Verhuizen

img_2816Gisterenochtend wachtte ik bij het Westerdok op een pont naar de NDSM-werf.

Het was koud als in de winters van mijn jeugd. Alle gevoel trok zich uit mijn handen en tenen terug en mijn ogen traanden onophoudelijk. Toen de pont de steiger raakte kwam de zon op, alsof het één het ander veroorzaakte: een oud en roestig mechanisme dat zich onder het IJ bevond.

Ik liep met de fiets aan de hand naar de boeg en trok mijn telefoon uit mijn zak om nog een keer naar de route te kijken. Het ding leek niet meer te werken; ik drukte op alle knopjes, maar het scherm bleef zwart.

‘Komt door de kou,’ zei een Noorderling op een scooter naast me. Noorderlingen herken je aan hun scooters, hun kleding en zilveren sieraden. Noem het racial profiling, maar probeer mijn gelijk niet te ontkennen.

Vanaf de andere oever fietste ik in een zo recht mogelijke lijn naar het Noorden. Door mijn gebrek aan Google maps moest ik meerdere Noorderlingen de weg vragen, en ik kon telkens optekenen dat ze behulpzaam en vriendelijk waren. Slechts een minuut of drie te laat kwam ik bij het kanaal waar ik een woonark zou bekijken. B en ik zijn aftastend op zoek naar een ander huis, en omdat we allebei nogal romantisch zijn denken we aan wonen op het water.

Doel op deze ochtend was een van de mooiste arken die nu te koop staan te bekijken om er daarna zeker van te zijn dat Noord niets voor ons is. Het wilde niet zo lukken. De ark was schitterend, met twee hele verdiepingen boven de waterspiegel, een droge kelder eronder en een flinke tuin aan wal. Er lag een stalen schuitje naast en er was directe doorvaart naar open water.

Na rond te zijn geleid door de vriendelijke makelaar had ik grote moeite nog redenen te bedenken waarom we het niet zouden doen. Pas op weg terug (slechts 8 minuten fietsen naar de pont, die in slechts 5 minuten naar het Westerdok vaart!) werd ik me bewust van één groot en doorslaggevend nadeel.

Nadim is zo blij op zijn school in Westerpark. Hij heeft er vrienden die juichen als ze hem aan zien komen, en over wie hij uren kan vertellen als ik hem ‘s middags ophaal. Omdat ik ook vaak met ze hang zijn ze een beetje mijn vrienden aan het worden. Zelf ben ik als kind een aantal keer verhuisd en ik vond het verschrikkelijk.

Ik dacht nog eens aan de ark en schudde mijn hoofd. Bij thuiskomst mikte ik de kleurige brochure van de makelaar tussen de kranten op tafel en bracht B – die achtergebleven was met onze dochter van drie weken – verslag uit.

Vanochtend was Nadim als eerste wakker. Toen ik met een arm vol kleren voor hem in de keuken kwam zat hij in zijn blote kont de brochure te lezen.

‘Wat is dit, papa?’ zei hij. ‘Van wie is dit huis?’

Ik keek over zijn schouder mee; zuchtte bij het zien van de opkomende zon boven al dat water. Fuck die kutmakelaars en hun gelamineerde dromen.

‘Misschien gaan we verhuizen. Ik ben naar een boot wezen kijken.’

Nadim bladerde wat heen en weer. ‘Ik vind dit wel een prachtig indrukwekkend boothuis. En wat is dat kleine scheepje ernaast?’

Dit soort dingen zegt mijn zoon dus echt. Hij is net vijf.

‘Hoort erbij,’ zei ik. ‘Via het kanaal kun je op open water komen. Vandaar vaar je de wijde wereld in. Het was een mooi huis, maar we doen het niet. Je zou van je school af moeten.’

Hij haalde zijn schouders op. Bladerde weer naar de foto van het uitzicht.

‘Ik wil wél naar een andere school.’

‘En je vrienden dan? Je juf?’

‘Maar het lijkt me zo gezellig als we met zijn allen de wijde wereld in kunnen op dat bootje…’

God help me, dacht ik. Nog een romanticus erbij.

__________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Ouders

Ik weet niet hoe vaak ik godverdomme zeg. De Bond tegen vloeken is tegen. Vloeken is het misbruiken van de naam van God of van Jezus, staat er op hun website. Je zou het een omgekeerd gebed kunnen noemen. Bij mij valt het wel mee. Ik vloek niet om grootse dingen. Alleen als het vlees aanbrandt of als ik aan vroeger denk, de Noorse broederschap waartoe mijn ouders zich bekeerden en waar mijn vader werd bevorderd tot ‘profeet’ – een roeping die hij een leven lang heeft uitgezeten.

Naast alles wat mijn vader me ooit leerde aan schijn en heiligheid, leerde hij me ook konijnen slachten, geiten melken en met een buks schieten. Ik denk soms aan die man, hoe hij na het melken een geitenuier controleerde. Met duim en wijsvinger stripte hij de spenen voor de laatste melk die ik er met mijn kinderhand niet meer uitkreeg.
Door zijn toedoen werd ik een meisje dat zonder angst het mes zette in een konijnenbuik. En door mijn toedoen – ik schreef een boek over de Noorse broederschap – werd hij een man die in het bijzijn van medegelovigen niet meer met zijn dochter gezien wilde worden.

Ik misbruik de naam van God als ik aan mijn vader denk, het feit dat hij net zomin een profeet was als ik koningin Maxima. Ik spreek een omgekeerd gebed uit omdat religie zonder pardon het mes in ons gezin zette. De Bond tegen vloeken is tegen. Maar ik heb de genen van mijn moeder, een eigenwijze vrouw die in de negentig is geworden.
De laatste jaren bleef ik uit haar buurt, uit hun buurt, de profeet en zijn echtgenote. Misschien ben ik de appel die niet ver van de boom valt, godverdomme, en een gewaarschuwd mens telt voor twee.

afbeeldingEllen Heijmerikx (1963) won met haar roman Blinde wereld de Academica Debutantenprijs 2010, waarover de jury o.a. schreef: ‘Beklemmend en glashelder proza. Alle pathetiek zorgvuldig vermijdend. Dit boek ademt noodzaak.’ Eerder won zij de eerste Duizend Woorden Prijs voor het beste korte verhaal. Wij dansen niet ishaar tweede roman en in 2015 kwam haar derde roman En nooit was iets gelogen uit.

 

De loopvogel

Iedere ochtend tussen zeven en acht komt ze voorbij. De loopvogel. Ze loopt voortdurend dezelfde rondjes langs ons gebouw. Heel erg korte rondjes, want nog geen halve Nespresso nadat ik haar vanaf ons balkon langs zie marcheren in de richting van de ontharingskliniek, komt ze alweer de andere kant op via de overzijde van de straat. Misschien zijn er wel twee loopvogels, op iedere stoep eentje, maar dat lijkt me onwaarschijnlijk.

Ze is er ook weer rond lunchtijd, exact tussen twaalf en één uur ’s middags. Ze draagt dan een ander pakje, iets luchtigers vanwege de zon die intussen aan kracht heeft gewonnen, maar ze kijkt nog altijd even boos. De loopvogel heeft zowel een ochtend- als een middaghumeur. Gezien haar sportoutfit vermoed ik dat ze loopt om in vorm te blijven, maar helemaal zeker ben ik daar niet van. De loopvogel loopt met de verbetenheid van iemand die een rekening te vereffenen heeft.

