Alternatieve feiten

Afgelopen maandag lanceerde Kellyanne Conway, de uitgeteerde adviesblondine van de nieuwe president van Amerika, voor het eerst de term alternative facts. Zonder een spoor van gêne riep ze de kijkers van Meet the Press op om te ontkennen wat ze zelf met hun eigen ogen hadden gezien: ondanks fotomateriaal dat onomstotelijk het tegendeel bewees, hield ze vol dat niet Obama, maar Donald Trump tijdens zijn inauguratie in Washington de grootste mensenmassa ooit op de been had gebracht.

De journalist in mij is woedend dat Trump en zijn team de waarheid steeds opnieuw geweld aandoen, maar als schrijver met een autobiografische inborst moet ik toegeven dat ook ik – zij het met andere motieven dan zelfglorificatie – regelmatig feiten verdraai. En als mens, los van professie of functie, ben ik minstens zo schuldig als Trump, Conway en de rest. Al sinds mijn vroegste jeugd heb ik ruime ervaring met de gepersisteerde leugen.

Ik was zeven toen ik een X-Wing T-65 Space Ship van Star Wars jatte van het broertje van Philomena, zijn naam weet ik niet meer. Hij was een paar jaar jonger en ik ging nooit met hem om, maar toch was ik op een of andere manier op zijn zolderkamer beland. Daar greep ik in een onbewaakt ogenblik het meest handzame ruimteschip dat ik kon vinden, verstopte het onder mijn trui, zei de vader van Philomena, die vogelaar was, beleefd gedag en liep naar buiten.

Dat zijn de feiten. Ik hield niet eens van Star Wars.

Mijn moeder had meteen argwaan. Achter het bed van haar zoon trof ze nog diezelfde avond, duidelijk verstopt, een wezensvreemd stuk speelgoed aan, een dissonant tussen mijn legostenen, kleurpotloden en Kees de pop met een piemel. Oorlogstuig kwam er bij ons niet in, en ik kon het onmogelijk zelf gekocht hebben, want we kregen thuis geen zakgeld.

Tot op dat moment had ik nooit eerder standgehouden tijdens een kruisverhoor door mijn moeder. Met gerichte vragen en een strenge blik die voortdurend versprong van mijn linker- naar mijn rechteroog groef ze net zo lang door mijn geweten tot de aap uit de mouw kwam. Dit keer knakte ik niet: ik had die X-Wing – en trouwens ook een Stormtroopertje met een lasergun – eerlijk gevonden. Het was dus des te onrechtvaardiger dat ik toch zonder eten naar bed moest.

De bel ging. In mijn pyjama, bovenaan de trap, luisterde ik hoe mijn moeder eerst het broertje van Philomena en later ook de vogelaar zelf afpoeierde. ‘Hij slaapt al,’ zei ze voordat ze de voordeur dichtdeed. ‘Morgen zoek ik het uit.’

Waar ik me achteraf het diepst voor schaam, is dat ik haar zelfs mee naar buiten heb genomen om haar de zogenaamde vindplaatsen te laten zien; het poppetje tussen de prikkelbosjes op het schoolplein aan de overkant, en het ruimteschip bij de ingang van de opslagboxen onder de Grote Beer, een flatgebouw even verderop. I doubled down. Ik stapelde leugen op leugen en verwarde mijn moeders sprakeloze afschuw met mijn eigen overtuigingskracht.

In het interval tussen die reconstructie en het huisarrest dat kort daarop volgde, geloofde ik heilig in mijn eigen verzinsels. Mijn moeder heeft nooit helemaal zeker geweten dat ik dat Star Wars-spul daadwerkelijk had gestolen van een weerloze kleuter. Daarvoor had ik veel te veel desinformatie verspreid. Ik heb het nooit toegegeven, tot nu, bijna veertig jaar na de zonde – een bekentenis van een groot kind dat van liegen zijn beroep heeft gemaakt.

___________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Stereo

Eigenlijk ben ik audiofiel. Katten zijn bijvoorbeeld thigmofiel, zo noemt Midas Dekkers dat. Ze hunkeren naar de geborenheid van kleine ruimtes, daarom chillen ze dus graag in dozen, en houden ze ervan aan geraakt te worden. Ik hou van muziek – een algemeen verschijnsel – maar nu lijkt het er ook op dat ik muziek om me heen echt nodig heb.

Ik repareerde de stereoinstallatie op de uitgeverij die het al tijden niet meer deed. (Er komt nu tenminste weer wat geluid uit.) Toen ging mijn eigen stereo stuk. You don’t know what you’ve got till it’s gone, zingt Joni Mitchell en dat klopt. Zij, onder anderen, zingt nu even niet meer en dat mis ik enorm. Ik houd zelfs staande dat er sprake is van afkickverschijnselen nu mijn verslaving mij zomaar is afgenomen. Een dag thuis zijn is ineens een uitdaging doordat de muren op me afkomen – of ik bij de muren opvlieg. Geluid uit een laptop is gewoon niet hetzelfde als van een cd (of plaat, maar die slag heb ik nooit gemaakt). Was ik maar thigmofiel.

Het zit me dwars dat ik deze geluidsinstallatie niet zelf kan repareren, terwijl ik normaal gesproken een heel eind kom met het zelf oplossen van technische mankementen. Van de mechanische diepten van de cd-speler heb ik helaas geen kaas gegeten. Het is me ooit weleens gelukt een cd-wisselaar te repareren – overigens zonder dat de eigenaar het in de gaten had – maar dat gaat me ditmaal niet lukken. Terwijl ik nog zo gehecht ben aan mijn stereoset! Ik kocht het voor een zuur gespaarde smak geld in groep 7 of 8, geloof ik, en datzelfde apparaat is dus al ongeveer een jaar of 17 bij me. Er zitten zelfs twee cassettedecks op, het was toen waarschijnlijk al een verouderd model, hoe jaren negentig wil je het hebben!

Ik zit nu met al mijn geliefde cd’s waar ik niets mee kan behalve ernaar kijken. Audiofilie lijkt me nogal typisch voor de mens. Ik moet er niet aan denken dat de kat ook nog audiofiel zou zijn, dan moet je weer andermans (anderdiers) muziek aanhoren. Er zijn vast aapsoorten die audiofiel zouden kunnen zijn of worden, mogelijk zelf in staat zijn muziek te maken. Het tegenovergestelde bestaat overigens ook, de misofoon. Die haat dus muziek, of bij uitbreiding alle geluid. Ik heb er ooit een ontmoet op een barbecue, het genoegen kon niet korter wezen, want zij zonderde zich vrijwel onmiddellijk af.

