tonend in de petjes en vlechtjes van andere meisjes als in de dommelende leeuwen en kauwende antilopes.

Nadim maakte al zinnetjes toen hij zo oud was als zij, maar Ada praat niet. Ze heeft wel eens poesj gezegd toen ze één van onze katten zag, maar zei het daarna ook tegen mij en tegen haar broer. De enige klank die ze echt aan een object lijkt te hebben gekoppeld is ‘wraaaaw’ bij het zien van jaguars of luipaarden. De verwachtingen waren dan ook hoog toen we het nieuwe grotekattenhok naderden.

Daar lag hij: lui en zelfverzekerd, overdonderend atletisch en tegelijk te laconiek om te kakken: de machtige zwarte jaguar van Artis.

Ik pakte Ada onder haar oksels en zette haar op de reling voor het verblijf zodat ze het beste zicht had op de superkat. B begon te filmen met haar telefoon.

‘Ada,’ zei ze, terwijl Nadim en ik voorover leunden, ingespannen luisterend. ‘Ada, wat zegt de panter?’

Mijn dochter keek even naar het maffende zwarte beest, liet zich uit mijn handen zakken en maakte rechtsomkeert. Geen wraaaaw, geen poesj, niks.

Terwijl we terug naar huis fietsten viel Ada in slaap in haar stoeltje. Ik hield haar koppie recht, voelde haar huid gloeien onder mijn vingers en besefte dat ik nog niet wíl dat ze gaat praten. Hoewel ik weet dat wat hierna komt ook erg de moeite waard is: dit warme stille beestje is dan voorgoed voorbij.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Oervormen der natuur

Tot minstens mijn 13e jaar wilde ik bioloog worden. Ik kom uit een dorp omgeven door velden en bossen en daar speelde zich die kindertijd af. In die omgeving van beemd en lommer, én op een zolderkamertje waar ik met vriend P. witte bonen op watten zaaide, hun ontwikkeling volgde en vastlegde. We maten en noteerden. Vogelzaad – ik hield duiven en parkieten, dwergkwartels en zebravinken  – leende zich ook goed voor dit studieuze gedrag: een hand vogelzaad is een pot vol kiemen, en groeit uit tot fascinerende planten.

In de FOAM tentoonstelling Back to the Future, vond ik deze interesse terug. Vroege en moderne fotografen delen een belangstelling voor de oervormen van de natuur en hoe die vast te leggen. Anna Atkins deed dat in de vroegste fotoboeken ‘cyanotypie’ van wieren. Er wordt aanstekelijk over geschreven in Wieren, van Miek Zwamborn, te verschijnen eind februari.

Eveneens voor de boekenweek met het thema ‘Natuur’ verschijnt bij Van Oorschot een selectie teksten van de grote natuurvorser en aanstichter van natuurbehoud in de VS: John Muir. In de windernis. Tochten door Wisconsin, Nevada, California en Alaska, en het bestaat uit 100% plezier in lopen door de natuur. Een boek als een geweldige wandeling.

Muir is vrijwel tijdgenoot van Karl Blossfeldt, de Duitser die verantwoordelijk is voor de afbeelding hierboven. Een fotograaf die een rol speelt in de FOAM tentoonstelling. In 1929 publiceerde hij Urformen der Kunst een verzameling close-up foto’s van ja, oervormen der natuur. Het is prachtig, precies, architectonisch bijna. Het is verbazing over schoonheid in het kleine, zoals Muir die formuleert over het grote. Muir bejubelt bossen, bomen, gletsjers en velden en bloemen. Het is mooi te zien dat juist het werk van een fotograaf als deze en van een schrijver als Muir fris en modern blijft. Ongetwijfeld mede door het precieze vertaalwerk van Eefje Bosch.

In zowel tekst als fotografie vind je je verbazing bevestigd en verhelderd. De verbazing van kijken naar vormen die je overal kunt zien, maar waarvoor we blijkbaar interpretatie nodig hebben om ze weer echt goed te kunnen zien, om er weer in te willen duiken. Lees dus vanaf 28 februari John Muir!

