Tante Ellen

Maandagavond werd mijn oudtante Ellen overvallen in de hal van haar seniorenflat. Een onguur type wachtte haar daar op, nam haar in een houdgreep, viste haar portemonnee uit haar handtas, en haastte zich het gebouw uit met zijn trofee, een paar tientjes, en een identiteitsbewijs.
Ik belde haar die avond om een andere reden. Het was de volgende dag zeventig jaar geleden dat zij als zestienjarig meisje werd bevrijd uit Auschwitz.
‘Wat lief dat je belt’, zei Ellen aan de telefoon. ‘Maar het gaat niet zo goed met mij.’ Ze vertelde over de overval. Dat ze het uitgegild had van angst. Dat ze thuis meteen de bank had gebeld en de politie. Dat haar kleindochter naar haar toe was gekomen, dat iedereen zo lief en behulpzaam was geweest.
Maar ze had niet goed geslapen die nacht, zei ze. Gek genoeg had ze niet gedroomd over de overval. Vooral Auschwitz kwam terug in haar herinnering. Ze had toevallig ook een boek over de Duits-joodse kunstenaar Nussbaum gelezen, die in Auschwitz aan zijn einde kwam. Dat had ook al van alles opgerakeld. ‘Het komt ook allemaal tegelijk’, besloot ze.

Op Pesach vorig jaar kwam ik mijn oudtante Ellen weer tegen. Ik had haar jaren niet gezien; ik was misschien te veel gevormd door mijn vaders gebrek aan behoefte aan contact met de weinig talrijke, verre familie die we nog over hebben. Bij het Pesachmaal las ik mijn eerste verhaal voor dat kort daarvoor werd gepubliceerd in Tirade. En toen ik het uit had keken Ellens kraakheldere, donkere ogen me betraand aan, en greep ze me vast in een stevige omhelzing.
‘Ik ben helemaal ontroerd’, zei ze met haar lichte Duitse accent. ‘Wat zou je oma trots zijn geweest.’

Sindsdien ben ik een aantal keer bij haar op bezoek geweest. Ik vind haar onmetelijk stoer. Zesentachtig jaar is ze, en ze strompelt daadkrachtig door haar zonnige appartement in Amstelveen, dat omlijst is met planken vol boeken over de Holocaust. Ze kookte asperges voor me, en een keer een spinazietaart. Hulp heeft ze niet nodig, en ze staat alleen oogluikend toe dat ik de afwas doe. Ze vraagt belangstellend naar mijn leven en toekomstdromen. Ze nodigt me uit te komen voorlezen op haar boekenclub. Soms vraag ik voorzichtig naar de oorlog, maar ik ben bang dat ik haar belast met mijn nieuwsgierigheid.

Om er toch iets meer over te weten te komen, las ik de afgelopen weken het oeuvre van Gerard Durlacher. Ook Durlacher overleefde als jonge jongen Auschwitz. En hij schreef daarover zo onverdraaglijk mooi, dat ik zijn verhalen verslond, al was ik telkens in tranen. In zijn boeken, waarin hij een geschiedenis beschrijft die zo diepzwart is dat je het maar nauwelijks kunt bevatten, zijn het de momenten van menselijkheid, van goedheid, die in zijn verhalen de meeste indruk maken. De man die hem Latijnse les gaf in de barakken van Theresienstadt, de schoolmeester die hem in de politiecel in Apeldoorn kwam bezoeken om hem door de tralies een wiskundeboek te geven.

Het verhaal Na 1945, uit de bundel Quarantaine, wil ik graag even noemen in deze week waarin Auschwitz wordt herdacht. Het beschrijft Durlachers veel te lange zoektocht na de oorlog, naar een plek waar hij veilig was. Nadat hij uit Auschwitz werd bevrijd op het moment dat hij meende te sterven, ontving hij maar weinig hulp om terug naar Nederland te keren. Terug in Nederland trof hij in zijn ouderlijk huis een vreemde in een pak van zijn vader. Ook als hij intrekt bij een oom en tante wacht hem vooral kou en onbegrip. Maar op een dag klopt hij aan bij een vriendelijke notaris, die hem warm binnenhaalt, die hem aanbiedt te blijven zo lang hij wil, die hem helpt terug naar school te gaan, een bestaan op te bouwen. Durlacher schrijft: Geleidelijk verliest de wereld om mij heen het bedreigende. Mijn voeten raken grond. De ijsrivier die me jaren heeft meegesleept, smelt. De toekomst is nog wazig, maar niet meer onbestaanbaar.
Na het lezen van Durlachers werk kun je niet anders dan ontzag hebben voor deze man die niet alleen gruwelijkheden overleefde zonder verbitterd te raken, maar die daarover wonderlijk mooi proza schrijft, dat vrij van oordelen is, en dat impliciet aanmoedigt om een ander te helpen, om niet te oordelen of weg te kijken als een ander in nood is.

