’s Ochtends vroeg: we staan achter het hek en speuren door verrekijkers het weiland af. Het perceel lijkt ongemoeid, straks de boer maar even bellen wat zijn plannen ermee zijn. Er zitten kieviten op. Twee dofferts – mannetjes – duikelden zopas even door de lucht en streken erop neer. Vorige week vonden we al een aantal toen nog lege nesten. We moeten geduldig zijn, misschien dat er een roek overvliegt, of een buizerd, en dat we dan zien hoe er gereageerd wordt. Mannetjes van broedende kieviten vormen een iron dome.
Wat je als jonge jongen leert, vergeet je niet. Het eierzoeken niet en de spanning niet. En ’s avonds in bed met gesloten ogen allemaal eieren zien: ik weet dat me dat vanavond weer gebeurt. Ik moet een jaar of tien geweest zijn toen een oom van mij me voor het eerst meenam. Hij onderwees me over het gedrag van de kieviten en het land waar ze graag op nestelen. We zochten in de buurt van Birdaard en Holwerd, de wereld waar hij was opgegroeid. Destijds mocht je de eieren nog rapen, tot aan een bepaalde, steeds meer naar voren bijgestelde datum. Daarna begon de ‘nazorg’. Geen eierzoeker wilde een teruggang van de vogelstand. Eierzoekers waren natuurliefhebbers. Ze markeerden de nesten zodat de boeren er omheen konden maaien en het vee de eieren niet zou vertrappen. Sinds 2015 is het rapen verboden. De meeste vrijwilligers bij de vogelwacht nu zijn jonge jongens geweest met of vóór mij.
Mijn maat en ik klimmen over het hek en lopen langzaam het land in. Vrouwtjes die wat te verbergen hebben zullen laag over het land wegvliegen, waarschijnlijk vanaf een plek al ver bij hun nesten vandaan. Terwijl hun partners als een dolle kabaal maken en door het luchtruim tuimelen, opereren broedende vrouwtjes schrander en beheerst. Mijn maat wijst.
‘Het mooiste leeft in doodsgevaar’ – een regel van dichter Chris J. van Geel. Zomaar dat ik hem laatst vond in een antiquariaat, als titel van een bloemlezing, samengesteld en ingeleid door Willem Jan Otten. Otten noemt Van Geel ‘de dichter van de ontvankelijkheid’. Van Geel ging er niet speciaal op uit om ‘dichterlijke onderwerpen te zoeken’, ze moesten zich maar voordoen dichtbij huis. Het zou niets worden als je met een ‘vooropgezet dagbewustzijn’ of met ‘dwingende rede’ of ‘wakend oor’ poëzie probeerde ‘te vangen’. Je moest het doen met je dromen, je halfslaap, je onderbewustzijn, tezamen met je observatievermogen en heel precieze, niet-poëtische maar wel ambivalente taal.
We lopen systematisch het perceel af, strook na strook. Het is oneffen, er groeien mij onbekende struiken, resten van oud gewas en droog gras ligt over grote stukken verspreid, het is lastig zoeken. Maar dan toch. Zelfs drie keer springt een oude sensatie in ons op, wanneer we daar onbeschut, in steeds een mooi rond, met strootjes bekleed kuiltje, een broedsje – een volledig legsel van vier eieren – vinden. Van Geel zou het misschien niet tot dichten hebben aangezet, maar mij lijkt de poëzie hier voor het oprapen. Zo denk ik drie keer aan doodsgevaar. We zetten stokjes bij de nesten, registreren de vondsten in onze vogelwacht-app en trekken ons dan terug.
April, vroeg
Lang voor de zon opkomt, in licht
nog nat van nacht, niet één geluid
hetzelfde, ziedend fluiten zij
elkander moord en doodslag toe,
de veren die hun messen slijpen,
de snavels die de zon aanvuren,
de vogels die van licht bedaren.