Er zijn natuurlijk ook heel vervelende geluiden. De net te luide koptelefoon in de trein, waardoor je eigenlijk dat ding van diegene z’n hoofd wil rukken om te roepen dat dat dus slecht voor je is. Of überhaupt een slechte muzieksmaak, die van je buren of zo. Nagels op een krijtbord, staal op staal. Nu de stereo op de uitgeverij het weer doet hoeft de stagiair nooit meer zijn oordopjes met Franse chansons in, draaien we weer vrijuit Haydn en Mendelssohn. En  des te meer besef ik dat ik als de bliksem weer goed geluid in huis moet halen.

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Astronaut – de waarheid is ziek

De waarheid is ernstig ziek. Ze ligt te bed en vele twitterkoningen kotsen over haar heen. De waarheid doet er niet meer toe, veel volgers hebben is belangrijker dan de waarheid spreken omdat ‘de mensen’ niet om de waarheid geven.  Hard schreeuwen volstaat voor een positie aan de macht. De klassieke media behoeven onze steun omdat ze de laatste moeilijke hobbel zijn van dictators op hun weg naar een weerspraakloze toekomst.

Ook ogenschijnlijk minder kwalijke veelsprekers als kijkcijferkanonnen en Bekende Nederlanders leveren hun bijdrage aan de bedlegerigheid van de waarheid: ze belichten zo eenzijdig.

Dit is ons medicijn: http://astronaut.io/

Als je erop klikt, geraak je op een website bedacht door  Andrew Wong and James Thompson op een zonnige dag  in San Francisco in 2011. Ze tonen op deze website de minst bekeken youtube filmpjes. Vaak ben je de eerste die zo’n footage bekijkt.

‘They were uploaded in the last week and have titles like DSC 1234 and IMG 4321. They have almost zero previous views. They are unnamed, unedited, and unseen by anyone but YOU.’

Wat we zien is daarmee het ultieme tegengeluid van een twitterende trump: het is waar, door niemand gezien en laat mensen in hun waarde. Vreemd genoeg heeft het bekijken van de minst aansprekende filmpjes op youtube een intens zuiverende werking.

De waarheid kucht nog een keer, maar verheft zich langzaam van haar sponde en kijkt de wereld in. Volhouden maar. We zijn niet alleen.

——————–

 

met dank aan Mike Naafs

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Is verder voor de uitgeverij verdiept in het boek van nobelprijswinnaar Niko Tinbergen over zijn reis naar en verblijf op  Groenland: Eskimoland.

Te verschijnen in maart.

 

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gods hand

Ik was in Sloterdijk. Niet het station maar het dorp, of wat daarvan over is. Reden voor mijn bezoek was de intentie een boek te schrijven over een kleine gemeenschap die door een wereldstad wordt ingesloten.

Ik had een afspraak met de beheerder van de kerk, die me gevraagd had na een uitvaart langs te komen, omdat hij er dan tóch zou zijn.

De begrafenis liep uit en ik hing rond voor de poort toen een kordate zeventiger de kerk uit beende. Zijn blik was op iets vlak boven mijn hoofd gericht, alsof ik nu al tekortschoot.

‘Zo,’ blafte hij. ‘Dus jij bent De Schrijver.’

Restjes rouwenden schrokken op. Waar kende ik die sterke wens te krimpen, me te verstoppen van? Toen de beheerder bij me aangekomen was wist ik het. De man moest een gepensioneerd docent zijn. Ik herinner me ze: leraren die nooit gedonder in hun klas hadden. Een kunstje dat ze zelf natuurlijke autoriteit noemden, maar dat je op elke hondenschool kunt leren.

Binnen minuten – en zonder zijn werk te staken – sloot hij een nauwelijks door mij onderbroken en duidelijk eindeloos herhaald verhaal af met een glimlachend: ‘dus ik weet niet wat je hier eigenlijk komt zoeken.’

Het aparte aan de manier waarop hij over zijn dorp sprak was dat hij me tegelijkertijd liet geloven dat hij de persoon was die over alle informatie beschikte, maar me ook absoluut niet zou gaan helpen om die te verzamelen.

‘Alles,’ zei hij. ‘Alles heb ik thuis. Ik heb jaren gevochten om het dorpsarchief terug te krijgen, en uiteindelijk heeft de gemeente me gelijk gegeven.’

Vraag dan, leek hij te willen overbrengen. Vraag dan door.

‘Het interesseert me,’ zei ik. ‘Een dorp dat door de stad verzwolgen wordt, maar er geen deel van uit gaat maken. Misschien wordt Sloterdijk het uitgangspunt voor mijn volgende boek.’

Hij knikte, rammelde met zijn sleutelbos, en ik besefte dat ons gesprek – de ruimte die hij me had toebedeeld – voorbij was. De beheerder was alleen nog bezig de deur te sluiten.

‘Hoeveel ik er niet op de stoep heb gehad,’ zei hij. ‘Mensen zoals jij. Hoeveel ik ze niet verteld heb. Maar het is steeds hetzelfde liedje: je vindt je woorden verdraaid terug in een of andere scriptie. Niks, geef ik ze meer. Helemaal niks.’

‘Je kent het dorp van vóór de ring? Vóór het station?’

Hij hoefde niet te reageren op de vraag die ik niet had hoeven stellen. De lucht was grijs als het geluidsscherm van de A10, en even was het mogelijk te geloven dat de snelweg een dijk was, met uitgestrekt polderland erachter. Maar we staan al op de dijk, dacht ik.

‘Weet je waarom jij hier nu kan staan?’ Hij trok zijn zware wenkbrauwen op en knikte naar een verte die er niet meer is. ‘De Dag des Oordeels.’

Als de A10 niet voor een constante ruis gezorgd had was er een stilte gevallen. Ik weigerde te happen naar de wortel van de beheerder. Hij leek het niet te merken.

