‘Luister naar het zachte grommen van mijn talent’ – Tepper herlezen

Nanne Tepper werd op 17 januari 1962 geboren in Hoogezand. Op zaterdag 10 november 2012 maakte hij een einde aan zijn leven.

Tot zover de human interest.

In 1995 debuteerde Nanne Tepper met De eeuwige jachtvelden (roman). Daarna publiceerde hij nog twee kleine romans – De avonturen van Hillebillie Veen (1997, handelseditie 2002) en De vaders van de gedachte (1998) – en een bundel prozaschetsen en columns: De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke, atonale schertsen (2008). Op de website van de NRC kun je de literatuurkritieken teruglezen die hij voor de boekenbijlage van die krant schreef.

Het oeuvre van Tepper is klein, maar hoogwaardig. Hafid Bouazza en Nanne Tepper – dat waren dé literaire beloften van de jaren negentig.

Jaarlijks herleest romancier en essayist Daniël Rovers De eeuwige jachtvelden. Dit jaar doet hij, voor Tirade, bovendien verslag van zijn bevindingen. We publiceren Daniëls gastblog over De eeuwige jachtvelden op maandag 10 november 2014 – exact twee jaar na het overlijden van Nanne Tepper.

Tepper dejDaniël Rovers schreef overigens al eerder over Teppers debuut. Een citaat uit Wat wil je dat ik zeg? Wat wil je dat ik wil horen?, een essay uit Rovers Bunzing, over land, literatuur & rijtjeshuizen (Vantilt, 2005; p. 174):

‘Met name Nabokovs wonderwerk Ada vormt een herkenbare inspiratiebron van De eeuwige jachtvelden. En net als Nabokov vecht Tepper een voortdurend stilistisch gevecht uit op zijn pagina’s. Maar waar Nabokov een strijd levert tegen de banaliteit van de stijlloze zin, daar vecht Tepper tegen een veel verraderlijker vijand: de sentimentaliteit van een gemediatiseerde wereld. En omdat Tepper minder stijlvast is dan Nabokov, dreigt hij het gevecht voortdurend te verliezen. Dát maakt zijn boek zo aangrijpend.’

 

Mocht je het ook interessant vinden Teppers debuut te (her)lezen, dan kun je – zoals gezegd – op maandag 10 november je bevindingen vergelijken met die van Daniël Rovers.

De titel van deze blog is een citaat uit: De eeuwige jachtvelden (1995;p224).

Portret Nanne Tepper: Harry Cock (VN); voorplat De eeuwige jachtvelden: KB.

Girl, you’re gonna carry that Weight

emma-sulkowicz-carries-mattressEmma Sulkowicz draagt het matras waarop zij verkracht is met zich mee, net zolang tot de dader veroordeeld is. Ze werd op de eerste dag in haar eerste jaar door een studiegenoot aan Columbia University verkracht. En sindsdien doet ze moeite hem van de campus verdreven te krijgen, maar dat lukt niet. “Even seeing people who look remotely like my rapist scares me. Last semester I was working in the dark room in the photography department. Though my rapist wasn’t in my class, he asked permission from his teacher to come and work in the dark room during my class time. I started crying and hyperventilating. As long as he’s on campus with me, he can continue to harass me.’

De kunststudente heeft er een afstudeerproject van gemaakt. ‘Carry the Weight.’ Ze maakt heel letterlijk duidelijk wat zij met zich meedraagt. Haar matras is haar last. Die personificatie is een bijna shakespeareaanse truc. En dit is in al zijn gruwelijkheid ook een pleidooi voor Shakespeare. Hoe onnozel dat ook mag klinken, een pleidooi voor Shakespeare! Tegen zo’n suggestie hebben we spreekwoorden: ‘Goede wijn behoeft geen krans’ bijvoorbeeld, of ‘trap geen open deuren in’. ‘Is Shakespeare goed?’ ‘Tsja: is water nat?’

Toen ik gisteravond echter de nieuwe vertaling van Peter Verstegen uitlas, de vertaling van ‘The Rape of Lucrece’, zat ik daar toch gewoon zwaar aangeslagen in het halfdonker voor me uit te staren in 2014, om een tekst uit 1594, handelend over een klassieke verkrachting uit 509 voor Christus. Maar in de overweging van de brute verkrachter Tarquinius kon ik argumenten proeven die een hedendaagse verkrachter zou kunnen hanteren. De verkrachter vraagt zich nog even af of het de schande waard is:

‘What win I, if I gain the thing I seek?
A dream, a breath, a froth of fleeting joy.
Who buys a minute’s mirth to wail a week?
Or sells eternity to get a toy?
For one sweet grape who will the vine destroy?
Or what fond beggar, but to touch the crown,
Would with the sceptre straight be strucken down?

Hij zoekt vervolgens manieren om zijn lust zijn rede te laten overwinnen op het moment dat dat nodig is. En in de gedachten van na de vuige daad,  de kuise Lucretia aangedaan, voel je heel goed weergegeven wat ik me voorstel dat een vrouw vandaag zou kunnen voelen.

So she, deep-drenched in a sea of care,
Holds disputation with each thing she views,
And to herself all sorrow doth compare;
No object but her passion’s strength renews;
And as one shifts, another straight ensues:
Sometime her grief is dumb and hath no words;
Sometime ’tis mad and too much talk affords.

Het mooiste stuk is wanneer Lucretia een gezant heeft weggestuurd om haar vader en haar man te laten halen en denkt aan een schilderij, en zoekt naar wie op dat schilderij over de Trojaanse oorlog zich net zo verschrikkelijk zou kunnen voelen als zij. En dan beschrijft ze dat schilderij. Het is werkelijk een meesterlijke vondst van Shakespeare. Niet alleen omdat er wat tijd gedood moet worden tot de bode weerkeert, maar ook omdat het zo mooi de menselijke geest toont in zijn vermoeidheid na groot leed, en zich weer wat begint voor te stellen. Maar ook omdat er in de belegering van Troje, maar ook de geroofde bruid zoveel analogie zit met de wijze waarop zij zelf belegerd is, en hoe haar eer geroofd is. Dat soort overwegingen.

In de toneelwerken van Shakespeare die ik zag valt altijd op hoe zeer zijn taal ruimte aan de denker, lezer, toehoorder laat. Dat moet de kracht van zijn toneelwerk uitmaken en het succes van zijn repertoire mede verklaren. Een toneelstuk waarin elke zin 1 betekenis, 1 perspectief heeft redt het niet. De zinnen van Shakespeare kan je als het ware omkantelen en steeds een ander aspect ervan waarnemen. In de sonnetten die ik daarna las, geldt hetzelfde, maar wordt ook nog het zelfbewustzijn van de tekst een nieuwe laag. De sonnetten gaan gedeeltelijk over de sonnetten. De auteur reikt over de tijd heen naar de lezer. In deze lange dramatische gedichten (eerder gaven we Venus en Adonis uit, een omslag waar veel discussie over was) is het grote psychologisch inzicht een extra kruidend element.

Ja, dit is ingewikkelde rennaissancepoëzie, uiterst cerebraal. Ja deze moeilijk tekst gaat over oude gebeurtenissen. Maar ik denk dat deze tekst ook in psychologisch opzicht heel veel te bieden heeft in een wereld waar een vrouw tien uur door New York loopt (zie filmpje) en 108 seksueel getinte voorstellen krijgt toegesist. En alle 108 mannen zullen  desgevraagd beweren:

Beauty itself doth of itself persuade
The eyes of men without an orator…

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Intussen bij Tirade…

…wordt er hard gewerkt aan het 456ste nummer. [klik]

Met Suzanne van der Aa, Raymond Carver, Astrid Staartjes, Gustaaf Peek, Hans Boland, Arno Camenisch, Miek Zwamborn, Daniël Rovers, Jeroen Mettes, Branko Van, Juan José Hoyos, Luc de Rooy, Pablo Escobar, Luna Miguel, Hannah van Binsbergen, Pieter Kranenborg, Daan Doesborgh, Kazim Cumert, Carel Peeters, Bregje Hofstede en Roman Helinski.

Onder redactie van Martijn Knol, Gilles van der Loo, Lieke Marsman en Marko van der Wal.

 

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

‘Wil je m’n geschoren kutje zien?’ – een tweeluik

Onze zaterdagblogster Anne-Marieke Samson werd onlangs geïnterviewd door onze collega’s van ‘de’ LINDA. Uit solidariteit ondergingen Gilles en Marko hetzelfde lot. Vandaag is het de beurt (no pun intended) aan Martijn. Lezing is facultatief.

Deel 1

Kun je ons in één zin vertellen waar De val van Jacob Duikelman over gaat?

Die vraag hebben de auteur, Anne-Marieke Samson, en mijn collega Marko van der Wal al afdoend beantwoord.

Wat is ’t mooiste boek wat je ooit hebt gelezen en waarom?

Je mag m’n lul fotograferen en je mag m’n boekhouding checken. Maar deze vraag is te intiem. En die beantwoord ik dus niet.

Hoe ben je begonnen met schrijven?

Ondanks mijn smeekbeden, weigerden mijn ouders me te onttrekken aan de leerplicht. Ergo: ik moest naar de basisschool. En daar is het allemaal begonnen. Lezen, schrijven, kritisch nadenken. Keten.

Waar laat jij je door inspireren?

Schrijfzin heb ik altijd. Dat zal wel betekenen dat ik me door alles laat inspireren. Mijn pen is een allemansvriend. En dat is niet dubbelzinnig bedoeld.

Wie moet jouw boek absoluut lezen?

Moeten? En dan ook nog absoluut? Als je het zo formuleert luidt ’t antwoord: niemand. Fuck autoriteit.

Pauze!

Fijn, fijn. Het is wel slopend zeg, zo’n interview.

Deel 2

Als jij hoofdredacteur van LINDA was, welk thema zou de volgende LINDA dan hebben?

Mijn eerste idee is: vrouwenemancipatie als antwoord op het hitsige, materialistische discours van de glossy’s. Mijn tweede: uitbuiting en kinderarbeid in de mode-industrie. Derde: cosmetica en dierproeven. Vierde: glossy’s, eenzaamheid, jaloezie en het onbehagen in de cultuur. Vijfde: nieuws als entertainment en journalistieke moraal. Maar uiteindelijk zou ik, geloof ik, toch kiezen voor: liefde, zelfacceptatie en plastische chirurgie. Eventueel kunnen we een themanummer maken waarin we artikelen over facelifts ‘doorsnijden’ (woordspeling!) met een aantal artikelen over doe-het-zelven. Met de mensen van marketing kunnen we dan advertenties werven bij GAMMA en bij de BURDA… ik zie stuntaanbiedingen met stanleymessen en naaigaren!

Welke reactie op je boeken is je het meest bijgebleven?

Een uitnodiging van een psychiatrische kliniek – ik mocht ‘kosteloos en geheel vrijblijvend’ kennis komen maken. Dat vond ik zo genereus! Jammer genoeg leed ik in die tijd aan pleinvrees waardoor ik een beetje aan huis gebonden was.

Het thema van LINDA-meiden is beauty. Wanneer voel jij je op je mooist? En wanneer op je lelijkst?

Het mooist voel ik me altijd een maand of drie na een cosmetische ingreep. Als alle korsten zijn weggewassen, de blauwe plekken egaal zijn opgelost in mijn huid en ik weer kan lachen zonder dat ik ’t gevoel heb dat m’n pruik van voren naar achteren beweegt.

Het lelijkst: de ochtend na een operatie… als het verband dan van mijn hoofd wordt gewikkeld en ik in de spiegel ’t gezicht zie van iemand die zich net een kwartier op zijn bakkes heeft laten stompen door Mike Tyson. Maar je kent het spreekwoord, hè? Wie mooi wil zijn…

Wat is je favoriete film?

De lift, hahaha! Nee hoor, grapje.

Heb je een –

‘Wacht… ik heb een beter antwoord op die vraag over schoonheid… Mijn lievelingskleur is rood, dat zal je vast niet verbazen, en als ik mijn haar in een staart bind, gebruik ik daar tegenwoordig vaak een rood elastiekje voor. Het feit dat ik dat zelf niet kan zien, dat rode elastiekje – extra spiegels en picturale parallelle werelden daargelaten – dát vind ik mooi.’

