Verrassend actueel

Ik las dat de Gogols Dode zielen, onlangs opnieuw vertaald, nog verrassend actueel is. En iemand vroeg zich af: ‘Hoe actueel is Edith Wharton?’ en gaf meteen het antwoord: ‘Zeer.’ Op de radio werd gezegd dat Shakespeare nog altijd verrassend actueel is.

Ik vertrouw de opmerking hoe actueel een oud boek is niet. Het klinkt alsof niets het actuele kan overtreffen. Zo wordt het idee gevoed dat het heden veel interessanter is dan het verleden, dat onze tijd voorrang heeft op andere tijden en wat zich nu, op dit moment in ons leven afspeelt van het allergrootste belang is. Mijn probleem met het verrassende actuele is dat ik de actualiteit vaak helemaal niet zo boeiend vind. Ik vind het dan ook lastig en vaak onmogelijk om in ‘verrassend actueel’ een aanbeveling te zien.

Ik lees momenteel een boek dat op de schaal van Verrassend Actueel erg laag staat aangeschreven: The world of Odysseus, geschreven door Moses Finley. Ik kocht het (Pelican Pocket) voor iets meer dan een euro. Zo goedkoop kan een boek zijn dat niet actueel is.

Finley’s boek is een klassieker in de literatuur over Homerus. Het verscheen in 1954 en maakte onder classici het een en ander los. Bij Finley vind je geen taalkundig geneuzel (hij had een hekel aan filologie), geen dieptepsychologie, geen spectaculaire theorieën of aannames maar in plaats daarvan een frisse kijk op een oude tekst. Finley beschrijft glashelder en erg toegankelijk hoe de wereld van Odysseus er ongeveer moet hebben uitgezien. Hij doet dat nuchter en voor zover ik kan beoordelen behoorlijk overtuigend. (Zie hier een mooie recensie van Pieter Steinz.)

Het resultaat is dat je Homerus anders gaat lezen. In plaats dat je het leest als een tijdloos verhaal met universele waarden, krijg je oog voor de vreemde en vergankelijke kanten van het verhaal. Dan merk je dat ook in moreel opzicht die oude wereld behoorlijk ver van onze wereld afstaat en hoe hard het leven geweest moet zijn. Mary Beard wees er bijvoorbeeld onlangs nog op hoe fundamenteel vrouwonvriendelijk de wereld van Odysseus was.

Mij viel nog iets anders op. Ik luisterde naar de Podcast Caliphate van de New York Times over de verschrikkingen van IS. Tijdens het luisteren moest ik een aantal keer aan de Ilias en Odyssee denken. Ik zag beelden van een paar jaar geleden weer voor me uit Irak waar lijken achter rijdende wagens hingen. Zoals Hectors lijk achter het paard van Achilles werd voortgetrokken, bedacht ik. Caliphate besteed ook aandacht aan de verschrikkingen van de door IS tot slaaf gemaakte Yezidi-vrouwen. In de Ilias wordt uitgebreid ruzie gemaakt om een tot slaaf gemaakte vrouw. (Finley beschrijft ook hoe normaal het was bij een verovering de mannen te doden en de vrouwen tot slaaf te nemen.) En dan de manier waarop Odysseus bij zijn thuiskomst wraak neemt…

Voor mij maakte Homerus niets duidelijk over het actuele nieuws rond IS. Het was andersom: IS maakte iets duidelijk over Homerus. Het hardste en onverteerbaarste uit de Ilias en Odyssee komt op zo’n moment naar boven drijven. Een mogelijke reactie is het boek op morele gronden af te wijzen en het weg te leggen. Dat is niet mijn reactie. Lezen bestaat voor mij nu juist uit het reiken naar iets wat buiten jezelf ligt. En moreel ongemak hoort daar soms bij. Dat de wereld van Odysseus voor mij actueel werd door IS, was geen aanbeveling voor Homerus. Of vreemd genoeg misschien toch ook weer wel.

 

Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

 

Machiel Jansen

Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Utopie, uitgestrektheid, leegte

‘Pavel begint het bed voor mij op te maken. Russen rijden veel met nachttreinen, zegt hij. Daardoor zijn ze goed in bedden opmaken.’

Niet alleen schreef Joris van Casteren met de non-fictieroman Het been in de IJssel mijn favoriete Duitslandboek – er komt geen LIDL in voor, maar je voelt dat iedereen daar z’n eten heeft gehaald – , hij heeft ook een fijn oog voor Rusland. In Mensen op Mars gaat Van Casteren langs bij een aantal vrijwilligers die graag naar Mars willen, waaronder in Rusland.

De bedobservatie die hij daar maakt voelde pijnlijk herkenbaar. De eerste keer dat ik in een Russische nachttrein reisde, in september 2014, van Sint-Petersburg naar Moskou, probeerde ik klungelig mijn laken over het bijgeleverde matrasje te spannen. Dat ging zo slecht dat de – ik gok tachtigjarige – vrouw tegenover mij zich genoodzaakt zag in te grijpen: dit kon zo niet. Met een vriendelijke lach nam ze mijn bovenbed onder handen en werkte alles in een paar seconden af.

Later zouden andere Russen me ook nog vaak helpen met het opmaken van deze bedjes, altijd uit eigen beweging. Vandaag vertrek ik op de Transsiberië Express; wellicht dat ik het daar eindelijk een keer zelf goed leer.

Valt er nog iets nieuws te zeggen over zo’n reis? Iets dramatisch-romantisch schrijven over de grote afstand, het leven aan boord, de grootsheid van de spoorlijn en de eindeloosheid van de Siberische taigawouden is een optie, maar volgens mij heeft iedereen daar wel een redelijk beeld bij.

Voor in de coupé heb ik Van Casterens Lelystad – een boek over de jeugd van de auteur dat er misschien wel het beste in slaagt om de Grote Flevolandse Roman* te zijn, ook al is óók dit boek non-fictie. Ik fantaseer graag dat Van Casteren van Rusland houdt (wat hij doet) omdat utopie, uitgestrektheid, leegte en steden genoemd naar mannen (Lelygrad, iemand?) er al sinds zijn kindertijd bijhoren in zijn leven, maar dat voert waarschijnlijk te ver.

Desalniettemin lijkt het boek een opvallend goede compagnon voor een reis naar Siberië. Ook die regio kwam na een soort kolonisatie de afgelopen eeuw pas goed en wel op gang, met steden die soms strak gepland werden en vervolgens bevolkt met pioniers – het ‘Amerikaanse’ stratenpatroon van Novosibirsk kun je niet vergelijken met het van oorsprong middeleeuwse gekronkel van Moskou.

Ook niet echt met de geforceerde bloemkoolwijken van Lelystad, trouwens. Maar wel met de mondriaanisch rechte wegen in de rest van de polder. Op een brandende zomerdag in 2012 kwam ik op mijn stadsfiets min of meer per ongeluk terecht op de dertig kilometer lange Vogelweg, zonder eten en drinken bij me te hebben. Het gevoel toen ik het tankstation aan het einde bereikte zal niet veel anders zijn dan het over twee weken per trein binnenkachelen van Vladivostok, gok ik. Waarna ik snel nog even het ongetwijfeld door mijzelf onberispelijk opgemaakte treinbedje afhaal.

*De sterke geografische ‘Gründung’ van Van Casterens boeken houdt me sowieso bezig. Het vorig jaar verschenen, dunne Een botsing op het spoor is naar mijn mening niet per se een heel bijzonder verhaal, maar het werkt wél goed als kroniek van de mysterieuze, sterk on-Nederlandse heuvelregio ten zuidoosten van Nijmegen en haar licht van het land afgezonderde bewoners.