‘Den Uyl. De hufter. Wilde alles platgooien voor de ellende die je nu ziet.’ Hij begon een weids gebaar, maar liet zijn armen weer langs zijn zij vallen. De ellende was alom. ‘Uiteindelijk kwam het op het Einde der Tijden aan. De graven hier, dat zijn familiegraven, gekocht tot de wederopstanding.’ Voor het eerst in tien minuten keek hij me aan; de haartjes in mijn nek sprongen overeind.

‘Dus god heeft het dorp gered?’

‘Ik wens je succes,’ zei de beheerder terwijl hij wegliep. Zijn rug was breed, zijn jasje grijs als de wachtende zerken van Sloterdijk.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

In memoriam Robert Anker 1946-2017

door Ingrid van der Graaf

Op vrijdag 20 januari, de dag dat zijn nieuwste boek In de wereld uitkwam, overleed Robert Anker na een kort ziekbed in zijn woonplaats Amsterdam. Anker publiceerde met grote regelmaat en werd geroemd om zijn schrijfkunst en zijn lust tot schrijven die – volgens een recensent in Trouw – van de bladzijden afspat. Hij hield ervan zichzelf steeds opnieuw uit te vinden, zijn hele oeuvre kent dan ook een grote verscheidenheid in taal en thematiek. Toch was er een ding dat zijn werk kenmerkte en dat was zijn fascinatie voor de ontreddering van de mens. Hij voelde zich aangetrokken tot de verloedering van de mens, in al zijn vormen. Ook zijn nieuwe (historische) roman gaat over een gegoede burger die uit de samenleving wordt gestoten omdat hij aan lepra lijdt.

Nadat er enkele gedichten van hem in De Revisor en Tirade verschenen waren, debuteerde hij in 1979 met de bundel Waar ik nog ben, gebaseerd op zijn jeugd in het West-Friese Oostwoud, waar hij geboren was. Voor zijn tweede bundel Van het balkon (1983) ontving hij de Jan Campertprijs en voor Nieuwe veters (1987) de Herman Gorterprijs. In 1993 kreeg hij de F. Bordewijkprijs voor De thuiskomst van kapitein Rob, (Twee novellen en een brief). Met zijn roman Een soort Engeland (2001) won hij de Libris Literatuur Prijs. Ook werd hij twee keer genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en stond hij met De vergever op de longlist van de ECI Literatuurprijs 2016.

Anker was eind jaren tachtig, begin jaren negentig redacteur van Tirade en tot zijn zestigste combineerde hij zijn schrijverschap met zijn leraarschap Nederlands op een middelbare school. Ook was hij jarenlang poëzierecensent bij Het Parool.

Anker schreef veelal registrerend waarmee hij diverse werelden kon oproepen en door zijn zelfspot (vooral in zijn poëzie) ontstaat er vaak een stil soort humor die je doet glimlachen.

Plotseling begon iemand van ons onbedaarlijk
te vloeken is het godverdomme
alweer vier jaar geleden
dat Bert stierf en wanneer Hans
wanneer is Hans verdomme en Dian?
We konden hem niet kalmeren
daarvoor was zijn woede te groot
terwijl het toch zo eenvoudig is.

Uit: Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006

Zijn laatste boek In de wereld wordt woensdag 25 januari gepresenteerd in het Cultureel Studentencentrum CREA van de Universiteit van Amsterdam.

 

Dit in memoriam verscheen eerder op de website van Literair Nederland.

Schoonheid

Op het moment dat dit stuk online verschijnt, zal het Writers Unlimited Festival bijna ten einde zijn. Vier dagen lang waren schrijvers uit Nederland en de rest van de wereld in Den Haag om in gesprek te gaan, de wereld te overdenken en – dat maakt het festival zo geslaagd- plezier te hebben. Daar waar humor en ernst samenvallen, onstaan de mooiste ideeen en gedachten.

Er wordt de laatste jaren steeds meer blasé gedaan over kunst en cultuur. Het wordt gezien als iets elitairs, als geldverspilling of een rijkeluis hobby. Maar als kunst en cultuur juist iets kunnen, dan toch zeker de verbinding aangaan, werelden onsluieren en verbinden en alternatieve visies bieden die ondergesneeuwd raken in het dagelijkse leven.

Literatuur, bovendien, schept hele werelden waarin lezers op kunnen gaan om de dagelijkse realiteit te ontvluchten of juist aan te kunnen.

Het woord hoop viel regelmatig. In deze roerige tijden, zoeken mensen naar lichtpuntjes, naar tekenen van hoop. Maar op zoiets ongrijpbaars als hoop moet je niet wachten, zei de Turkse schrijfster Ece Temelkuran. Het gaat om schoonheid, het creëren van schoonheid, het zien van schoonheid op de meest onverwachte plekken en momenten.

Het belang van schoonheid benadrukte ook de Roemeense schrijver Mircea Cărtărescu. Het mooie zien te midden van het grauw, de lelijkheid en wanhoop. Misschien is schoonheid wel gewoon de belichaming van hoop:  je hoeft er niet op te wachten, het is er al, je ziet het, het geeft troost en schetst een beter vooruitzicht.

hassnaebouazza-foto-annelies-verhelstHassnae Bouazza is journalist, columnist, vertaler en programmamaker. Ze was regisseur en eindredacteur van de zesdelige documentaireserie Seks en de Zonde en heeft haar eigen online glossy Aicha Qandisha.
Foto: Annelies Verhelst

Klachtbrief (3)

Amsterdam, 21 januari 2017

Geachte filiaalmanager,

Zoals u misschien al uit uw verkoopcijfers heeft kunnen afleiden, doe ik niet langer mijn dagelijkse inkopen bij uw Albert Heijn-vestiging aan het Hugo de Grootplein. Ik kan er niet meer tegen. Ieder bezoek aan uw winkel is voor mij een bezoeking, terwijl u zelf waarschijnlijk geen benul heeft van het leed dat u me de afgelopen tien jaar heeft aangedaan.

Vandaar dus deze brief.

Ik ben die man met die grijze pet en die dikke zwarte bril die altijd tijdens kantooruren boodschappen kwam doen: een fles cola, vochtige doekjes en een bakje Macadamia notenmix. Ik ben schrijver. Ik observeer, dat kan ik niet uitzetten. Ik luister. En wat ik in uw zaak heb gehoord, daar gingen mijn nekharen rechtovereind van staan.