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Spelletjes

IMG_6106Ik heb altijd een hekel aan gezelschapsspellen gehad. Dat leek geen probleem tot ik verkering kreeg met B, die oprecht kan genieten van een avondje Kolonisten.

De eerste jaren van onze relatie vond ze het nog grappig en eigen dat ik weigerde mee te doen met Scrabble. Later begon ze zich af te vragen of het misschien op faalangst duidde. Ik zou het hele concept spelletjes afkeuren omdat mijn angst voor verliezen te groot was.

De paar keer dat ik uit verveling of voor haar plezier tóch meedeed met kaarten verloor ik, en mijn laconieke houding over zo’n verlies sterkte B’s geloof in haar diagnose. We zijn inmiddels bijna 15 jaar samen en nu weet ze: I really could not care less.

Perfectionisme en faalangst ken ik wel, maar winnen met Monopolie is gewoon niet iets wat ik wil. Moeite om de moeite zelf – ik vat het niet.

Is schrijven niet ook moeite om de moeite zelf? Je verdient er niets mee, het is vreselijk veel werk en als je wilt kun je overal falen in zien. Een slechte recensie, weinig recensies, geen tweede druk, geen derde druk, geen literaire prijs, minder dan [vul zelf in] exemplaren verkocht: falen is bijna gegarandeerd.

Iedereen zal een andere reden hebben om te schrijven, maar ik doe het omdat ik het nodig heb. Schrijven is de enige activiteit waarbij mijn hoofd niet maalt. Het werk legt beslag op mijn hele denken, geeft me rust en het gevoel dat ik onderweg ben naar iets moois, wat er verder ook in mijn leven gaande mag zijn.

Misschien is dat wat Monopolie voor mijn vrienden is.

____________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Living off the fat of the land

Welvaart mest vet. Goedverkopende schrijvers worden vadsig. Dat is althans wat Henri Béraud beweert in het nawoord dat Willem Frederik Hermans schreef bij het boek dat hij van hem vertaalde De martelgang van de dikzak (Bezige Bij, 1981). Na een heftige discussie in Frankrijk over in het buitenland bekende en in het binnenland onbekende schrijvers stuurt André Gide zijn opponent Henri Béraud een doos chocolaatjes.

Hermans moet niet zonder schaamte bekennen ‘dat dikzakken ook mijn sadistische neigingen plachten wakker te roepen. En juist dit wordt door Béraud zo duidelijk over het voetlicht gebracht: hoe wreed de wereld zich gedraagt jegens de per gemeenplaats altijd voor zo ‘goedig’ versleten dikzak.’

Toch is nog heel wat van Hermans sadistisch plezier terug te vinden in de vertaling, die waarschijnlijk, zoals meer van Hermans werk door sadisme aan kracht wint. ‘Er gaat een deur open: daar komt het schijthuis. Arme zwaarlijvige komediant, opgezwollen in gaarkeukens en stationsrestauraties, arme bol van onzin, die voortrolt onder bulderend gelach, niemand heeft je ooit de bittere aalmoes toegestopt van de sentimentele praat die over clowns de ronde doet. Paljas krijgt, onder zijn witte schmink op muziek gezette weeklachten te horen. Maar niet de verlegen onhandige, in de liefde bedrogen dikzak. De dikzak die zich drukt, de nouveau riche, de slokop, het leeghoofd, de egoïst, de lafbek, de knoeier, de goedgelovige sukkel, het vijfde wiel aan de wagen.’

In de dikke mens woont een dunne mens. De droefenis is die van de dunne mens, die zijn surplus schuldig weet aan hoezeer de buitenwereld hem anders is gaan benaderen. Zoals in een oude mens een jong mens woont, en ook die oude schil belet een normale omgang, wat de eenzaamheid van ouderen verklaart. Ze zijn onzichtbaar geworden.

De andere benadering is die van Raymond Carver. Zijn meesterlijke ‘Fat’ uit de bundel Will you please be quiet, please? is maar 4 en half bladzijde lang. Dat is alles wat Carver nodig heeft om een tot wonderlijke spanning oplopende scène neer te zetten van een uitzonderlijke dikke man die uitzonderlijk bestelt en eet in een ‘diner’.