Wil je m’n geschoren kutje zien? Of moet ik nog zo’n saaie, serieuze vraag stellen?

Eh, doe mij de vraag maar…

Heb je een schrijfritueel?

Nee.

Verdien je je brood met schrijven? Wat doe je nog meer?

‘Nou, de Schone Letteren hebben me Lelijk Geruïneerd, LINDA, dat mag je best weten. Na tien jaar kutten ben ik totaal blut. Ik heb helemaal niks. Geen huis, geen bezit, geen vermogen. Maar ik ben wel gelukkig, haha! Serieus! Maar wat dat ‘brood’ betreft: om in alle rust en comfort aan mijn nieuwe boek te kunnen werken, heb ik op de zwarte markt een paar ton geleend. Dus het is wel heel belangrijk dat mijn boek straks een SuperMegaBestseller wordt, want de Joegoslaven van wie ik die poen heb geleend, die hebben al aangekondigd dat ze, zodra ik straks maar één betalingstermijn mis, meteen met een nijptang langskomen om er één van mijn vingers af te knijpen… Nou tik ik met acht vingers, dus de eerste maanden moet ik toch gewoon – ’

En wat doen ze nadat je de elfde termijn hebt gemist?

Dan zagen ze m’n hoofd eraf.

Echt? Wat bizar! Dankjewel voor dit openhartige gesprek.

Jij bedankt, LINDA.

——

Volgende week: Elders (novelle), Ibrahim Maalouf in Vredenburg (Utrecht), een handvol cinema. En meer.

 

Elektriciteit

Enkele weken geleden werd mijn nieuwste roman, getiteld Misschien wel niet, ten doop gehouden in Antwerpen. Op deze feestelijke avond was ook mijn oude scriptiebegeleider Antoon van den Braembussche aanwezig. Hij had een mapje bij zich dat hij mij overhandigde. Hierin zat een stapel brieven die ik hem als student stuurde. Wij woonden niet in dezelfde stad en ik had in mijn studententijd nogal eens de neiging om op reis te gaan, vandaar dat ik hem op deze wijze op de hoogte hield. Bovendien was dit in een tijd voordat ik gebruik maakte van e-mail.

Het is lastig te omschrijven wat er door me heen ging toen ik het pakketje brieven aannam. Ik was er enerzijds blij mee, maar anderzijds wilde ik er het liefst niets van weten. Waar dat gevoel van weerzin vandaan komt weet ik niet, maar de brieven liggen nu al wekenlang ongelezen op mijn bureau. Ze liggen daar en liggen daar. Ik kan ze niet uitzetten of laten verdwijnen door op een prullenbak-icoontje te klikken. Ik kan ze natuurlijk bij het oud papier gooien, maar die handeling gaat mij net iets te ver.

Waar ik bij het zien van deze brieven steeds aan moet denken is dat die brieven met de hand zijn geschreven, door handen gesorteerd en rondgebracht en weer naar mij teruggebracht. Daar kwam geen enkele bron van elektriciteit bij kijken. Wat een verschil: zonder elektriciteit zijn onze huidige e-mailcorrespondenties helemaal niets, opgelost, foetsie. En zelfs al zou je een brief met de hand schrijven en een postzegel op de envelop plakken, zou een groot deel van het sorteren en herkennen van postcodes zonder elektriciteit vastlopen.

Misschien komt het omdat ik als kind van hippie-ouders de eerste jaren van mijn leven zonder elektriciteit heb gewoond, ik weet het niet, maar het is een kleine obsessie van me geworden om te bedenken wat we nog zonder elektriciteit kunnen. Oké, nog heel veel natuurlijk, zoals slapen, op de bank liggen, wandelen of hardlopen, maar de meesten dragen al rennend toch een iPod, hartslagmeter of telefoon- bereikbaar moet je natuurlijk wel zijn. Voor seks heb je geen elektriciteit nodig. Maar als je regelmatig hardloopt en seks hebt, wil je soms wel douchen, het liefst warm, en daar heb je dan weer wel elektriciteit voor nodig.  Eten kun je op zich zonder (voeding koel bewaren of klaarmaken wordt al lastiger). Ademen, zingen én lezen kan zonder. Het lezen van een papieren boek. En als je echt consequent wilt zijn, laat je de lamp uit en steek je een kaars aan. Lezen bij kaarslicht. Klinkt als schrijven met een ganzenveer.

Laatst las ik in de krant over de toegenomen hoeveelheid tablets en laptops op lagere scholen. Nog los van de invloed die het staren naar schermpjes op het cognitieve, motorische en sociale vermogen van kinderen heeft, verbaas ik me erover dat we deze jonge kinderen nu al afhankelijk maken van elektriciteit. Waarom wordt dit argument eigenlijk nooit gebruikt? We worden continu gewaarschuwd: we moeten energie besparen! Alarmbellen rinkelen: er wordt te veel energie verbruikt! Maar ondertussen maken we ons op alle mogelijke manieren afhankelijk van elektriciteit, fysiek en mentaal, en voeden onze kinderen met deze afhankelijkheid op.

De mentale afhankelijkheid is misschien nog wel het grootst; als internet door een stroomstoring een dag plat ligt, raakt de gemiddelde Nederlander in paniek, door tieners wordt dit nog sterker gevoeld.  Als ik langs mijn bureau kijk, zie ik maar liefst tien stopcontacten. Toegegeven, dat is wat veel van het goede. Naast het beeldscherm waar ik deze letters op zie verschijnen, liggen mijn oude brieven.  Waarom wil ik die brieven niet teruglezen? Misschien omdat ik vrees dat het beeld niet klopt dat ik van mijzelf heb? Of omdat ik bang ben dat die brieven herinneringen bij me boven brengen die ik liever zou vergeten? Als het mails waren, had ik ze tenminste in een folder kunnen opslaan om ze daarna weer te vergeten. Maar het lukt me niet deze papieren ongelezen weg te bergen. Waarom niet? Ik weet het niet. Ik zal ze maar eens gaan lezen.

 

_____________________________________________________________________________________

Jannah LoontjensDit is Jannahs laatste blog voor Tirade. De redactie dankt haar van ganser harte voor haar mooie bijdragen deze maand.

 

 

 

 

 

Maarten van der Graaff Gastblogger in November

Aanstaande zondag is het helaas alweer de laatste keer dat onze oktoberse gastblogger Jannah Loontjens iets zal plaatsen. Maar niet getreurd, november kent een waardig vervanger

namelijk Maarten van der Graaff!

Maarten van der Graaff (1987) debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten bij uitgeverij Atlas Contact. In 2014 werd deze bundel met de C. Buddingh’-prijs bekroond. Hij publiceerde poëzie en proza in verschillende tijdschriften en is veel op de podia te vinden. Hij is redacteur en medeoprichter van het online literair tijdschrift Samplekanon.

 foto: Jan Glas

 

Centraal Afrikaanse Republiek en reportagejournalistiek

0a61845e6528607dac982009ad41f03dWaar het ook heel akelig is: in de Centraal Afrikaanse Republiek. Geen IS, geen Boko Haram. Maar moordende christenen. Het is een eeuwigdurende zorg dat anderen je focus op de wereld bepalen, maar het is niet anders. Je kunt dus bijvoorbeeld denken dat vrijwel overal radicale Islamieten aan het moorden zijn omdat de kranten daarvan volstaan, totdat je in The New Yorker van deze week het groot stuk van Jon Lee Anderson leest. In CAR is na een aanvankelijke aanzet van de Selaka, moslimrebellen die een eigen stuk van het land claimden, een grote tegenbeweging van met name christenen ontstaan, de Anti-Balakamilitie die overal etnisch en vooral religieus zuivert. Christelijke nederzettingen doen hier en daar hun best om de moslim-minderheid te beschermen.

Jon Lee Anderson schrijft al twee decennia voor The New Yorker, hij heeft ook een reeks boeken op zijn naam. Dit gesprek met hem is interessant. Wat zou het nou kosten, zo’n 14 bladzijden vullend artikel. Of: wat moet Condé Nast Anderson betalen om te zorgen dat hij de grote schare lezers van het blad op zijn tijd goed inhoudelijk kan informeren over een niet zo bekend gebied? Anderson spreekt heel veel mensen, ik denk dat er 20 geciteerd worden in het artikel ‘A reporter at large. The Mission, a last defence against genocide’, hij beschrijft  gebeurtenissen waarover hij spreekt die zich over pakweg een maand of vier of vijf uitstrekken. Als we de man nou eens een maandsalaris van 2.000 euro geven, dan zitten we op 10.000. Bruto 15.000

Reizen en onkosten, 4.000. Verzekeringen 600, geld om de communicatie wat te vergemakkelijken: 1.500. Zou het 20.000 euro kosten, zo’n reportage? Dat denk ik wel. En dat kan alleen als je heel veel tijdschriften verkoopt.

Dit soort dieptereportages kunnen helaas niet bestaan in landen met een lezende bevolking in een kleine taal.

Voor een artikel van 6 pagina’s in Vrij Nederland zal de redactie de journalist waarschijnlijk 1.100 euro betalen. Dat is dus een kleine twee weken werken. Dan kun je dus een half boek lezen, en drie mensen spreken. Het is tragisch, maar dat is de realiteit. Maar waarom vertaalt Vrij Nederland of De Groene niet veel vaker dit soort artikelen? 360 Magazine, die doet dat. Dat is toch een heel goede ontwikkeling, want eenvoudig gevolg gevend aan bovenstaande argumentatie: wij kunnen het zelf niet betalen en willen toch echt heel goed geïnformeerd worden.

Ik lees dus 360 Magazine de komende maanden en geef een kwartaal-abonnement cadeau aan de eerste drie schrijvers/vertalers  die mij vertellen welke internationale reportage van het laatste jaar  in welk groot buitenlands blad dan ook vertaald moet worden en bijvoorbeeld in Tirade zou moeten worden geplaatst.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Ramboetan

DSC_0224Het ramboetanseizoen is voorbij. Ik kan het moeilijk accepteren en sla ze in wanneer ik ze maar zie. Javaanse Surinamers verkopen de vruchtjes nog overal langs de weg, maar weten zelf ook dat het einde nadert.

Een verse lychee heeft frisheid bovenop het weeë zoet, iets wat je meestal niet meer terugvindt tegen de tijd dat ze in Nederland aankomen. De ramboetan (en alleen de dagverse) is veel meer dan dat: een sappig, friszoet genot van een zuurtje in zachtstekelig en bijna cyclaamkleurig vel, dat aan Nadim meteen de benaming egelballetje ontlokte.

Op de eerste dag in Paramaribo was het raak, en sindsdien heb ik een standing order bij de mevrouw op de markt. Als ze lekker zijn: 3 bossen voor Gil.

Suriname en haar klimaat maken het onmogelijk je lang zorgen over dingen te maken. Wat er ook aan de hand is (een afgekeurd manuscript, problemen op kantoor), als ik met een tas vol egelballen naar huis sjok, glijdt het door de barsten in het asfalt de rode aarde in.

Geloof me, ik doe mijn best om mijn zorgen te koesteren en aan te wakkeren met alle neurotiek die ik in me heb, maar het gaat gewoon niet. System override. Als een goedaardig virus dringt dit land je poriën binnen, waarna het je bloedbaan insluipt en fluitend in de weer gaat aan je binnenste. Die knoppen kunnen wel om, zegt het. En dat daar heb je ook niet nodig. Wat hangen die besognes hier rond? Hop, buiten met die bende. 

Vergeten is gemakkelijk, hier. Zo gaven we een vriend een lift door de stad, een Surinamer die ooit zijn land verliet vanwege Bouterse en de zijnen en hier terugkwam met het oog op verzet. Hij vertelde ons dat Bouterse op dit moment waarschijnlijk de beste persoon is om Suriname te leiden.

‘Ik ben de jaren ’80 niet vergeten,’ zei hij. ‘Maar Bouterse is wie de mensen willen en hij doet tegenwoordig een hoop goed.’

‘Maar moreel gezien, dan?’

Onze vriend glimlachte en tikte mijn arm aan. ‘Ga hier rechts. We zijn vlakbij. Wat ik zeg: Bouterse is wie de mensen willen.’

Ik sloeg af, stak mijn vrije hand in de tas met ramboetans die tussen ons in stond en dacht na over mijn volgende vraag. Ik zou respectvol aandringen, me vastbijten, uiteindelijk écht antwoord van hem krijgen.