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Klein landschap (5)

Dan is er nog een landschap dat onvermijdelijk is, altijd aanwezig maar niet zichtbaar. Kun je dan wel van een landschap spreken? Het is een landschap in een landschap. Er is ook wel eens een andere naam voor bedacht: soundscape. Dat is de wereld van het geluid. Ik hou ervan als stilte, als bladergeruis, als muziek, als stem, maar zij kan me ook vreselijk op de zenuwen werken.

Ik woon in zo’n typisch Amsterdams woonblok, akoestisch gezien meer een echobak. Geluidsgolven gaan heen en weer. Je hoort de geluidsversterking niet want die is er meteen. Ben ik opeens zoveel beter gaan horen? Alsof in de wereld van zichtbare dingen alles twee keer zo groot is geworden. Ik ben de geluidsdwerg die daarvan getuige moet zijn.

En dan is er iets met het oor dat het wezenlijk anders maakt dan het oog. Je hebt niet zoiets als oogleden. Eigenlijk kun je je oren niet sluiten. Ik kan de gehoorgangen dichtstoppen met vochtig gemaakte propjes, altijd mijn eerste noodoplossing, maar dat is zelden afdoende.

Het is zomer en mijn mobiliteit is beperkt, dus ik blijf ook liever thuis. Visueel is hier alles onder controle maar wat geluiden betreft ben ik zo kwetsbaar als wat. Er is een bouwplaatsje in een beganegrond-étage. Lawaai komt in vele vormen, een ervan is bouwlawaai. Ik beschouw dit maar als een soort natuurgeluid, onafwendbaar en bij de orde van de dingen horend. Boren, hameren, frezen, heien, en het daarbij horende geroep en geschreeuw. Wordt er dan nog een transistorradio aangezet dan wordt een grens overschreden. Het oerwoud van de bouwplaats verandert in een ordinaire kermis. Wat te doen? Een trein van emoties rijdt door me heen. Ergernis, woede, verontwaardiging… Hoe daar verder uiting aan te geven? Moet ik er überhaupt uiting aan geven? Ik wil alleen maar dat het lawaai ophoudt. Ik loop naar de bouwplaats aan de Pieter de Hooghstraat. De voordeur staat open. Gelukkig zie ik meteen een van de bouwlieden. Vreemd genoeg heeft hij oordempers op zijn  hoofd. Ik vraag hem of ‘het ietsjes zachter mag’. Voor alle duidelijkheid, dat is een understatement.

In het binnenhof bevinden zich de tuinen. We hebben er ook een. In de loop der tijd is daar niet zoveel aan veranderd. Af en toe wordt er wat gesnoeid, iets gebouwd of afgebroken, maar bij de buren is dat een heel ander verhaal. Om de twee jaar wordt de tuin daar wel verbouwd. Laatste trend is de ‘extended living room’. De sfeer is kitscherig in de zin dat de tuin zo uit een catalogus gelicht lijkt te zijn. Nu is er een keukenblok met barbecue geplaatst. Nouveaux riches? Je moet je geld ergens aan besteden. Tuingezelschappen zijn altijd een aangename aanblik. Een menselijke samenscholing op z’n liefelijkst. Opmerkelijk is de ontwikkeling van het volumeniveau. De hoeveelheid alcohol die wordt verorberd is terug te horen. Aangeschoten spreek je luider, je lacht ongeremder, – en dat klinkt door. En dan is er het hoekpand met zijn rookterrasje. In de grote villa mag blijkbaar zelf niet gerookt worden. Dus de rokers verzamelen zich in de achtertuin. Ik probeer me gerust te stellen met een opmerking van de wijkagent. De Algemene plaatselijke verordening in Amsterdam schrijft voor dat het om tien uur ’s avonds stil moet zijn. In andere gemeenten is dat anders, daar moet het om tien uur rustig zijn en om elf uur stil. Ik word hier in de rol van ordehandhaver geduwd.

Ik heb het over een klein landschap terwijl ik de hele binnenhof beschrijf. Dat is waar geluid goed in is, van ver komen en zich ophopen rond mijn oor. Rond mijn oren verzamelt zich het grootste landschap. En ik kan mij er niet voor afsluiten. En het ergste is dat geluid, vooral in de vorm van taal, heel dicht bij het denken staat. De stemmen verhinderen dat er afzonderlijke woorden in mij opkomen. Ze lopen door mijn denken heen.

—-

Wilbert Cornelissen is dichter, danser en denker. Zojuist verscheen Elke dag een/Proefsleuven, uitsneden uit tien jaar elke dag een gedicht schrijven.

Wilbert Cornelissen

Wilbert Cornelissen is dichter, danser en denker. Zojuist verscheen Elke dag een/Proefsleuven, uitsneden uit tien jaar elke dag een gedicht schrijven.

Klokken – het raadsel van de tijd mechanisch opgelost

In de jaren ’80 waren er op scholen vaak acties voor Afrika, of andere gebieden waarvan sommige mensen toen nog dachten dat ze op wat paternalistische bilaterale hulp zaten te wachten. Ik heb nota bene Negerzoenen verkocht voor Malawi, in een actie waarin iedereen een tientje kreeg om daar meer geld van te maken. Goede manier om ondernemerschap aan te wakkeren overigens, ik had op zeker moment een halve garage vol dozen Buys negerzoenen. Ik herinner me rond een dergelijke actie iets wat een ‘Amerikaanse veiling’ heette: Je riep het bedrag dat je er méer voor over had dan de laatste bieding, en dat bedrag werd ook onmiddellijk geïnd. Zo was de opbrengst heel redelijk, en had iedereen meebetaald aan het uiteindelijke bedrag en had je de kans op een fiets voor twee gulden.

Op een veiling kocht ik eens een lot met koffers die niet opgehaald werden op Schiphol. We verdeelden ze onder schrijvers die op basis van de inhoud van die koffers een leven moesten reconstrueren, het leverde wat mij betreft een van de aardigste Tirade themanummers op.

In Hermans De heilige van horlogerie windt de hoofdpersoon in 297 zalen 1473 klokken op, een filosofische bezigheid. In The Blind Watchmaker van Richard Dawkins is het uurwerk een zinnebeeld van de gecompliceerde wereld die te ingewikkeld is om door een albestierder te worden gemaakt, in Carson McCullers’ Clock wihout hands, is de niet zichtbaar veranderende tijd een aanklacht tegen de trage maatschappelijke vooruitgang en gebrek aan integratie in het Amerikaanse Zuiden.

Maar mijn fascinatie met klokken is eerder esthetisch dan mechanisch, al verlang ik ernaar in een goed geschreven handleiding te lezen hoe een horloge precies werkt. Ik ben sinds kort verslingerd (no pun intended) aan catawiki horlogeveilingen. De prachtigste vintage horloges aangeboden door bijvoorbeeld iemand uit Italië, waarop je kunt bieden. De psychologie van het wanneer bieden kan je goed bezighouden. De veiling heeft een aantal kavels waarop je bod kunt uitbrengen en heeft een beperkte tijdsduur. Met een onzichtbaar automatisch bod kun je tegenstanders de moed ontnemen door te bieden, maar uiteindelijk gaat het er toch om hoeveel je er precies voor over hebt. Als je niet oppast ga je op zeker moment – terwijl de klok van de veiling aftelt – wensen overboden te worden, omdat je teveel biedingen hebt uitstaan, en elk bod is bindend. Als je een kavel ‘wint’, daalt er confetti van je scherm neer. Ja er is over nagedacht. Want vreemd genoeg dat kinderachtige effect wil je steeds opnieuw ervaren. Bieden is verslavend als gokken. Ook het aspect van gevaar (teveel geld uitgeven) werkt mee in het verslavingsmechanisme.