Het is niet echt rennen wat ze doet (de loopvogel loopt zonder zweefmoment), maar snelwandelen is het ook niet; dat vereist meer heup- en ellenbogentechniek. Er zit geen enkele swing in de loopvogel. Alle energie is naar voren gericht. Met gestrekte armen en zonder noemenswaardig kniewerk beent ze kaarsrecht heen en weer. Bij gebrek aan een betere term hou ik het op langeafstandsijsberen.

In haar ene vuist houdt ze haar telefoon vast, een iPhone 6 Plus die, afgaande op de oranje velden op het scherm, ingesteld staat op de stappenteller. De loopvogel draagt een koptelefoontje, dus luistert ze ergens naar: AC/DC, rustgevende dolfijngeluiden misschien, of anders een motivatiepodcast van Anthony Robbins – daar word ik ook altijd razend van.

In haar andere vuist klemt ze een enorme e-sigaret, bijna een draagbare uitlaat, waar de loopvogel om de veertig passen vol overgave aan lurkt om vervolgens even op te lossen in de dichte witgrijze rook die ze met kracht door haar neusgaten naar buiten briest.

Afgezien van een licht gnuiven maakt ze nauwelijks geluid. Alleen haar voetstappen kondigen haar al van verre aan, want de loopvogel heeft een allesbehalve lichte tred. Haar hakken landen als houwelen op het beton van het trottoir, dat – net als de rest van de Amerikaanse infrastructuur – hard aan vernieuwing toe is.

In haar column voor Atria, het Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis, schrijft Roos van Rijswijk dat wandelen ontspannend kan werken in deze hectische tijden. Een gewaagde uitspraak. Niet dat ik hier een polemiek wil beginnen, maar die bewering valt moeilijk vol te houden als je de loopvogel kent.

De loopvogel wordt kwaaier en kwaaier met elke stap die ze zet. Ze zit in een loop, draait twee keer per dag vreugdeloze rondjes in een eeuwige aanloop zonder ooit van de grond te komen. Als ik niet zo bang voor haar was, zou ik medelijden met haar hebben.

De loopvogel kan niet vliegen.

__________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Democratie aan de lijzijde – hoe lang nog?

Onder de doden zijn er enkelen aan wie ik vaak moet denken. August Willemsen is er een. Waarom weet ik eigenlijk niet goed, uit bewondering denk ik. J.L. Heldring is een ander. Met een praktischer uitgangspunt. Vrijwel altijd: Hoe zou Heldring hierover geschreven hebben? Deze fascinerende geest krijgt overigens een biografie: Hugo Arlman werkt daaraan. Het boek verschijnt bij ons.

Maar: Trump… Wat zou Heldring daarvan gedacht hebben? Ik waag me daar niet aan hoor, want het prachtige van Heldring was nu juist dat hij er iets van dacht wat je zelf niet had kunnen bedenken. Daaraan was hij naar mijn smaak ook de veel gemiste Hofland wel de baas, want ik had op zeker moment het idee wel min of meer te kunnen voorspellen wat Hofland ergens van vond. Of Bas Heijne. Van Bas Heijne heb ik de truc afgekeken ergens ongeveer het negatiefste van te veronderstellen, het minst hoopvolle en dan zit je meestal redelijk in de buurt. Ik lees hem overigens nog altijd graag. Vrolijke jongens onder elkaar.

In de herfststorm van berichtgeving na Trump zijn mij drie dingen als waar en helder bijgebleven. Populisten beweren niet alleen namens het volk te spreken, een opvallender kenmerk is dat ze beweren dat anderen dat niet doen. Dat wordt kracht bijgezet door demonisering. Populisten zou niet te verwijten zijn dat ze een stem van de meerderheid representeren, maar dat ze niet voor de minderheid wensen te zorgen. Een goede manier je tegen populisten te weer te stellen is krachtig en overtuigend betogen dat je ook namens het volk spreekt. Dat gebeurt te weinig.

Van verschillende zijden zijn me recentelijk brieven gestuurd of artikelen die aangeven dat deze of gene dit alles al voorzien had. En dat wat er gebeurd is lijkt op iets anders. Plato heeft het al voorspeld, het einde van de democratie. J. de Kadt had het allemaal ook al gezien. In de dertiger jaren was er iets dergelijks aan de hand. Nee zegt een ander weer: de communisten zijn er nu niet bij en alleen daarom al is de zaak onvergelijkbaar.

J.L Hedring zou ongetwijfeld uit zijn archiefkast een minder bekende Amerikaanse politicus uit de naoorlogse jaren hebben geciteerd, en een stukje De Tocqueville.

Uit De Tocqueville citeren kan ik nog steeds niet. Wel kan ik in aansluiting op het stukje hierboven van Roos van Rijswijk iets over de wind citeren, die het gras beroert. Omdat dit beeld van Thomas Hardy in Ver weg van het stadsgewoel (vertaling Marcel Otten) vreemd genoeg niet alleen uit kan beelden hoe de geschiedenis de mensheid beroert, maar ook de droefenis ervan.

‘Het dunne gras dat min of meer de heuvel bedekte, werd door de wind aangeraakt met windstoten van verschillende sterkte en bijna verschillende aard – de ene wreef grof over de halmen, een ander harkte er priemend doorheen en weer een andere borstelde ze als een zachte bezem. Men bleef instinctief staan om te horen hoe de bomen rechts en links weeklaagden, of in de regelmatige antifonen van een kerkkoor zongen, hoe heggen en heesters aan de lijzijde vervolgens de toon oppakten en deze tot de tederste snik liet dalen, en hoe de gehaaste windvlaag vervolgens naar het zuiden dook om nooit meer gehoord te worden.’

——————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Raadt van harte aan: J.L. Heldring Dezer dagen en Onze eeuw. J.L. Heldring en André Spoor in gesprek.

Is momenteel (niet slecht qualitate qua) zeer enthousiast over: Gilles van der Loo Het jasje van Luis Martín, Joseph Mitchell McSorley’s wonderbaarlijke Saloon (vertaling Dirk-Jan Arensman) en Marijke Schermer Noodweer.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Waar mijn boek over gaat

img_2792Sinds de presentatie van Het jasje van Luis Martín krijg ik bijna elke dag een berichtje van een lezer. In de meeste gevallen zijn het mensen die Gijs en mij gekend hebben.

De berichten zijn enthousiast van toon op een manier die me blijft verbazen. Bij het lezen ervan is meteen duidelijk dat het hier niet gaat om iemand die me een lol wil doen, maar om iemand die iets van het hart moet.

Het meest raakte me het bericht van een horecacollega die nu in het buitenland woont, en met wie Gijs noch ik ooit lang heeft samengewerkt. Ze schreef dat ze de liefde lastig vindt, en in mijn verhaal haar eigen lastigheid herkent; dat ze dat fijn vindt, maar ook een beetje gek.

Haar woorden bleven me nog dagen bij. Ze volgden me in de donkerte van de ochtend als ik Nadim naar school bracht, en hingen rond in mijn hoofd terwijl ik met onze nieuwe dochter op schoot naar de schijnbaar eindeloze regen staarde.