‘Daar is het,’ zei hij, en wees naar een kleine ijswinkel met een roestig klimrek ernaast. Ik parkeerde, trok mijn sleutel uit het contact en zette de gepelde ramboetan tussen mijn tanden. Terwijl we uitstapten om softijs voor Nadim te kopen overviel het me opeens weer in al zijn hevigheid: dat het seizoen bijna was afgelopen.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Leve onze Marine

Vandaag ging mijn ochtend heen met het zoeken naar een gedicht. Mij werd onlangs voorgelezen uit Gerard Reves ‘Brief uit Huize Algra’ (in: Nader tot U) en toevallig lees ik zelf sinds kort regelmatig voor, in het kader van de culturele verbreding en verdieping. Vanwege die samenloop van omstandigheden herinnerde ik mij het gedicht ‘Leve onze Marine’ uit dezelfde bundel, dat een behoorlijke indruk maakte toen ik voor het eerst las. Het was destijds zelfs zo’n sensatie – een effect dat het ook nu nog niet mist – dat ik me voornam ook zo te schrijven, maar bij gebrek aan talent heb ik me toen toegelegd op het vertalen van precies dat gedicht. De vertaling had een omzwerving gemaakt op internet, waar ze was terechtgekomen op verschillende blogs, waaronder die van Reve-kenner Huub Mous, en via een omweg naar de moederschoot was teruggekeerd. Ik vond haar uiteindelijk in de krochten van mijn computer; het doet mij dan ook genoegen mijn kleine jeugdzonde hier zonder méér op te nemen. Eerst het oorspronkelijke gedicht van Reven en dan mijn versie in het Fries.

Leve onze Marine

Per trein op weg naar huis, zoek ik vergetelheid in bier,
maar kan, wat komen moet, niet meer bezweren:
reeds na twee haltes stapt hij in, tenger matroos, met stoute billen,
verlegen maar brutaal. Met oortjes. Donkerblond.
Wanneer ik ooit nog rijk word gaat hij elke dag
met mij de stad in om van mij te drinken wat hij wil:
‘dit is mijn bloed’.
En elke mooie hoer die hij wil hebben wordt door mij betaald:
‘dit is mijn lichaam’.
Ik zou zo graag erbij zijn, schat, maar niet als jij je schaamt:
dan hoeft het niet, en zal ik je nooit zien,
verborgen naakt in trui en broek, verheven ruiter,
aanbeden Dier, lief Broertje van me.

Libje ús Marine

Mei de trein ûnderweis nei hûs, sykje ik ferjitnis yn bier,
mar kin wat komme moat, net mear beswarre:
al nei twa halten stapt er yn, himpen matroas, mei stoute billen,
ferlegen mar bretaal. Mei earkes. Donkerljocht.
Wannear’t ik ea noch ryk wurd, gjit er else dei
mei my yn’e stêd om fan my te drinken wat er wol:
‘dit is myn bloed’.
En else moaie hoer dy’t er hawwe wol, wurdt troch my betelle:
‘dit is myn lichem’.
Ik soe d’r sa graach by wêze, skat, mar net as do dy skammest:
dan hoecht it net, en sil ik dy nea sjen,
ferburgen neaken yn trui en broek, ferheven ruter,
oanbidde Dier, leaf Broerke fan my.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Fictie/Non-Fictie

‘Hé, kijk… Maarten Baas… Yo, Maarten, wat ben je aan ’t doen?’

‘O, ik zit een beetje te tikken… tijdens de Dutch Design Week schrijf ik iedere dag een kleine column voor het Eindhovens Dagblad.’

‘Huh? Kun je dat ook?’

‘Wat?’

‘Schrijven. Je bent toch ontwerper?’

‘Vormgeven is toch vormgeven? Eerst krijg je een idee en daarna kijk je in welk medium je ’t uitwerkt.’

‘O, ja. Natuurlijk!’

‘Maar volgens mij is ‘r wel een groot verschil tussen fictie en non-fictie. Ik bedoel: zo’n stukje schrijven over mijn eigen leven lukt me nog wel, maar als ze mij zouden vragen om allerlei dingen te verzinnen: dat zou ik nooit kunnen.’

‘Ach, dat verschil tussen fictie en non-fictie moet je niet overdrijven hoor: op mijn boeken staat ‘roman’, maar alles wat ik schrijf is 100% autobiografisch.’

‘Hahaha!’

‘Hahaha!’

‘Zo, nu ga ik weer verder als je ’t niet erg vindt.’

‘Wacht ff… kun je de lezers van Tirade kort uitleggen wat de Week van het Ontwerp eigenlijk behelst? Wat is er zoal te zien en te doen?’

‘Heb je een computer?’

‘Ja.’

‘Heb je google?’

‘Ja.’

‘Zoek ‘t dan lekker zelf op.’

‘Hahaha!’

‘Nee, wacht… misschien is ‘t wel sympathiek om een linkje te maken naar de mensen van Kazerne, die zijn deze week net open gegaan.’

‘Doe ik. Maar stuur mij dan je eerste column door. Zet ik die op de Tirade-blog.’

Affiche AbbeHet schoentje van Jet

Door: Maarten Baas

De zon straalt, een strakblauwe hemel. De terrassen zitten vol. Af en toe het geronk van helikopters waarmee politici, filmsterren en popzangers naar Eindhoven worden gevlogen.

Iets te laat loop ik het van Abbe binnen voor de opening van Sense/ Nonsense. De crew staat me zenuwachtig op te wachten; een suppoost sleurt me naar de zaal met mijn stukken.

Aan het geroezemoes hoor ik dat de delegatie van hoogwaardigheidsbekleders (Neelie Kroes, Thomas Widdershoven) en celebrities (Hans Klok, Paul Haenen) nadert. Minister Jet Bussemaker loopt voorop. Ze ziet er prachtig uit. Een hemelsblauw rokje, blouse met roezelkraag en paarse hakschoenen.

Op het moment dat de minister – stralend – met uitgestrekte hand op me af komt, breekt de hak van haar rechterschoen. Ze verzwikt haar enkel. Ik zie hare excellentie bijna omvallen, spring naar voren en weet haar op tijd op te vangen. Opgeluchte oh’s en ah’s gaan door de zaal. Burgemeester Van Gijzel zet een applausje in. Jet en ik schieten in de lach. Met die verzwikte enkel kan ze niet verder lopen. Ik draag haar naar zaal 5 – ze is zo licht als een schoolmeisje – en til haar in de Slow Car van Jurgen Bey. In het elektrische wagentje vervolgt de minister haar bezichtiging.

Glunderend rijdt ze langs stukken van Tord Boontje, Atelier NL en Wim T. Schippers.

Aan het einde van de middag draag ik de minister de lift in. Haar helikopter staat al te wachten op het dakterras van het van Abbe. ‘”Nou”, zegt Jet met een knipoog, “designers zijn een stuk nuttiger dan ik had gedacht”.’ Zwierig draait haar helikopter de schemering in. Terug in mijn zaal zie ik het muiltje van Jet liggen. Ik steek het in mijn binnenzak. Voor het slapengaan, zet ik de schoen op een lege plank van mijn Billy.

Morgen: De Witte Dame.

Van maandag 20 tot en met zaterdag 25 oktober schrijft Maarten Baas iedere dag een kleine column voor het Eindhovens Dagblad. Dit is de eerste uit de reeks. De volgende afleveringen zullen niet op deze blog verschijnen, wel in de papieren en digitale editie van het E.D. Bovendien kun je de columns lezen via Blendle.

—————

Volgende week: (Eindelijk!) De LINDA Questionnaire. En meer. Kiekjes hierboven: M.K.

Elandenjacht en gevechtsvliegtuigen

Doorgaans als ik in Zweden ben om mijn familie te bezoeken, doe ik niet veel meer dan door het bos wandelen, wat lezen en zittend op een rots voor me uit staren. Maar nu is de tijd van de elandenjacht net begonnen en dat betekent dat we op onze hoede moeten zijn. Deze jacht is geen elitesport of een bezigheid van een kleine groep fanatici, de elandenjacht is er voor iedereen; mensen van alle bevolkingsgroepen, leeftijden en milieus doen er aan mee. Het is een traditie waar kinderen mee opgroeien, het journaal opent ermee. In sommige streken in noord Zweden verdelen ze het jaar in de tijd ‘voor’ en ‘na’ de elandenjacht.

Op het eerste gezicht lijkt alles hetzelfde, het is stil in het bos en de jagers houden zich goed verborgen. We waagden ons op een wandeling, maar bleven toch wat angstvallig op de grindwegen. Het is een griezelig gevoel dat je beloerd wordt en dat er uit het niets kogels langs je hoofd kunnen suizen. Elk jaar worden er wel een paar mensen per ongeluk geraakt. Een keer was een man door een kogel getroffen die eerst door een eland heen was gegaan. Zowel de eland als de man waren dood.

We liepen ongeveer een halfuur door het dichte bos waar mijn vader woont en waar je normaal gesproken geen ziel tegenkomt. Onderweg ontdekte ik een jager die in camouflagepak met geweer over de schouder een jachtpost opklom (zie foto). De vrouw die in het eerstvolgende huis woont, zag ons aankomen en riep me verschrikt toe dat ik in mijn bruinen lederen jasje voor een dier aangezien kon worden. Ze schieten namelijk niet alleen op elanden, maar ook op reetjes, vossen, hazen en wilde zwijnen. Een groot dier kan op driehonderd meter afstand dodelijk geraakt worden. Lokale bewoners die zich in de jachttijd het bos in wagen, dragen over hun jassen felgekleurde vestjes, of binden oranje linten rond een pet of muts.

Behalve de jacht is er nog iets dat de vredige sfeer in het bos verstoort: gedender van overvliegende gevechtsvliegtuigen. Sinds de instabiliteit in de Oekraïne laten de Russen hun militaire vliegtuigen vlak langs de Zweedse landsgrens vliegen, waarop de Zweden met vergelijkbaar machtsvertoon reageren. Nu gaat de vliegroute richting de grens boven de Oostzee net over het bos waar het huis van mijn vader staat.

De Russen laten hun vliegtuigen soms op slechts enkele meters afstand langs de Zweedse straaljagers scheren. Niemand weet in hoeverre ze hier de opdracht toe krijgen. Het zou goed kunnen dat de piloten jonge militairen zijn die stoer willen doen en showen hoe goed ze kunnen vliegen. Soms kan dat soort waaghalzerij, kleine stommiteiten of persoonlijke inschattingsfouten grote politieke gevolgen hebben. Stel je voor dat een Russisch toestel een Zweedse straaljager raakt.

Sven-Erik belde vandaag naar mijn vader, hij heeft met de jagers contact gehad en vanmiddag zullen ze ten zuiden van ons huis niet meer jagen. We kunnen dus veilig het bos in. Toch voel ik me er niet gerust op. Genieten van het ruisen van de bomen, het meditatieve mijmeren en de onbekommerde gedachte dat ik wel eens eland of hert tegen zou kunnen komen, is er dit keer niet bij. Schichtig loop ik tussen de bomen, angstig voor mannen in camouflagepakken met geweren, voorbereid op het donderende geraas van overvliegende gevechtsvliegtuigen. Aan de wereld ontsnappen kun je niet.

 

__________________________________________________________________

Jannah LoontjensJannah Loontjens is romancière, dichteres, critica, essayiste en filosofe. Onlangs verscheen haar roman Misschien wel niet.

 

 

 

 

Koningsspelen

Koning Ouf, uit de opera L’Étoile van Emmanuel Chabrier (nog tot 26 oktober te zien!), viert elk jaar zijn verjaardag met de publieke executie van een onderdaan. Op de dagen voorafgaand aan zijn verjaardag is het volk op zijn hoede. Men weet immers: de koning zwerft incognito door het land op zoek naar een slachtoffer. Laat je dus niet verleiden tot uitspraken over de regering, weet het volk, want dat kan je duur komen te staan dezer dagen: wie de koning schoffeert staat een dag later op het schavot (of eigenlijk op een soort bizar martelwerktuig, waarover ik niet zal uitweiden). Straatventer Lazuli laat zich op een slecht moment een beetje gaan en verkoopt de vermomde koning een klap voor zijn kop. De koning tilt zijn hoed op, waaronder de kroon vandaan komt (c’est moi, le roi!) en binnen een mum van tijd staat het volk klaar om mee te kunnen genieten van de openbare executie.