Soms vertelt Ellen flarden over de oorlog, en dan voel ik me vereerd. Zo vertelde ze over de vreugde die ze voelde toen ze in een ziekenhuis aansterkte na de bevrijding uit Auschwitz, en een verpleegster haar bij ontwaken meedeelde dat haar moeder op de lijst van overlevenden van Thesienstadt stond.
Ellen werd gescheiden van haar moeder, toen ze werd geselecteerd voor transport naar Auschwitz. Haar moeder bood toen aan vrijwillig met haar mee te gaan, maar Ellen zei: ‘geen mens gaat vrijwillig naar Auschwitz.’ In de vertrekkende trein heeft ze wel een half uur lang van angst gegild.

‘Ja ach, het kamp’, zei Ellen. ‘Het maakte me een beetje achterdochtig, maar ook oud. Want ik hecht zo aan het leven.’ En dinsdag sprak ze, ondanks de overval, op een Auschwitzherdenking in Amstelveen. Ik ben ontzettend trots op haar.

‘Hij leerde me timmeren, in de tuin werken, zagen…’

Vorige week publiceerden we hier deel IX van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel X:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

eergisteren fietste ik in het donker langs een café op weg naar huis, en zag en hoorde een man, naast een café, hartstochtelijk huilen.

Ik fietste door en voelde me meteen schuldig. Ik draaide me om, fietste terug, en toen was de man verdwenen.

Nu denk ik de hele tijd aan die man; waarom huilde hij, was hij alleen, en waarom was hij duidelijk naar buiten gelopen om te huilen? Waarom stopte ik niet meteen?  (Het was koud en hij stond in alleen een overhemd.) Ik weet niet waarom deze man me zo bezig houdt, ik weet wel dat ik een beeld van een gedicht zag.

Wat een leuke grootvader had je. Ik had er ook zo een, opgegroeid op de boerderij, maar de zakenwereld ingegaan. Hij ging -misschien vanwege zijn achtergrond- nog wel al zijn klanten op de boerderijen persoonlijk langs. Hij had een voorliefde voor Amerikaanse auto’s, en eens in de zoveel tijd haalde hij ons op, om in die grote slee met ons door het dorp te rijden. Hij draaide marsmuziek, vrolijke muziek waarop we uitgelaten meezongen op de achterbank.

Hij leerde me timmeren, in de tuin werken, zagen, en uren bracht ik met hem door in de garage om van alles te bouwen. Hij hield van de krantenstrips van Marten Toonder, en las het ons voor. Hoewel ik er niks van begreep was dat leuk, hij moest steeds stoppen omdat hij onbedaarlijk in de lach schoot. Hij was stronteigenwijs. En koppig. En wat ik vooral achteraf leuk vind is dat hij hele eigen voorliefdes had voor dingen die hij leuk vond, en dat met ons deelde.

Hij kon prachtig voorlezen, ook uit de bijbel, waar uit werd voorgelezen na het eten. Dat ik geen hekel kreeg aan de bijbel is aan hem te danken geweest, denk ik.

Toen ik jouw mail las, en ook eerdere berichten, viel het me op dat je opa veel met je deed. Wandelen, hij gaf je een boekje voor de dieren die je zag.

Je schrijft bijna warmer over hem dan over je ouders.

Waarom was je zo gek op hem?

hartelijke groet,

Annemieke

—————————————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik denk dat ik zo dol was op mijn grootvader omdat hij me niet opvoedde en tegelijkertijd op een terloopse manier weer wel. Verder had hij een anarchistische natuur zonder dat hij zichzelf ooit een anarchist zou hebben genoemd.

Toen de koningin in een naburig dorp op bezoek zou komen zei hij: ‘En als ze me dan toeknikt draai ik me om’. Hij zei dat op een volstrekt natuurlijke, niet aanstelligere manier. Je had hem moeten zien. De enige die ik ooit op dezelfde onnadrukkelijke maar besliste wijze een soortgelijke boodschap heb horen verkondigen is de tekenaar Willem die me vertelde dat op een receptie Beatrix op hem afbeende. En wat heb je toen gedaan, vroeg ik. Me uit de voeten gemaakt, zei hij.

Mijn grootvader kon prachtig vertellen. Niet op een gladde manier, zo taalvaardig was hij niet. Nee, hij kon een verhaal vertellen zoals hij een bericht uit een advertentie-krantje voorlas: traag, een beetje verbaasd, alsof hij niet wist of het helemaal waar was.​

Ik herinner me zijn verhalen ook. Over een oude buurvrouw die stierf. Ze was lang ziek geweest. Maar dat vertelde hij niet. Hij vertelde dat er een mooie kist voor haar was besteld en dat hij een van de dragers was geweest. Hij herinnerde zich het moment dat ze de kist optilden en hoe verbaasd hij was geweest: als een veertje zo licht.