Een recensent van een onlineplatform schreef een ongunstige recensie over mijn boek. Het deed me minder dan ik van mezelf gewend ben. Zijn hoofdbezwaar was dat de figuur van Gijs ongrijpbaar blijft. Dat je na 220 bladzijden nog steeds niet weet wat er in hem omging. Door die recensie besefte ik wat de kern van mijn boek is en daar ben ik dankbaar voor.

Ik keek in de ogen van mijn dochter. Ada is nu twee weken oud, haar oogjes kunnen nog niet scherpstellen op de dingen. Visuele stimuli worden nog niet geordend in haar hoofd; echt contact maken is onmogelijk omdat ze me niet ziet.

Het jasje van Luis Martín stelt de vraag of het mogelijk is van iemand te houden die onkenbaar blijft.

Het antwoord is ja.

__________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Veren

Het land onder de wind schudt z’n veren op. Die wind, waar heel moeilijk over gedaan wordt maar die niets nieuws is, komt haast recht van boven, probeert de bodem om te spitten terwijl in de lucht de losgelaten herfst de mensen afleidt.
‘O, de blaadjes,’ zeggen we, ‘moet je kijken wat een schouwspel, hoeveel auto’s zullen er al onder een boom liggen en straks houden de daken het niet.’

Wat vindt de wind onder het gras van onze binnenplaatsen, onder de wegen en de stoepen?

They were digging a new foundation in Manhattan
And they discovered a slave cemetery there
May their souls rest easy
Now that lynching is frowned upon
And we’ve moved on to the electric chair

Zingt Ani Difranco tegen de wisseling van het millennium. Bestaan hier ook zulke plekken, in Nederland, of ligt de viezigheid voor het oprapen? Van allebei een beetje misschien, er zijn slavengraven en men vermoedt knekels onder de Amsterdam Toren aan het IJ, van toen daar nog mensen opgehangen werden in het zicht van de binnenvarende schepen. Maar dat is iets heel anders. Je kunt een vlak land zeven en dan blijft er vast wel ergens een stel vervloekte botten achter, tussen de petflessen, de pijpenkopjes en de heipalen. Viezigheid wordt niet per se verborgen onder vaderlandse aarde, ze kan ook in archiefkasten, voormalige koloniën, gevelstenen en afspraken zitten.

Hoe dan ook, het is niet de wind tegen de mensheid, die wind wil niets en heeft geen doel. Alleen wat verwaaide resultaten. Zoals ik, moe, achter m’n raam, ik denk terug aan muziek die ik luisterde toen ik nog niet zo moe kon zijn als nu, alleen maar omdat tussen toen en nu meer dan een decennium ligt waarin ik verschillende zaken achterliet, zoals de eindeloze energie van een kind, enkele al dan niet beantwoorde liefdes en wat een ‘rotsvast geloof in de toekomst’ genoemd wordt (‘Is there anything I can do about/Anything at all?’).

Iemand zei laatst treffend dat ze allergisch voor herfst was en ik heb besloten dat ik dat ook ben. Het is allemaal oké, murmel ik in mezelf, ik ben alleen allergisch voor een jaargetijde, en die allergie voor drie maanden culmineert in een allergie voor alles en een pijnlijke keel – het gaat wel weer over.
Bovendien is niet alles verloren. Een land heeft geen veren, dat weet ik ook wel, maar je moet niet alles kapotschreeuwen.

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Stralend gelukkig

Toen ik zes jaar oud was, had ik een roeping. Ik was uitverkoren om volmaakt te worden. Mijn moeder hield me weg van school en wereldse mensen, maar ik verveelde me geen moment. Op een slepende bandrecorder luisterde ik naar Noorse toespraken. Met opgeheven armen dirigeerde ik Noors gezongen liederen en met de bijbel in de hand sprak ik de geiten toe in de schuur achter ons huis. Ongehoorzame konijnen werden met de pollepel getuchtigd. Overwinning van zonden was belangrijk, ook al begreep ik nog niet helemaal wat daarmee werd bedoeld. Maar het altijd verblijden en eeuwigdurend geluk leek me haalbaar. Mijn roeping was mijn redding.

Inmiddels zijn de geiten en konijnen allang opgegeten. De bandrecorder is ingewisseld voor een computer. De toespraken en liederen van de Noorse Broeders worden op hun websites begeleid door beeld. Stralend gelukkige mensen lachen in de camera en vrolijk ogende kinderen vouwen doosjes voor de Postcode Loterij.
Mijn roeping daarentegen is gestrand. Het altijd verblijd zijn bleek een vermoeiend streven. Dat eeuwige geluk. Gerbrand Bakker zou zeggen: ‘Houd daar nou eens mee op!’ Maar dat terzijde.

Voor mijn vierde roman bestudeer ik de ontwikkeling van sektes, kenmerken die zo’n gemeenschap verleidelijk en verslavend maken. Een hoogleraar spreekt van kwaadaardig als geld een belangrijke rol gaat spelen. Ergens anders lees ik dat de volgende stap geweld zal zijn.
Ondertussen komen er op mijn computerscherm berichten voorbij. Een Noorse-broeder-topman zegt te worden bedreigd. Een voormalig financieel brein zit ondergedoken. Leiders en stromannen schrijven strijdlustig blogs om zichzelf vrij te pleiten. Leden wijzen naar de buitenwereld en vergelijken zichzelf met slachtoffers van de holocaust.

Als kind met een roeping zou ik zeggen: ‘Houd daar nou eens mee op!’ Maar dat terzijde.
Om met de woorden van een ex-lid te spreken: ‘Er is een nieuw treurig dieptepunt bereikt.’

afbeeldingEllen Heijmerikx (1963) won met haar roman Blinde wereld de Academica Debutantenprijs 2010, waarover de jury o.a. schreef: ‘Beklemmend en glashelder proza. Alle pathetiek zorgvuldig vermijdend. Dit boek ademt noodzaak.’ Eerder won zij de eerste Duizend Woorden Prijs voor het beste korte verhaal. Wij dansen niet ishaar tweede roman en in 2015 kwam haar derde roman En nooit was iets gelogen uit.

Hella S. Haasse, meester van de lichte toon

illustraties in Irundina zijn van Sylvia Weve

Irundina is een Portugees meisje dat in Frankrijk werkt om het geld te verdienen waarmee haar zieke zusje naar een kuuroord kan om van haar longziekte te genezen. In de tachtiger jaren, wanneer Hella S. Haasse in Frankrijk woont, maakt Irundina ook bij hen schoon, zo leren ze elkaar kennen.

Richard Curtis is een Nieuw-Zeelandse scenarioschrijver die klassieke feel good movies op zijn naam heeft als Four Weddings and a Funeral, Bridget Jones’s Diary, Notting Hill, en Love Actually. Bepaald de minste niet, ik heb ze gemiddeld 4 keer gezien, denk ik. (Want een zwak voor het genre en als een ceterum censeo probeer ik al jaren iedereen na een gesprek over film About time aan te bevelen, die niemand kent vreemd genoeg.)