Wanneer je een oud horloge koopt, heb je een werkende machine van bijvoorbeeld 80 jaar oud, zoals deze Octo, uit Zwitserland, vermoedelijk van voor de Tweede Wereldoorlog. Een horloge waarover ik vrijwel niets kan terugvinden, bijvoorbeeld niet waarom je hem helemaal los uit zijn vatting moet kunnen drukken met een eenvoudige handeling? Maar een object dat mij mateloos fascineert door zijn verleden, de kwestie wie er wanneer mee rondgelopen heeft en het gemak waarmee dit oud mechanische instrument nog moeiteloos werkt. Het obligate raadsel van de tijd op tweeërlei wijze verenigd en aanschouwelijk gemaakt in een klein object van 28 gram.

——-
 IMG_6285
Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, reist nu tot 27 augustus door de VS, dus tot die tijd  even geen nieuwe blogs.
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Overhuizen

999AC31A-8BEA-4785-B786-D474D9A439D6Afgelopen woensdag trof je hier geen blog van mij. We waren net verhuisd en dat leek een goed excuus om mezelf vrij te geven.

Van verhuizingen wordt gezegd dat ze tot de meest stresserende gebeurtenissen in een mensenleven horen. Geen idee wie daarop gekomen is en of het klopt, maar laten we aannemen van wel.

Mijn vraag is dan: zijn in dit onderzoek vluchtelingen meegenomen en mensen die om een andere reden gedwongen waren te vertrekken? Uithuiszettingen, echtscheidingen, werkloosheid?

Weinig keuzes die je zelf kunt maken schudden de kaarten zozeer. Een partner, kinderen, je werk en waar je woont: beslissingen waarna de wereld een tijdje nieuw lijkt; alles mogelijk.

Ik ben om die reden gék op verhuizen, maar had mijn wens al tien jaar geparkeerd omdat ik de diepte van B’s wortels ken.

Sinds onze dochter er is begreep B ook wel dat we ons zouden moeten verplaatsen, en om het haar makkelijker te maken vond ik het onmogelijke: een huis dat honderd meter van B’s geboorteplek staat, aan een nog fijnere straat ligt dan waar we woonden en een nog fijner uitzicht heeft. Als kers op de taart zitten we ook nu dicht genoeg bij Nadims school om hem in zijn klasje te laten blijven.

Toch: in de afgelopen 13 jaar samen stonden B en ik nog nooit zo ánders in een situatie. Alleen Paramaribo kwam in de buurt, toen we moesten kiezen of we in Noord of in Flora gingen wonen. Ik koos voor Flora en drukte die beslissing door terwijl dat niet is hoe onze relatie werkt, maar we werden heel gelukkig in de Marijkestraat.

Door te verhuizen sla je een pad in dat tot een nieuwe situatie leidt en die situatie kan uiteindelijk minder fijn blijken dan de oude. Er is roekeloosheid nodig om een bedrijf te beginnen, kinderen te maken, te trouwen, te verhuizen. Een zeker ogen dicht en gaan. 

Op die momenten, al zeg ik het zelf, blink ik uit. Het is het domme in me, dat zich soms jaren niet kan laten zien.

Nu we op ons nieuwe adres zitten is het wachten tot B’s hart ook meeverhuist. Het klopt wat stilletjes in een van de verhuisdozen op onze nieuwe slaapkamer, en zal een dezer dagen hopelijk een kijkje komen nemen – eerst door de handgreep van de doos en daarna door de kartonnen flappen echt naar buiten – beginnen te wennen aan de ruimte, aan hoe haar slagen klinken op een nieuwe plek.

Omdat ik manisch ben weet ik zeker dat het goed komt. Het is het domme in me dat ik bijna was vergeten, maar waarvan ik zoveel houd.

_____________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceert hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Oradea – een vrij kitscherig bloemenboeket?

In een poging wat nuance aan te brengen bij een naar zijn mening eenzijdig artikel over Oost-Europa in de Groene Amsterdammer twitterde een vriend van mij dat de Roemeense stad Oradea misschien wel “Europa’s art-nouveau-hoofdstad” is. Hij had in de reportage vooral clichébeelden gezien van grijze flats en kapotte wegen, en wilde even duidelijk maken dat er ook genoeg moois te zien was achter het voormalige IJzeren Gordijn.

Ik onderdrukte een glimlach (zeldzaam tijdens een bezoek aan Twitter). Geen stad in Europa heeft mij ooit zo verrast als Oradea, in een uithoek van noordwest-Roemenië aan de Hongaarse grens. In de zomer van 2016 maakte ik speciaal een omweg met trage Roemeense treinen om de art-nouveau-architectuur te zien, een planningsbeslissing die een goede gok bleek. De door precies genoeg mensen bevolkte Piata Unirii in de avondzon won het met gemak van Europese klassiekers als de Brusselse Grand Place of de Praagse Staromestske Namesti.

Later zou ik nog vaak vrienden naar allerhande art-nouveau-steden slepen. Op de een of andere manier liggen die meestal niet echt op je route; het zijn vaak secundaire provinciestadjes die er in uitblinken en waar je dus ook enige moeite voor moet doen: Subotica in Noord-Servië, Alesund in Noordwest-Noorwegen, Nancy in Frankrijk en dus Oradea. Steden waarvan het soms lijkt alsof ze rond 1900 bijna volledig geclaimd zijn door de architecten van deze stroming, vaak zonder dat er al al te veel indrukwekkends gebouwd was in andere stijlen. (Of de stad werd gewoon herbouwd na een forse brand, zoals in Alesund).

In april, toen ik met een vriendin waarvan ik wist dat ze vooral van modernisme houdt voor het huis van Victor Horta in Brussel stond, brak ik me het hoofd over wáárom art nouveau mij zo trekt. Ik vroeg me af hoe mijn reisgenoot het gebouw zou ervaren. Waarschijnlijk als een vrij kitscherig bloemenboeket, dacht ik.

Ik snap dat wel. De stijl vereist niet veel doordenken van de kijker; het is op een bepaalde manier niet móeilijk om mooi te vinden en daarmee wellicht minder interessant. Het zijn stillevens op gevels, vol drama en versieringen.

Maar toch: voor het Bauhaus-gebouw in Dessau, zo ongeveer de antithese van art nouveau, zei een vriend van mij ooit dat hij de hype niet begreep: het waren gewoon heel veel ramen. Waren we daar nou voor omgefietst?

Hoewel ik ook wel van wat modernisme houd, snap ik de kern van zijn punt óók maar al te goed. Op een art-nouveau-gevel gebéuren dingen; het is vaak het spannendste gebouw in de straat. Je weet wat je kan verwachten, toch blijf je kijken naar de schreeuwende hoofden en de openkrullende bloemknoppen, elke keer weer een nieuwe variatie op hetzelfde thema, maar in ieder geval altijd met die fijn geromantiseerde, rokerige, fin-de-siècle-sfeer. Je weet wel dat het soms wat overdreven is, dat er daarna nog veel meer verfijnds is gebeurd in de architectuur en dat je er vandaag de dag moeilijk mee weg zou komen, maar je laat het je lekker overkomen, want eigenlijk is het gewoon genieten, en hier mag het, alsof het een beginzin is van een Couperus-roman.

In een donker, koud klaslokaaltje aan de rand van het centrum van Sint-Petersburg draaide mijn Russische architectuurprofessor geregeld drie uur lang dia’s af met foto’s van de zwierigste gebouwen uit de stad, onverstaanbaar mompelend van onder zijn Dostojevski-baard. Het waren de enige colleges waarvan ik nooit wilde dat ze afgelopen waren.