Van alle zintuigelijke prikkels die een mens tot zich kan nemen, is geluid bij mij dominant. Het maakt het meeste in me los, ondanks een hardnekkige vetprop in mijn linkeroor waardoor ik het vaak verkeerd of afwijkend interpreteer. Ik ben de eerste om toe te geven dat ik het verschil niet hoor tussen piepende gympies op een sportvloer en een gewond huisdier. In het opstarten van internet via een ouderwetse inbelverbinding hoor ik brandende kinderen in een perspex buis. Juist die strikt persoonlijke, idiosyncratische waarnemingen en de associaties die zij bij me oproepen, maken mijn werk hopelijk de moeite van het lezen waard, al kan ik er nog niet zelfstandig van leven.

Ik lijd onder sommige geluiden. Waar u het mechanisch doorrollen van de reclameposters in de displays bij de ingang hoort, daar hoor ik iets heel anders. Steeds wanneer de volgende bonusaanbieding in beeld scrolt, hoor ik een alarmerend hoge, maar toch onmiskenbare mannenstem in een langgerekte oerbrul, alsof de teennagels van de schreeuwer één voor één worden uitgetrokken: ‘WHOAWHOAWHOAWHOAWHOAWHOAAAAAAW!’* Ondraaglijk lijden in hoofdletters, maar tegelijkertijd toch heel zacht; het gekrijs komt nooit boven de supermarktmuzak uit.

Nogmaals, ik ben al tien jaar klant. Ik weet wat ik kan verwachten. Die posters draaien met een ijzeren regelmaat iedere vijftien seconden door naar de volgende, en toch schrik ik er iedere keer opnieuw van. Ik vergelijk het altijd maar met de Holocaust: de dood went nooit.

U merkt, het is dus geen kwestie van volume of verrassing. Ook zachte, voorspelbare geluiden kunnen bij mij door merg en been gaan; dat heeft meer te maken met de pitch en de intensiteit. Nee, het feit dat die wanhoopskreten steeds zo gedempt doorklinken, roept bij mij alleen maar méér bange vragen op. Misschien komt het gegil helemaal niet van de bonusaanbiedingen, maar uit het kantoortje achter de wand waaraan ze hangen. Het kantoortje waar ú werkt en uw personeel luncht. Wat voor middeleeuwse taferelen spelen zich daar in vredesnaam af?

Hoe u uw collega’s behandelt is uw zaak, maar ik laat me niet langer martelen met de consequenties. Ik ben veel te fijnbesnaard om steeds te moeten horen hoe gruwelijk de echte wereld is. De verbeelding is al erg genoeg. Daarom zult u mij niet langer in uw filiaal tegenkomen. Ik winkel voortaan pijnvrij bij de Turk aan de overkant, waar ze ook vaatwastabletten hebben en Arabische hiphop draaien.

Hoogachtend,

 

A.

______________________

* Op z’n Engels.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

De walvis is maar een uitvergrote muis – over genetica

‘Much was I disappointed upon learning that the little packet for Nantucket had already sailed, and that no way of reaching that place would offer, till the following Monday.’

Het is het sfeervolle begin van Moby Dick: Nantucket. Het eilandje voor de kust bij Martha’s Vineyard, niet ver van New York dat een belangrijke rol speelde in de 19e eeuwse Amerikaanse walvisvaart. Maar het is maar een kleine stap van walvis naar muis. In The New Yorker van 2 januari staat een fascinerend artikel van Michael Spectre over ‘DNA-editing.’

Men is bezig met een instrument dat CRISPR heet stukjes dna te wijzigen, waarna met een natuurlijk fenomeen genaamd ‘gene drive’ de wijzigingen zich sneller in een populatie verspreiden. Een gene drive is de eigenschap motiveren van genen wat egocentrisch te zijn. Je creëert daarmee een hogere kans dan 50% dat een stukje dna overerft op de volgende generatie.  Wanneer je dus nu in een gewone veelvoorkomende witvoetmuis de ontvankelijkheid voor de ziekte van Lyme wijzigt, en je zou deze wijziging zich met de genedrive  heel snel laten vermenigvuldigen in een populatie, zou je langzaamaan ziektes kunnen elimineren.

Nantucket is een volgende verhoopte stap van wetenschapper Kevin Esvelt. Hij acht het zeer wel mogelijk binnenkort al op Nantucket aan het werk te gaan. Muizen spelen een cruciale rol in de verspreiding van Lyme: de teek bijt de muis, de muis heeft Lyme, de volgende teek die de muis bijt krijgt Lyme etc. Een kwart van de mensen op Nantucket heeft Lyme of heeft het gehad. Het is in Amerika een van de snelst groeiende ziektes, ook wereldwijd een enorm probleem. Er zijn minder dan een miljoen witvoetmuizen op Nantucket, met enkele tienduizenden aangepast witte muizen – uit te zetten op het eiland –  kan je die hele populatie al aan het aangepaste gen helpen. Een veelbelovend idee. Mooi is ook wel de onwil van Esvelt zich met commercie bezig te houden, alle informatie is openbaar.

Siddharta Mukherjee heeft een nieuw boek geschreven  – ik zwijmelde hier al eens over zijn vorige geweldige boek, The Emperor of all Maladies, een geweldige studie naar het wezen en de geschiedenis van kanker.

Nu richt Mukherjee zich op de genetica, en specifiek dus op Het Gen, zoals ook de titel luidt: Het gen, een intieme geschiedenis. Mukherjee neemt een aanvang met gevallen van schizofrenie in zijn eigen familie en vertelt zo het hele verhaal. Thans zit ik nog op een trein tussen Brno en Wenen waar de wat vreemde Augustijner monnik Mendel een examen gaat proberen te halen, maar Mukherjee gaat me alle hoeken van de wereld van het gen laten zien. Ik verheug me!
‘So utterly lost was he to all sense of reverence for the many marvels of their majestic bulk and mystic ways; and so dead to anything like an apprehension of any possible danger from encountering them; that in his poor opinion, the wondrous whale was but a species of magnified mouse, or at least water-rat, requiring only a little circumvention and some small application of time and trouble in order to kill and boil.’

——————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Is verder voor de uitgeverij verdiept in het boek van nobelprijswinnaar Niko Tinbergen over zijn reis naar en verblijf op  Groenland: Eskimoland.

Te verschijnen in maart.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Genoeg voor dromen

Iemand waar ik veel om geef verbrak na jaren twijfel haar relatie met een man die aan de andere kant van de wereld woont.