‘Believe it or not, he says, we have not always eaten like this.’

Carver laat de man consequent in pluralis bestellen hoewel hij in zijn eentje zit te eten, en schets heel treffend de wereld van de verbijstering en het afgrijzen door een intens beleefde omgang tussen de bediening en de man die bestelt. De man die bedient is de hoofdpersoon, hij vertelt het verhaal over de dikke man aan zijn vriendin, die het niet begrijpt.

It is august.
My life is going to change.’

eindigt het verhaal. Waarom is dit zo goed gedaan? Carver’s teksten waren op dieet: zijn redacteur Gordon Lish heeft ze erg ingesnoerd, ten faveure van de verhalen, wat mij betreft. Carver is de meester van de eenzaamheid, de Edward Hopper in taal, zijn dikke man eet verdriet weg zonder dat Carver het nodig vindt dat te melden. We zien de dikke man door wie naar hem kijken, we zien dus onbegrip, en het mooiste is: ergens een glorend licht van begrip in de ogen van de vertellende hoofdpersoon. De dikke man zal het leven van de hoofdpersoon veranderen, helaas niet zijn eigen leven.

 

—-

IMG_6285Menno Hartman (77 kg) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Dood punt

Ik begin fasen te herkennen in het schrijven van een boek, momenten die bij elk project terugkomen. Zo gebeurt het me altijd dat ik op driekwart van een tekst tegen een dood punt aanloop.

Hemingway indachtig probeer ik elke dag mijn bladzijde te schrijven en zo min mogelijk na te denken over mijn werk als ik niet achter de computer zit. Ik sluit altijd af met een kleine cliffhanger, een aangevertje voor de volgende ochtend. Je moet iets hebben om naar terug te keren.

“THDM,” tik ik dan, met een suggestie voor vervolg. THDM staat voor Tot Hier Dan Maar, en waarom ik het zo ben gaan noemen weet ik niet meer.

De eerste maanden van een nieuw project ga ik fluitend naar mijn werk. Bladzijden volgen vrij natuurlijk uit wat voorging, en ik denk nog niet echt na over waar het allemaal heen zal gaan, maar als de personages helder zijn, de lijnen uitgezet, als er achtergrond is, opbouw, spanning, en alles erop wijst dat er iets belangrijks te gebeuren staat is het opeens alsof de wind uit mijn zeilen valt.

Ik weet dat ik me hier niet teveel zorgen over moet maken. Tot dusver is het altijd goed gekomen. Toch maak ik me hier steeds weer zorgen over.

Misschien omdat het dode punt het moment is waarop ik – althans in gedachte – de stap naar ‘publicabel werk’ moet maken. Het verschil tussen een lange, bijna associatief ontstane aanzet en een in potentie goed boek lijkt vooral hier te worden gemaakt.

Erop of eronder, dus eigenlijk, voor het project.

Elizabeth Strout is een schrijver die van het dode punt geen last lijkt te hebben. In haar verhalen kiest ze er vaker niet dan wél voor een ‘belangrijke gebeurtenis’ te laten plaatsvinden. Haar opbouw wordt dan niet ingelost, of heeft als geheel in het hoofd van de lezer plaatsgevonden. Een vorm van lef / intelligentie waar ik niet over beschik.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Van kat naar vlinder

Een man kijkt naar een vlinder. Ik las van Echhart Tolle deze krachtige maxime: ‘Ik heb met verschillende zenmeesters geleefd, het waren alle katten.’ De kat is de meester van het wachten. De kat wacht, maar niemand weet waarop. Sinds mijn telefoongebruik drastisch verminderd is – ik gebruik de telefoon alleen nog voor bellen en appen – is mijn wachten katachtiger geworden.  Ik verdwijn in mezelf en kijk. Meestal observeer ik wachtend dus mensen die niet observeren maar naar hun telefoon kijken. Ik heb ontdekt dat ik meer naar gezichten kijk sinds ik minder naar mijn telefoon kijk. Leuke bezigheid, hoor! We kijken al miljoenen jaren naar gezichten en hebben daar alle reden (en gelegenheid) toe gehad, het is mogelijk dat we langzaam aan iets minder goed worden in het lezen van gezichten, nu we het minder doen. We kijken dus überhaupt minder op. De toekomst zal geen rechte mensen meer kennen, maar kromme, en bijziend.