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

 

Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Klein landschap (4)

Het refrein van deze blogs wordt wat eentonig. Het gaat over vermindering, krimp, aftakeling, ondergrenzen. Gelukkig valt er nog wel wat over te zeggen. Vroeger ging ik minstens een keer per week naar een dansfeestje, het liefst vaker. Daar leefde ik naartoe. Dat vormde het hoogtepunt van de week.

Van al die feestjes is er één overgebleven, en wel het straatdansfeestje dat ik samen met een goede vriend organiseer. Ik wilde dans op straat brengen. Waarom? Ik maakte deel uit van de Amsterdamse danscultuur. Dat had zich zo in de jaren opgebouwd. Ik voelde me bevoorrecht deel van deze wereld te zijn. Waarom dansfeestjes alleen tussen vier muren en in de avonduren houden? Ik begon me steeds meer een zonderling te voelen. Ik hou sowieso van het daglicht. Het hele horeca-idee van een danceparty begon me tegen te staan. Altijd die donkere en vaak bedompte ruimtes. En het kan zo gemakkelijk zijn. Naar buiten, koptelefoontjes op en dansen maar. We begonnen in 2009 ergens in het Amsterdamse Bos. Daarna veranderde het concept naar een maandelijks feestje ergens in de stad. We wilden de dans onder de mensen brengen.

Deze zondagmiddag staan we op het Homomonument, eigenlijk onze vaste plek. Ik ben nog altijd verliefd op de roze granieten dansvloer daar. Dat gepolijste graniet bezit goede glij-eigenschappen. Is zelfs als dansvloer bedoeld. In koperen letters staat er de tekst ‘naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’, een regel van Jacob Israël de Haan uit zijn gedicht ‘Aan eenen jongen visscher’. Er zouden meer van dit soort plekken moeten komen in de stad.

Ik moet er eerst nog zien te komen. Van mijn huis naar het monument is het een klein half uur in mijn toestand. Om twee uur begint het dansfeestje en het duurt tot vijf. Mijn vriendin is al onderweg met het stoepbord waar de naam, DWYA, en verdere informatie op staat. Er is maar één fiets, dus ga ik lopend. De drie uur red ik toch al niet meer, dus ik kom al later. Het wattengevoel onder mijn zolen is niet eens het grootste probleem, het is de ‘energie’, de ‘stamina’, de ‘lucht’. Mijn conditie is zo ongeveer af te lezen aan de tijd dat ik het volhoud.

Dans is in principe voor mij altijd een vorm van springen geweest, als je de beweging zou overdrijven. Een sprongetje de hoogte in. Eigenlijk wat precies een huppeltje is. Ik zag ooit iemand echt springen en ik nam dat meteen als voorbeeld. Daarna was de opdracht om zo ontspannen mogelijk te ‘springen’, laag bij de grond, nergens overdreven, maar de essentie van de huppel behoudend. Op een dansfeestje ergens in Neurenberg sprak ik een componist die me zei dat ik ‘in zestienden’ danste. Hij danste zelf niet maar hij stond wel aandachtig te kijken. Het klonk me als een compliment in de oren. Ik zet een tapijt uit van accenten onder de muziek. De danser is zelf een instrument dat wordt bespeeld door hemzelf.

Op deze middag was ik blijkbaar bij de ondergrens van de dans aangekomen. De huppel was weg. Af en toe kon ik hem nog even oproepen maar dan sloeg de vermoeidheid toe en zette me weer met beide voeten op de grond. Ik werd uitgezwaaid. Ik was bij de ondergrens van de dans uitgekomen.

Wilbert Cornelissen is dichter, danser en denker. Zojuist verscheen Elke dag een/Proefsleuven, uitsneden uit tien jaar elke dag een gedicht schrijven. Hij organiseert elke maand Dance Where You Are, een straatdansfeestje op het Homomonument (eerste zondag van de maand om twee uur).

 

Wilbert Cornelissen

Wilbert Cornelissen is dichter, danser en denker. Zojuist verscheen Elke dag een/Proefsleuven, uitsneden uit tien jaar elke dag een gedicht schrijven.

Ekster

Johannes Graadt van Roggen (1867-1959) – Vliegende ekster

In het voorjaar zijn het vaak de merels die me wekken. Niet met hun zang maar met hun roep. Want bij het eerste licht komen de eksters. Ze komen voor nesten, eieren of kuikens van kleinere vogels dan zijzelf. Ze komen om te plunderen. Of misschien komen ze gewoon maar om te pesten. De merels weten er alles van. Ze waarschuwen elkaar als de eerste ekster op het dak verschijnt.

De eksters kijken vanuit de hoogte niet als speurende roofdieren op zoek naar prooi. Ze zijn niet zoals de valken of de uilen die uit een houding van aangeboren superioriteit het leven van mindere vogels verwoesten. Bij roofvogels is doden een vorm van propaganda voor noodzaak en efficiëntie. Maar de ekster heeft de mentaliteit van een vandaal.  Hij heeft plezier in het kapot maken van wat anderen zorgvuldig hebben opgebouwd (nesten, eieren, jongen). Zijn gedrag lijkt eerder voort te komen uit een geschiedenis van frustratie en slechte opvoeding dan een natuurlijke houding waar wij mensen vanaf gepaste afstand respectvol naar kunnen kijken.

De ekster weet goed hoe ver hij kan gaan en gaat dan nog net iets verder. Hij zoekt de grens van de irritatie op en weigert deze vervolgens te verlaten. Natuurlijk moet hij er dan ook hard bij roepen. Zijn zang – want dat schijnt het te zijn – is een moeiteloos krassen. Het is een geluid dat met opzet onaangenaam moet zijn.

Wanneer ik in de tuin met de roepende merels verschijn dan vluchten de eksters. Ze zijn zoals zoveel treiteraars in diepste zin laf. Dichterbij dan het hoogste puntdak durven ze in mijn aanwezigheid niet te komen. En als ik even wacht geven ze het op. Ze komen ook nooit alleen, maar altijd in een groepje, waarbij ze elkaar schreeuwend opjutten om de grenzen van fatsoen te verleggen. In hun wereld, en die van de merels, ben ik het bevoegd gezag.

De merels vallen stil op het moment dat de eksters vluchten. Ik meen in hun ogen en houding dankbaarheid tegenover mij te zien. Met een knikje neem ik deze doorgaans in ontvangst.

En dan … later… in het kleine dorpspark onder een spar zit daar op een enkele ademhaling na een onbeweeglijke ekster. Hij zit naast het pad, heel dichtbij. Op de plaats van zijn oog zit een grijze vlek. Hij ademt en wacht op de dood.

Ik kom dichtbij en bekijk zijn afwezig oog. Hij doet geen poging te vluchten. Misschien dat hij mij voor de naderende dood houdt. Het oog lijkt niet weggepikt. Er moet iets gemeens van binnenuit gegroeid zijn dat het licht uit de kop van de ekster heeft weggeduwd.

Weg is zijn brutaliteit, zijn branie, zijn vreugde om nestelende merels de stuipen op het lijf te jagen. Hij zit daar zielig en eenzaam te boeten voor zonden die zijn schepper hem heeft opgedragen. Hij verwacht niets van mij. Als ik de dood niet ben dan ben ik lucht. Dat de wereld hard en gevoelloos is hoeft hij niet van mij te horen. Dat weet de ekster ook zonder het zelf te ondervinden.

Machiel_Jansen Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Machiel Jansen

Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Wachten op ongelukken

I.