Niet alleen de man leek ideaal, maar ook zijn leefomgeving en wat hij daar doet. Op nog geen 24 uur vliegen lag er een heel leven voor haar klaar. Alles wat ze hoefde doen was instappen en een deur achter zich sluiten.

Ze ontmoette hem in de meest vormende jaren van een mensenleven, op haar eerste verre reis. Keuzes die je op die leeftijd maakt bepalen vaak de rest van je verhaal, en de bijkomende angst is dat de afslag die je neemt in het licht van later een zijspoor zal blijken.

Omdat er geen manier is om de gevolgen van zo’n keus te overzien, maak je hem op hoop van zegen. Je sluit je ogen en stapt. Of eerder: je laat je achterwaarts vallen, op hoop van armen.

Mijn overbuurvrouw, die de hongerwinter heeft meegemaakt, vertelde me dat er vroeger geen keus was. De verantwoordelijkheid om een leven te maken of breken lag in veel mindere mate in handen van het individu. God bestond toen nog. Waarom zijn we daar eigenlijk ooit vanaf gestapt?

Ik zie die opgepompte neocortex van ons niet per sé als evolutie. Hij geeft ons het vermogen vooruit te zien, maar zal ons als soort niet redden. Wie ooit de geboorte van een mens heeft bijgewoond weet dat zo’n hoofd groter is dan de natuur kan hebben bedoeld.

We zouden beter af zijn – gelukkiger – met wat minder grijze materie. Net genoeg, misschien, om als een dikke kat over verse vogeltjes te dromen.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Treingeluiden

De jaren dat ik dagelijks met de trein reisde, liggen ver achter me. En ik mis ze niet. De bende, de drukte, de vertragingen, de kou op de stations. De rare kwiebussen die me aanspraken en van wie ik dan achterdochtig wegliep, steeds achterom kijkend om zeker te weten dat ze me niet volgden. Nee, ik geef de voorkeur aan de vertrouwde eenzaamheid van de auto.  Of ik nu kan doorrijden of stilsta in idioot lange files: een auto is als een kleine cocon. Je maakt deel uit van het gros en toch ook weer niet, veilig in de gemotoriseerde harnas.

Doorgaans zie ik nu alleen nog maar een trein van binnen als ik de Thalys naar Parijs neem, zoals afgelopen week. Bij binnenkomst op de heenweg, vroeg in de ochtend, wist ik meteen weer waarom ik nooit met treinen reis. Die drukte die je meteen vol in het gezicht pakt. En dan had ik nog het geluk dat de wildvreemde naast wie ik zat de reis slapend doorbracht. Met zijn hoofd tegen het raam, zijn jas over zijn gezicht gehangen.

De terugreis was ik omringd door tetterende vrouwen die een menu aan het samenstellen waren, filmkijkende passagiers met oordoppen in en passagiers die zo sociaal waren hun filmpjes zonder oordoppen te kijken.

Op een gegeven moment stond de bejaarde vrouw achter me op om haar Ipad ook te pakken, ze wilde dan ook maar een film kijken. Een film die ik woordelijk kon volgen. Om het feest compleet te maken, ging een vrouw schuin achter me met iemand Skypen zonder koptelefoon en zo hoorden we niet alleen haar, maar ook de persoon aan de andere kant van het gesprek.

Filmdialogen, luide gesprekken tussen vriendinnen die de persoonlijkste zaken bespraken, schuin voor me Eminem die met zijn tegenspeelster in 8 Mile krikte en achter me een Brits kostuumdrama -zo klonk het althans.

En ik vroeg me af of het nu asociaal was, al die films, of niet veel anders dan de gesprekken tussen gewone reizigers. Ik ben er nog niet helemaal uit.

hassnaebouazza-foto-annelies-verhelstHassnae Bouazza is journalist, columnist, vertaler en programmamaker. Ze was regisseur en eindredacteur van de zesdelige documentaireserie Seks en de Zonde en heeft haar eigen online glossy Aicha Qandisha.
Foto: Annelies Verhelst

Turing

Marijke Schermer raadde me begin vorig jaar aan naar Turing te gaan. ‘Echt iets voor jou,’ vond ze deze theatermonoloog van Lowie van Oers. En dat klopte, al kon ik haar nadien niet uitleggen waarom. Ik zat er nog te dicht op en de korte lezing over Alan Turing en zijn algoritmes, aansluitend op het stuk, had me weer met beide benen op de grond gezet.

Afgelopen week, bijna een jaar later dus, ging ik nog een keer naar Turing. Onwillekeurig, zou je kunnen zeggen. ‘Je had het stuk niet begrepen?’ vroeg iemand. Juist wél had ik het begrepen (al zeg ik het zelf) en daarom wilde ik het nog eens zien.

In de monoloog grasduint Van Oers in het verhaal van zijn eigen (jonge) leven. Hij vertelt over zijn hoogbegaafde schoolcarrière, schaken, korte natuurkundestudie en overstap naar het toneel. Het ene moment verplaatst hij zich in de robot die hij was tijdens een verkleedpartij op de basisschool. Als enige was hij niet verkleed tussen alle piraten en prinsessen; hij redeneerde zich verkleed. En hij ontdekte een ander jongetje waarvan hij zeker wist dat het ook een robot was, maar dat kon hij logischerwijs niet vragen. Een robot zal immers altijd ontkennen dan hij er een is, en liegen als hij het zou toegeven.

Na verloop van tijd krijgt de wiskundige de overhand. Dan duikt ook Alan Turing op in de monoloog. Hij vertelt over zijn briljante carrière en ontdekking van de turingmachine, een fundament van alle moderne computertechnologie. Het liep niet goed met hem af, vertelt hij zelf, want hij werd in 1952 veroordeeld vanwege zijn homoseksualiteit. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord door het eten van een vergiftigde appel. Zo ver gaat Van Oers gelukkig niet in zijn autobiografische verhaal.

Wat deze twee personages met elkaar verbindt is een fascinatie voor de schoonheid van wiskunde. Turing zet helder uiteen hoe hij de ontdekking van de turingmachine heeft ervaren. Niet alsof alles op zijn plek viel, maar dat alles er al was en hij doorzag hoe het in elkaar zat. Een echte ontdekking dus, meer dan een uitvinding. Voor Van Oers schuilt er elegantie in het uitgangspunt dat wiskunde altijd klopt, net als de logische opdrachtjes die hij als extra schoolwerk kreeg. Of de uitspraak van Kurt Gödel: ‘Deze stelling is niet te bewijzen’, waarmee hij de wiskunde als wetenschap voor het blok wist te zetten.