De kat wacht, maar waarop? Hij wacht zijn leven uit. Misschien is het meer zo dat de kat inderdaad op zenachtige wijze in staat is te zijn zonder daar veel meer van te verwachten. Stil voor je uit zitten staren is een onbeweeglijkheid, een wachten – kijkend naar de lucht, een bergwand,op the dock naar the bay  dat evenzogoed vaak de stilte voor een sprong is.

In 1972 schrijft Joseph Brodsky een lang gedicht over een vlinder. Een geweldig gedicht in 14 strofen (vertaling Peter Zeeman). Het is kort voor zijn vlucht naar Amerika vanuit Rusland, en dus is het verleidelijk de inhoud van die contemplatie op iets kleins te zien als een voorbode van iets groots. Brodsky wacht op zijn moment.

je bent fragment
van een gezicht; zeg mij
van wie, vliegend portret?

Je ziet de dichter gebogen over een vlinder, niets doend, kijkend, denkend, de spieren aanspannend voor de sprong?.

En wat zijn dagen? Niets. Ze zijn
niet vast te pinnen,
geen voedsel voor pupillen,
ongrijpbaar. Enkel schijn.

En duiden wat hij ziet, zijn beeld gebruiken, inzettend voor zijn gedachten.

Ja, jij bent beter dan
het Niets, nabijer,
meer zichtbaar. Toch ben jij er
in wezen aan
verwant. En op jouw vluchten
krijgt het materie.
Daarom, wanneer je
rondfladdert in de drukte
van alledag, vorm jij
een soort begrenzing,
een luchtige versperring
tussen het Niets en mij.

Een luchtige versperring tussen het Niets en mij. En dan springt hij. Ik staar nog even door naar de kat, de donzige versperring tussen het Niets en mij.

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Tanden

IMG_6074Ergens in 2005 onderging ik mijn eerste wortelkanaalbehandeling. De tandarts liet me het gat zien dat hij geboord had om bij de zenuw te kunnen en het voelde als kijken naar het lijk van een vage bekende.

Op een of andere manier werd ik op dat moment mijn sterfelijkheid meer gewaar dan toen ik open TBC bleek te hebben in Paramaribo of bij die jammerlijke uitglijder op de motor waarbij ik mijn neus brak en KO ging in het midden van de Jan van Galenstraat.

Hier was een klein deel van mijn lichaam dat het opgegeven had, dat ondanks borstel, floss en stokers weggerot was en nooit meer terug zou komen.

In mijn familie zoemen de bekken van het amalgaam. Radio 3 luisteren is voor ons een kwestie van een spijker tussen de kiezen klemmen. Mijn vaders tandvlees heeft zich zo ver teruggetrokken dat je het eerder een capitulatie zou noemen, en hoewel we er nooit over praten vermoed ik dat hij en mijn moeder samen een volledig gebit aan kronen meedragen.

Met Nadim leek het een tijdje goed te gaan, tot ik dit jaar met hem bij De Hoektand kwam en door de immer vriendelijke tandarts Jan gewezen werd op twee bruine speldenknoppen achterin het frisse roze bekkie van mijn zoon.

‘Heb je wel met hem geflosst?’ vroeg Jan.

‘Nee,’ zei ik, en schudde mijn hoofd. ‘Het spijt me.’

De tandarts glimlachte, waardoor zijn mondkapje op spanning kwam te staan. ‘Dat hoef je toch helemaal niet te zeggen.’

Maar ik zei het ook niet tegen Jan. Ik zei het tegen mijn jongen, die met grote ogen in het helle lamplicht staarde. Lichtjes kneep ik in het trosje klamme tengeltjes dat hij me had toevertrouwd.