In de nabijheid van mijn grootvader, die in hart en nieren boer was, was de dood niet angstaanjagend. Vogelkenner Rob Bijlsma heeft ooit nauwkeurig bijgehouden wat er met een dood jong dier gebeurde dat was gestorven in de nabijheid van zijn boswoning. Vanzelfsprekend noteerde hij wat de gevolgen van de dood waren, alsof hij het leven gadesloeg. Mijn grootvader kon dat ook.

Een keer per jaar ging hij met een kleinkind, mijn broer of ik, naar de begraafplaats. Een potje verf en een kwastje bij zich. Hij schilderde dan de namen van de voorzaten bij en vertelde verhalen waarbij ik me toen ik ouder werd afvroeg of hij niet veel verzon. Nog weer ouder realiseerde ik me dat dat helemaal niet uitmaakt.

Heb jij die prachtige serie van Wim Kayzer weleens gezien waarin Marquez voorkomt? Marquez vertelt daarin volgens mij dat in zijn dorpje op een dag een ezel huiswaarts keerde met de onthoofde bezitter op zijn rug. Mijn grootvader had het kunnen vertellen. Marquez heeft ook weleens gezegd dat ik meen zijn grootmoeder hem kranteberichten voorlas alsof het sprookjes waren.

Of omgekeerd.

Waaraan werk jij op dit moment?

vrgr

Wim

————————-

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind je in Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel XI.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

NOS keurt eigen vlees

Gisteren rond acht uur drong een gewapende man de tv-studio van de NOS binnen. Hij eiste zendtijd, anders zou er iets gebeuren. De uitzending van het achtuurjournaal werd gestaakt en NPO1 ging voor enige tijd over op de ‘stoorstand’. Later verzorgde omroep zelf, pijnlijk genoeg, de verslaglegging van het incident. De NOS had dat beter kunnen laten.

Laat er geen misverstand over bestaan dat de situatie heel ernstig was. Na de gebeurtenissen van de aflopen maand, bijvoorbeeld in Parijs, is de waakzaamheid momenteel op een hoogtepunt. Ten overstaan van wapens is het voor een redactie ondoenlijk om rustig te redeneren. Het is dus bewonderenswaardig dat de mensen ter plaatse het hoofd koel hebben gehouden. De politie kon de indringer mede door hun houding snel overmeesteren. Zo liep het incident liep met een sisser af, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat het op de medewerkers van de NOS een enorme indruk zal hebben gemaakt.

Hoezeer de situatie een impact op de journalisten heeft gehad, bleek toen de omroep weer op zender kwam. Sommige NOS-journalisten waren lijdend voorwerp van de live-uitzending en vertelden wat er tijdens het incident was gebeurd, zij werden ondervraagd door hun NOS-collega’s van de redactie en studio in Den Haag. De NOS zond ook beeldmateriaal van de indringer uit. In nrc.next zegt NOS-hoofdredacteur Marcel Gelauff vandaag dat hij niet heeft geaarzeld en niet heeft overlegd voor hij daartoe besloot. Zijn keuze is voorstelbaar in de heat of the moment, maar hij had anders moeten beslissen. Het Journaal volgt in vergelijkbare andere gevallen het hoofd en niet het hart, althans daar ga ik van uit. Het kan niet anders of de emotionele betrokkenheid van de verantwoordelijke(n) heeft de journalistieke besluitvorming gisteravond danig verstoord.

Het uit de lucht halen van de zender was de onontkomelijke en uiteindelijk enige reactie op de situatie. De NOS-uitzending die er tóch kwam, is toe te schrijven aan het te grote belang dat de omroep zich toedicht. Gelauff verklaarde, wederom in nrc.next: ‘Ik wist meteen: dit is heavy nieuws, ook in de context van de hele veiligheidsdiscussie. Hier is iets unieks gebeurd in de Nederlandse televisiegeschiedenis.’ Hij heeft helemaal gelijk, zoals andere nieuwskanalen met hun verslagen bevestigden, maar dit uitgangspunt is juist de reden om niet zelf de verslaggeving te verzorgen. De live-uitzending onder leiding van Ron Fresen resulteerde, tot aan de persconferentie, in een herhaling van informatie die uitsluitend afkomstig was van eigen medewerkers in Hilversum. Het was adequaat geweest om de reguliere programmering van de zender te hervatten, of als dat technisch niet mogelijk is, de ‘stoorstand’ te handhaven. Onderbreken voor de persconferentie had vervolgens voor de hand gelegen.