De tweede keer klopte deze monoloog nog steeds. De twee levens worden niet in elkaar geschoven maar juist subtiel versneden. Op een onnadrukkelijke manier zeggen die twee levens in wiskunde en theater veel meer dan alleen maar over geekyness en de worsteling met jezelf. Turing is te vergelijken met de stukken van Bach: de noten zien eruit als een rekenkundig patroon, maar wat je hoort is puur gevoel.

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Jazz beschrijven

Vrijwel dagelijks loop ik langs platenzaak Concerto in de Utrechtsestraat. Ze hebben een toptien in de etalage van de bestverkochte jazz in 2016.

Elders in diezelfde straat zit een wijnhandel met literaire aspiraties die de meest waanzinnige impressies van wijnproeven componeert. (‘Stront, turf en vanille, korstmossen, regen op komst, donkere lucht,’ dat werk – een gewone Bourgogne that is!) Een beetje bezopen is het meestal wel. Hoe zou zoiets met jazz gaan? Om u niet al te zeer te irriteren citeer ik voor mijn beschrijving van het geluidsfragment wel uit de poëzie van Lucebert (Verzamelde gedichten, Bezige Bij 2002), dan blijven we wat in een acceptabel register.

De lijst gaat zo (onder de link de muziek zelf):

Ben van Gelder – Among Veticals

‘Als een robuuste bloem om te geselen is
getekend daarop onze rug’

Jacob Collier – in my room

‘Onze meester de bedeesde middenman
schroomvallig met de bol naar boven’

Maya Mccraven – In the moment

‘vrienden vriendinnen
op de boulevard
danst de vlo
asfalt vol kippevel
en kleun kado’

Reinier Baas – Vs Princess Discombobulatrix

‘een heerlijke triomferende toekomst door rozen
en emoties omstrengeld en schaduwen’

Gogo Penguinh Man made object

‘verscheur van weerzin en waanzin het net
dat de ingeboren stijfheid nog beknelt’

Ben Webster / Piet Noordijk – Johnny come lately (live 1973)

‘in de bongerd een boerenbonte engel lonkt
en je legt aan achter de rozenstruik
uit de stal stroomt als vanzelf bloed als melk
de koe kreunt en je bent het zelf’

Cannonball Adderley – One for Daddy-O (A’dam 1960 & 66)

‘het van pijn starre gezicht stroop het af
doof dat koude vuur ook’

Avishai Cohen – Into the silence

‘met het gezicht op geleende nevels
smeert de kakkerlak buitenmoordboter
over de galmende zwaan opdat muziek
lakgekakt het te losse dansgewaad verstevigt’

Teus Nobel – Social Music

‘het lijkt alsof het in mijn weids schootsveld
het gaat wemelen van elastieke hazen
die allen opspringen naar een nieuwe maan’

Gidon Nunes Vaz – Night life

‘Ik haal de brug op
hef het hoofd naar mijn gevelsteen’

——————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Hier een ander stukje over jazz.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Aardappeleters

Afgelopen maandag keek ik voor het eerst in tijden tv. Aanleiding was het nieuwe programma De aardappeleters, waarin presentator Joris Vermeer (kende je al van zijn zwijgende bijrol in Wouter Klootwijks De wilde keuken) op zoek gaat naar de oorsprong van gerechten die hier in Nederland zijn ingeburgerd.

Heston Blumenthal deed iets dergelijks voor de Engelse keuken. Hij reisde de wereld af op zoek naar het origineel van een gerecht als de hamburger, en eindige een aflevering steeds met een over-the-top uitvoering (denk geluidseffecten, rook en etherische olie) die hij in zijn driesterrenrestaurant The Fat Duck op de kaart zou zetten.

Joris is een vriend van me. De leden van zijn filmploeg heb ik ontmoet toen we in Suriname woonden en zij daar voor opnamen waren. Zeggen dat ik De aardappeleters een prachtig programma vind is even waarheidsgetrouw als onbetrouwbaar.

Waar je niet onderuit kunt: de schitterende beelden. De goede research. Het geweldige gegeven van een presentator die zich ondanks zijn enorme postuur eerder klein maakt in beeld dan opblaast, en hierdoor geen spotlicht afvangt van de mensen die hij spreekt. Omdat ik weinig tv kijk heb ik misschien niet genoeg vergelijkingsmateriaal, maar het deed me denken aan hoe Ruben Terlouw Langs de oevers van de Yangtze presenteerde.

Eten is al twintig jaar hot. Chefs zijn sterren. Er worden ongelooflijk veel eet- en kookshows gemaakt. In een goed programma over eten is er ruimte voor het culturele kader van de gerechten, voor de oorsprong van een smaak.

Wij hebben in Nederland de vrijheid om vele culturen te plunderen en kunnen vrijwel alle grondstoffen bij. Straffeloos en in de volle overtuiging van zijn genie zet Henk uit Nieuw-Vennep op zaterdag een Thaise curry in elkaar. Die eet zijn gezin daarna met stokjes, want dat hoort bij Aziatisch eten. De boleten die hij tegenkomt op zijn wandeling met de hond laat hij links liggen, want paddestoelen zijn gevaarlijk.

Dit stukje staat op het punt negatief te worden over mijn medelanders. Ik wil dat liever niet.

Eten is verbinding en oorsprong. Die oorsprong kan cultureel of materieel zijn. Je moet de menselijke context van een gerecht en de herkomst van de ingrediënten kennen om het te doorgronden en uiteindelijk ook naar je hand te kunnen zetten.

Men wijt het wel eens aan de oorlog, maar ik vind die geen afdoende reden voor ons gebrek aan keukenroots. De enige culinaire authenticiteit waarop wij (als heel volk) kunnen bogen komt van onze immigranten. Lang leve de immigranten.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Etnische azijnpisser

Zullen we er maar gewoon mee stoppen? Met de beroepsallochtonen, knuffelallochtonen en boe!-allochtonen.

Ze zijn een belediging voor de gewone allochtonen die gewoon hun leven leiden, niemand tot last zijn en niet aan media-geilheid leiden.