In de schitterende documentaire Eight Days a Week, the Touring Years over The Beatles, is Curtis een van de talking heads. Hij vertelde erin dat de films die hij maakt (die las ik net ensemble films worden genoemd) ontstaan zijn vanuit Curtis bewondering voor hoe de Beatles met elkaar omgingen. Hij wilde films maken met vriendengroepen die voor elkaar zorgden en om elkaars grapjes lachten. Zo bezien zie je in elk van deze films precies wat hij bedoelde. De grappige vriendenclubs die veel ruimte aan elkaars afwijkendheid geven, en ook voor elkaar zorgen, iets wat echt duidelijk in de documentarie naar voren kwam. Mooi om te zien en blijkbaar een succesvolle formule. Binnen de Beatles, maar ook in de films van Curtis. (En bij uitbreiding veel succes-tv: Friends, Sex in the City, How I met your Mother, etc.)  We willen zo’n vriendengroep.

In Love Acually, betreft een van de verhaallijnen een meisje dat schoonmaakt in Frankrijk en uit Portugal afkomstig is. Er zijn er blijkbaar nogal wat. In Irundina moeten we het zonder de romantiek doen. Hella S. Haasse doet dat ook heel mooi: aan het einde van het toch betrekkelijk droevige verhaal, van armoede, uitbuiting, niet aan een echt leven kunnen beginnen, schrijft ze: ‘Als dit een verzonnen verhaal was, zou ik wel een goede afloop kunnen bedenken.’ En daar gaat ze, ze arrangeert een ‘Richard Curtis apotheose’, de Engelse vrouw die haar naam suggereerde aan het begin van het boekje komt haar weer tegen en helpt haar bijvoorbeeld eigenaar te worden van het restaurant waar ze werkt .(We zien in Love Actually Colin Firth door Lissabon lopen om zijn Portugese werkster een aanzoek te doen, in het restaurant waar zij dan werkt). Zo’n einde.

Maar het is geen verzonnen verhaal… we weten niet hoe het met Irundina afloopt, maar erg gelukkig is haar leven niet begonnen. Het is Haasse’s scherp gevoel voor empathie, haar heel lichte toon – waardoor het bijna een kinderboek zou kunnen zijn – die zo’n indruk maakt.  Naast Sylvia Weve’s mooie illustraties. Ontheemdheid en illegaliteit, werken voor te weinig geld, de dromen uit je leven zien verdwijnen. Irundina is een schrijnend altijd actueel en prachtig vormgegeven en geschreven boekje.

 

Overigens ben ik van mening dat iedereen About Time zou moeten zien, het vergeten meesterwerk in het feel good genre van Richard Curtis…

 

Hella S. Haasse Irundina, met tekeningen van Sylvia Weve. Uitgeverij Querido, 2016

——————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Schreef al eens een stukje over Haasse.

Is momenteel (niet slecht qualitate qua) zeer enthousiast over: Gilles van der Loo Het jasje van Luis Martín, Joseph Mitchell McSorley’s wonderbaarlijke Saloon (vertaling Dirk-Jan Arensman) en Marijke Schermer Noodweer.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een begin#2: Jouw kant van de kamer

Tegen het einde van de nacht droomde ik over je. Ik was op een thuisfeestje op de bovenste verdieping van een smal gebouw en zag je aan de andere kant van de kamer.

Je leunde tegen de muur met je handen achter je billen, en luisterde naar een man die ik niet kende. Ik wilde naar je toe, maar merkte dat de vloer begon te hellen. Scheuren ontstonden in de bakstenen wanden terwijl de gastheer champagne schonk, en niemand leek te merken dat het parket onder spanning stond, de visgraatlatjes van hun lijmlaag loskwamen en er breukvlakken verschenen. ‘Lang zal hij leven,’ zongen de gasten en met elke stap die ik in je richting zette gleed ik er een terug, maar mijn verlangen was als warme adem op je hals. Je draaide je hoofd en zag me.

‘Suus,’ fluisterde ik, en de woorden slalomden tussen de pratende en lachende gezichten door naar je toe. Een scheur trok over het plafond, de ruiten barstten in hun sponning en het licht viel uit terwijl de gasten proostten en lachten. Je lachte met ze mee en op dat moment besefte ik dat ik droomde; dat deze droom niet anders af zou lopen dan alle andere. Ik zou jouw kant van de kamer nooit bereiken, en een ijzig daglicht wachtte op me in mijn nauwelijks beslapen bed.

 

De komende weken werk ik aan het begin van een nieuwe roman. Elke woensdag publiceer ik hier een mogelijke bladzijde. Muziek die ik luisterde bij de bladzijde van vandaag: Randy Newman, I’ll Be Home

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Achteraf gezien

In januari van dit jaar ging ik naar een opera, een beetje klunzig toneelstukje met werkelijk adembenemende muziek. Een maand daarvoor zag ik een film waarin een man in de buik kroop van zijn opengesneden paard. Zo overleefde hij een sneeuwstorm, maar zijn paard was dood. Ergens in die zomer daarvoor at ik met schrijvers spaghetti carbonara terwijl een van hen beschreef hoe hij ooit tijdens een seksdate op een blinde man plaste. In het voorjaar zag ik in een chique Parijs warenhuis een reuzenrad vol glitterschoenen en een fles drank die achtentwintigduizend euro kostte. Helemaal aan het begin van dat jaar had ik een deadline voor mijn boek. Toen zag ik op tv een man een agent doodschieten met een Kalasjnikov terwijl hij iets riep, luidkeels, en ik herkende iets. Het aanbidden van een god, het vuur van overwinning en het volledig toegewijd zijn.

Inmiddels heb ik het geloof van mijn ouders vervloekt. Niet alleen in mijn hoofd, maar ook op papier. Ik zie de Noorse religieuzen niet zo snel met Kalasjnikovs tegenstanders neerschieten. Toch zijn ze in staat van paraatheid en sluiten hun gelederen. Niet de leiders, aanverwanten en stromannen die zich ten koste van de leden verrijkt hebben zijn de vijand, maar de buitenwereld, de krant, journalisten, ex-leden en de geestenwereld.

Ik zou alles wat ik bezit afstaan aan de mannen die aan de leiding staan, schrijft een broeder op Facebook. Wij strijden voor onze kinderen, wij strijden voor recht. En die strijd voeren wij met alles wat in ons is.

Een ex-lid schrijft: Toen de kinderen van mijn dochter niet meer bij ons mochten komen omdat ik gescheiden en weer samenwonend ben, heb ik op het randje gestaan om uit het leven te stappen.

Een ander ex-lid schrijft: Toen de broeders mij een zuster aanboden om me te genezen van mijn geaardheid, heb ik geweigerd. Vanaf dat moment was ik als jonge jongen mijn familie kwijt.

Ik kijk naar de eerste schoolfoto van mezelf. Een zesjarig meisje, ogen als halve maantjes en een ontbrekende tand. Achteraf gezien was die rare absurde buitenwereld niet mijn vijand, terwijl me dat toen wel door de broeders werd voorgespiegeld. Achteraf gezien is de ware vijand degene die met volle overtuiging de groei en vrijheid van zijn eigen kinderen belemmert.

 

afbeeldingEllen Heijmerikx (1963) won met haar roman Blinde wereld de Academica Debutantenprijs 2010, waarover de jury o.a. schreef: ‘Beklemmend en glashelder proza. Alle pathetiek zorgvuldig vermijdend. Dit boek ademt noodzaak.’ Eerder won zij de eerste Duizend Woorden Prijs voor het beste korte verhaal. Wij dansen niet is haar tweede roman en in 2015 kwam haar derde roman En nooit was iets gelogen uit.