Het zal je maar gebeuren, dacht ik gisteren in het roodfluwelen gestoelde van het Muziektheater*. Een gestoorde gek als koning, vind ik nog tot daar aan toe, want wie een monarch wil, zal er een keer een krijgen. Maar Kafkaëske toestanden en niemand die het voor je opneemt; dat vind ik angstaanjagend. Dan denk ik aan Lucia de Berk. Weliswaar is ze niet publiekelijk geëxecuteerd. Wel publiekelijk te schande gemaakt. Ik heb haar boek nog niet gelezen, (want ik lees maar weinig non-fictie, volgens Menno komt dat met de jaren). Toch heb ik al vaak gegruweld van wat haar moet zijn overkomen.

Ik probeerde me het wel eens voor te stellen. Dat op een dag de zaalarts je bij zich roept, na een harde werkdag waarbij een patiënt is overleden: ‘He Luus’, zegt hij, ‘er gaan wel erg veel mensen dood om jou heen.’ En ja, wat zeg je op zoiets terug? Je stamelt iets van: ‘Ja, ehmm, het zijn heftige weken geweest, inderdaad.’ En als je fronsend wegloopt, denk je: ‘Wat heeft die dan?’. Iedereen gaat op zijn eigen manier om met de hoge werkdruk in het ziekenhuis, weet je, en je laat het van je afglijden. Maar als je maandag op je werk komt, word je bij de directeur geroepen. Je wordt ontslagen, en er zal aangifte worden gedaan. Je vertrekt verbijsterd naar huis. Wordt een paar dagen later opgeroepen bij de politie. De media krijgen er lucht van, en plotseling word je in de kranten als een heks beschreven als een meedogenloze moordenares die weerloze slachtoffers vergiftigde.  Je wordt gearresteerd. En dan huur je toch maar een advocaat in. ‘Als ze het gaan onderzoeken zal vanzelf wel blijken dat ik niets heb gedaan’, leg je dan nog optimistisch uit aan die advocaat. Maar als vervolgens een toxicoloog gif aantreft in een van je vermeende slachtoffers, en als een stelletje wiskundigen zich via kansberekening gaat bemoeien met je zaak en concludeert dat de kans dat dit toevallig is een op zoveelmiljoen is, begin je je te realiseren dat dit wel eens heel slecht af zou kunnen lopen. ‘Heb je echt niets gedaan?’, vraagt ook je advocaat steeds vaker. Waarschijnlijk ga je jezelf die vraag zelfs stellen na een tijdje.

Ook rondom militair Marco Kroon hebben we zo’n toestand meegemaakt. De militair met willemsorde voor uitzonderlijke moed, die in zijn kroeg vol drugs en wapens werd gearresteerd. Vechtersbazen zijn die soldaten toch, dachten we massaal. Potsierlijk. Maar hij werd toch vrijgesproken, geloof ik. Of gedeeltelijk. In elk geval hoefde hij die willemsorde niet in te leveren. Maar de aandacht voor Marco was tegen die weer een beetje verstreken. En vandaag in het nieuws lees ik opeens dat piloot Poch wellicht toch niet zo schuldig is als we eerder allemaal hebben aangenomen. Er zou een complotje gaande zijn, (iets met het koningshuis)**. Nu vermoed ik dat over dergelijke complottheorieën de laatste steen wellicht niet boven zal komen (een complottheorie laat zich namelijk lastig bewijzen of weerleggen). Het bewijs dat Poch dodenvluchten uitvoerde, zou vooral zitten in de verklaringen van collega-piloten van Transavia. En zijn collega’s zijn het er onderling niet over eens of Poch wel echt ooit tijdens een dinertje gezegd heeft dodenvluchten uit te hebben gevoerd. Ondertussen zit hij al vijf jaar vast in een Argentijnse cel.

Of ben ik nu te goedgelovig, en is hier de advocaat van de duivel aan het woord? Ik vind het maar lastig en ben blij dat onze koning zijn verjaardag gewoon wil vieren met vrolijk sportende onderdanen.

 

* Het Muziektheater is ondertussen door tussenkomst van een consultancybedrijf omgedoopt tot “de Nationale Opera en Ballet”, een slecht congruerende titel, die bovendien verwarrend is, want een ballet is toch geen naam voor een gebouw.

**NRC: “Hij zei me dat er in het onderzoek tegen Poch hogere belangen speelden die ik (een ex-transavia-topman) me niet voor kon stellen. Ik vroeg (…) of hij doelde op de relatie van deze man met het Koninklijk Huis, een gerucht dat toen al in bredere kring werd gehoord. Hierop gaf hij geen antwoord, maar uit zijn lichaamstaal maakte ik op dat ik gelijk had”

 

Marc Poorter: De weemoed van Modiano

Het was begin jaren tachtig. Ik was een jaar of vijftien en lid van een boekenclub. Omdat ik een keer geen bestelling deed, kreeg ik de kwartaalkeuze van de club toegestuurd. Zo’n boek mocht je niet terugsturen, het werd je letterlijk de strot ingeduwd. Op de cover van de kwartaalkeuze prijkte een tekening van een man met een lange schaduw die door een mistige straat keek, daaronder de titel: De straat van de donkere winkels. De auteur was de mij toen onbekende schrijver Patrick Modiano.

Met tegenzin begon ik het op een avond te lezen, ik had er nu eenmaal voor betaald. Na een paar hoofdstukken raakte ik in de ban van het verhaal over een man die aan geheugenverlies leed. De man ging op zoek naar zijn verleden en ontmoette mensen met wie hij ooit contact had in nachtclubs in Parijs, waar hij ontdekte dat zij hem al bijna vergeten waren. Een enkeling herkende hem vaag, de meesten schudden onverschillig hun schouders. De hoofdpersoon bleek een figurant te zijn in de levens van mensen die in de jaren vijftig in het Parijse nachtleven rondhingen.

In één nacht las ik het boek uit. Ik herinner mij dat het gesneeuwd had en ik de volgende morgen in de schemer langs de donkere flatgebouwen in mijn wijk liep. Er bekroop mij een onbekend gevoel, iets wat ik nog niet eerder had meegemaakt in mijn leven. Jaren later begreep ik wat het was: weemoed.

Het was niet eens zo’n bijzondere roman. Er worden vele boeken geschreven over mensen die op zoek gaan naar hun verleden, en de sporen van gebeurtenissen uit hun jeugd proberen te achterhalen. Modiano gebruikte de zoektocht van de hoofdpersoon echter als decor van het thema dat later zijn handelsmerk zou worden: het verstrijken van de tijd en het verloren gaan van de herinnering aan mensen met wie wij ooit contact hadden. Die ochtend na het lezen van de roman werd ik mij er plotseling van bewust dat het verstrijken van tijd verdrietig maakt. Ik weet nog dat ik op de hoek van een straat stond, naast een telefooncel met een dikke laag sneeuw erop. Oké, krakende sneeuw onder je voeten, ochtendschemer, donkere huizen, stilte, het waren de omstandigheden die hielpen om dit euforische gevoel te versterken, maar toch, de volgende morgen zou het op die plek anders zijn. De regen spoelde de sneeuw weg en met de sneeuw verdween het magische moment voor eeuwig. Soms, als ik in de buurt van mijn ouderlijk huis ben, ga ik op die plek staan. De telefooncel is weg, de huizen zijn nog net als toen. Als ik mijn ogen sluit ben ik weer even de jongen die ik toen was, die zich dankzij Modiano bewust werd van het voorbijgaan van alle dingen.

Weemoed werd mijn tweede natuur, ook al leverde het mij niet meer op dan het leiden van een intens leven, waarin iedere minuut ertoe deed. Ik beleefde mijn momenten in de sfeer van afscheid. Bij mijn ouders thuis, als er op zondagmiddag visite was, mijn vader een vrolijke dronk had en mijn moeder uit een glaasje advocaat met slagroom lepelde, lette ik op de salontafel waar de bakjes met chips lagen. Met de visite verdwenen de dingen van de tafel,  met het kantelen van de zondagavond naar de werkweek, de vrolijke stemming in huis. Op elke maandagmorgen, onder het kale licht van de plafondlamp, zag ik de salontafel die de vrolijkheid van de dag ervoor symboliseerde, en ik treurde om wat voorbij was.

Terug naar Modiano. Ik heb veel aan hem te danken, ook al raakte ik mijn interesse in de loop der jaren langzaam kwijt. Andere schrijvers riepen om aandacht en de romans van Modiano leken soms een herhaling van zijn obsessie voor de duistere figuren die niets anders deden dan ronddwalen door het nachtelijk Parijs. Pas met de roman Dora Bruder was mijn liefde voor Modiano weer helemaal terug. Een verhaal over één slachtoffer van de Jodenvervolging, waarin de schrijver met slechts één enkele aanwijzing over het bestaan van de hoofdpersoon op zoek gaat naar haar identiteit. Door iets eenvoudigs te nemen – een opsporingsbericht in een oude krant over een meisje dat van huis is weggelopen – benoemt Modiano iets groots. Het is een universele techniek in de literatuur: iets verkleinen waardoor het groot wordt. De onbeduidende Dora staat symbool voor alle anonieme levens die in de oorlog genomen zijn. Aan het eind van de roman, als Modiano bij gebrek aan feiten niet weet hoe het Dora is vergaan, schrijft hij:

“Ik zal nooit weten hoe ze haar dagen doorbracht, waar ze zich verborgen hield en in wiens gezelschap ze zich bevond, die winter toen ze de eerste keer was weggelopen en de enkele weken in het voorjaar toen ze opnieuw was ontsnapt. Dat is haar geheim. Een armzalig en kostbaar geheim dat de beulen, de verordeningen, de zogenaamde bezettingsautoriteiten, het huis van bewaring, de kazernes, de kampen, de Geschiedenis, de tijd – alles wat ons bezoedelt en vernietigd – haar nooit meer zullen kunnen ontfutselen.”

Dit is Modiano. Hij schuwt het theatrale niet, maar het hindert geen moment, in de compositie van zijn roman is het een prachtige finale.

Op een website bekeek ik live de bekendmaking van de Nobelprijs voor de literatuur. Ik kon het Zweeds niet volgen, maar ik ving zijn naam op. Daarna las de man het in het Engels voor, en weer die naam. Ik kreeg er koude rillingen van. In de uren daarna merkte ik dat velen nog nooit van hem gehoord hadden. Dat zal nu vast gaan veranderen, er zullen duizenden herdrukken van zijn romans verkocht worden.

En de schrijver zelf? Ik hoorde een telefoongesprek waarin een journalist hem vroeg waar hij was toen hij het nieuws hoorde. ‘Ik wandelde door Parijs,’ was zijn antwoord. Een stotterende, verlegen man die maar één uur per dag schijnt te schrijven, meer kan hij niet opbrengen. Het is voor hem zwaar om grote gedachten om te zetten in taal, zei hij een keer. Ik ben het daar helemaal mee eens.

—-

Marc Poorter debuteerde in 2013 met de roman De waarheid en het koninkrijk (Prometheus). De roman ontving lovende recensies en kreeg veel aandacht in de media. Naast het geven van schrijfcursussen werkt Poorter op dit moment aan zijn tweede roman, die in het voorjaar van 2015 verschijnt.

Antwoorden op LINDA.

Het magazine LINDA. interviewde onlangs onze blogger Anne-Marieke Samson. Bij wijze van solidariteitsbetuiging geeft ook Gilles hieronder antwoord op de vragen die haar werden voorgelegd.

Deel 1

Kun je ons in één zin vertellen waar De val van Jakob Duikelman over gaat?
Nee, de drukproef die aan de redactie was toegezonden werd mij afhandig gemaakt door collega Marko van der Wal, die had kunnen weten dat het (na het lezen van tien bladzijden) moeten afstaan van wat een heel goede roman lijkt te zijn verschrikkelijk is. Verschrikkelijk. Ik heb weken niet aan een ander boek kunnen beginnen.