We kennen ze nu wel: zij die hun culturele achtergrond tot de laatste druppel uitmelken voor goedkoop effectbejag in matig geschreven en hevig geredigeerde boeken. Of nog erger: de allochtone opiniemakers die als een haan met Palmpasen door witte redacties worden geparadeerd. Zie je wel! Hij/Zij zegt het! Dus dan is het zo! Feit! Punt! #DaaromPVV

Als je als ambitieuze aspirant-schrijver of streberige columnist niet veel meer kunt dan jezelf ten koste van anderen profileren, ben je niet de moeite waard. Je ontbeert het talent volwaardig mee te draaien, je wordt alleen ingezet als etnische azijnpisser en zodra er een jongere, versere versie van je is opgestaan, word je ingeruild.

Het behaagzieke beroepsallochtoonschap is namelijk aanzienlijk lucratiever dan dat van de enge-moslim-met-het-rare-petje, dus het is dringen in de knuffelallochtonenkrabbenmand. Allemaal mannetjes en hier en daar een vrouw, die de autochtonen willen bewijzen dat zij toch zeker wel deugen.

Maar wie in de ogen van de ander wil deugen, zal er nooit komen. Stop nou maar gewoon met die knuffelcultuur van die allochtone jaknikkers.

hassnaebouazza-foto-annelies-verhelstHassnae Bouazza is journalist, columnist, vertaler en programmamaker. Ze was regisseur en eindredacteur van de zesdelige documentaireserie Seks en de Zonde en heeft haar eigen online glossy Aicha Qandisha.
Foto: Annelies Verhelst

Geboren met een strafblad

twins

Op verjaardagen hoor je weleens verhalen over mensen die denken dat ze een hersentumor hebben, maar dan blijkt het een oog of een ander lichaamsdeel van hun nooit geboren tweelingbroer of –zus te zijn. Tijdens de zwangerschap, in de baarmoeder, heeft één van de twee de ander bijna volledig verzwolgen, op een klein stukje weefsel na. Het slachtoffer ziet nooit het levenslicht, behalve dan als ziektebeeld – als uitgestelde wraakoefening voor prenatale moord.

Mijn eigen tweelingzus lééft, al was het vlak na haar geboorte kantje boord toen bleek dat ik veel meer moederkoek had gegeten dan zij. Met zeven maanden waren we allebei veel te vroeg, maar ik had tenminste nog íets aan spek op mijn billen, terwijl mijn zus – nog geen drie pond – met wijd opengesperde ogen lag te rillen in een extra verwarmde couveuse.* De baarmoedermoord was mislukt, maar kennelijk had ik het wel degelijk geprobeerd.

Het zou heel goed kunnen dat mijn zus, die een kwartier ouder is, instinctief inschatte dat haar overlevingskansen buiten de baarmoeder weliswaar gering, maar tóch groter waren dan erin, en dat ze daarom koos voor een premature duik naar buiten. Haar geboorte was een ontsnapping. Ik zou haar hebben uitgehongerd.

Op die leeftijd ben je wie je bent, je kunt je nog niet anders voordoen. En eerlijk is eerlijk: in mijn pre-cognitieve fase heb ik me niet van mijn beste kant laten zien. Door de spijlen van onze – separate – boxen heen trok ik al het speelgoed van mijn zus bij mij naar binnen tot ik letterlijk zwom in een oceaan van gestolen waar. Zij zat verloren in een desolate vlakte met alleen nog Flapflap, een afgeragde lappenknuffel met hangoren, aan wie ze zich vastklampte als een drenkeling aan een reddingsboei.

Onze wandelwagen had twee zitjes achter elkaar in plaats van naast elkaar. Een noodmaatregel: in een testrit met een conventioneel model had ik geprobeerd mijn zus te wippen bij het oversteken van een drukke winkelstraat.

Als ze tijdens het boodschappen doen een plakje worst kreeg, riep mijn zus zodra ze kon praten “Arjen ook!”, terwijl ik, als ik de kans kreeg, beide plakjes zo snel mogelijk in mijn mond propte. Keurslager Pot op het Rosariumplein heeft me daar jaren later wel eens op aangesproken.

Iedere eenling komt onschuldig, als een onbeschreven blad ter wereld. Ik niet. Vanwege mijn gedrag als embryonale aso vervullen mijn tweelingzus en ik vanaf het allereerste moment de rol van respectievelijk slachtoffer en dader – of in ieder geval verdachte – in een levenslange zero sum mind fuck waarin het welbevinden van de één per definitie ten koste moet gaan van de ander.

Veel criminelen wijten hun fouten aan hun zielige jeugd of verwaarlozing. Mijn misdaad ligt veel dieper. Hoe dik de schil van opvoeding, socialisatie en beschaving ook aangroeit, hoe vaak ik me ook verontschuldig voor misstappen die ik me niet meer kan herinneren; deze fundamentele vertrouwensbreuk valt nooit meer te lijmen. Ik ben geboren met een strafblad.

__________________________

* Helemaal in het begin deelden we samen een couveuse, maar de artsen merkten al snel dat ik mijn baarmoedergedrag daar gewoon voortzette: ik lag languit, met alle beenruimte die een baby zich kan wensen, en had mijn zus in een hoek van de glazen bak getrapt.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Race van David Mamet, het Nationale Toneel

Het grootste ongemak aangaande mijn raciale gesteldheid ervoer ik kort na het einde van Race van David Mamet uitgevoerd door het Nationaal Toneel, in een te drukke gang liep ik achter twee witte echtparen die op te hoge toon hun betrokkenheid bij het onderwerp uitte.

Wat duidelijk wordt na het gezwartepiet in de late maanden van het jaar en bijvoorbeeld ‘Wit is ook een kleur’ van Sunny Bergman is dat ras weer op de agenda staat. Of – waarschijnlijker – nooit weggeweest is.