The new normal

Did you feel the building move last night?’, vroeg onze benedenbuurman woensdagochtend vanaf het groenstrookje naast ons huis, terwijl zijn teckel weigerde op commando te poepen. Ik dacht dat hij het overdrachtelijk bedoelde.

Ongeveer op het moment dat Wolf Blitzer* op CNN aankondigde dat Donald Trump naast Florida ook Pennsylvania – en daarmee effectief het presidentschap – had gewonnen, is de linker achterhoek van ons appartementencomplex daadwerkelijk een paar centimeter verzakt. In mijn blinde verkiezingspaniek heb ik er niets van gemerkt, maar de benedenbuurman zag de scheuren door zijn slaapkamerwand trekken.

Ik hecht daar betekenis aan. De fundering onder ons bestaan begeeft het. Na de aardverschuiving van afgelopen dinsdagnacht voelt niets meer hetzelfde. Zelfs het weer is omgeslagen. Sinds Trump is gekozen tot president van de VS regent het. Het is te gemakkelijk om de herfst daarvan de schuld te geven.

This is the new normal.

In het centrum van Austin werd onze Indiase vriendin S. woensdagavond klemgereden door drie kerels in een Jeep. Eén van hen stapte uit en probeerde – gelukkig zonder succes – haar portier open te trekken. ‘Go the fuck back to your fucking country, you fucking Paki!’, schreeuwde hij voordat hij een ster in haar voorruit sloeg. Een goedaardige meneer in een Prius heeft haar een escorte naar huis gegeven. Dat dan weer wel.

Donderdag kwam onze vriend M., die meer en meer op Malcolm X begint te lijken, uren later dan afgesproken bij ons aan. Onderweg van San Antonio naar Austin was hij noodgedwongen van bus gewisseld, omdat hij steeds werd lastiggevallen door een groep studenten. Het N-woord mag weer.

Onze vriend J., een kolossale polyglot die ook vloeiend Nederlands spreekt, werd eergistermiddag bedreigd bij een tankstation in het zuiden van de stad. ‘Fags deserve bullets’, riep een willekeurige redneck vanaf veilige afstand, met twee vingers als een pistool gericht op zijn veel te strak gespannen International Drag Fest-T-shirt. Homohaat is van alle tijden, maar nogmaals: ik hecht hier betekenis aan.

Voor zover ik weet, is niemand in onze kennissenkring hier ooit eerder in de problemen gekomen. Nu, in de allereerste week na de verkiezing van Trump tot president, gebeurt het tot drie keer toe. Dat kan natuurlijk toeval zijn, maar het zou ook kunnen dat Trump met zijn eigen gedrag zijn volgelingen een vrijbrief heeft gegeven om zich te misdragen.**

Ik ken Austin als een gezellige, veilige stad. In Travis County, waar Austin deel van uitmaakt, stemde 66,3 procent van de kiezers dinsdag op Hillary Clinton.*** En net als in veel andere steden in de VS komen de mensen ook hier in protest: na de uitslag rolden plaatselijke demonstranten vrijwel direct hun yogamatjes uit bij het Texaanse parlement om in collectieve Bhujangasana-positie positieve energie in en uit te stralen.

Op het dak van de Wells Fargo drive-through-bank**** speelde gisteravond een bandje met Trumpmaskers de uitgekauwde protestklassieker It’s the end of the world as we know it van R.E.M. Ik hoopte vurig dat ze zouden worden gearresteerd – niet alleen vanwege hun repertoire, maar vooral om het plaatje, want dichterbij de gekozen president in handboeien zullen we nooit komen.

Uiteraard gingen de mensen ook gewoon de straat op, met honderden, zo niet duizenden tegelijk. Ik sloot me aan bij een groep studenten die vanaf de campus richting het centrum liepen. Favoriete leuze tot nu toe: ‘You can’t build a wall if your hands are too small!

The building has moved. Ik heb het niet zien aankomen. De afgelopen maanden blijk ik de lezers van Tirade week op week ongewild een rad voor ogen te hebben gedraaid. Mijn welgemeende excuses voor de oprechte disinformatie die ik met mijn stukjes heb verspreid. Ik was ervan overtuigd dat Hillary ging winnen. Daarom is dit voorlopig mijn laatste bijdrage over de Amerikaanse politiek, want het is wel duidelijk dat ik daarvan totaal geen kaas heb gegeten. Bovendien is de tijd van vrijblijvende schrijverij voorbij. Nu is het tijd voor aksie.

_____________________

* Wat mij persoonlijk beangstigt, is dat de zilvergrijze Wolf Blitzer geen dag ouder lijkt te zijn geworden sinds ik hem in de jaren ’90 voor het eerst op televisie zag. Misschien is de echte Wolf al jaren dood, en is hij net als Paul McCartney stiekem vervangen door een hologram.

** Om eventuele lezers van alt-rechtse websites als Breitbart het gras voor de voeten weg te maaien, geef ik hier alleen voorbeelden van Trumpgerelateerde agressie uit de eerste hand. Bovenstaande incidenten heb ik direct vernomen van de slachtoffers. Op het web zijn nog veel meer gevallen van racistisch, xenofoob, vrouwvijandelijk en homofoob geweld te vinden, maar die worden door de volgelingen van Trump steevast afgedaan als propaganda van de linkse elite – een groep waar ik mezelf tegenwoordig met toenemende trots mee identificeer.

*** In de voorverkiezingen op 1 maart van dit jaar stemde 51,4 procent van de kiezers in Travis County op Bernie Sanders, tegen 48,2 procent voor Clinton. Niet dat het nu nog iets uitmaakt, maar veel van zijn aanhangers menen dat hij meer kans tegen Trump zou hebben gehad.

**** In de VS kun je overal doorheen rijden. Er bestaan drive-through dierentuinen, striptease clubs, uitvaartcentra, trouwkapellen, kerken, galeries, bibliotheken, en mijn persoonlijke favoriet: drive-through EHBO-posten (voor als je even druk bent).

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Kwestie van perspectief

We zijn wel wat gewend in de romankunst. De onbetrouwbare verteller kennen we al – dus dat je als lezer er op zeker moment achterkomt dat wie het verhaal vertelt gewoon niet te vertrouwen is (Pale Fire, Nabokov), –  een misschien geesteszieke verteller (Don Quichote, Cervantes)  de autist als verteller (The Incident with a Dog by Night Time Mark Haddon). Het schilderij  als verteller (Specht & zoon, Willem-Jan Otten) en de reeks is schier eindeloos. In een eeuw of tien romankunst heeft een lange rij schrijvers zich afgevraagd welk perspectief te kiezen. In Ian McEwan’s Nut shell is het de ongeboren baby.

McEwan is zo’n schrijver die je blijft volgen als je ooit met hem begonnen bent, hij schreef aardige boeken (Enduring Love, Sweet Tooth), heel goede  (Atonement, On Chesil Beach, The Children Act) en een briljant boek (Saturday).

Een van de kwaliteiten van McEwan is de economie van zijn vertelling, waardoor hij plaats overhoudt voor boeiende terzijdes.