De gang van zaken zoals gisteren bij de NOS staat haaks op de journalistieke integriteit. Een journalist wordt geacht neutraal te zijn, ook al is dat een utopische gedachte. Gisteren heeft de omroep echter de intentie om die neutraliteit na te streven laten varen, door uitgebreid over zichzelf te verslaan. De NOS heeft nauwelijks iets gedaan om de ‘schijn tegen’ te vermijden. De emotionele lading, het belang van het onderwerp en mogelijke overhaaste beslissingen hadden redenen moeten zijn om het verslag over te laten aan andere nieuwskanalen. De hoofdredacteur had zijn gebod aan zijn medewerkers om niets naar buiten te brengen moeten handhaven – alleen al uit consideratie met alle betrokkenen en de ernst van de zaak – en iedereen naar huis moeten sturen. De kaping van de publieke omroep door de NOS met zichzelf als onderwerp had zo kunnen worden voorkomen.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Drie keer verlaten

Ooit iemands huis in Nebraska

Verlaten plekken schreeuwen tot de verbeelding. Op instagram is er een heel account aan gewijd: Itsabandoned. Resten van leven vind je daar, structuren waarbinnen een leven plaatsvond, als achtergelaten slangenhuid is een stenen of houten lichaam door de bewoner verlaten. Een versteend verleden. Een van de fraaiere verlaten gebouwen waar ik ooit kwam was het voormalig Seminarium in Driebergen. Ik verzamelde, of zo je wilt jatte er koperen hang- en sluitwerk. Lange gangen vol deuren, tassen vol klinken. Omdat ik gehoord had dat die seminaristen bijna nooit ziek waren en ergens las dat een koperen deurklink, veel meer dan alle materiaal dat we er nu voor gebruiken, bacteriën doodt.

De seminaristen staken elkaar dus in geen geval via de deurklink aan. Kom daar eens om in een kinderdagverblijf! Kinderen tussen de 2 en 4 zijn altijd ziek. Neem koperen deurklinken!

full27905937Ik lees een verlaten boek. Een verlaten boek is een boek waarvan je aanneemt dat het nog maar heel weinig gelezen wordt. Het is The Rover van Joseph Conrad. Niet zijn beste boek vermoed ik, dat is mogelijk zijn bekendste titel Heart of Darkness. The Rover is zijn laatste afgeronde roman. Laat werk van een auteur wordt geacht niet algemeen het beste werk te zijn, al zijn er natuurlijk uitzonderingen (Ada van Nabokov?) Als je heel beroerde laatste stukken van een oeuvre wilt lezen moet je eens naar Mulisch kijken. Er is geloof ik nooit een Nederlandse vertaling van The Rover gemaakt. Wat mooi is aan verlaten boeken, evenals verlaten huizen, is dat ze niet spectaculair zijn, dat ze verlaten zijn heeft een reden. En dat is in een spektakelwereld een hele opluchting; dat iets niet meesterlijk is! Géen onverbiddelijke bestseller. Níet de mooiste plekjes waar je ooit geweest bent. Gewoon – in het geval van The Rover – een niet al te bijzonder verhaal, maar wel goed verteld. En zoals je in een verlaten huis de vakkundige verbindingen in het dakgebint kunt zien, kan je de verteltechnische kanten van een niet spectaculaire roman veel beter volgen, en daarin is dit late boek toch wel bijzonder. Ik zou met alle vertrouwen een boek kopen met een sticker erop: ‘een niet al te bijzonder verhaal, maar wel goed verteld.’ ‘Gewoon goed’ is een mooie economische ingreep in de inflatoire kanten van de boekverkoop.

3-596-13655-5.256867Józef Teodor Konrad Korzeniowski is een ‘verlaten’ persoonlijkheid. De man die ooit zo heette was niet bruikbaar meer, de persoon die hij was, moest achtergelaten worden ten gunste van iets handigers: ten gunste van de naam Joseph Conrad. Een van de grootste onderzoekers van verlaten en vergeten zaken – W. G. Sebald –  last in zijn Die Ringe des Saturn een ruime passage in voor het verhaal achter Conrads eerste persoonlijkheid. Het begint zo: ‘Am Ende des Somers 1862 reiste Mme. Evelina Korzeniovska  mit ihrem damals nog nicht ganz fünfjährigen Knaben Teodor Josef Konrad von der kleinen podolischen stad Zitomir nach Warschau. ‘

Conrad in zijn huis in Engeland waar hij stierf heeft wat weg van Peyrol – The Rover – in zijn boerderij aan de kust bij Toulon. Het motto van zijn laatste roman werd ook  Conrads epitaaf

Sleep after toyle, port after stormie seas,
Ease after warre, death after life, doth greatly please

Spenser

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #2: Naar Zeeland

Terwijl het laatste licht als in een net gevangen uit de hemel verdwijnt, sla je af. Bij de sluizen, glimmend van de aangevroren nevel, minder je vaart totdat je stapvoets rijdt. Je haalt een hand over je ogen, die branden alsof er pekel in gestrooid is.

‘Driver,’ zegt MADDI vanuit de boezem van het dashboard. ‘Road safety systems register that you are getting tired. You have now been driving for over three hours. Please switch to Assisted Drive Mode or pull over.’

Je draait het volume omlaag, volgt de zuidkant van het kanaal langs vrijwel uitgestorven dorpen, telt de paar verlichte ramen. Elk jaar zijn het er minder en elk jaar liggen ze verder uiteen; is er meer zwart tussen gekomen.