Race is een advocatendrama op toneel (Het Nationale Toneel, gezien Stadschouwburg Amsterdam 4 januari, met Hein van der Heijde, Werner Kolf, Mark Rietman, Romana Vrede) waar de kwestie van een machtige en rijke blanke man behandeld wordt die op een hotelkamer een zwarte schoonmaakster verkracht. Tot mijn verbijstering constateer ik dat het stuk van 2009 is, en de kwestie Dominique Strauss-Kahn van 2011. De IMF baas werd beschuldigd van seksueel geweld tegen een kamermeisje van zijn New Yorks hotel, met wie hij een soort relatie bleek te hebben. De plot van Race en de kwestie Strauss-Kahn zijn vrijwel 1 op 1. Toeval. Het advocatenkantoor zie je nadenken over de mogelijkheid de witte man vrij te pleiten. De discussies hierover leggen de raciale zenuw bloot. De vraag is uiteindelijk ook of ze de man wel willen vrijpleiten, en tegen welke prijs.

In Bergmans ‘Wit is ook een kleur’ tracht ze witte mensen zich bewust te maken van een voordeel dat ze genieten. Het sterkste experiment is in een gymzaal waarin ze een gemengde groep mensen opstelt op de middenlijn en zegt een stap naar voren te doen als een opmerking van toepassing is op je, en een stap naar achter indien niet. (type: ‘Ik voel me veilig op straat als er veel politie is’.) Na zeven vragen is de groep volledig uit elkaar gespeeld (dramatisch is dat ze bij aanvang de handen vast hebben en je ziet dat ze die  op zeker moment los moeten laten). Ik heb daar wel veel van geleerd.

De witte mannen staan na zeven vragen vooraan, de zwarte vrouwen achteraan. Duidelijker kun je het niet maken.

Exact dezelfde kwesties worden besproken in Race, de vanzelfsprekende hegemonie van de witte man, de vooroordelen, de positieve discriminatie en de desastreuze gevolgen daarvan. Wat Race op de documentaire voorheeft is dat er ook een strijd gevoerd wordt tussen de zwarte vrouw en man die op het advocatenbureau werken. Een sterke complicatie van de zaak. Het stuk is intelligent, moreel sterk, maar mist een dramatische wending.

Op weg naar de uitgang  – met al die harde witte koppen (de mijne incluis) – verlangde ik boven alles naar cultuuruitingen waarin je duidelijk in echt gemengd publiek zit. Geef mij die gemengde zaal.

 

——————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Hier schreef hij al eens iets over toneel. En hier over verkrachting.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Soorten geluk

Het was nieuwjaarsdag. Tussen de vuurwerkeilanden door koerste ik met mijn gezin naar het Westerpark om Otis de Hond uit te laten, die Oud en Nieuw bevend onder ons bed had gevierd.

Nadim hield mijn hand vast en B duwde Ada voor zich uit in de extreem dure babywagen die mijn schoonouders voor ons hebben gekocht. Voor het eerst sinds mijn veertiende, besefte ik, begon ik een nieuw jaar zonder kater.

Er was een fantastisch feest in de Amsterdam Toren geweest, maar ik was niet gegaan. Lieve vrienden waren bij ons langs gekomen; we hadden gegeten, wijn gedronken en hen tegen enen uitgezwaaid.

Op de Marnixstraat sjokten groepjes mensen die duidelijk wél van feestjes kwamen. Ik dacht aan mijn negende verjaardag, waarop ik een keus had moeten maken tussen een kindercadeau of iets voor grote jongens. Na lang twijfelden koos ik een cassettedeck.

Het apparaatje glom als science fiction en had blauw gaas voor de speakers. Toen ik het uitpakte moest ik keihard janken omdat ik besefte dat een periode van mijn leven voorbij was. Die middag nam mijn moeder me mee naar de speelgoedwinkel en liet me ook nog iets van Playmobil uitzoeken. Het werd een dubbeldikke verjaardag, maar toch voelde het niet zo.

Otis de Hond hurkte om te kakken en mijn oog viel op een reepje pasfoto’s. Ik pakte het van de stoep en keek naar een viervoud van twee blije gezichten. De foto was nieuw, want ongekreukt. Omdat je al jaren geen zwartwit meer kunt gebruiken voor identiteitsbewijzen, moest er ergens op een feestje een ouderwets pasfotohokje gestaan hebben, waar dit stel een muntje in geworpen had. Het feit dat ze geen jassen droegen bevestigde mijn vermoeden.

Even voelde ik die draaikruk onder mijn billen, haar gewicht op mijn schoot. Ze was te enthousiast, te onrustig om helemaal te zitten en leek daarom vederlicht. De jongen zei iets, het meisje glimlachte, het kastje ging flits.

Ik dacht aan Playmobil en cassettedecks. Aan het soort geluk dat bij elke fase hoort.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Liever strijdend

Iedere keer als ik mezelf of iemand anders hoor zeggen dat het niet erger kan dan 2016, klop ik het snel af. Hoe dramatisch het afgelopen jaar ook was, en verschrikkelijk was het, ik hou er altijd rekening mee dat het nog erger kan. Ik bedoel, had iemand ooit gedacht terug te verlangen naar de jaren Balkenende? Juist.

Dus dit komende jaar gaan we het meemaken. Worden we overgenomen door de non-valeurs, de wachtgeldzoekers, de aspirant-fascisten of blijkt er nog een grote, geestelijk gezonde groep mensen in het land die het tij kan keren? Ik vrees het ergste.

Het zal wel weer een jaar worden met veel nepnieuws, veel door zogenaamde journalisten racistisch gevoede hysterie en leugens en een politieke elite die erachteraan hobbelt.

Als je het als land moet doen met een premier die doodleuk beweert dat kerst onder druk staat, kun je je maar net zo goed gewonnen geven. Dan heb je eigenlijk al verloren.

Maar ja, om nu een zorgvuldig opgebouwde beschaving en rechtstaat zomaar te laten afbreken door piemelroepende hordes die verpest zijn door decennialange vrede en veiligheid en nu hardop fantaseren over oorlogje voeren, is ook zo wat.

De handen gaan daarom maar weer uit de mouwen. De schulp gaat eraf. Als we ten onder gaan, dan liever strijdend, want  in een land waar Wilders, Asscher, Rutte, Baudet, Dijkgraaf, Roos, Seegers of Buma het voor het zeggen hebben, zal er geen licht meer schijnen. Hou aan, dat licht. Zorg dat het niet dooft.

—-

hassnaebouazza-foto-annelies-verhelstHassnae Bouazza is journalist, columnist, vertaler en programmamaker. Ze was regisseur en eindredacteur van de zesdelige documentaireserie Seks en de Zonde en heeft haar eigen online glossy Aicha Qandisha.
Foto: Annelies Verhelst