Nadim wilde weten of het pijn zou doen, of er geboord moest worden. Ik vroeg me hardop af of het wel zinnig was een melktand te vullen.

Het boren en vullen bleek pijnloos en Nadim leek het al snel vergeten. Sindsdien heeft hij een elektrische tandenborstel en floss ik ‘s avonds tussen al zijn kiezen (zoveel zijn het er niet).

Afgelopen week verloor hij zijn eerste melktand en bij het zien van dat perfect ronde gaatje wist ik ineens weer hoe het voelt om te wisselen. De herinnering was helder, scherp en lijflijk als het moment voordat er bloed opwelt na het snijden in je vinger. Wat ik me óók herinnerde: de gewaarwording verraden te worden door mijn eigen lichaam. Voor welke verrassingen zou het me nog meer gaan stellen?

James Brown zei al dat tanden het een-na-belangrijkste zijn voor een man. Hair is the first thing. And teeth the second. Hair and teeth. A man got those two things he’s got it all.

Haar genoeg, in mijn familie. Ik hoop maar dat slechte tanden en goed haar op hetzelfde chromosoom te vinden zijn.

____________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Nieuwjaar

2018 is nog geen tien dagen bezig, maar op deze manier hoeft het van mij nu al niet meer. Net nu ik me had voorgenomen om vanaf het allereerste begin het maximale uit het nieuwe jaar te halen, gooien nieuwe, onvoorziene ontwikkelingen mijn hele werkschema al bij voorbaat overhoop.

Voordat ik überhaupt met mijn eigen roman verder kan, zal ik eerst Q1 moeten opofferen aan alles rond Fire and Fury: Inside the Trump White House, het losjes om de waarheid heen gesponnen politieke sensatieverslag van Michael Wolff, die bijna een jaar lang heeft rondgehangen in the West Wing. Niet dat ik zo langzaam lees, maar bij sommige passages droom ik nu eenmaal graag even weg:

At Mar-a-Lago, just before the new year, a heavily made-up Trump failed to recognize a succession of old friends.*

De afgelopen dagen heb ik, net als de tweede helft van 2016 en vrijwel heel 2017, licht achter m’n adem het internet afgezocht naar het nieuwste nieuws over Trump, liefst over zijn driftbuien. Ik zoek op termen als ‘seething’, ‘fuming’ en ‘enraged’. Vroeger had ik een productieve dag als ik een paar goede pagina’s had geschreven; nu vul ik loze werkweken met scoops van The Washington Post, met nog meer Maggie Haberman in The New York Times en deze week dus met Wolffs voorpublicaties in The Hollywood Reporter, British GQ, New York Magazine en The Guardian. Uiteindelijk laat het een leeg gevoel in me achter, maar gelukkig krijgt Trump zelf ook niks gedaan.

Alleen wanneer Robert Mueller geen onverwachte dingen doet, kan ik in Q2 mogelijk nog iets aan mijn sleutelroman gedaan krijgen, maar Q3 en 4 beschouw ik nu al zo goed als verloren, dan zijn de midterms. Volgens mijn nieuwe planning hou ik in 2018 hooguit zes weken netto schrijftijd over, en dan tel ik reistijden en mijn sociale leven niet eens mee.

Als het nog wat wil worden met mijn carrière als auteur is het te hopen dat Trump geen tweede termijn haalt.

__________________________

Uit: The Hollywood Reporter: “You Can’t Make This Shit Up: My Year Inside Trump’s Insane White House, Michael Wolff (04-01-2018).

Arjen van Lith (1971) probeert zo veel mogelijk te schrijven. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een brievenbundel en een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Drie jaar ‘Charlie Hebdo’

Een vriend van mij was tijdens de aanslagen van Anders Breivik (juli 2011 alweer) voor vakantie in Oslo. Sterker nog, toen de bom voor het kantoor van de Noorse premier plofte, stond hij twee, drie straten verderop met een deel van het gezin, terwijl de rest in een ander deel van het centrum op pad was. Hoe groot de paniek was, weet ik niet precies, maar ze vonden elkaar erin terug. De manier waarop hij later vertelde dat hen niets was overkomen, die laconieke toon, je hoort die wel vaker bij mensen die nét het geluk hadden een ander straatje in te slaan, die op het moment zelf iets anders deden dan normaal gesproken. Alsof tegelijk met het toeval het onmogelijk is geworden dat de angst bij je postvat, dat je lichaam ingrijpt en nee zegt op het moment dat het erom spant.