Het stuur trilt, de verlichting in de wagen zwelt aan en koude lucht wordt in je gezicht geblazen. Op het display worden de letters blauw, dan oranje, rood, paars en weer blauw.

You have 5.10 minutes before MADDI automatically overrides, staat er. Appropriate authorities will be notified. Pull over now or switch to Assisted Drive.

Je reikt onder het stuur, trekt het klepje weg en tast de zekeringen in de linker rij af tot je bij de eennalaatste komt. Met je duimnagel wip je hem los; een plastic nietje valt op je handpalm. Nu is het donker in de auto.

Soms mis je de straatlantaarns van vroeger, en wegen die de hele nacht verlicht waren als een woonkamer na een matig feestje. Koude koffie, ingevallen taart, vervloeide slagroom. Het gevoel dat iedereen elders is, behalve jij.

‘Kijk nou eens,’ zeg je. ‘Sneeuw.’

De velden die je al je hele leven kent, die de achtergrond van je vroegste herinnering vormen, zijn wit. Glimmendzwarte lijnen kaderen ze in en een dun vel ijs drijft op de sloten. Hoeveel winters zijn er zonder sneeuw voorbijgegaan? Je denkt aan sleeën. Straks, bij het huisje, zal je een sneeuwbal maken en met alle kracht die je nog in je hebt de nacht in gooien.

Als men knotwilgen niet knot, worden het zwakke wilgen. Na het faillissement van de gemeente bracht een schimmel ze tot rottende knoesten terug, waarna bramen de berm overnamen. Bruine doornwallen rijzen en dalen nu aan weerszijden van de weg, met een beginnend laagje sneeuw op hun rug. Je draait je raampje op een kier en rijdt verder naar het westen, bedenkt dat je nooit te oud of moe zou kunnen zijn om deze weg te rijden. Het is als vallen, als de werking van de zwaartekracht.

Zeeland is je droom van thuis, van warme armen onder een beginnend leven. Een versie van de hemel waarin het makkelijk is te geloven.

De populieren bij de boerderij zijn meegegroeid met je herinnering. Zo machtig als ze vroeger leken zijn ze nog steeds. Dit is waar je liep toen je net begon te lopen, waar je leerde fietsen: op de laatste dijk voor de duinen. Hier ligt het asfalt dat elke zomer smolt, en waarin je naam nog steeds geschreven staat. Morgen zul je gaan kijken naar de letters die je met je eerste zakmes kerfde. Door het verleggen van de weg zijn ze nooit bedekt geraakt, zijn ze gebleven.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Beschuit met muisjes

Persoonlijk was ik liever niet dan wel geboren. ‘Ja, lekker Tyn,’ zei mijn moeder toen ik daar als tiener voor ’t eerst mee kwam, ‘dat had je wel wat eerder mogen zeggen. Ik kan je moeilijk alsnog laten weghalen, hè?’ Persoonlijk was ik liever niet dan wel geboren. Dat zet al mijn oordelen tussen aanhalingstekens. Ik adstrueer met een voorbeeld. ‘Mmm… Boedapest is toch een tikkeltje minder charmant dan ik had verwacht.’  ‘Wat jou betreft had het hele universum niet gehoeven, dus waarom zouden we van jou wel onvoorwaardelijke waardering voor het stedelijk schoon van Boedapest mogen verwachten?’ ‘Touché!’

Persoonlijk was ik liever níet dan wel geboren*. De kunstkritische implicaties daarvan verdisconteerd hebbende: het levert honderdeenenvijftig jaar na de geboorte van de auteur nog steeds een heel aardige avond op, een opvoering van Herman HeijermansBeschuit met muisjes (1910). Als oom Gerrit sterft, Gerrit Bien Aimé, leren zijn nabestaanden dat er, omgerekend naar onze tijd, meer dan twee miljoen euro te erven valt. Tegenvaller: de verscheiden oom – of broer, of zwager, of wat dan ook, dat is een kwestie van perspectief – blijkt een levende geliefde te hebben, Pollie. En de twee zijn nog maar een week eerder in de echt verbonden. De erfenis moet dus naar Pollie. Opluchting: doordat zij in het verleden schulden heeft gemaakt, zijn Gerrit en Pollie op huwelijkse voorwaarden getrouwd – ze heeft dus géén recht op de erfenis. Het geld blijft in de familie. Wending: Pollie blijkt zwanger… het nog ongeboren kind is de enige wettige erfgenaam. Woede, woede, woede!

Ik heb begrepen dat je het geruzie om geld in Beschuit met muisjes mag opvatten als kritiek op het kapitalisme en andere vormen van al dan niet gesystematiseerde hebzucht. Ik vind het prima. Maar ik denk in zulke gevallen ook: wees blij dat er in ieder geval nog iets is dat bij de gemiddelde lamzak hartstocht opwekt. De één wordt geprikkeld door onrecht, een ander leeft op bij het zien van kunst of bij het vooruitzicht op roem. En weer anderen rennen voor geld. Veel plezier ermee.