Wat is het mooiste boek wat je ooit hebt gelezen en waarom?
Omdat dit steeds verandert ga ik hier antwoorden door het boek te noemen dat ik het langst het mooist gevonden heb. In the Heart of The Country, van Coetzee. Of nee: John Bergers To the Wedding. Fuck, nee: The Insult van Rupert Thomson. Nee, niet. Anthony Doerr: The Shell Collector. Wacht. Nee, wacht. Giovanni’s Room. Of toch The Closed GardenDer Golem? Pilgrim? Le temps d’un soupir? Ames grises

Lieve LINDA. Ik kan het niet. Te moeilijk.

En waarom? Echt?

Hoe ben je begonnen met schrijven?
Mijn moeder zegt dat mijn eerste verhalen coproducties waren. Samen met mijn vader smeedde ik tussen mijn derde en negende een heel oeuvre waarin hoofdrollen voor onze huisdieren waren weggelegd.

Waar laat jij je door inspireren?
Ik geloof dat ik alles wat me overkomt onderbewust opsla en dat mijn ‘pen’ later als een soort ouija-glas de letters opschrijft die me worden ‘doorgegeven’. Nee, echt. En ik merk ik dat ik bij thuiskomst van een verre reis vaak schrijf in de sfeer van het land dat ik bezocht heb.

Wie moet jouw boek absoluut lezen?
Iedereen. De beginnende lezer raad ik Hier sneeuwt het nooit aan. Voor de gevorderden: Het laatste kind. Voor elk wat wils, dus.

Deel 2

Als jij hoofdredacteur van LINDA. was, welk thema zou de volgende LINDA. dan hebben?
Ik denk aan beauty, wellness of verre reizen. Maar koken spreekt me ook aan. Ja, misschien wel over koken. De Surinaamse keuken, lijkt me een goede. Daar zit alles in, mits je een beetje suiker en MSG weglaat uit de receptuur. 

Welke reactie op je boek is je het meest bijgebleven?
Een foto die een lezeres mailde van mijn bundel, liggend op haar blote benen, die op hun beurt weer in het gras lagen. Het was een bibliotheekexemplaar van Hier sneeuwt het nooit (wat altijd bijzonder is). Ze schreef: ‘DANK je. Dank je, dank je, dat je DIT hebt geschreven.*

Het thema van LINDA.meiden is beauty. Wanneer voel jij je op je mooist? En wanneer op je lelijkst?
Oh, beauty is al geweest. Wat jammer.

Ik voel me niet vaak mooi. Maar dat is natuurlijk de vraag niet. Ik voel me – geloof ik – op mijn mooist als ik geniet, en voor heel even niet bezig ben met hoe ik overkom. Op mijn lelijkst voel ik me als ik kleren moet kopen in om het even welke winkel.

Heb jij een schrijfritueel?
Ik schrijf vijf dagen per week van 09:00 tot 12:30 aan mijn eettafel, die LEEG moet zijn op een laptop, schrijfblok, vulpotlood, espresso en de resten van iets zoets na.

Verdien je je brood met schrijven? Wat doe je nog meer?
Ik verdien alleen de boter met het schrijven. Beleg en brood worden anders gefinancierd. Zo run ik een psychodiagnostiekbureau, redigeer ik tekst voor anderen, kook en cater ik, en heb ik een vrouw met een stabiel inkomen. Samen redden we het wel.

 

 

* Geen woord gelogen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Vragen van LINDA.

Voor zijn website interviewde het magazine LINDA. onlangs onze blogger Anne-Marieke Samson. Bij wijze van solidariteitsbetuiging geef ik hieronder ook antwoord (of geen antwoord) op de vragen die haar werden voorgelegd.

Deel 1

Kun je ons in één zin vertellen waar De val van Jakob Duikelman over gaat?
Nee, maar laat ik een poging wagen. Jakob Duikelman is een ambtenaar die zichzelf op ondoordachte wijze klem zet in het leven en tegelijkertijd door toedoen van anderen nog dieper in de penarie raakt.

Wat is het mooiste boek wat je ooit hebt gelezen en waarom?
Moby-Dick. Omdat het een opera op papier is, waar je een soundtrack naar keuze bij kan denken. Van Bach tot Radiohead, want Melville heeft zo goed als de hele wereld in dit boek gestopt. In het eerste hoofdstuk vraagt Ishmael zich af: ‘Why is almost every robust healthy boy with a robust healthy soul in him, at some time or other crazy to go to sea?’ – de rest van Moby-Dick laat zien waarom de zee letterlijk waanzinnig aantrekkelijk kan zijn.

Hoe ben je begonnen met schrijven?
Door lussen te oefenen in een schriftje geloof ik.

Waar laat jij je door inspireren?
Er zijn een paar mensen om me heen die mij inspireren zonder dat ze dat zelf weten, waaronder ook een paar antivoorbeelden. Verder de geijkte inspiratiebronnen muziek en literatuur.

Wie moet jouw boek absoluut lezen?
Mijn hoogstpersoonlijke binnenwereldroman Het huilen van Simba, over een jongen met een quarter-life crisis op het randje van de verdoemenis, is een must-read voor iedereen die denkt dat ie een weergaloos interessant groots maar heel zwaar leven heeft. Het kan namelijk nog veel erger.

Deel 2

Als jij hoofdredacteur van LINDA. was, welk thema zou de volgende LINDA. dan hebben?
Als redacteur van Tirade zou ik zeggen: geen. En als het toch moet dan graag op een zo verhuld mogelijke manier. Bij literaire tijdschriften kom je veel te veel onzinnige thema’s tegen. Geen hond die een tijdschrift wil lezen waar heel groot GEREEDSCHAP op staat of VERGEVING, dat doe je de abonnees uit fatsoen gewoon niet aan. Maar misschien zou er eens een nummer gemaakt kunnen worden met CHANTAGE als thema, met iets over vrouwelijke witteboordencriminelen en een coververhaal over torteldoffers die elkaar het leven zuur maken door stalking.

Welke reactie op je boek is je het meest bijgebleven?
Een lezer die me had herkend van de auteursfoto sprak me aan met de opmerking dat hij zelf Simba heette en zich erg in de hoofdpersoon van mijn boek herkende. Hij vroeg wat niemand eerder had durven vragen: of ik de imaginaire dochter van Martijn Knol écht heb doodgeschoten toen ze een beker karnemelk over me heen kieperde in het vierde hoofdstuk. Nee, zei ik, maar in al mijn personages zit wel iets van mezelf.

Het thema van LINDA.meiden is beauty. Wanneer voel jij je op je mooist? En wanneer op je lelijkst?
Daar heb je weer zo’n uitgekauwd thema. Ik pas.

Heb jij een schrijfritueel?
Ik schrijf bij voorkeur thuis, tikkend op mijn laptop, met een aantekeningenboekje voor mijn neus. Het tijdstip maakt niet veel uit. Als daad van ironie ga ik wel eens bij de zzp’ers in de koffiebar om de hoek zitten, waar ik dan niets uit mijn vingers krijg, net als de anderen.

Verdien je je brood met schrijven? Wat doe je nog meer?
Facebook valt mij regelmatig lastig met aanbiedingen voor traineeships in de financiële sector – dat doet mij wel eens twijfelen aan mijn inkomsten uit de letteren.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Van de redacteur – twee boekentips voor Henk P.

Neoliberalism has brought out the worst in us.’ – Paul Verhaeghe, The Guardian, 29 september 2014.

Hey Henk,

Hoe gaat ‘t met jou? Met mij gaat ‘t goed!

Ik zat/zit opeens te denken… die nobele Henk bezorgt nu al jaren onvermoeibaar het pleit van de NED-LIT, de LIT en de CULT in ‘t algemeen, maar wie promoot nu eens een boekske aan zijn adres? Een veronderstelde lacune waarin ik graag voorzie.

Uit waardering voor al jouw inspanningen doe ik jou in dit schrijven twee tips aan de hand. Één gloednieuwe titel. En één moderne klassieker. Het eerste/tweede nonfictie. Het tweede/eerste fictie.

Ik ga mijn keuzes niet toelichten. Testimonia zijn passé – het internet bezwijkt eronder. En het was al zo’n onwaarachtig genre. Bovendien: wat zou ik boeken gaan zitten aanprijzen? Ik ben schrijver, geen copywriter of vertegenwoordiger, toch? Ik neem aan dat mijn naam aanbeveling genoeg is voor je.

Loop een boekwinkel in en je ziet tot welke ellende de misvatting dat lezers overtuigd – of erger: ‘verleid’ – moeten worden heeft geleid. Hysterische blurbs, kitscherige omslagen, zwaar gephotoshopte auteursportretten. Noem me een romanticus, maar in mijn meest extatische buien ben ik soms geneigd het boek als meer dan een louter economische factor te beschouwen – als een manier om wezenlijk contact te maken met andere mensen.

Ach, sorry… terwijl ik de jpg’s in deze missive zit te plakken, zie ik pas dat mijn beide Tip/Top boeken uit het fonds van Uitgeverij Wereldbibliotheek komen! De uitgeverij die ook mijn werk publiceert. Sterker nog… nu zie ik pas dat ik één van de twee boeken zelf geschreven heb, hahaha! Wat stom dat me dat niet eerder is opgevallen! Wat gênant eigenlijk! Wat onbescheiden! Nou ja… het gekkenhuis van de literatuur heeft vele kamers, moet je maar denken.

de rechter die geen ontzag hadHeel erg origineel zijn mijn aanbevelingen, jouw referentiekader inschattende, niet. Hugo Röling’s De rechter die geen ontzag had is je natuurlijk al lang aangeraden door je eigen auteur Kees van B. en mijn eigen romans, verhalen en blogstukken worden zo onvermoeibaar gepromoot door Weekblad Pers Groep arrangeur/auteur Hanneke van Hussel dat je er langs de één of andere weg al lang over gehoord moet hebben. Ik breng je oud nieuws, ik verdoe je tijd.

Ik ga je mijn twee Tip-boeken niet cadeau doen of laten toesturen. Je moet ze zelf kopen – ik denk dat je mijn uitgever en zijn auteurs dat beetje omzet wel gunt. Zelf ben ik een groot voorstander van zelfstandige boekhandels. Maar als je de titels liever verwerft bij een ketenboekhandel of webwinkel: dat is natuurlijk niet verboden. Zolang je de boeken maar niet steelt.

Nou, Henk, ik ga weer wat doen… schrijf me vooral niet terug, want dat valt sowieso verkeerd. Voor je ‘t weet komt mijn personage De Staart de voordeur aan de Van Miereveldstraat intrappen om je knieschijven kapot te schieten en je je eigen ballen op te laten vreten. Dat moeten we niet willen!

Veel plezier met de teksten die ik je heb aangeraden – en het allerbeste voor jou en voor die fijne toko van je.

Dag hoor,

Martijn

————-

Volgende week: Via Gewande naar het Van Abbe en Kazerne – tien dagen keten met Maarten Baas.

‘Je bent onzichtbaar’

fotoHet prettigste aan mijn ‘writer in residence’-plek hier aan het NIAS zijn de wandelingen van het ene gebouw naar het andere. Terwijl ik thuis in de ledige momenten van het schrijven naar de keuken loop, in de koelkast of uit het raam staar, loop ik hier van het ene gebouw naar het andere, over gras, onder bomen, langs een groene sloot met eend. Soms zie ik een nerveus eekhoorntje. In het ene gebouw heb ik een slaapkamer met douche, in het andere een werkkamer. Die werkkamer is naar mijn smaak nogal donker, voor het raam niets dan gebladerte. Toen ik een keer vroeg of ik misschien naar een kamer met meer daglicht zou kunnen verhuizen, werd mij duidelijk gemaakt dat dit niet de bedoeling was. ‘Marcel Möring, Tommy Wieringa en Thomas Rosenboom zaten hier. Dit is de schrijverskamer.’ Hij keek me aan. ‘Rosenboom was wel dol op chili con carne,’ voegde hij er aan toe. ‘Ah, vandaar die bedompte lucht,’ speelde ik het spel mee. Hij lachte. ‘Ja, precies, precies!’

Alle aanwezigen hier worden ‘fellows’ genoemd en van alle fellows wordt verwacht dat ze zoveel mogelijk aanwezig zijn, dat ze aan de gezamenlijke lunches deelnemen en lezingen bezoeken van de andere fellows. Ik ben hier beslist niet elke dag, dus als ik er ben, doe ik mijn best om mijn aanwezigheid zichtbaar te maken. Ik schuif mijn naambordje bij de receptie op ‘aanwezig’, vraag een boek aan in de bibliotheek, meld dat de douchekop in mijn studio lekt en ben stipt op tijd voor de gezamenlijke warme lunch.