Een maand geleden zat ik tijdens een vakantie in de laatste bus van het Zuid-Russische kustplaatsje Lazarevskoje naar Sotsji. De route van enkele tientallen kilometers was bochtig, hoog boven de kust, en slecht verlicht. Ik moest denken aan reisgidsteksten over Russisch rijgedrag en ongelukken, maar werd niet echt bang; je weet uiteindelijk toch te goed dat dat soort dingen meestal niet gebeuren om er lang bij stil te staan.

Halverwege de route remde de bus plotseling af bij een opstopping. De chauffeur manoeuvreerde ons behendig langs een menigte en een aantal geparkeerde auto’s, op straat lag een man die net van een quad was afgevallen. Het bloed stroomde als lekkende benzine van hem weg, de steile straat af. Daarna waren we alweer onderweg. Een ambulance kwam in de andere richting aangereden; tot aan de halte in Sotsji voelde ik me misselijk.

Twee weken terug zag ik de plek van het ongeluk onverwachts weer terug. Ditmaal in een establishing shot van de kustlijn, uitgezonden aan het begin van de in Sotsji gespeelde WK-wedstrijd Spanje-Portugal. De tv stond aan op een huisfeestje, eentje van het type waarbij 20 procent van de gasten met een vilten Das-Mag-tas binnenkomt. Iedere aanwezige zei voetbal te haten, maar toch bleef de tv aan staan.

Pas toen moest ik opeens weer denken aan mijn eerste en enige eigen Russische ‘ongeluk’. Op een augustusavond in 2014 reed mijn trolleybus in Sint-Petersburg, vlak voor het in aanbouw zijnde WK-stadion in die stad, op een andere bus. Het was het einde van mijn eerste dag in Rusland ooit. Het ongeluk viel mee, en gebeurde bovendien niet ver van mijn nieuwe studentenhuis; ik had toch al willen uitstappen en dat mocht van de ongedeerde chauffeur ook gewoon.

Ik heb toentertijd hartelijk gelachen om die crash. Dit was, met zoveel woorden, waar ik voor naar Rusland was gekomen. Ik had gelijk op dag één iets om over naar huis te schrijven – mijn vrienden in Nederland zouden dit prachtig vinden. Rusland was in onze ogen nu eenmaal vooral een groot chaotisch privépretpark, waar dashboardcamera’s op elke straathoek de meest bizarre verkeersincidenten vastlegden. Waar je geen dag kon leven zonder in een botsing terecht te komen. Waar je door er een tijdje te gaan studeren jezelf een identiteit kon aanmeten voor in Nederland, door terug te komen met dit soort bizarre verhalen – zoals vrienden van mij dat deden in de VS, Azië, of Zuid-Afrika.

In feite bestonden de dagen van mijn uitwisselingssemester uit het wachten op ongelukken. Veel te studeren was er niet. Samen met de andere buitenlandse studenten fotografeerde ik gaten in wegen. We appten naar huis als we dronken mannen op de Nevski Prospekt hadden zien vechten. We betreurden soms stiekem dat Petersburg toch wel erg Europees was, niet echt ‘anders’ genoeg. In vierentwintiguursboekwinkels vol onderbetaalde student-medewerkers gingen we zelfgenoegzaam op nachtelijke Poesjkinkoopsessies terwijl Misdaad en Straf nonchalant uit onze tas stak. We staarden vanaf bankjes naar kruispunten waar stoplichten kapot waren alsof het om een bioscoopscherm ging, wachtend op de onvermijdelijke crash (die kwam niet).

In Sotsji kwam die wel. Maar nu viel er nog maar weinig te lachen. Het was, op de bank op dat feestje, vooral een onwelkome herinnering aan hoe pijnlijk die hele ironische Rusland-als-gebruiksvoorwerp-houding was geweest. Ik kon op dit huisfeest alle opgedane verhalen nog een keer vertellen, iedereen zou het prachtig vinden, roepen wat een bizar land het toch was – maar het zou zijn als geld uitgeven dat je niet eerlijk hebt verdiend: het resultaat van zelfverrijking, als een oligarch die een land uitmelkt zonder aan de bevolking te denken.

II.

Omdat je uiteindelijk alles beter altijd in een versvorm kan vertellen, hier hetzelfde verhaal maar dan anders verteld, vanuit een trolleybus in Sint-Petersburg:

En in stapt dan Simon op Scheepsbouwerstraat
Hij kijkt uit het raam met zijn
ogen paraat

Op al wat eruit ziet als ‘typisch’ voor Rusland
Student uit Maastricht en een
zeer trouwe busklant

reist dagelijks mee van zijn flat aan de Golf
naar zijn faculteit. Met een blik
als een wolf

gericht op de prooi – die kan overal zijn
een wodkafles, zwerfhond, een
botsing. Ook fijn:

Een flard propaganda, het liefst met venijn
Iets over het westen, hoe homo ze
zijn

Of over de Duitse fascisten van vroeger
Zodra hij dat hoort op de
halte-omroeper

Dan denkt hij: “Dit is toch een mooie ervaring
Alwéér iets absurds. En zonet zei
hij Stalin!!”

Ja, Simon die komt hier verhalen opsparen
Zodat hij ze thuis later eens kan
herhalen

Een half jaartje kijken, dan terug “met een band”
Het doel is ervaring, het middel
het land

Oh Rusland! Dat leek hem “zo gek en zo vreemd”
Studeren in ’t land “waar men
alles verneemt

Van staatstelevisie en waar het slechts gaat
Om dat wat de tsaar en zijn
vrienden behaagt!”

Hoe raarder hoe mooier, hoe vreemder hoe beter
De absurditeit maakt ‘t geheel
weer completer

Een kraan met bruin water die stemde hem goed. Tsja…
Want zo kon hij denken: “Hey
man, this is Russia.”

Ja, Simon is echt best behoorlijk tevreden
Hij heeft veel gezien. Oh
soldaten! Bevelen!

Amuses voor thuis plaatst hij nu en dan snel
Op 
simon.waarbenjijnu.nl

Toch mist hij nog iets (ook al kost het een cent)
Hij zag nog zo graag een corrupte
agent…

‘t Vertrek nadert, onder zijn voeten is ‘t heet
“Want zonder wat smeergeld is ‘t
echt niet compleet!”

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Watersporthel

zwemmende kinderen

Af en toe krijg ik wel eens het verwijt dat ik me in mijn werk te weinig bezighoud met het onrecht in de wereld, dat ik geen oog heb voor de positie van de vrouw in literair Nederland of voor white privilege en systemische discriminatie. Inderdaad schrijf ik daar weinig over – niet omdat ik een blinde vlek heb voor dat soort misstanden, maar juist omdat ik een heel gevoelige jongen ben. Die ellende kan ik er niet óók nog eens bij hebben. Ik lijd al meer dan genoeg onder mijn eigen levensgeluk.

Neem bijvoorbeeld watersport. Gisteren zag ik achter ons huis een groepje kinderen zwemmen in de Kostverlorenvaart en alles kwam weer boven: mijn eigen jeugd in een waterrijke omgeving, de behaarde badmeesteres in zwembad De Watering* en vooral de zomers bij mijn vader aan de Nieuwkoopse Plassen, wat een natuurgebied is, dus dat mag je niet zomaar betegelen.

Nieuwkoop was de watersporthel.

Op warme dagen, als mijn vader even genoeg had van kinderen om zich heen, gooide hij een luchtbed in het water en duwde ons erachteraan. ‘Ga maar spelen.’ Soms voelde ik dan iets walgelijks langs de binnenkant van mijn dij strijken, mogelijk de staart of een tentakel van een beschermde diersoort.