De lol van deze voorstelling – door Oostpool, in de regie van Joeri Vos, deze week voor het laatst te zien – zit voor mij vooral in het kluchtige acteren, in het keten met rekwisieten en in de dialogen van Heijermans. Sinds ik Beschuit met muisjes zag, probeer ik iedere conversatie een beetje op te peppen door op beladen momentjes deze woorden van Prosper Bien Aimé rond te strooien: ‘Ik zeg jou de waarheid zo dikwijls als mij dat convenieert!’ Het verhaal loopt trouwens goed af voor de familie Bien Aimé. Door al het geruzie over de erfenis krijgt Pollie een miskraam.

————-

Volgende week: nieuw proza van Hans Boland.

‘Hoeveel sterren, bal?’
‘Voor Beschuit met muisjes? Drie. Plus een halve bonusster voor een hilarische knokpartij met Bud Spencer & Terence Hill achtige geluidseffecten.’

Noot

*Dat meen ik niet hoor! Grote grutjes, zeg. Ik ben blij dat ik besta! Maar in iedere literaire tekst is ‘ik’ de naam van een personage, weet je nog? Teksten zijn teksten.

Wenken voor jonge letterkundigen

Onder deze titel – Wenken voor jonge letterkundigen – publiceert Charles Baudelaire in 1846 “de vrucht van zijn ervaring”, een “opperste wijsheid die [hij] ter overpeinzing aanbied aan alle filosofen”. Met grote zelfverzekerdheid doet de dichter uitspraken over juiste methode van afkraken; over de optimale voeding van de letterkundige (“zeer substantieel maar regelmatig”) of de schrijfmethode van Balzac, die hij als ondeugdelijk afdoet.

Ik ben gewend om Baudelaire te zien als een gigant; een magere, verbeten, vervaarlijke man van in de veertig, briljant en beroemd maar ziek van geest, die tijdens zijn zelfverkozen ballingschap in Brussel dagelijks op- en neer flaneerde in de Sint-Hubertuspassage, op veilige afstand gevolgd door jonge bewonderaars. Daarom was ik verrast om uit te rekenen hoe oud hij was toen hij deze Wenken schreef: net 25 geworden. Zoals de vertaler Rokus Hofstede in zijn nawoord schrijft, was er bovendien nog nauwelijks iets van hem gepubliceerd. De werkelijke educatieve waarde van de tekst ligt dan ook niet in de wat melige adviezen over voeding, dagelijkse arbeid of de omgang met schuldeisers, schrijft de vertaler, maar in “de hooghartige, zelfverzekerde attitude” die de jonge letterkundige uitdraagt: “literair bestaansrecht wordt niet afgesmeekt, maar afgedwongen.”

Enige tijd geleden zat ik zelf op een terras onder het glazen gewelf van de Sint-Hubertusgalerie. Het was ochtend en nog erg rustig, zodat ik de oude man opmerkte die twee keer voor mijn tafeltje langs schuifelde, waarbij hij steelse blikken wierp. Toen ik een hand opstak en vroeg of ik soms aan zijn tafeltje zat, lachte hij breed, groeide vijftien centimeter en nam diep tevreden plaats op zijn vaste stoeltje in de hoek, dat ik voor hem vrijmaakte. Enige minuten nadat ik mijn werk had hervat, sprak hij me aan. “Wat heeft u een prachtig, ferm handschrift, juffrouw. Ja, u schrijft goed. U moet maar schrijver worden.” Ik bedankte hem en vroeg me besmuikt af wat de verschrikkelijke Baudelaire hem zou hebben toegevoegd.

Als ik de raad – de geest, niet de letter – van zijn Wenken op zou volgen, zou ik wellicht direct zijn overgegaan op het afkraken van de arme man (zie het hoofdstuk ‘Afkraken’, methode: ‘via de rechte lijn’). Ik zou deze, noch een andere gelegenheid om hoog op te geven van mijn eigen schrijverschap voorbij laten gaan; zou voor de literaire jeu flink wat vijanden maken, mijn kansen op syphilis wat opschroeven, en met of zonder uitnodiging in een superlatieve baljurk op het Boekenbal verschijnen.

Helaas val ik, als vrouw “die een tik van de literaire molen heeft gehad”, volgens dezelfde Wenken in de categorie “vrouwen die voor letterkundigen een bedreiging vormen”. Van een anomalie als de vrouwelijke letterkundige ontmoette Baudelaire de schim enkel in zijn duisterse Opiumdromen.

——————–

hofstede cosseeBregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Tirade, Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. In 2014 verscheen haar romandebuut De hemel boven Parijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede.

Volgende week: de Eerste Zondagse Gastblog van Roman Helinski.

Dit was de Laatste Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede. De Tirade redactie zegt: Bregje… chapeau, merci! En tot ziens weer daar of hier / in het echt of op papier.

