Dichters en de tijd

jorge-luis-borgesJorge Luis Borges heeft een gedicht geschreven ‘aan de eerste dichter van Hongarije’.

Op deze datum, toekomstig voor jou
en onbereikbaar voor de wichelaar
die de verboden vorm der toekomst ziet
in een ster of in de ingewanden van een stier
kan ik moeiteloos jouw naam, broeder en schim, opzoeken in de encyclopedieën.

(vertaling Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer)

In Borges eigen zijn taal:

(En esta fecha para ti futura
que no alcanza el augur que la prohibida
forma del porvenir ve en los planetas
ardientes o en las vísceras del toro
nada me costaría, hermano y sombra
buscar tu nombre en las enciclopedias.)
[…]
Hij schrijft dan verder over dat hij kan opzoeken onder welke koningen deze dichter leefde, welke rivieren hij zag en dat zeeën en talloze nachten hen beiden scheiden,

maar ons verbindt op niet te ontraadselen wijze
de mysterieuze liefde voor het woord,
deze omgang met symbolen en met klanken.

We kennen de pogingen van Gerrit Achterberg om de dode te spreken te krijgen, een oerdrift van de dichter sinds Orpheus. Borges werk is vergeven van een eigenlijk veel aardsere wijze van benadering. Borges weet zich een vriend van deze Hongaar uit vergleden tijden. Hij kan, blind ziende, in zijn tijd kijken. Zoals ook Lars Gustafsson in voorbije tijden blikt, de wereld namelijk, vóor Bach

Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de Partita in a mineur,
maar hoe zag die wereld eruit?
Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,
overal onwetende instrumenten
waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier
nooit over een claviatuur waren gegaan
[…]

waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn,
het gezonde geluid van sterke honden in de winter.

Gustafsson verbaast zich dat daar ‘nergens Bach, nergens Bach’ heeft geklonken.

Ook striptekenaar Mark Retera de tekenaar van Dirk Jan stelt zich regelmatig een vroeger wereld voor, hier een van de vroegste voorstellingen mogelijk, Yucatan, bij een vallende ‘ster’.

Teksten en kunst die de tijd verruimen werken op mij als ademhalen onder een crawlende arm door, het vult de borst vol lucht en verdrijft de benauwenis.

In Frans van Hasselts meesterlijke boek Griekse tijd (Querido, 1985) beschrijft hij een dergelijke ervaring in Monemvasia: ‘En toen werd ik mij met een schok bewust, dat ik werkelijk op duizend jaren neerkeek, die daar als het ware door elkaar heen lagen, op duizend jaar dood en leven, duizend jaar bebouwing en verval [… ]En plotseling is het alsof die duizend jaar wegvallen, zich buiten haakjes laten plaatsen, alsof hier fundamenten, ruïnes, huizen en mensen met elkaar leven met gelijke rechten en in een uniek verband, mogelijk gemaakt door uitschakeling van de factor tijd.’

Al deze schrijvers hebben het wonderlijke effect op mij dat mijn gare auto heeft als ik door een kuil rijd: dat alle boxen het heel even weer doen, en de muziek opeens harder, zuiver en in stereo klinkt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.