In de afgelopen jaren zijn er vele aanslagen geweest, waarmee we, op welke manier dan ook, soms indirect of direct te maken kregen. Die gebeurtenissen, zou je kunnen zeggen, hebben ons veranderd, maar niet gebroken. Hun alomtegenwoordigheid des ondanks hebben we onze mond niet gehouden, niet na Breivik, Berlijn, Nice of Parijs. Bang zijn we misschien geweest, maar daar hoor je tegenwoordig nauwelijks nog iemand over mompelen in een talkshow of zo. We hebben tegen wil en dank om leren gaan met de angst, wennen doet terrorisme nu eenmaal niet, net zomin als verdwijnen.

*

Dat Parijs kan veranderen in een vesting had ik al eens meegemaakt bij een viering van Quatorze Juillet. Na de militaire parade, de overvliegende Mirages, de parachutisten en het vuurwerk op het Champ de Mars ging de stad op slot. Met een vriend probeerde ik door de mensenmassa de weg naar ons hotel te vinden, maar keer op keer stuitten we op met dranghekken afgesloten wegen. We staken de Seine nog eens over, keerden weer om, gingen de metro in en uit, en strandden uiteindelijk toch op een overvol perron, waar maar nooit meer een metro leek te komen. Ik herinner me vooral een Duitse herder die tussen al die voeten op de vloer lag met een blik zo moedeloos als ik me toen voelde.

De dagen na de aanslag op Charlie Hebdo, 7 januari 2015, zondag drie jaar geleden, was er niets van dat alles aan de hand. Wederom was ik met een vriend in Parijs en tussen het volgen van het laatste nieuws door konden we zonder problemen wandelen (ondanks de eindeloze regen) door Montmartre, en gewoon de Eiffeltoren beklimmen zoals elke andere dag. Sinds ik er kom zie je op straat beveiliging van de hoogste graad, soms door het leger, met automatische wapens en kogelvrije vesten. Na de aanslag veranderde dat beeld niet; de zichtbare beveiliging werd ondanks de noodtoestand ook niet opgeschroefd. Alsof Parijs nu niet net als op een feestdag in opperste staat van paraatheid moet zijn, of zou moeten zijn.

Nog eens de feiten in het kort. Op die bewuste woensdagochtend schoten de broers Kouachi in koelen bloede 12 mensen dood, op en bij het kantoor van Charlie Hebdo, waaronder de bijna voltallige redactie van het blad en enkele politiemensen. Ze ontvluchtten, hielden zich schuil ten noorden van Parijs en werden uiteindelijk twee dagen later doodgeschoten in de drukkerij waar ze zich hadden verschanst. Daarmee was de klopjacht ten einde, definitief en misschien onbevredigend, want zoals Marjoleine de Vos in een van haar stukken opmerkt: intuïtief gun je het die twee niet om simpelweg doodgeschoten te worden.

In die paar dagen heerste in de stad de gelatenheid, dat kan je aan de Fransen gerust overlaten. De vrienden bij wie we logeerden haalden elke krant waar ze de hand op konden leggen in huis. In elk café met tv kon je volgen hoe de achtervolging van de daders vorderde. We zaten er allemaal bovenop. Op tv verscheen een dame van middelbare leeftijd die desgevraagd een exposé gaf over de houding van het Franse volk, een schitterend fragment dat welhaast een verbetenheid uitstraalde waaruit ik afleidde dat ze niets meer te verliezen had behalve ’s lands wijs en eer.