Eruit komen was lastiger dan erin vallen. De steiger had geen trappetje en de bodem lag bezaaid met scherpe keien onder een glibberige laag algen die ik onder geen beding wilde aanraken. Bovendien woonde onder de steiger een agressieve fuut die me de toegang tot de achtertuin ontzegde.

Als het waaide moest er gezeild worden. Sportief gezeild, dus voor mijn vader kon de storm niet zwaar genoeg zijn. Om zijn mannelijkheid te onderstrepen, voer hij ‘t liefst zo hoog mogelijk aan de wind, tot voorbij het punt dat de boot zou omslaan. Het enige contragewicht dat ons van de verdrinkingsdood moest redden was ik, zijn verwijfde nageslacht van nog geen dertig kilo dat jankend in de trapeze gesnoerd hing.

Het is misschien overdreven om te zeggen dat mijn vader de allereerste windsurfer in Nederland was, maar hij was er vroeg bij. Een Mistral had ‘ie, met een massief houten mast. Ik droom er soms nog van. Als hij zin had om zich uit te sloven, stapte hij in zijn gewone kleren op de plank en kwam na een uur kurkdroog weer terug. Uiteraard was dit ver vóór zijn hersenbloeding, toen hij zijn evenwichtsgevoel nog had.

Zelf ik heb ik het bij één mislukte poging gelaten. Ik kreeg het zeil niet eens omhoog. Terwijl ik met mijn volle gewicht aan het ophaalkoord hing, dreef de plank onder mijn voeten steeds verder af richting het riet, waar het ritselde van de ratten. Mijn vader zei niets toen hij mijn verkleumde lijf op de kant hees. Dat hoefde ook niet; ik las de teleurstelling in zijn ogen.

Nu zwem ik alleen nog maar in noodgevallen.

_______________

* Een klein, benauwd binnenbad in Wormerveer waar ik tijdens het afzwemmen voor onze B-diploma getuige was van de bijna-verdrinking van klasgenootje P., die nota bene op waterpolo zat. Tijdens het onderdeel zwemmen-met-kleren-aan zonk P. vrijwel direct na zijn duik naar de bodem en moest met de beruchte haak weer naar boven gehengeld worden. Achteraf zei de badmeesteres dat zijn trainingspak zich vol water had gezogen, maar ik zag dat anders: water is een afwachtende moordenaar die zelfs de beste zwemmer kan overvallen.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Klein landschap (3)

Ik wil het lichaam het liefst als onopgemerkt. Dat is nog wat anders dan onzichtbaar. Ik ben eraan gewend altijd wel een deel van mijn lichaam te zien, ergens onder in het beeld als een soort van ondertiteling. Ernst Mach heeft daar een schets van gemaakt. Ik gebruik het lichaam vooral als een gereedschap, een middel tot een doel. Wanneer ik in de spiegel kijk, lijkt dat even een doel op zich te zijn, want een gezicht staat zo op zichzelf, is zo versmolten met wie en wat ik ben dat ik er niet zo snel een functie voor kan verzinnen.

Het ultieme wat ik kan bereiken, besef ik nu, is zo volledig mogelijk op te gaan in de wereld. Ik maakte zaterdag een wandeling naar een afstudeerbijeenkomst ergens aan het Rokin. Het was warm. Ik moest me motiveren om te gaan, was daarvoor nog in slaap gevallen. Ik heb er een pil bij voor de hoge bloeddruk. Er staan twee weken voor om aan het medicijn te wennen. Toch ga ik op weg. Ik loop over de stoep. Gewoonlijk is dat een vanzelfsprekendheid. Waar anders te gaan? Bij mij is het nu zo dat ik met mijn aandacht ook bij de stoep ben. In betere tijden was ik gewend mijn aandacht tijdens het wandelen vrij beschikbaar te hebben. Ik kijk al bewegend achteloos om mij heen. Het maakt niet uit wat mijn aandacht trekt. Vaker nog was ik in gedachten verzonken. Nergens kan ik zo ongestoord nadenken als onder de douche en tijdens het wandelen. Het liefst loop ik dan een vaste route zodat ik geen aandacht hoef te besteden aan de route. Zo lopen koeien overigens ook in een wei, langs vaste paadjes.

De horizon hoort zich buiten mij te bevinden, het liefst zo ver mogelijk. Ik merk dat het duidelijkst aan de aandacht. Als deze vrij beweegt, dan bestaat mijn wereld uit buitenwereld. Uitgeschreven zijn dat de dingen, voorwerpen, gebouwen om mij heen. Ik zie een persoon, zo en zo gekleed, met een bepaalde gezichtsuitdrukking. Er is altijd wel iets dat mijn aandacht trekt. En daar ben ik dan, daar waar de aandacht is. Je kunt zeggen dat mijn aandacht tegen deze persoon op kruipt. Misschien ‘snijden’ onze blikken elkaar wel, een soort van verdwijnpunt van de blik. Verder kun je niet kijken, dan iemand aankijken.

Ik ben nu tijdens het lopen vooral met het lopen zelf bezig. Til ik mijn voeten wel genoeg op? Ik voel een vermoeidheid opkomen die maakt dat ik onwillekeurig denk aan zitbankjes. Ik zie ook overal ligmogelijkheden. Gelukkig gaat het tijdens de wandeling beter. Van stramheid ga ik naar een bewegen dat net geen moeite kost.

Doordat de horizon zo dichtbij ligt, word ik eerder geraakt, zeg opgewonden. Toeristen die in drommen de breedte van de stoep innemen, werken me op de zenuwen. Ik word een sentimentele weggebruiker. Ik verzin ook scheldwoorden. Van alle emoties vind ik ergernis de lelijkste. Het is jezelf dwarszitten met wat een ander doet. Als ik mij erger, erger ik me ook nog eens aan mezelf. Het is dubbelop. De bijkomende adrenaline helpt wel bij het voortbewegen en de pijnbestrijding.

Er is dus zoiets als een horizon in mijn lichaam. Wat ik daar voel, wat zich daar afspeelt, kan ook aandacht trekken. Ik had nog even kunnen denken dat de wereld wordt vergroot. Mijn lichaam komt erbij, maar helaas, er is hier sprake van krimp. De pijntjes die ik voel, zoals een stram en zeurend gevoel in de rug, onder de duim gehouden door een ‘spiegel’ van paracetamol, vormen een soort van innerlijke berm. Ik loop tegen mezelf op.

Wilbert Cornelissen is dichter, danser en denker. Zojuist verscheen Elke dag een/Proefsleuven, uitsneden uit tien jaar elke dag een gedicht schrijven.

Wilbert Cornelissen

Wilbert Cornelissen is dichter, danser en denker. Zojuist verscheen Elke dag een/Proefsleuven, uitsneden uit tien jaar elke dag een gedicht schrijven.

Zwevend beton

Jacq en ik zagen afgelopen week hoe Studio Drift in het Stedelijk Museum een betonblok laat zweven. Deze illusie wordt met geheimzinnigheid in stand gehouden. Een uitleg van hoe het blok blijft zweven kwam ik op Internet niet tegen. Zo vreemd is dat niet. Het kunstwerk begint pas op je in te werken wanneer je het zoeken naar een rationele verklaring loslaat. Bij het lezen of kijken naar fictie, en zeker bij Science Fiction doet zich iets soortgelijks voor. Wanneer je bezwaren gaat uiten van de vorm ‘maar dat kan toch helemaal niet’ of ‘maar hoe dan?’ ben je verloren. In het geval van het betonblok lag de verklaring wel erg voor de hand en werkte de illusie niet zo goed als we hadden gehoopt. Dan vonden we de zwevende steen van Wim Schippers toch net iets beter.