‘She reaches up to a cupboard for the tin of ground coffee and the filter papers, runs the cold-water tap, fills a jug, fetches a spoon. Most of the cups are clean. She sets out two. There’s pathos in this familiar routine, in the sounds of homely objects touching surfaces. And in the little sigh she makes when she turns or slightly bends our unwieldy form. It’s already clear to me how much of life is forgotten even as it happens. Most of it. The unregarded present spooling away from us, the soft tumble of unremarkable thoughts, the long-neglected miracle of existence. When she’s no longer twenty-eight and pregnant and beautiful, or even free, she won’t remember the way she set down the spoon and the sound it made on slate, the frock she wore today, the touch of her sandal’s thong between her toes, the summer’s warmth, the white noise of the city beyond the house walls, a short burst of birdsong by a closed window. All gone, already.’

Ik vind dat deze passages de kracht van McEwans schrijven uitmaken. Ze zijn precies, origineel, veelzeggend. Wat ik opvallend en misschien heel knap vind, is dat McEwan met zijn keuze voor dit ongewone perspectief niet op de loop gaat. Zoals ik zelf bijvoorbeeld zou doen. Ik kom nu al enige dagen niet tot rust door gedachten over wat ie allemaal had kunnen doen met deze denkende baby die getuige is van de moordplannen van zijn moeder en haar minnaar op zijn vader.

Wat McEwan wel deed: hij heeft de baby veel kennis gegeven doordat hij meesluistert naar radioprogramma’s en podcasts. De baby hoort natuurlijk de gesprekken van moeder en minnaar, hij hoort de hartslag van de moeder dus weet wanneer ze bang is. Hij wordt dronken als de moeder teveel drinkt. Hij ergert zich aan de seks die hij moet ondergaan, met dat Ding dicht bij zijn hoofd…

Wat McEwan niet deed is vooral in het verhaal handig gebruik maken van wat de baby verkeerd ziet of misinterpreteert, hoewel dat héél uitdagend is voor de schrijver, lijkt me. En dat had de roman echt knap gemaakt.

Maar misschien is echt knap wel niet de bedoeling. McEwans pleidooi voor het gewone en het dagelijkse is wellicht veelzeggend: er is in wat er al dagelijks verdwijnt zoveel bewonderenswaardigs, the unregarded present spooling away from us, the soft tumble of unremarkable thoughts, the long-neglected miracle of existence, dat de schrijver misschien niet moet proberen al te knap en geniaal door te denken. Maar ik blijf maar scenario’s bedenken. Wat bijvoorbeeld als…

——————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Is momenteel (niet slecht qualitate qua) zeer enthousiast over: Marijke Schermer Noodweer, Gilles van der Loo Het jasje van Luis Martín en Joseph Mitchell McSorley’s wonderbaarlijke Saloon (vertaling Dirk-Jan Arensman).

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Het begin#1: Marley

tumblr_n94plvkbxz1qjzcbeo1_500

 

 

De tochtgang die de straat gebleken was en waarbij de architect nooit had stilgestaan toen dit alles nog op een tekentafel lag, zoog de dikke sneeuwvlokken horizontaal langs de winkelpuien, tramhokjes, de eindeloze rode en zwarte bakstenen van IJburg. Binnen een paar minuten was de oostkant van alles wit. Marley stond op de convectorput bij het grote raam van zijn appartement in gebouw De Lelie en liet de zolen van zijn Nikes de hitte opnemen: een voorraadje warm voor straks, als hij de straat op moest. Hij speelde met de muntjes in zijn broekzak, liet het kleingeld door zijn vingers klateren terwijl hij zijn plan voor de dag naliep. Over elf minuten vertrok de tram naar het station, vanwaar hij door de stad zou lopen naar het gebouw met de engel op de kop van de Haarlemmerdijk. Hij keek naar zijn camera, die op de armleuning van de blauwe leren bank lag. Ernaast, op de zitting, lag zijn laptop met het scherm nog open. In onbarmhartig wit toonde het zijn rekeningoverzicht, het saldo bovenaan onleesbaar maar de min ervoor als een kleine maar onbereikbare splinter in al ontstoken vlees. Marley liep naar het apparaat toe, klapte het dicht en haalde zijn jas van de kapstok. Nog vijf dagen en het jaar zou voorbij zijn. Hoewel hij alles had nagerekend en zijn uitgaven had bijgehouden had hij het niet gered: de stapel herinneringen en aanmaningen van de woningbouwvereniging kwam al bijna boven de schoenendoos uit. Marley keek naar de ooit felrode Jordans aan zijn voeten, waarvan het leer grijs geworden was, hard door het vocht dat het op had moeten nemen in alle kilometers straat die zijn gympen inmiddels hadden gezien. Hij tilde de camera van de bank en stopte hem samen met het schrift in zijn rugtas.

‘Shit, ma,’ zei hij met een hand aan de knop van de voordeur en de andere op het kruisje om zijn nek. Zijn stem galmde in de lege hal. ‘Ik wil je geloven, maar het wordt steeds moeilijker.’

 

De komende weken werk ik aan het begin van een nieuwe roman. Elke woensdag publiceer ik hier een mogelijke bladzijde. Muziek die ik luisterde bij de bladzijde van vandaag: Goodie Mob, Thought Process.

__________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Het spoelen van hersenen

Ik zit naast de poes en lees berichten op een site van een besloten facebookgroep. Ik ben lid. Mijn mede groepsleden zijn mensen die net als ik geboren zijn in en gevlucht zijn uit de Noorse-broeder-sekte. Sommigen zijn nog vers gelovig, anderen houden het bij ietsisme of hebben het bestaan van een god volledig afgezworen. We lezen krantenberichten en zijn verbaasd. Er komt feiten boven waarvan we nooit hadden gedacht dat ze ooit openbaar zouden worden. We hadden het stiekem gehoopt, althans ik, de ongelovigste en meest rancuneuze van ons allemaal. Maar nu is het zover. Er is een verdachte die miljoenen heeft verduisterd. Er zijn mails die bewijzen dat leiders sjoemelen met geld en elkaar aanwijzingen gegeven hoe de leden te indoctrineren. Er komt een rechtszaak met getuigen. Zelfs de big brother uit Noorwegen zal onder ede zijn hachje moeten zien te redden. God zij geloofd en geprezen. Of het wat opbrengt is nog maar de vraag. Niet alleen dichten leiders zichzelf bijzondere kwaliteiten toe, ze worden ook door de volgelingen aan de leiders toegedicht. Een aanklacht of veroordeling zal daar niets aan veranderen.
Maar what the hell. Alleen de steekwoorden zijn al leuk om te lezen:
Noorse broeders. Internationaal miljoenenconcern. Veertigduizend leden. Geestelijk leiders. Stromannen. Grote sommen contant geld. Web van bedrijven. Belastingparadijzen.
Gesloten gemeenschap. Sekte. Vaker in opspraak. Ex-leden. Kindermishandeling, kinderarbeid. Groepsmanipulatie. Verstrengeling kerkelijke en commerciële belangen.

‘Als je hersens zo gespoeld worden dat je heel blij en gelukkig wordt, dan maar hersenspoelen,’ zegt een oudere broeder als hem door een televisieploeg om commentaar wordt gevraagd.

—-

afbeeldingEllen Heijmerikx (1963) won met haar roman Blinde wereld de Academica Debutantenprijs 2010, waarover de jury o.a. schreef: ‘Beklemmend en glashelder proza. Alle pathetiek zorgvuldig vermijdend. Dit boek ademt noodzaak.’ Eerder won zij de eerste Duizend Woorden Prijs voor het beste korte verhaal. Wij dansen niet is haar tweede roman en in 2015 kwam haar derde roman En nooit was iets gelogen uit.

