Ian McEwans recente roman What we Can Know speelt gedeeltelijk in de toekomst. Twee wetenschappers in een Engeland dat alle schade van de klimaatcrisis al heeft ondervonden, zoeken naar informatie over een dichter die in onze tijd leeft en een sonnettenkrans schreef: een ;corona’, zoals dat genoemd wordt, waarbij het 15e en laatste sonnet uit alle eerste regels bestaat.
Een heel eenvoudige weg naar geluk is dat je je verplaatst in een situatie die heel veel erger is. Een van de wetenschappers in de 22ste eeuw uit het boek verliest zich in verlangen naar de tijd die hij bestudeert. Onze tijd. Zo’n tijdsprong werkt dus gelukkigmakend. Voor hem is het escapisme, voor ons is het het besef dat je zou kunnen verlangen naar deze tijd. De dystopie als gelukshulp. Kampliteratuur lezen werkt op dezelfde manier. De hoofdpersoon in Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale wordt diepgelukkig als ze een vrouwentijdschrift krijgt uit de tijd dat die nog mochten. De heerlijke onnozelheden waarvoor je toen nog kon kiezen. Dit alles gaat over wat nu wel bereikbaar is, maar ooit misschien niet.
Een andere gelukkigmakende, want relativerende gelukssprong is die van het je de wereld voorstellen als de mensheid al verdwenen is. Het filosofische sub specie aeternitatis; van onder het aspect van de eeuwigheid wordt dagdagelijks leed onbelangrijk.
Op zoek naar een sonnettenkrans zoals die door McEwan beschreven werd liep ik tegen Edna St. Vincent Millay op, de Amerikaanse dichteres die Vasalis zo goed vond. In haar reeks ‘Epitaph For the Race of Man’ luidt het vijfde sonnet:
v
Wanneer de mens verdwenen is en slechts goden
over de wereld zwerven, hun machtige lijven omgord
met gouden schild en gouden krullen kort
over hun kinderlijke voorhoofden; als de dode
ronde mensenschedel wordt opgetild en dan weer achtergelaten
door een terugtrekkende golf, tussen het zand
en de kiezelstenen van het strand —
welke tong zal dan over het wonderlijke mensenbrein nog praten:
deze schelp vol wind, zwaar van muziek ooit,
zwaar van kennis over sterrenconstellaties,
de voormalige bewoner van deze tochtige hal,
heeft zelf voorspeld in een tekst die met geleerdheid strooit,
na eeuwen van studie, verstoord door strijd tussen naties,
Deze getande pompoen, dit hoofd schoongeveegd van al.
(Voor het natuurlijk veel mooiere Amerikaans, zie:
https://millay-a-day.tumblr.com/sequences )
Het is een wonderlijke vreugde: de vreugde van het klein maken van de dagelijkse ellende in de wereld zoals 2025 er het nodige van zag, en je een wereld voorstellen waar je schedel over de keien ratelt.
Waarom is dat gelukkigmakend? Omdat het ergste dan niet erg lijkt te zijn. Vanuit dat perspectief.
Tegelijkertijd neem ik me voor om eens nauwkeurig onderzoek te doen naar wat je zoal nog meer gelukkig maakt.
Gelukkig nieuwjaar!
(een klein schot voor de boeg, wat me bijvoorbeeld gelukkig kan maken is een heel goede foto, zoals deze van Edna St. Vincent Millay door Arnold Genthe…