‘De rust dat het allemaal goed komt, die heb ik sinds een jaar gevonden…’

Vorige week publiceerden we hier deel VIII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel IX:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

natuurlijk herlas ik voor onze correspondentie ‘Brieven aan een jonge dichter’ van Rilke. Ik ben best benieuwd wat je van die bundel brieven vindt.

Ik las onder andere:

‘Kunstenaar zijn betekent: niet rekenen en tellen, rijpen als de boom die zijn sappen niet opstuwt en die rustig de voorjaarsstromen doorstaat zonder bang te zijn dat er geen zomer zal volgen.’

De rust dat het allemaal goed komt met mijn eigen werk, die heb ik sinds een jaar gevonden. Het was er opeens. Ik weet niet meer waar het ontstond of vandaan is gekomen. Daarvoor maakte ik me vooral zorgen, met al mijn ambities en bewijs- en geldingsdrang. Nu maak ik me af en toe zorgen, maar niet meer verlammend. Ik werk rustig door.

Veel beeldspraak gebruikt Rilke, en veel bemoedigende woorden. Ik las de bundel voor het eerst toen ik een jaar of twintig was. Ik vond het mooi dat het zo persoonlijk was, en niet vanuit een eenzame hoogte geschreven van een dichter die neerkijkt op een worstelende jongeling.

Van wie heb jij het meeste geleerd tot nu toe?

Hartelijke groet,

Annemieke

—————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik kan veel mensen opsommen van wie ik iets heb opgestoken. Wat poëzie betreft zou ik bij voorbeeld K.L. Poll willen noemen die mij op jonge leeftijd liet debuteren in Hollands Maandblad. Die gedichten zijn – ik blijf het roepen – beslist niet goed maar hij meende dat ik talent had.

Toen ik uiteindelijk op zijn verzoek een dichtbundel samenstelde voor de HollandsMaandblad-reeks kreeg ik een brief van hem van tenminste vijf kantjes waarin hij gedicht na gedicht afwees. Een gedicht was goed genoeg voor een bundel, herinner ik me.

Maar waarom heeft u ze dan gepubliceerd, riep ik door de telefoon?

Niet boos, verbaasd.

Je snapt niet dat zo’n bundel veel meer een toneel is dan een tijdschrift, antwoordde hij rustig.

Dat was leerzaam.

En zo kan ik meer mensen opsommen.​

Ik wil intussen even stilstaan bij mijn grootvader in wiens huis ik opgroeide. Hij was boer geweest, bezocht zes jaar de lagere school, waarbij aangetekend dat hij nooit verder kwam dan de derde klas.

Niet omdat hij stom was, nee, hij liep voortdurend de klas uit omdat hij liever buiten was.

Ik heb de eerste klas overigens om dezelfde reden ook twee keer moeten doen.

Met mijn grootvader maakte ik elke zondagmiddag een lange wandeling door de omgeving. Langs de beek, het bos in. Hij kende alle paden, ook de paadjes van gesnipperd hout die bijna nooit door wandelaars werden gebruikt.

Ik heb nadien maar weinig mensen ontmoet die hun omgeving zo goed konden lezen als mijn grootvader die ook verhalen wist te vertellen over oeroude bomen waarin bij voorbeeld een boerenknecht zich uit liefdesverdriet had verhangen of die tijdens een stormachtige nacht lelijk door de bliksem werden getroffen om zich vervolgens na jaren weer zonwaarts te verheffen.

Ik verdenk mijn grootvader ervan dat hij sommige verhalen ter plekke voor mij verzon.

vrgr

Wim

———————

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in jeTirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel X.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Roman Helinski Tirade’s Zondagse Gastblogger Februari 2015

Aanstaande zondag plaatsen we alweer de laatste Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede. Maar!… precies een week later  begint het gastblogschap van Roman Helinski (1983).

Roman Helinski is Tirade‘s Zondagse Gastblogger voor de maand Februari 2015.

Roman Helinski studeerde Moderne Letterkunde en Journalistiek. Zijn teksten verschenen, en verschijnen, in, onder meer, Hollands Maandblad, Hard gras, De Brakke Hond en Deus ex Machina. In 2014 verscheen zijn romandebuut, Bloemkool uit Tsjernobyl. Helinski werkt aan een nieuwe roman. Hij woont in Utrecht.

De jongste Tirade-publicatie van Roman Helinski vind je in Tirade 456.

Roman, welkom! En tot volgende week.

Foto: Corine 24.

Long ago and far away

Een vroege Argentijnse uitgave van het boek ‘Ver weg en lang geleden van W.H. Hudson.