Nou weten we ‘t wel

Op schrift is het moeilijk te bewijzen, maar ik kan vrij goed mensen nadoen. Bekende mensen, zoals Ernst Hirsch Ballin en Connie Palmen, maar ook minder bekende, waaronder onze vroegere buurvrouw in Krommenie en een neurotisch klasgenootje op de middelbare school dat overal veel te schel om moest lachen en later bij Defensie is gaan werken. De lijst is eindeloos.

Zoals wel vaker voorkomt bij lolbroeken, heeft mijn neiging om overal de humor van te benadrukken een serieuze oorsprong. Ik was de clown in de familie omdat er bij ons thuis altijd gezeik was. Om te voorkomen dat mijn zus en mijn moeder, mijn zus en ik of mijn zus en iemand anders elkaar in de haren vlogen, smoorde ik dreigende conflicten met een typetje of een dansje – een pathetische vorm van de-escalatie, maar wél effectief: het is lastig kwaad te blijven als de suikervrije sojamelk uit je neus komt.

Als kind besefte ik al dat de vlam alsnog in de pan zou slaan zodra ik door mijn repertoire heen was, dus smeerde ik mijn acts zo lang mogelijk uit, totdat we naar bed moesten, of tot het moment waarop mijn moeder de stekker eruit trok met de zin die zelfs de grootste komiek verslagen doet afdruipen: ‘Nou weten we het wel.’

Door de jaren heen heb ik duizenden vlieguren gemaakt voor de badkamerspiegel. Bekkentrekken, stemmetjes, loopjes en maniertjes; het kost tijd om iemand echt goed onder de knie te krijgen. Daardoor ben ik extreem kritisch geworden, op mezelf, maar ook op anderen.

De afgelopen maanden heb ik geleden, ondraaglijk geleden, onder de vruchteloze pogingen van talkshowgastheren, acteurs en komieken om Donald Trump na te doen. Ze riepen allemaal dat hij een godsgeschenk was voor de beroepsgroep, maar ze hebben zich allemaal op hem stukgebeten. Het blijkt onmogelijk om een karikatuur van een karikatuur te maken.

Johnny Depp doet niet eens z’n best, Bob DiBuono heeft de stem strak, maar is verder niet om aan te zien, Meryl Streep sla ik hier even over, Darryl Hammond speelt Trump na een handvol valium, Jimmy Fallon zet een laffe, tandeloze Trump neer en Anthony Atamaniuk raaskalt weliswaar uitstekend, maar mist fysiek overwicht. De enige die griezelig dicht in de buurt komt, is Alec Baldwin. Zijn Trump is een dominante klootzak, bijna – maar net niet – zo stuitend als het origineel.

Omgekeerd heeft Trump het zelf ook een paar keer geprobeerd. Behalve zijn beruchte imitatie van een gehandicapte journalist deed hij Hillary Clinton na toen ze onwel werd na een herdenking van 9/11, hij imiteerde hoe ze de teleprompter gebruikt in haar toespraken, haar handgebaren, en gelukkig niet haar stemgeluid. Stuk voor stuk niet om aan te zien.

Toen Trump met zijn campagne begon, dacht ik dat het een grap was, een publiciteitsstunt voor het geld. Toen hij de voorverkiezingen won, nam ik hem al wat serieuzer, maar ik moest nog steeds lachen om zijn absurde optredens in de media en tijdens zijn rallies. Maar sinds een week of vijf ben ik vooral bang.

De sfeer is omgeslagen. Er is geen enkele ruimte meer voor luchtigheid, relativering en onderling respect, laat staan voor humor. De media sturen aan op een nek-aan-nekrace, puur voor de kijkcijfers. Onpartijdige organisaties zoals de FBI worden ingezet als politiek instrument. Trump dreigt Clinton in de gevangenis te gooien als hij wint, en zijn aanhangers dreigen met politieke moord als hij verliest. De walm van seksisme en racisme is niet meer te harden. In een eerdere column voorspelde ik dat deze verkiezingen een race to the bottom zouden worden, maar ik had nooit gedacht dat de bodem zó diep zou liggen.

Ik kan er niet meer om lachen.

__________________

Kent u toevallig een potentiële Trump-stemmer? Download dan hier uw eigen Make America Sane Again ansichtkaart, stuur ‘m naar een Trump-supporter in uw kennissenkring en houd Donald Trump uit het Witte Huis.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Allerzielen

Het is Allerzielen en ik denk weer aan dat fietspad bij de Hagerhof in Venlo. Ik denk niet dat jij dat fietspad kent, jij woonde in Baarlo dus je zal wel in die rode Panda of Punto of Corsa over de stadsbrug zijn gegaan. Om hier te komen steek je bij de sportvelden die Styx van een Hagerweg over, de stroom doorgaand verkeer die de omheinde puberjungle waar wij elk een molensteen versleepten scheidt van de woestenij tussen Venlo en Tegelen. Dan passeer je eerst de kinderboerderij en dan de skyline van pallets achter de palletfabriek, waar om de haverklap brand uitbrak. Vanaf dit fietspad kon je als ambitieuze pyromaan met een eenvoudige molotovcocktail van eigen fabrikaat een hele houten wolkenkrabberstad in vlammen op zien gaan.

Van daar loopt het door een bosje naar de straat die aan de ene kant tuinbouwkassen heeft, of had, en aan de andere kant het rasterhek en de haag van de begraafplaats. Ik herinner me dit pad vooral aan de muziek die ik er hoorde, vechtend tegen de verveling tijdens al die fietstochten naar huis. Ik had muziek op mijn mp3-speler van artiesten die ik bewonderde, maar wier oeuvre ik niet noodzakelijk uitputtend kende. In het bosje na de palletfabriek ontdekte ik de tweede vioolromance van Beethoven, een muziekstuk en een moment die zo goed bij elkaar pasten dat ik het fietspad bijna magische krachten toe zou gaan schrijven.

Een stompzinnig idee dat alleen nog maar terrein won toen ik op precies dit fietspad reed en Brel op shuffle had. Het was de dag dat ze op school verteld hadden dat jij jezelf van kant had gemaakt, keurig opgehangen hoorde ik later, met de standvastige zorgzaamheid die je bij de commando’s had aangeleerd.

Ik weet nu dat Brel zijn laatste album opnam toen hij al stervende aan keelkanker was. Op dat album zingt hij het lied Jojo voor zijn overleden beste vriend. Hij beschrijft een bezoek aan het kerkhof met een krat bier en wat wijn, waar hij elke nacht liederlijk wordt aan Jojo’s graf, om ’s ochtends voor de eerste grafbezoekers weg te vluchten. Dat wist en hoorde ik toen allemaal niet. Met mijn 5vwo-Frans hoorde ik alleen de steeds herhaalde zin ‘cipié sous le terre’, van cipier, dacht ik, gevangen onder de aarde. Zo zag ik jou in je graf liggen, bonzend op je kist, afkerig van het leven en woedend in de dood.