Als ik weer terugkeer in de duistere schrijverskamer, check ik als eerste mijn mail (slechte gewoonte). Naast mijn inbox meldt een zin: ‘Je bent onzichtbaar.’ Ik kijk er even naar. Onzichtbaar. Nu heb ik net mijn best gedaan mijn aanwezigheid hier kenbaar te maken, meldt mijn mail dat ik ‘onzichtbaar’ ben. Wat zijn we toch in een rare tijd aanbeland; een tijd waarin je jezelf op alle mogelijke manieren zichtbaar maakt voor de wereld. Alsof je langzaam zou verdampen en in stoom zou opgaan als je niet online bereikbaar bent. Ooit was er een tijd waarin er moed voor nodig was om voor een onbekend publiek zichtbaar te zijn. Vandaag de dag is er moed voor nodig om onzichtbaar te durven zijn.

Goed, als je werkelijk je eigen lichaam niet meer kunt waarnemen, dan kun je je afvragen of je nog wel bestaat. (Oké, ik zal dit keer Heidegger erbuiten laten, al is de  verleiding groot.)  Maar we weten allemaal dat online zichtbaarheid weinig zegt over je daadwerkelijke toestand. Ook valse identiteiten of fake-personen kunnen online een leven hebben. Ergens is het gek dat we er dan toch zoveel belang aan hechten, aan die virtuele aanwezigheid, aan die illusie die we voor onszelf creëren en die bevestigd wordt als we zien dat anderen kunnen zien dat we er zijn. Mijn mail stelt me met onderstreepte woorden voor zichtbaar te worden. Ik kan er op klikken en de wereld zal zien dat ik er ben. Zichtbaar. Onzichtbaar. Hier zit ik. Heus, ik ben misschien wat doorschijnend, maar ik besta nog.  Goh, wat is mijn werkkamer ineens knus. Niemand weet dat ik hier fijn onzichtbaar zit te zijn, in deze bedompte schrijverskamer, verscholen achter struiken en takken waaraan ook in oktober nog vet en groen en donker dicht loof.

 

 

__________________________________________________________________

Jannah LoontjensJannah Loontjens is romancière, dichteres, critica, essayiste en filosofe. Onlangs verscheen haar roman Misschien wel niet.

 

 

 

 

 

 

De val van Zwarte Piet

Albert Heijn besloot deze week om Zwarte Piet in de ban te doen. En Amsterdam besloot het uiterlijk van de pieten bij de intocht van Sinterklaas redelijk radicaal te veranderen, geen rode lippen, minder zwarte gezichten. Tegelijk liet een Nederlandse vereniging (die ook een nogal gekleurd

Bij mijn Franse buurvrouw Odile kwam Zwapi het huis niet in. Ik weet nog dat ik me als kind afvroeg of dat racisme was. Het was ergens begin jaren negentig, ik geloofde niet meer in Sinterklaas (maar mijn zusje nog wel) en racisme was ongeveer even populair als nu. Nelson Mandela was vrij, de wereld protesteerde tegen apartheid. Ik had een fruit of the loom t-shirt met Racism Beat It erop. En MJ zong It don’t matter if you’re black or white, terwijl hij danste met indianen en bosjesmannen, met als spetterende afsluiting van de clip een gezicht dat volgens de aller-modernste technieken veranderde van kleur en van haardracht, maar ondertussen steeds bleef lachen.

Mijn buren moesten lachen toen ik vroeg waarom zwarte mensen bij hen niet welkom waren. Het ging niet om zwarte mensen, maar om Zwarte Piet, zei buurman. Mijn buurman, zo vertelden ze me toen, had mijn buurvrouw toen zij net in Nederland woonde uitgenodigd op een sinterklaasviering waar hij Piet zou spelen. Om indruk op haar te maken had hij zich extra dom gedragen, en zich enthousiast tegen zijn zwartgeschminkte kop geslagen als hij door Sint werd gecorrigeerd. De aanwezige kinderen hadden geschaterlacht. Maar buurvrouw was na afloop geschokt, en in het geheel niet gecharmeerd. “Si(e)nterklaas i(e)s een raci(e)st”, had ze gezegd. En natuurlijk had ze gelijk, zei buurman toen. Hij deed voor hoe hij lamgeslagen van schrik en spijt zijn armen omlaag liet vallen, toen hij zijn nieuwe geliefde boos weg zag fietsen omdat hij onschuldige kinderen een negentiende-eeuws karikatuur had voorgeschoteld van een luie, domme, zwarte man.

De les die ik daar toen uit getrokken heb is dat racisme geniepig is. Kennelijk kun je een racist zijn en daar geen idee van hebben. En het is dus zaak om mensen daarop te wijzen (er even vanuitgaand dat mensen geen racist willen zijn). Maar hoe pak je zoiets aan? “Ik ken moslims”, zei laatst iemand bij een etentje met yoga-vrienden, “die leiden zo’n goed leven, daar kunnen jij en ik nog een puntje aan zuigen.” Toen ik daarop zei dat ik een jood kende die ook een uitzonderlijk goed leven leidde, kreeg ik de vraag of ik antisemiet was. chimmy

Ik las een tijdje terug Americanah van Chimamanda Ngozi Adichie. Daarin zet Adichie (overigens zonder enige bitterheid en met een prettige dosis humor) een redelijk angstaanjagend beeld neer van alledaags racisme in Amerika (dat overigens niet voorbehouden is aan witten of Amerikanen). Hoofdpersoon Ifemelu, een Nigeriaanse fellow aan een Ivy-league universiteit ontkomt er niet aan dat haar omgeving denkt dat ze achterlijk is, of een beetje vies, of bijzonder sterk; dat ze raar haar heeft, of een virtuoos ritmegevoel, dat ze haar leven lang honger leed, voor oorlogen is gevlucht of alleen maar biologisch eten at (of juist niet, want waarom zou iemand naar de Amerika komen als er biologisch eten in Nigeria was).

Ik ben zelf één keer in mijn leven geconfronteerd met iets dat op racisme leek. Een medestudent uit een ver land, met wie ik ooit een paper moest schrijven, stak een pleidooi af dat de joden de tweede wereldoorlog over zichzelf hadden afgeroepen. De joden zaten namelijk destijds in de bancaire sector en vroegen woekerrentes. Geen wonder dus dat de mensen daartegen in opstand kwamen. Ik weet nog dat mijn hersenen op volle toeren draaiden toen hij dat uitlegde. Ik dacht, niet boos worden, rustig blijven. Maar hoe reageer je op zoiets? Ik begon onhandig en ietwat betweterig uit te leggen dat het leed dat de joden, nee, laten we beginnen bij mijn familie, ten deel was gevallen in de oorlog op geen enkele wijze verdiend was en ook weinig te maken had met woekerrentes. De medestudent leek dat allemaal niet te horen, want hij was te verbaasd om iets anders. “Ben jij joods?”, riep hij uit. “Maar, maar… jij bent heel aardig!”

Toen we (allebei) bijgekomen waren van de schrik bekende de medestudent dat hij eigenlijk nog nooit met een jood had gepraat. Zijn moeder leerde hem als kind dat de joden hem zouden komen halen als hij niet naar haar luisterde. “Joden hebben namelijk horens, en eten kindertjes. Daar maakte ze me bang mee”, zei hij lachend, omdat hij inmiddels oud genoeg was om te weten dat dat een grapje was; een klein leugentje van ouders om de kinderen zoet te houden.

Living with the news – W.S. Merwin

Living with the News

Can I get used to it day after day
a little at a time while the tide keeps
coming in faster the waves get bigger
building on each other breaking records
this is not the world that I remember
then comes the day when I open the box
that I remember packing with such care
and there is the face that I had known well
in little pieces staring up at me
it is not mentioned on the front pages
but somewhere far back near the real estate
among the things that happen every day
to someone who now happens to be me
and what can I do and who can tell me
then there is what the doctor comes to say
endless patience will never be enough
the only hope is to be the daylight

 

(uit: The New Yorker, 28 juli, 2014)

Dichters en de tijd

jorge-luis-borgesJorge Luis Borges heeft een gedicht geschreven ‘aan de eerste dichter van Hongarije’.

Op deze datum, toekomstig voor jou
en onbereikbaar voor de wichelaar
die de verboden vorm der toekomst ziet
in een ster of in de ingewanden van een stier
kan ik moeiteloos jouw naam, broeder en schim, opzoeken in de encyclopedieën.

(vertaling Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer)

In Borges eigen zijn taal:

(En esta fecha para ti futura
que no alcanza el augur que la prohibida
forma del porvenir ve en los planetas
ardientes o en las vísceras del toro
nada me costaría, hermano y sombra
buscar tu nombre en las enciclopedias.)
[…]
Hij schrijft dan verder over dat hij kan opzoeken onder welke koningen deze dichter leefde, welke rivieren hij zag en dat zeeën en talloze nachten hen beiden scheiden,

maar ons verbindt op niet te ontraadselen wijze
de mysterieuze liefde voor het woord,
deze omgang met symbolen en met klanken.

We kennen de pogingen van Gerrit Achterberg om de dode te spreken te krijgen, een oerdrift van de dichter sinds Orpheus. Borges werk is vergeven van een eigenlijk veel aardsere wijze van benadering. Borges weet zich een vriend van deze Hongaar uit vergleden tijden. Hij kan, blind ziende, in zijn tijd kijken. Zoals ook Lars Gustafsson in voorbije tijden blikt, de wereld namelijk, vóor Bach

Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de Partita in a mineur,
maar hoe zag die wereld eruit?
Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,
overal onwetende instrumenten
waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier
nooit over een claviatuur waren gegaan
[…]

waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn,
het gezonde geluid van sterke honden in de winter.

Gustafsson verbaast zich dat daar ‘nergens Bach, nergens Bach’ heeft geklonken.

Ook striptekenaar Mark Retera de tekenaar van Dirk Jan stelt zich regelmatig een vroeger wereld voor, hier een van de vroegste voorstellingen mogelijk, Yucatan, bij een vallende ‘ster’.

Teksten en kunst die de tijd verruimen werken op mij als ademhalen onder een crawlende arm door, het vult de borst vol lucht en verdrijft de benauwenis.

In Frans van Hasselts meesterlijke boek Griekse tijd (Querido, 1985) beschrijft hij een dergelijke ervaring in Monemvasia: ‘En toen werd ik mij met een schok bewust, dat ik werkelijk op duizend jaren neerkeek, die daar als het ware door elkaar heen lagen, op duizend jaar dood en leven, duizend jaar bebouwing en verval [… ]En plotseling is het alsof die duizend jaar wegvallen, zich buiten haakjes laten plaatsen, alsof hier fundamenten, ruïnes, huizen en mensen met elkaar leven met gelijke rechten en in een uniek verband, mogelijk gemaakt door uitschakeling van de factor tijd.’

Al deze schrijvers hebben het wonderlijke effect op mij dat mijn gare auto heeft als ik door een kuil rijd: dat alle boxen het heel even weer doen, en de muziek opeens harder, zuiver en in stereo klinkt.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Santería, mister Crockett

DSC_0203In mijn laatste boek is in een van de verhaallijnen een grote rol weggelegd voor Santería. Iedereen die vroeger Miami Vice keek weet wat dat is. De tofste afleveringen waren die waarin de crimineel uit Haiti kwam.

Bloed van hanen dat boven plastic teiltjes werd vergoten, sigarenrook, kaarsen en zwarte mannen met witte schmink. Ik was aan de buis gekluisterd. Ricardo Tubbs zei elke keer weer dat je moest oppassen met zwarte magie; hij kwam zelf van een eiland, was het Trinidad? Luitenant Castillo (de beste rol van James Edward Olmos. Nooit zou hij meer iets wezenlijk anders spelen) ging zelfs te rade bij een voudoupriesteres als hij een moord niet opgelost kreeg. ‘Whatever works,’ korrelde zijn stem toen Sonny vroeg waarom hij zich met dat soort mumbo jumbo inliet.

