Gods hand

Ik was in Sloterdijk. Niet het station maar het dorp, of wat daarvan over is. Reden voor mijn bezoek was de intentie een boek te schrijven over een kleine gemeenschap die door een wereldstad wordt ingesloten.

Ik had een afspraak met de beheerder van de kerk, die me gevraagd had na een uitvaart langs te komen, omdat hij er dan tóch zou zijn.

De begrafenis liep uit en ik hing rond voor de poort toen een kordate zeventiger de kerk uit beende. Zijn blik was op iets vlak boven mijn hoofd gericht, alsof ik nu al tekortschoot.

‘Zo,’ blafte hij. ‘Dus jij bent De Schrijver.’

Restjes rouwenden schrokken op. Waar kende ik die sterke wens te krimpen, me te verstoppen van? Toen de beheerder bij me aangekomen was wist ik het. De man moest een gepensioneerd docent zijn. Ik herinner me ze: leraren die nooit gedonder in hun klas hadden. Een kunstje dat ze zelf natuurlijke autoriteit noemden, maar dat je op elke hondenschool kunt leren.

Binnen minuten – en zonder zijn werk te staken – sloot hij een nauwelijks door mij onderbroken en duidelijk eindeloos herhaald verhaal af met een glimlachend: ‘dus ik weet niet wat je hier eigenlijk komt zoeken.’

Het aparte aan de manier waarop hij over zijn dorp sprak was dat hij me tegelijkertijd liet geloven dat hij de persoon was die over alle informatie beschikte, maar me ook absoluut niet zou gaan helpen om die te verzamelen.

‘Alles,’ zei hij. ‘Alles heb ik thuis. Ik heb jaren gevochten om het dorpsarchief terug te krijgen, en uiteindelijk heeft de gemeente me gelijk gegeven.’

Vraag dan, leek hij te willen overbrengen. Vraag dan door.

‘Het interesseert me,’ zei ik. ‘Een dorp dat door de stad verzwolgen wordt, maar er geen deel van uit gaat maken. Misschien wordt Sloterdijk het uitgangspunt voor mijn volgende boek.’

Hij knikte, rammelde met zijn sleutelbos, en ik besefte dat ons gesprek – de ruimte die hij me had toebedeeld – voorbij was. De beheerder was alleen nog bezig de deur te sluiten.

‘Hoeveel ik er niet op de stoep heb gehad,’ zei hij. ‘Mensen zoals jij. Hoeveel ik ze niet verteld heb. Maar het is steeds hetzelfde liedje: je vindt je woorden verdraaid terug in een of andere scriptie. Niks, geef ik ze meer. Helemaal niks.’

‘Je kent het dorp van vóór de ring? Vóór het station?’

Hij hoefde niet te reageren op de vraag die ik niet had hoeven stellen. De lucht was grijs als het geluidsscherm van de A10, en even was het mogelijk te geloven dat de snelweg een dijk was, met uitgestrekt polderland erachter. Maar we staan al op de dijk, dacht ik.

‘Weet je waarom jij hier nu kan staan?’ Hij trok zijn zware wenkbrauwen op en knikte naar een verte die er niet meer is. ‘De Dag des Oordeels.’

Als de A10 niet voor een constante ruis gezorgd had was er een stilte gevallen. Ik weigerde te happen naar de wortel van de beheerder. Hij leek het niet te merken.

‘Den Uyl. De hufter. Wilde alles platgooien voor de ellende die je nu ziet.’ Hij begon een weids gebaar, maar liet zijn armen weer langs zijn zij vallen. De ellende was alom. ‘Uiteindelijk kwam het op het Einde der Tijden aan. De graven hier, dat zijn familiegraven, gekocht tot de wederopstanding.’ Voor het eerst in tien minuten keek hij me aan; de haartjes in mijn nek sprongen overeind.

‘Dus god heeft het dorp gered?’

‘Ik wens je succes,’ zei de beheerder terwijl hij wegliep. Zijn rug was breed, zijn jasje grijs als de wachtende zerken van Sloterdijk.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.