Je mag het blok uiteraard niet aanraken terwijl het door de ruimte zweeft. Het was leuk geweest als je eronder door had kunnen lopen, waarmee je je geloof in rationaliteit had kunnen testen. Want wie durft er onder een zwevend betonblok te lopen?

Maar hiervoor is de ruimte in het Stedelijk niet hoog genoeg.

Het geheim van het zwevende beton werd goed bewaakt. Kort nadat we de zaal waren binnengelopen begonnen de suppoosten iedereen naar buiten te dirigeren. De ruimte werd afgeschermd met een wit scherm. Uitleg werd niet gegeven maar ik begreep dat de illusie batterijen had en moest worden opgeladen.

In een andere zaal bevond zich een ander werk van Studio Drift dat ook een illusie toonde maar waarbij geen enkele poging gedaan werd om de werking ervan te verbergen. In 20 steps bestaat uit 20 paar glazen buizen die samen de illusie van lopende golven voortbrengen. Het geheel is prachtig ontworpen en je kunt de motortjes die gewichten verplaatsen in de buizen zien zitten. De uiteinden van de buizen gaan op en neer waardoor de illusie van een lopende golf ontstaat. De buizen zitten met een scharnier aan elkaar vast en ook deze bewegen op en neer. Een computer bestuurt het geheel.

Veel mensen zagen in de bewegingen van de buizen vliegende vogels. Mij deed de installatie denken aan een Bell Wave machine, vaak gebruikt in de natuurkundeles om de principes van een golf uit te leggen. Het grootste verschil is dat bij Bell de stokjes op een as liggen en de buizen van Studio Drift scharnieren. En ja, In 20 steps is veel mooier vormgegeven. Maar wie van esthetiek en golven houdt moet ook eens kijken naar de Wheatstone Wave Machine, een 19e-eeuwse uitvinding die de werking van lichtgolven moet illustreren. Wie van golven houdt hoeft helemaal niet naar zee.

In tegenstelling tot het zwevende betonblok is de werking van In 20 steps letterlijk glashelder. Zo helder dat het de wis- en natuurkundige principes van golven bijna naakt laat zien. Hier geen suppoosten die moeten voorkomen dat je doorziet wat er echt gebeurt. De wiskunde van In 20 steps is tegelijkertijd de schoonheid ervan.

Het is opvallend dat in het museum geen enkele poging ondernomen wordt om In 20 steps in verband te brengen met Wave Machines. Ook geen spoor van een uitleg over golven, sinussen en amplitudes. Bij de filmpjes op Youtube over de werking van golven is dat andersom. Daar is geen tot weinig aandacht voor esthetiek, laat staan voor de metafysische beschouwingen die je vaak in musea tegenkomt. Wie begrip en verwondering wil combineren wordt al snel naar het Nemo verwezen.

Mij lijkt het dat niet zozeer de kunstenaar maar wel het museum en misschien ook het publiek als de dood is om de ratio te vermengen met kunstbeleving. Verwondering mag hier niet overgaan in rationeel denken, en andersom. Ik deed het stiekem wel. Mijn gedachten golfden tussen de twee voortdurend op en neer.

Machiel_Jansen Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

 

Machiel Jansen

Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Een hete zomer, een barre winter

In 1976 groeven de mannen uit de buurt in het Stichtse dorp D. in hemdsmouwen greppels rond de bomen. Het was een extreem droge zomer en de begroeiing in de lommerrijke wijk moest gered, en als er wat te redden valt dan doen mannen graag mee. Pijpje pils in de hand. In het geval van mijn vader was dat een jonge borrel. De buurman had en nieuwe Citroën CX – auto’s die zo mooi zijn dat ik nog altijd van mijn fiets stap als ik er heel soms nog een zie staan (vorige week op de Prinsengracht). Mijn vader had een heel fijnzinnige manier zich helemaal niets aan te trekken van de statusgevoelige omgeving en met plezier naast zijn Skoda te staan. De buren leken hem zijn zorgeloosheid op dat gebied een beetje te benijden. Hij gaf ermee aan hors concours te zijn, en dat werkte heel goed, samen met zijn wat vreemde grapjes, die na een korte pauze waarin men ze trachtten te begrijpen alsnog tot een bulderend lachsalvo leidden.

Een ietwat excentrieke en wat conservatieve man is ook de hoofdpersoon in Raymond Queneau’s Een barre winter*. Ik las het vorige zondag toen ik op een boekenmarkt in Dordrecht stond – en het bij een buurkraam gehaald had – in een verkoelend windje achter mijn kraam, in deze verder ook bijzonder warme en droge zomer. Ik viel voor de sfeer.  Ik las vele malen Queneau’s Stijloefeningen in Kousbroeks vertaling, steeds weer gaver dan de vorige keer en met plezier zijn Zazie in de metro. Maar Un rude hiver kende ik nog niet. Geweldig boekje! George Perec schrijft: ‘Voor mij is Een barre winter met steeds weer nieuwe verrassingen en ontdekkingen, zo zoetjesaan een onuitputtelijk boek.’

In het boek zat een krantensnipper waarin Guus Luijters het boek bespreekt: ‘Volg met Lehameau, een verre neef van Hamlet, het kille smalle pad dat uiteindelijk naar zijn pervers genot blijkt te leiden.’

Luijters en ik hebben een volstrekt ander boeken gelezen, want ik kan zijn opmerking helemaal niet plaatsen. Of zou dat zijn wat Perec ‘nieuwe ontdekkingen noemt’? Of hebben wij een andere opvatting van pervers? (Of las Luijters alleen de eerste 20 bladzijden, waar je dat nog kunt denken?**) Het is hoe dan ook een geweldig sfeervol kort boek met een heel plezierig aanstekelijke speelse stijl.

In de hete zomer van 1976 hebben de emmers water allang de greppels bereikt en is het zwarte water met een film van stof erop langzamer dan je verwacht in de gortdroge aarde gezakt, om onder meer de treurberk te laven, die daar nog immer doortreurt.

——-
 IMG_6285
Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

*vertaling: Hanneke Los

** Of heeft Luijters gelijk en is het een heel subtiele prefiguratie van Lolita? (Dan rijst de vraag, las Nabokov het boek in de jaren ’30 in Parijs?) Perec’s mededeling over nieuwe ontdekkingen gaat al werken. Ik lees het nog maar eens…

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Dit zijn de ankers

IMG_7514Sinds de geboorte van Nadim komen B en ik al in het huisje in Zeeuws-Vlaanderen. Als B’s tante (van wie het huisje is) zelf niet kan gaan dan belt ze ons, en zo gebeurt het regelmatig dat we op stel en sprong de tweeënhalf uur naar Zuidzande rijden.

Het is er stil zoals het in de bergen stil kan zijn. De vacht van Otis de Hond glanst er meer.

Vorige week was de eerste keer dat Ada (nu anderhalf) leek te beseffen waar we waren. Ze is te jong om wat ze ervaart echt op te slaan, maar er moet toch iets van blijven hangen. Een warmte, de ontspanning van haar ouders, het Zeeuwse licht.

We slapen allemaal zo goed als we in Zuidzande zijn, knikkebollen tegen negenen en worden rond half zes wakker van dat licht.

Het huisje heeft ramen aan vier kanten, uitgestrekte akkers rondom. Als de zon schijnt valt hij binnen, en de afgelopen week zag ik hem elke dag opkomen en ondergaan. Het was warm in de ochtend, het licht geel en zalvend op mijn huid. Ik wandelde met de kinderen over het dijkje en we lachten om het smoel dat Otis trok terwijl hij kakte.