Mijn favoriete scène over het onderwerp is die waarin Sonny weer eens overwerkt. Hij is als enige van zijn collega’s nog op het bureau, steekt een sigaret op (Jezus, wat kon die man roken) en vraagt aan de Cubaanse schoonmaker wat hij nou van al die onzin denkt. images

‘Señor,’ zegt de man, en laat leunend op de steel van zijn mop een paar seconden voorbijgaan, ‘the way I look at it, it’s like the ocean. Whether you believe in it don’t matter. Step in it, and you’re gonna get wet.’

Winti is een factor in Suriname. Voor Birre, die hier in Paramaribo colleges volgt en meedraait in een kleine praktijk (ze is therapeut), blijkt het een fascinerend gegeven. Het westerse model heeft antwoorden op alle vragen die het spiritisme oproept, dus kost het ons niet veel moeite om bezeten middelbare-schoolklassen te verklaren. Zoiets gebeurt hier (er is zelfs een woord voor: schooltrance) maar wordt stilgehouden uit angst voor de goede naam van de school.

In culturen waar bepaalde zaken onbespreekbaar zijn, kan de druk binnen een individu hoog oplopen. Waar taboes heersen gedijen de geesten. Een geniaal (!) systeem om te voorkomen dat het sociaal equilibrium in gevaar komt, is het aanhangen van een verklaringsmodel dat ruimte laat voor de externalisering van woede. Mijn dochter is niet boos, ze is bezeten; ze kan er niets aan doen. En ze is al helemaal niet boos op mij.

Toch blijft het verschrikkelijk jammer om de geestenwereld zo te bezien als ik hierboven doe. Tenslotte schrijf ik deze column in de tropische nacht, met mijn voeten op het bureau en een glas rum op de vensterbank naast me. Drie ijsklontjes knisperen in de goudbruine stroop. God, wat zou ik willen dat ik nog rookte. En dat ik een witlinnen jasje had en een pastelkleurig T-shirt met een wijde boord.

De Cubaanse schoonmaker op het bureau van Miami Vice had het mis. It all depends on whether you believe in oceans, mister Crockett. Er is, volgens mij, niet zoiets als een grijs gebied in dezen. Je gelooft het een, óf het ander. De bril die je opzet kleurt alles. Kijk bijvoorbeeld nog eens naar bet plaatje bovenaan dit stuk. Het is een tekening die onze zoon vanmiddag maakte. Van een regenboog.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

‘Vertel! Verzin! Ik luister.’

‘Dit is ’t antwoordapparaat van schrijver, entrepreneur, cardiovasculair risicomanager en Circus Acrobatique Elastique Spastique-spreekstalmeester Martin Kool. Omdat ik godverdomme wel wat beters te doen heb dan jouw loze geouwehoer aan te horen, kun je een boodschap inspreken na de pieptoon. Behalve als je moeite hebt goed lopende zinnen te formuleren of langzaam praat, want gestuntel op mijn antwoordapparaat… dáár zit ik absoluut niet op te wachten. Heb je een lelijk accent of praat je met een quasi schattig slisje, dan kun je ook maar beter meteen oprotten. Weet je wat?… steek die boodschap helemaal maar in je reet. Als je wat te melden hebt, stuur je gewoon een beknopte mail en – ’

‘Tyn? Je bent ’r gewoon hè?’

‘Je gaat een antwoordapparaat toch geen vraag stellen? Waar slaat dat nou op?’

‘Ik bel voor je imaginaire dochter… Ik heb haar doodgeslagen.’

‘Wat?! Dat is niet zo fraai!’

‘Ik had ’t je twee weken geleden meteen al willen vertellen, maar blijkbaar is moed toch iets anders dan brutaliteit… Weet je nog dat ik die gigantische pepermolen kreeg toen ik had voorgelezen op de braderie van Stroe?’

‘Natuurlijk… een honkbalknuppel is er niks bij… Ik zei toen nog dat er steeds meer fallussymbolen voorkomen in je werk – kaarsen, knuppels, palen, komkommers, harkstelen, worsten – en dat ik hoopte dat die pepermolen je penisnijd een beetje zou temperen.’

‘Ik heb helemaal geen penisnijd!’

‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik kwam de keuken uit, met die pepermolen in m’n hand… En je dochter zat zo lief en vrolijk televisie te kijken… er ging zoveel geluk en kwetsbaarheid en vertrouwen van haar uit dat ik alleen nog maar kon denken aan al ’t leed dat ze in haar leven nog te verduren zou krijgen en tegelijk was ik jaloers op haar gladde huid en dat ze weer naar Utrecht terug zou gaan, naar jou, en toen… nou ja, toen zag ik even een heel fel wit licht… en vervolgens stond ik met die pepermolen op je dochter in te slaan. Ze begon wel meteen hartstikke fel terug te vechten.’

‘Serieus? Dat heeft ze niet van mij hoor, dat pittige! Zo hebben we haar niet opgevoed!’

‘Ik denk, eerlijk gezegd, dat ze heel veel pijn heeft gehad… Nadat ik haar schedel kapot had geslagen bleef ze nog steeds tegenstribbelen… toen heb ik met mijn duimen eerst haar oogballen helemaal haar hoofd in geduwd – zij gillen! – en daarna heb ik haar op de grond gesmeten en net zo lang op haar strottenhoofd gestampt tot ze geen geluid meer maakte… Daarna heb ik denk ik nog wel iets van een kwartier met die pepermolen op haar romp in staan beuken. Op ’t laatst was ik helemaal kletsnat.’

‘Van ’t zweet? Of van ’t bloed?’

‘Nee, nat tussen m’n benen: van de opwinding. Ik vind ’t lekker om andere mensen pijn te doen, tenminste: zolang ’t niet wordt ontdekt natuurlijk!… Misschien moet ik m’n eigen kinderen ook af en toe een paar tikken verkopen… ’

‘Doe dat nou maar niet, dat lijkt me – ’

‘Grapje! Een dief gaat toch ook niet bij zichzelf inbreken? Sukkel.’

‘Maar als ik ’t goed begrijp heb jij eerst m’n dochter doodgeslagen en daarna heb je uitgebreid liggen masturberen met die enorme pepermolen?’

‘Dat gaat je niks aan! Heb je weleens van privacy gehoord?’

‘Sorry.’

‘Je gaat altijd nét te ver jij!’

Sunny, ik heb – ’

‘Vind je ’t erg dat je dochter dood is? Doet ’t pijn? Moet je nou huilen? Denk je dat je nu voor de rest van je leven getekend bent door verdriet? Ga je haar missen? Is je leven nu mislukt? Zullen we samen een nieuw kindje maken? Een echte?’

‘Nou, neem me niet kwalijk, maar dat doodslaan van mijn dochter is niet bepaald een advertisement for yourself, vind je wel? En nu ga ik ophangen, want ik moet een stukje tikken over Winter Sleep.’

‘Ik verveel me.’

‘Hier, een brainsnack: wat vind jij… hebben alle mannen straf verdiend omdat jouw vader ooit je moeder heeft bedrogen?’

 

Film: Winter Sleep.

Eindoordeel: regisseur/auteur Nuri Bilge Ceylan experimenteert met dialogen. Dat werkt niet zo goed. In de eerste helft van de film leiden traagheid en lengte niet tot verdieping, maar tot verveling, de tweede helft maakt dat goed. Ceylan is en blijft een echte, hij verdient je bezoek. Drie in de vallende sneeuw wegdravende witte, wilde paarden (3/5).

 

HenkVolgende week: ‘Je hebt geluk dat ik momenteel zo in beslag wordt genomen door al mijn cardiovasculaire activiteiten, vriend, anders zou ik die hele godverdomde, hypocriete, poeninge, corporale tyfus-hut van je naar de hel schrijven.’ – lofzang op Henk Pröpper. En meer.

Foto Henk P. (uitsnede): Twitter, Mariska Klein Hoonte, ‘aquirerend [of toch: acquirerend?] redacteur’ bij De Weekblad Pers Groep.

Kiekje Tom Claassen/Hangende mannen: MK.

 

Titel van deze blogpost: citaatje uit Milan Kundera’s Het feest der onbeduidendheid (vert. Martin de Haan, 2014; p.58). HFDO is een zeer comfortabel boek. Een pleidooi voor relativering. Ván de hogere middenklasse vóór de hogere middenklasse, zogezegd. Wat vraagt een mens – een man? – nou nog meer van ’t leven dan een glas armagnac, een cocktailparty en zo nu en dan een blik op het ‘prachtige achterwerk’ (p.71) van een vrouw? Als jij maar gelukkig bent, wat kan de rest van de wereld je dan verrotten? Er komt een handjevol gecanoniseerde filosofen voorbij in HFDO, maar een Filosofische Roman is het – ondanks Kundera’s preoccupatie met essenties – niet. HFDO geeft antwoorden. Een Filosofische Roman stelt vragen. Smaakoordeel: Kundera is een restaurateur, ik houd meer van brekers en bouwers. Het werk van Kundera verhoudt zich tot dat van Jeroen Mettes, DFW, Richard Powers als een behaaglijk, dood Weens museum tot het echte, levende, Utrechtse Lombok. Het werk van Kundera valt – dat is algemeen bekend – in de categorie porno van de allersoftste soort, maar het geheim van zijn succes is de vaderlijke, bijna autoritaire vertelstem in zijn romans. God is dood, maar Kundera weet de weg. Toegegeven: HFDO is een heerlijke tekst. Speels, beheerst, onthecht. Ik kan het boek iedereen/niemand aanbevelen.

Geboren zijn we

‘Iedere seconde sterft er iemand en nog vaker wordt er iemand geboren,’ zei mijn dochtertje laatst. Ze klapte een paar keer in haar handen. ‘Bij elke klap wordt er een baby geboren.’ Ik zag voor me hoe in snelvaarttempo vijf baby’tjes tussen twee vrouwendijen tevoorschijn floepten. Alsof het aantal pasgeborenen ook van invloed is op de snelheid van de bevallingen.

Ik dacht aan mijn eigen bevallingen. De eerste duurde zestien uur, de tweede twaalf. Toch waren ook mijn kinderen deel van het aantal dat elke fractie van een seconde op aarde wordt gezet.

Geboren worden, evenals sterven, is een proces dat eigenlijk moeilijk in tijd valt uit te drukken. Mijn dochter werd om 16.00 op 9 mei 2004 geboren, maar ze bestond daarvoor natuurlijk al. Ze leefde en was er al, alleen dobberde ze nog veilig in het zwembadje in mijn buik. De tijd die we aan het begin vastknopen is gebaseerd op een afspraak, eigenlijk weten we niet wanneer we precies als individu tot leven komen. Evenmin weten we wanneer precies het bewustzijn verdwijnt als we sterven. Gebeurt dat direct, als licht dat je met een schakelaar uitknipt? Of blijven we nog een tijdje vagelijk aanwezig, op een droomachtige manier. Geen idee.

Enkele jaren geleden overleed een kennis van me. Hij onderging al jaren chemokuur na chemokuur, er was nog maar weinig van hem over. Liggend aan een infuus werd hij in leven gehouden. Hij had aangegeven dat niet meer te willen. Zijn familie plande het moment van euthanasie. Zijn dochter vertelde mij het precieze tijdstip waarop het zou gebeuren. Een paar dagen later wist ik  – zittend op een terras, met een kop muntthee – nu, op dít moment sterft hij. Omdat we niets van de dood weten, is het bevreemdend om wél het precieze tijdstip te kennen waarop iemand de wereld verlaat.

Alledaagse overpeinzingen zoals deze leiden mijn gedachten al gauw in de richting van Martin Heidegger, met wiens gedachtengoed ik me de komende tijd zal bezighouden, zolang ik als ‘writer in residence’ aan het NIAS verbonden ben.  En daarna wellicht ook, in de hoop dat dit resulteert in een verslag van mijn persoonlijke verkenning van zijn denken. Typisch  Heideggeriaanse vragen zijn: Hoe verhoudt het bestaan zich tot de dood? Wat betekent het om er te ‘zijn’? En wat heeft dit met tijdservaring te maken? Universele filosofische vragen, maar ook heel gewone vragen, al vinden sommigen dergelijke vragen zinloos. Maar, als een vraag zinloos gevonden wordt, heeft het dan ook werkelijk geen zin de vraag te stellen?