Intussen lazen we Soumission van Michel Houellebecq, dat nota bene op 7 januari was verschenen, een roman tegen de achtergrond van de eerste islamistische regering in Frankrijk. Houellebecqs subtiel in het boek verweven kritiek op de islam, in het bijzonder de verspreiding van het geloof door voortplanting, moet toen extra weerklank hebben gevonden bij de Fransen. Het Allahu akbar dat op het filmpje van de aanslag te horen was, galmde nog na in het collectieve oor. Een week later antwoordde Charlie Hebdo met het omslag van het eerste nummer post quem: TOUT EST PARDONNÉ. Ik ben er nog steeds niet over uit hoe ik die kop moet duiden.

Maar zulke taal, zulke reacties, ze waren uiteindelijk uiterlijke schijn. Een stad valt natuurlijk niet plotseling stil na een ingrijpende gebeurtenis zoals een aanslag, maar de manier waarop Parijs voortging was als achter een façade. Aan de buitenkant beheerst en strijdbaar, terwijl vanbinnen angst en ontreddering regeerden. De bangigheid waarover Mathijs van Nieuwkerk het eens had in een gesprek met de burgemeester van Amsterdam, namelijk dat je tóch wat sneller over de Vijzelstraat fietst en eens extra over je schouder kijkt, die bangigheid ontbrak totaal aan het straatbeeld. Zoals gezegd zag de zichtbare beveiliging van de stad er niet anders uit dan anders. Achter de schermen was vanzelfsprekend van alles gaande, hoe vreemd dat soms ook moge lijken ná het plaatsvinden van een aanslag.

De aanslag op Charlie Hebdo werd door velen ervaren als een directe aanval op de Franse samenleving, met andere woorden, op alles waar de Franse maatschappij voor staat. Met enige overdrijving kan je zeggen dat de Fransen in het landsbelang hun angst opzij zetten en ervoor in de plaats een rotsvast geloof in hun Republikeinse normen en waarden tentoonspreidden. Er waren in Parijs die week tientallen incidentjes die dit toonbeeld van moedig burgerschap doorbraken, die de onderhuids gistende emoties even de overhand lieten nemen en evenzo vaak vals alarm bleken te zijn.

Ik kwam terecht in zo’n oprisping van onderdrukt gevoel toen we op een avond de metro namen vanuit het centrum richting het 18de. Of misschien kan ik beter zeggen: probeerden te nemen, want net als destijds na de viering van Quatorze Juillet belandden we in een ondergrondse cul-de-sac. Ik geloof dat het bij Gare de l’Est was dat we van lijn zouden wisselen, en toen we daar op de trap van het perron stonden op zoek naar het juiste nummer in de juiste kleur kwam er een groepje mensen in onze richting aangerend. Er klonk een luid geratel uit de tunnel waar ze vandaan kwamen, die bij mij meteen een onontkoombare reactie losmaakte: dit is foute boel. En ik voelde wat er collectief na de aanslag was gevoeld, dat je lichaam het overneemt en alleen overleven nog telt. We hielden halt boven aan de trap en ik probeerde tegelijk voor en achter me te kijken. De metro waar we net uit waren gestapt bleef staan; de mensen renden niet meer. Ik sleurde die vriend van me achter me, achter een pilaar, en zei iets in de trant van: ‘Als er iets gebeurt dan rennen we terug de metro in!’ Als hij maar blijft staan. Ik wierp een laatste blik om de hoek en hoorde nog luidere knallen. Het groepje vloog nu in paniek een andere tunnel in, een van de vrouwen voorop negeerde het feit dat ze onmogelijk hoge hakken aanhad volledig, zo groot was de paniek. Wegwezen. We hadden nog niet een voet in de metro gezet of de bel klonk en de deuren gingen dicht. We waren op weg, desnoods helemaal naar buiten de Périphérique.

Dat we er vervolgens nog een dik uur bezig waren om terug te komen bij die vrienden, dat donderde niet. Het station waar we vandaan kwamen was afgesloten na het incident, voor alle verkeer, ook het ondergrondse. Maar we moesten erlangs om op de juiste lijn te komen. Aan het eind van de avond was de kust veilig, het station vrijgegeven: een stel jochies had bij het station met vuurwerk lopen spelen en daarmee een scheurtje veroorzaakt in het door iedereen zo goed mogelijk opgezette masker.