Nog twee keer zou ik je zien. In een uitvaartcentrum met een veelzeggende coltrui aan, waar ik misschien te vroeg leerde wat dood zijn met een vertrouwd gezicht kan doen. En in de tuin van mijn ouders, bij het grote perk waar ik vandaag eigenlijk waxinelichtjes zou moeten planten, omdat het door alle zielen van dertig jaar huisdieren bemest wordt, van op de stoep gevonden muizen en vlinders tot Bobo, het kalf van een Airedale terriër dat nog niet wist dat het de laatste hond van mijn tante Wiesje zou worden. Dat zegt jou allemaal niks, maar het was eens rond je uitvaart dat ik je daar ontmoette, bang vroeg of ik me niet teveel met je afscheid had bemoeid, en je me geruststellend een idioot noemde, alsof ik me zorgen maakte dat je me een onvoldoende ging geven voor een prima essay.

Six pieds sous le terre, bleek Brel eigenlijk te zingen, zes voet onder de aarde. Er is geen woede of kalmte, er is alleen die meetbare maar onoverbrugbare afstand tussen jou sous le terre en ik er bovenop.

Het was een keer ’s avonds, rond deze tijd van het jaar, dat ik door het donker langs de tuinbouwkassen fietste, waarschijnlijk aan Brel en Jojo dacht, aan jou en mezelf, naar rechts keek, en bijna moest stoppen. Achter de haag, en tussen de bomen, als schepen op zee, waren honderden brandende graflichten door het donker gestrooid.

 


 

Daan Doesborgh (1988) is redacteur van Tirade en schrijft onder andere voor Vrij Nederland. Hij is oud-redacteur van Propria Cures en won in 2010 het NK Poetry Slam.

 

Disclaimer

In Lost for words van Edward St.Aubyn persifleert deze op de hem zo toevertrouwde slimkwaadaardige wijze het juryoverleg bij literaire prijzen. Het boek is ongetwijfeld uit frustratie geboren. Frustratie om een nominatie die niet verzilverd werd.

Zoals Marja Pruis haar nominatie voor de ECI-prijs niet verzilverd zal zien, als het aan Arjen Fortuin ligt, omdat haar goede vriend Joost de Vries in de jury van die prijs zit. Fortuin wijdde er een column aan, aan het verschijnsel dat Arie Storm – zo rekende Philip Huff uit – wat al te vaak iets aardigs zegt over schrijvers van Querido, waar zijn teerbeminde vrouw werkt. Jamal Ouariachi http://www.jamalouariachi.nl/blog/ vat het geheel even samen en neemt iedereen de maat, Huff, De Vries, Fortuin, en meldt en passant even waar iedereen zijn onderbroek koopt. Leuk toch?

De leidende gedachte van zijn stuk is dat iedereen iedereen kent en dat argumenteren de oplossing is: als Joost de Vries goed uitlegt waarom een boek dat opgedragen is aan ‘Joost’, geschreven door zijn vriendin en collega op de shortlist staat van de ECI prijs, dan wordt het acceptabel. En Joost de Vries mag zich van Jamal Ouariachi niet achter een juryrapport verschuilen.

De oplossing is misschien nog makkelijker. De disclaimer. Wanneer Arie Storm (gesteld dat het Parool inderdaad zo dom blijft hem boeken van Querido-auteurs te laten recenseren)  onder zijn recensie schrijft dat hij in bed ligt met de redactrice, wordt het – naast wat  hilarischer – ook wat eerlijker. (En zijn disclaimer zou zich moeten uitstrekken tot de nawoorden of nogal vlugge vertalingen die er van zijn hand bij Querido of Singel uitgeverijen verschijnen, omdat iedereen (ja echt, iedereen) dan steeds maar weer denkt: mevrouw Storm  keek in de huishoudportemonnee en dacht: kom, Arie moet maar weer eens een stukje bakken).

Van Pieter Steinz heb ik eens begrepen dat hij niet naar borrels ging. Misschien omdat hij niet van borrels hield, maar naar eigen zeggen vooral om deze toestanden te vermijden. Een recensent zou zich dus inderdaad volgens deze stelregel nooit op een borrel mogen vertonen van iemand over wie hij later een mooie recensie schrijft. Ook, of juist, NRC-recensenten.  Ik zal dat bij komende presentaties in de gaten houden. En dus recensenten verwijderen van borrels. Goed voor hun gezondheid. De Steinz Regel Voor Gezonde Kritiek.

De jury in Lost For Words bekroont uiteindelijk een kookboek dat per ongeluk ingestuurd is. De voorzitter plugt een titel van een maat van hem, die onder pseudoniem schrijft. De beste schrijver krijgt…. het meisje in het verhaal. (ook leuk) En een matige moeder tracht haar gebrek aan liefde te compenseren door haar dochter al haar geld op een van de titels in te zetten, die ze er toch helaas niet doorkrijgt. Au! De voorzitter komt in een lift vast te zitten met een man met en een stok die claustrofobisch is en om zich heen slaat met de woorden ‘don’t panic! don’t panic!’ Smakelijk materiaal. Voor een roman.

 

 

disclaimer:  Ik, Menno Hartman, heb er nogal baat bij dat een titel van Marja Pruis virtueel uit de shortlist van de ECI-literatuurprijs verdwijnt, hoewel ik Pruis ken en zeer waardeer, maar omdat onze grote Martin Michael Driessen een van de andere genomineerden is, met Rivieren en dat zijn kanspercentage met 3,3333 % vergroot. Neemt u mijn mening en argumenten dus met een korrel zout. Fortuin ken ik persoonlijk en ik heb persoonlijk baat bij de verkoop van zijn geweldige Geert van Oorschotbiografie. En… ik heb overwogen dit stukje niet te plaatsen omdat er soms ergens een mooi stuk verschijnt van iemand van wie ik weet dat hij/zij Van Oorschot een warm hart toedraagt en ik dus idealiter zou moeten willen dat dat stopt. De Vries schreef een werkelijk prachtig stuk over Driessen in de Groene, en alleen daarom, nog los van zijn macht in de ECI jury, heb ik me in dit stukje lafhartig beperkt tot ariestormbashing, hoewel ik De Vries met liefde mee zou nemen -– iedereen tenslotte die zo klein is en zich zo  disproportioneel tot de groten rekent verdient een schimpscheut als een schaterlach – als dat mijn belangen niet teveel zou schaden…

Bovendien verschijn ik binnenkort ergens in een jury dus de problemen stapelen zich nu reeds op…

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Nieuw leven

De afgelopen week verscheen er op deze plek geen stukje van mij. Ik gaf mezelf vrij na de presentatie van Het jasje van Luis Martín, maar de reden was vooral dat ik even niets te zeggen had.

Bij mijn eerdere boeken ervoer ik na publicatie niet zo’n – overigens aangename – leegte als nu. Er staat geen nieuw verhaal te dringen, het gevoel van door-door-door is weg. Mijn verschrikkelijke haast lijkt te zijn verdwenen.

Wat er nu gaat komen weet ik niet, maar ik heb het gevoel dat Het jasje een keerpunt voor me zal blijken, en dat een volgend boek anders zal zijn dan mijn voorgaande werk.

Volgende week begin ik weer met werken. Vijf dagen per week schrijf ik de eerste bladzijde van een nieuw verhaal, dat kans maakt uit te groeien tot een roman. De beste bladzijde van de week zal ik op deze plek delen.

Misschien wil je meedenken en reageren. Misschien kun je me helpen te kiezen voor een volgend boek.

Foto: archief Nutty Johnny Mallard, Esq.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.