Weglopen van het huis waarin je vrouw slaapt: een rekken in je binnenste, een zoet elastiek dat op spanning komt naarmate de afstand groeit. Ik nam Ada op mijn schouders, Nadim aan de hand.

Dit zijn de ankers, dacht ik. Meer nog dan wat ik schrijf: dit zijn de momenten die me binden aan mijn plek en tijd.

_____________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De Fryske literatuur op zakformaat

Gaat het over de Friese literatuur, dan heb ik de ervaring dat er altijd wel iemand die over het Oera Linda-boek begint. De kronieken van een middeleeuws Fries geslacht, geschreven in een runenachtig schrift, díe moeten toch wel het startpunt van de Friese literatuur vormen. Maar het Oera Linda-boek was een hoax, kundig in elkaar gezet door Piet Paaltjens en consorten. Het manuscript dook ineens op toen negentiende-eeuwse letterkundigen zaten te smachten om Oudfriese teksten. De opzet slaagde, en leidt helaas nog steeds tot misverstanden.

In Zolang de boom bloeit zijn twee pagina’s ingeruimd om die mystificatie te ontzenuwen. Joke Corporaal vertelt kort en goed, op basis van het onderzoek van Goffe Jensma, de oorsprong en context van deze literaire grap. Zo het Oera Linda-boek al tot de Friese literatuur gerekend moet worden, dan tot die van de negentiende eeuw, waar het in dit handboek dan ook wordt besproken. De Friese literatuurgeschiedenis begint met (soms poëtische) Oudfriese wetsteksten uit de dertiende eeuw. En het echte Oudfries is in tegenstelling tot wat die benaming doet vermoeden minder oud dan bijvoorbeeld het Oudnederlands (500-1200).

In korte hoofdstukken benadrukt Corporaal de historische context in Fryslân. Ze laat zien hoe de omstandigheden, cultureel-maatschappelijk, politiek of anderszins, al dan niet hebben gezorgd voor een vruchtbare voedingsbodem voor literatuur. Afzonderlijke onderwerpen komen in zogeheten vensters aan de orde, waar individuele schrijvers, instituties, stromingen en mijlpalen worden besproken: van Obe Postma tot Tsjêbbe Hettinga, maar ook van koloniale literatuur tot ‘de vrouwelijke stem’. Zolang de boom bloeit is dankzij die verschillende ingangen veel toegankelijker dan het onvolprezen naslagwerk Zolang de wind van de wolken waait (2004), waarop het is gebaseerd.

Meer dan de helft van de korte geschiedenis is ingeruimd voor de afgelopen 120 jaar, vanaf de tijd van Douwe Kalma tot spreekwoordelijk gisteren. Vooral de tweede helft van de vorige eeuw was een bloeitijd voor de Friese literatuur. Zowel de streekromannetjes die via een boekenclub als de Kristlik Fryske Folks Bibleteek werden verkocht, als de literaire romans en experimentele poëzie deden opgeld in een rijk literair klimaat. In 1968 richtte men zelfs een telefoonlijn voor poëzie op, onder de titel ‘Operaesje Fers’, wat – ik was het bijna vergeten – destijds een wereldprimeur was. Een enkele keer ontbreekt het bij dat soort vensters aan citaten uit oorspronkelijk werk om de veelzijdigheid te illustreren, maar daar staat tegenover dat de bewegingen op internet en de huidige stand van zaken ruimschoots aan bod komen. Dat is verfrissend, net als het feit dat er geen onnodige parallellen met de Nederlandse literatuurgeschiedenis worden getrokken.

De Friese literatuur richt sinds de jaren zestig haar blik over de grens, naar Europa en daarbuiten, en neemt binnen Europa een unieke positie in, die ze ook in de toekomst zal behouden. Zolang de boom bloeit laat goed zien dat haar geschiedenis een totaal eigen ontwikkeling kent: tegelijkertijd veelzijdig en overzichtelijk, en daardoor een zeer dankbaar onderwerp, dat knap is samengebracht in dit compacte en toegankelijke overzicht.

 

Joke Corporaal – Zolang de boom bloeit. Korte geschiedenis van de Friese literatuurgeschiedenis
Eveneens verschenen in het Fries, Engels en Duits bij Bornmeer/Tresoar.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Een leêge baksteen-virtuositeit

In theorie moet het Brakke-Grond-pleintje aan de Nes in Amsterdam een van de ongezelligste stukjes cityscape van Nederland zijn. Je zit er tussen vier hoge gevels, allemaal van vaal baksteen. De grond is van hetzelfde materiaal. Het plein is een soort klein doosje en heeft de volle potentie om te voelen alsof je in een put bent gevallen.

Maar zo voelt het niet. Het zit er vaak vol, en als je het terras van De Brakke Grond voorstelt aan vrienden of collega’s als borrellocatie stemt iedereen altijd in. Ik denk dat het komt omdat het plein in z’n afzondering ook iets heel Italiaans heeft. Auto’s komen er nooit, er is geen drukke weg in de buurt en het plein ademt voetganger.

“Misschien zijn bakstenen ook gewoon helemaal niet ongezellig”, zei een collega aan wie ik het voorlegde. Daar had ik nog niet aan gedacht, maar het lijkt me geen gek idee.

Zelf vind ik het vooral leuk dat de vier gevels allemaal uit andere tijdperken komen. Ze zijn als het ware allemaal toch iets anders dan ze op het eerste gezicht lijken, en zo laten ze zien hoe goed de baksteen is ingeburgerd in de Nederlandse architectuur (die haar toch ook tenminste deels uitvond. Niet voor niets onderscheidt de Hollandse wijk in het Duitse Potsdam zich vooral door overijverig baksteengebruik). De Hudson’s Bay-facade is volgens mij nog geen jaar oud, het theater van de Brakke Grond is een jaren-’70-constructie van de architect Arthur Staal, die ook de Shell-toren over het IJ ontwierp. Het restaurant-café is een ouder Hollands pand. Aan de noordzijde staat het mooiste gebouw, een soort modernistisch warenhuis met veel glas, waar maar weinig over te vinden is.

Het Nederlandse usual baksteensubject mis je dan nog: de Amsterdamse School. Ik kan geen gebouw bedenken met meer bakstenen dan Het Schip in de Spaarndammerbuurt. Die stijl schijnt nog steeds te inspireren: naast station Muiderpoort in Amsterdam staat al een tijdje De Smaragd, een woonblok in een soort moderne, lichtere versie van de School. Ook het jaren-’30 huis is in, schreef NRC-architectuurredacteur Bernard Hulsman een tijdje terug.

Blijkbaar zijn we hier nog altijd niet ziek van het materiaal. De baksteen is ook voor mij zo vanzelfsprekend (en vaak aangenaam) dat ik twee maanden geleden in lachen uitbarstte in (het fraai opgeknapte) Museum ’t Schip bij een hatelijk, ouderwets citaat van Theo van Doesburg – toch iemand die ik hoog heb zitten – over de Amsterdamse School. Ik had me eigenlijk nooit gerealiseerd dat je ook anders kon kijken naar deze Nederlandse obsessie; dat het niet een soort gedepolitiseerde, onvermijdelijke uitkomst was, zoals je nog wel eens onbewust kan denken op de Nederlandse straten:

‘Hoe is het te verklaren dat de Nederlandsche vertegenwoordigers in Parijs zich ten zeerste beijverd hebben de stijlmedewerking te verijdelen en inplaats daarvan een leêge baksteen-virtuositeit te protegeeren. Zoo werd de Hollandsche architectuur vertegenwoordigd door een afgrijselijke baksteenmassa.’

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.