Om dat te lijmen, ‘de gelederen te sluiten’, namen we op zondag deel aan de marche républicaine. Wij en meer dan twee miljoen anderen, in de grootste demonstratie die Parijs ooit zag, liepen van République naar Nation. Al schuifelend gingen we het plein over, waar al dagen mensen bordjes met ‘Je suis Charlie’ hadden opgehouden. Om ons heen groepjes uit alle windstreken, welke dan ook, en het was stil totdat iemand het volkslied aanhief, dat zich vervolgens met een echo verspreidde door de massa als een rimpeling op de vijver. Het werkte louterend om met al die mensen één signaal uit te zenden: liberté d’expression, liberté des crayons! Je kunt alles van ons afpakken, maar onze ideeën, het gedachtegoed, dat zal je ons op geen enkele manier kunnen afnemen. Het was een niet te overzien groot hart onder de riem van diegenen die twijfelden op het moment dat angst de overhand niet mocht krijgen en bij wie het niet lukte om het gezicht in de plooi te houden.

*

In november datzelfde jaar vierde Uitgeverij Van Oorschot het zeventigjarig jubileum in de Rode Hoed. Halverwege de avond stond iedereen te kijken naar telefoonschermpjes met daarop het laatste nieuws. In Parijs was een aanslag gepleegd in concertzaal Bataclan, niet ver van het kantoor van Charlie Hebdo, waarbij het vuur was geopend op het publiek tijdens een optreden. Op dezelfde avond was die vriend bij wie ik weleens in Parijs logeer aan het werk bij het Stade de France, voor de vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Duitsland. Drie zelfmoordterroristen bliezen zich dezelfde avond op vlak buiten het stadion, de aanwezige president werd geëvacueerd, maar de aanslag mislukte en de wedstrijd werd gespeeld. Voor de NOS-radio liet hij zich interviewen, om in alle kalmte zijn verhaal te doen. Ja, ik heb de gewonden gezien. Ja, we waren zenuwachtig. Zijn verdere antwoorden zijn zakelijk (bijna Frans, dacht ik) en suggereren onmiddellijk nadien alweer de schijn van onverveerd verdergaan. Zijn lichaam heeft het overgenomen, nu gaat het om overleven. In weerwil van wat Houellebecq vijf dagen later schreef in de Corriere della sera went het nooit, die aanslagen. Maar ook al zijn ze niet meer weg te denken en krijgen we er op een goed moment allemaal mee van doen, we onderdrukken onze angst. We houden samen heldhaftig stand, we kunnen niet anders.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds vier jaar blogt hij voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

A Christmas with Alan Bennett

R., zelf een heer van haast Britse allure, gaf me in november drie boekjes mee van Alan Bennett, Smut, In the clothes they stood up in, en Father, Father ! Burning bright.

In december valt de stapel boeken altijd om en kom ik iets tegen wat erom schreeuw − of in dit geval beleefd gesticuleert −om gelezen te worden.

Naast The Crown was het precies wat ik nodig had. Engeland op zijn mooist. Ik ben voor het eerst een boek tegengekomen waarvan ik me echt serieus afvraag of er iets in vertaling van overblijft. Het Engels, met de wendingen binnen een zin, de kleine nuances van aanzetten of afnemen die tot schaterlachen toe geestig zijn, die horen geloof ik toch bij die taal. De verhalen van Bennett, een man met een ongelofelijk palmares vooral als scenarioschrijver, moet je denk ik evenmin trachten na te vertellen. De kracht zit in de zinnen. Al zijn de wendingen die een scenarist zich veroorlooft vooral voor een schrijver heel interessant. Mannen komen er niet erg goed af in zijn verhalen, en ook dat is erg goed.

Vervolgens zag ik nog zijn film The Lady in the Van, met Maggie Smith. Nu ligt Writing Home klaar.

A Christmas with Bennett was het. Nu weer aan het werk.

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.