Heidegger begint zijn beroemde boek Zijn en tijd met een uiteenzetting over de zin van schijnbaar zinloze vragen; de zin van het stilstaan bij wat we eigenlijk bedoelen als we het hebben over ‘zijn’, dat je ‘er bent’ als je geboren wordt en er niet meer ‘bent’ als je sterft. Nu moet ik ineens denken aan Courbets beroemde schilderij ‘Het ontstaan van de wereld’ uit 1866. Een vagina en vrouwenbuik. De mogelijkheid van leven.

Geboorte. Zijn. Sterven. Zo banaal en toch zo metafysisch.

______________________________________________________________________________________________

Jannah LoontjensJannah Loontjens is romancière, dichteres, critica, essayiste en filosofe. Onlangs verscheen haar roman Misschien wel niet.

 

 

 

Fool on the Hill

Van de week las ik over het eerste album dat Björk ooit maakte op 11-jarige leeftijd en dat destijds een groot succes was in IJsland. Het album bevat allerlei naar het IJslands vertaalde liedjes uit die tijd: covers, afgewisseld met instrumentale odes aan een IJslandse kunstenaar. Ik luisterde het album in de trein, half in slaap, onderweg naar huis van een drukke dag op mijn werk. Het nummer Alfur ut ur hol deed me wakker schrikken. Het is een knullige interpretatie (met een onmiskenbaar jaren-zeventiggeluid dat doet denken aan gele tanden en mannen in getailleerde bloemenbloesjes) van Fool on the Hill van de Beatles  (mag ik even uw taalgevoel voeden met de eerste regel uit de IJslandse vertaling: Dag eftir dag, einsamall á hól). En dan die blokfluitsolo. Volgens Wikipedia speelde Björk de blokfluit op dit album zelf. In dit nummer doet ze dat tegelijk met zingen, wat een beetje onwaarschijnlijk is, maar ach het is Björk, en het is Fool on the Hill, en misschien is dan alles wel mogelijk.

Ik droomde eens dat het nummer Fool on the Hill van de Beatles een doorgang bevatte naar andere tijdsdimensies. Ik was dat weekend onderweg naar Zuid-Frankrijk in een minibusje met mijn schoonfamilie, inclusief kotsende peuter. We sliepen in een formule-1 hotel in Beaune, en (wellicht op zoek naar een uitweg) droomde ik over deze geheime passage naar andere tijden en plaatsen. Ik reisde die nacht naar een Chinese stad in de toekomst, waar ik een paar dagen rondslenterde, tot ik verder werd gevoerd naar India in de jaren zeventig. Steeds bleef ik op de nieuwe locatie tot de Fool on the Hill voorbij kwam; op de radio, op een feestje op het strand. Dan wachtte ik tot het nummer langzaam de ruimte overnam, en dan vooral de blokfluitsolo die als een soort mist over de wereld zakte tot het alles in een soort kolk oploste en ik werd verplaatst naar een nieuwe bestemming. De droom keert sindsdien met enige regelmaat terug, de laatste keer reisde ik af naar de middeleeuwen, waar ik door een vieze stad struinde terwijl ik me vertwijfeld afvroeg hoe ik er nog weg kon komen nu Fool on the Hill nog niet geschreven was. Ik probeerde vrienden te worden met een straatmuzikant, in de hoop dat ik hem de blokfluitsolo kon laten spelen.

Soms zie ik aanwijzingen dat het wormgat in Fool on the Hill een realiteit is en dat er anderen zijn die dit geheim ook kennen. Murakami bijvoorbeeld; Fool on the Hill komt meerdere malen in zijn oeuvre voor, ook als een personage dat de bijnaam “the fool from the hill” heeft, namelijk meneer Nakata uit Kafka on the Shore, die met katten kan praten en die een belangrijke rol speelt in het vinden van de mysterieuze sluitsteen die toegang geeft tot een parallel universum. En Vonnegut; hij beschrijft (bijvoorbeeld) in Slaughterhouse 5 de reizen naar de planeet Tralfamadore, waar hoofdpersoon Billy Pilgrim af en toe (in zijn slaap) naar ontvoerd wordt, en waar hij soms jarenlang in een dierentuin verblijft, terwijl op aarde slechts een kleine tien minuten voorbij gaan. De Tralfamadorians zien de dingen net iets anders dan wij. Hoe ontstaat wereldvrede?, vraagt zijn hoofdpersoon aan de bezoekers van zijn dierentuin, en dan lachen de Tralfamadorians ontroerd. Typisch een vraag voor een earthling die de vierde en vijfde dimensie niet kan waarnemen, zeggen ze, en zwijgen veelzeggend.

Gisteren in de trein vroeg ik me af of ook Björk een tijdsreiziger is. Is dit wellicht ook de basis voor haar magische samenwerking met Michel Gondry, met wie ze al sinds 1993 lekker vreemde video’s maakt en die ook een onmiskenbare interesse heeft in ruimtereizen. Speelde ze daarom Fool on the Hill op haar eerste album? In Björks liedteksten lijkt evidentie te vinden voor deze theorie. Bijvoorbeeld in Modern Things:

“All the modern things
like cars and such
have always existed.
They’ve just been waiting in a mountain
for the right moment
Listening to the irritating noises
of dinosaurs (blurrp blurrp) and people
dabbling outside”

Tirade zoekt: illustratoren!

In Tirade staan niet alleen teksten, maar ook illustraties. De redactie is dan ook altijd op zoek naar illustratoren die het leuk zouden vinden een aantal illustraties in Tirade afgedrukt te zien. Per nummer werken we met 1 illustrator, die 5 a 10 bladzijden voor zijn of haar rekening neemt (soms ook het voor en achterplat).

Inzenden van nog niet eerder verschenen werk kan via tirade@vanoorschot.nl of uw favoriete redacteur – liefst in zwart wit, aangezien een eventuele publicatie in zwart wit zal zijn. Honorering via de Tirade-standaard.

 

Wallace Stevens: The house was quiet and the world was calm

The house was quiet and the world was calm.
The reader became the book; and summer night

Was like the conscious being of the book.
The house was quiet and the world was calm.

The words were spoken as if there was no book,
Except that the reader leaned above the page,

Wanted to lean, wanted much to be
The scholar to whom his book is true, to whom

The summer night is like a perfection of thought.
The house was quiet because it had to be.

The quiet was part of the meaning, part of the mind:
The access of perfection to the page.

And the world was calm. The truth in a calm world,
In which there is no other meaning, itself

Is calm, itself is summer and night, itself
Is the reader leaning late and reading there.

Jongensjaren

Mensen worden naarmate je ze langer kent gemiddelder. Extreme uitingen raken op de achtergrond of vervlakken als je ze legt naast algemener gedrag. Tijd is de grote gelijkmaker. Hoe saai dat ook mag klinken, dit aspect is een van de aantrekkelijke kanten van de film Boyhood van Richard Linklater. De film toont nauwkeuriger echt leven dan de meeste andere.

Linklater filmde twaalf jaar elke zomer een aantal mensen en bracht zo de jongensjaren van zijn hoofdpersoon in beeld, van zes tot twaalf jaar. Linklater is noch met het portretteren van een jongenstijd  (Coetzee, Tolstoi) noch met het filmisch volgen (7up – Michael Apted) een pionier. Jongens- of bij uitbreiding kinderjaren zijn zo’n dankbaar onderwerp omdat je maar een heel kleine verwijzing ernaar nodig hebt om zelf weer in die meest  – letterlijk – indrukwekkende van alle eigen jaren te belanden. Aangrijpend aan de film is dat het script erin voorziet de personages gemiddelder te laten worden dan ze aanvankelijk zijn, de heldin van de moeder is ook een tobber, en maakt belangwekkende denkfouten, de sukkel van een pierewaaiende vader heeft consistente idealen en is een mooie vent eigenlijk. De geweldige tweede en derde vader blijken  zuiplappen, het volstrekt maffe zusje blijft maf, maar beter te hebben. Voelt dit als het echt leven? Ja. Is het dat ook? Nee.

Opmerkelijk aan het affiche is natuurlijk dat er geadverteerd wordt met het ‘twaalf jaar’- aspect, maar dat is toch veel meer een toevallige bijkomstigheid dan dat het de essentie van de film uitmaakt. Boyhood is geen documentaire. Weliswaar moeten we aannemen dat het verstrijken van de tijd bepaalde keuzes voor de regisseur heeft helpen maken, maar ik maak me sterk dat dat er toch niet zoveel geweest zijn. In 2002 toen Linklater begon kon hij niet vermoed hebben dat de 18 jarige hoofdpersoon er meningen over facebook op na hield, dus dat is door de tijd ingegeven. Toch denk ik dat de belangrijke bewegingen in zijn leven, verhuizen, dronken vaders etc van de aanvang af in het script moeten hebben gestaan. Dat maakt de levensechtheid van de film in wezen des te bewonderenswaardig. De vraag die ik dan toch houd is in hoeverre de jongen in de film op de acteur lijkt – of nog boeiender: is gaan lijken. En nog mooier om je af te vragen: in welke mate beïnvloedt de levensopvatting die uit de film spreekt de levenshouding van die jongen? In wezen is het leven van Ellar Coltrane hiermee ook een project geworden van Truman Show-achtige allure, hij leeft zijn rol in zekere zin. En in het licht van deze mooie film, vrees ik dan ook voor zijn toekomst.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Persona grata

Vertel een willekeurig iemand hier in Paramaribo dat je in Flora woont, en hij zal je aanradeDSC_0095n goed op je bezittingen te letten. ‘Heeft uw woning dievenijzers en alarm?’ zal hij vragen.

Toen we voor het eerst naar ons huis gingen kijken wisten we niet dat we in een ‘mindere’ wijk rondliepen. Er speelden kinderen op straat en iedereen hing voor zijn deur met de buren te kletsen. De eerste die ik aansprak bleek de mater familias van een hindoestaanse familie die zowat het hele blok bewoont, op het huis links van ons (Brazilianen) en recht tegenover ons (creolen) na.

Op de dag van onze verhuizing wilden twee buurmannen telefoonnummers met me uitwisselen opdat we elkaar zouden kunnen bellen als er iets ‘aan de hand was’. Er is nog niets gebeurd, en met de waakzaamheid van de mensen hier lijkt me de kans ook klein. Langs de schutting van ons erf lopen zonder een omwonende te moeten groeten is bijna onmogelijk.

Wat maakt eigenlijk dat je door een buurt loopt en je er prettig voelt?

Er zijn vervallen huizen in onze straat en er staat een auto zonder wielen op de stoep bij de overburen. De overbuurman repareert trouwens wel heel veel wagens van vreemden voor iemand die geen illegale garage heeft. Van zes tot tien is er bijna elke avond een soundsystem-battle tussen onze rechterbuurman en de mensen die tegenover hem wonen. Maar de Marijkelaan voelt goed. Ik ben niet bijgelovig, dus die informatie moet met zintuiglijke waarneming zijn begonnen.

Ik denk dat mijn aanvankelijke beeld van de straat de plus in schoot door het groeten, wat men hier met zoveel enthousiasme doet. Een opgestoken hand wordt altijd beantwoord. Men groet niet binnensmonds, maar luid en duidelijk; onze overbuurman stond vanmorgen zelfs op toen ik bij thuiskomst naar hem zwaaide, en riep ‘Buur!’ alsof hem tijdens mijn bezoek aan de markt ter ore was gekomen dat er een volksheld tegenover hem was ingetrokken.

Het zette me aan het denken over de ingewikkeldheid van het groeten in Nederland, of ik moet zeggen: de Randstad, omdat ik zelden verder kom. We zijn spaarzaam met onze groet. Afgemeten. We lijken angst voor afwijzing te hebben, wat maakt dat we voorzichtig groeten, waardoor onze groet door de ander gemakkelijk over het hoofd gezien wordt, wat de mate van ervaren afwijzing weer vergroot.

Ik heb me er in Amsterdam zelfs op betrapt dat ik over een niet al te opmerkzame buurtgenoot dacht: Als hij me nu weer niet ziet staan, dan groet ik die eikel nooit meer. Wat natuurlijk het einde is van elk mogelijk begin.

Nee, het is goed om in Paramaribo te zijn op het exacte moment van het normaliseren van de diplomatieke verhoudingen tussen Suriname en Nederland. In ieder geval op straatniveau hebben we nog veel van deze republiek te leren.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.