In de jaren ’40 van de negentiende eeuw rijdt over de pampa’s  van Argentinië een jongetje rond op een paard. Vanaf zijn zesde kan hij dat en mag hij dat. Het gezin bestaat naast vader en moeder uit een een stel jongens en een paar meisjes en is van Britse origine maar verhuisde naar Argentinië toen meer Britten, Ieren en Schotten dat deden, vanwege honger in Groot-Brittannië. Op de pampa’s is veel ruimte. Eerst gewoontegetrouw voor intensieve veeteelt, en vervolgens voor extensieve veeteelt. Dat betekent: laat die duizenden runderen en schapen maar rondlopen en leef ervan. In Ver weg en lang geleden schrijft W.H Hudson (in Argentinië bekend als Guillermo Enrique Hudson) over zijn jeugd op de pampa’s. Vogels kijken en in de natuur zijn, wat op eenden schieten  (vanaf zijn tiende mocht hij jagen) waren zijn belangrijkste bezigheden tot zijn 15e.

De buren worden bezocht, die wonen 3 tot 40 kilometer uit de buurt. Het volk op de pampa’s verleent gastvrijheid aan de toevallige bezoeker. Een knappe Spanjaard bijvoorbeeld die na een avondje De Sarasate spelen op zijn gitaar, moet stoppen omdat hij te zeer overmand wordt door emotie – heimwee. Tientallen personages beschrijft Hudson in dit prachtige boek: grijsogige gaucho’s met flitsende messen, politieke tirannen van het tijdsgewricht. Ook gevederde tirannen: een lokale vogelsoort. Honderden vogelnamen, slangen, bloemen.

Bien te veo, ' ik zie je wel' een vogel die naar je roept.
Bien te veo, ‘ ik zie je wel’ een vogel die naar je roept.

‘Ik wil in bomen klimmen en mijn hand in het diepe, warme nest van de Bien-te-veo steken om de warme eieren te voelen, de vijf spitse, crèmekleurige eieren met chocoladebruine spikkels en vlekken op het brede eind. Ik wil op een met gras begroeide oever liggen in het het blauwe water tussen mij en de rijen hoge biezen, luisterend naar de geheimzinnige geluiden van de wind en de verborgen rallen, koeten en koerlans, die op een vreemde, bijna menselijke toon met elkaar praten, en ik wil mijn blik genietend laten rusten op de bloem van de camalote te midden van de drijvende massa vochtige, heldergroene bladeren en ook op de grote allamanda-achtige bloem van zuiver, bovenaards geel, die haar snoezige blaadjes laat vallen als ze wordt geplukt en niets anders in je hand overlaat dan een groene steel.
Ik wil op de heetste dagen, wanneer de hele aarde glinstert van bedrieglijk water, midden op de dag uitrijden en de duizenden runderen en paarden zien waarmee de vlakte bij de drinkplaatsen is bedekt en in dat stille, warme uur wil ik een plek opzoeken waar grote vogels zich ophouden en wil ik ooievaars, ibissen, grijze reigers, verblindend witte zilverreigers en rode lepelaars en flamingo’s in het ondiepe water zien staan waarin hun roerloze gestalten worden weerspiegeld. Ik wil in januari liggend op mijn rug in het roestbruine gras naar de weidse, warme, witachtig blauwe hemel staren, die vergeven is van eeuwig voorbijzwevende, miljoenen, myriaden schitterende bolletjes distelpluis; ik wil staren en staren tot ze voor mij tot leven komen en ik er in extase bij ben, meezweef in die immense stralende leegte.’

Gaucho_AgendadeReflexion
Gaucho in 1851, William is dan 10. Let op de bolas – ijzeren kogels aan een touw waarmee ze jaagden – aan zijn gordel. William speelt met de houten variant.

Ver weg en lang geleden levert je beelden die je niet snel meer kwijtraakt: ‘Een van de buitengewone kenmerken van de particuliere quintas of boomgaarden of plantages in de buurt van de Saladero waren de muren of heggen. Die waren helemaal opgetrokken uit koeienschedels, wel zeven of acht of negen rijen dik, even gelijkmatig neergezet als stenen, terwijl de hoorns uitstaken. Honderdduizenden schedels waren zo gebruikt, en sommige van de oude zeer lange muren, waarvan de bovenkant werd gesierd door groen gras en waar klimplanten en wilde bloemen uit de holten in de botten groeiden, zagen er merkwaardig schilderachtig, maar enigszins griezelig uit.’

Naast een antropologische component: hoe leefde de Britse immigranten op de pampa, (smient of roodsnavelgans  bij het ontbijt, ‘s avonds koude maaltijd)  hoe leefde de gaucho’s die wij slechts kennen van een matige biefstuk-keten, (wellustig koeien vermoorden, gokken en zuipen en vechten en verhalen vertellen) naast een natuurhistorische kant heeft dit boek nog véél meer te bieden. Je vraagt je bijvoorbeeld af na lezing af hoe goed het is dat kinderen tegenwoordig nog maar zo weinig mogen, zo snel in een keurslijf moeten.

' El Ombu' , een verhalenbundel van Hudson is de naam van de boom met welks beschrijving ook zijn autobiografisch werk een aanvang neemt.
‘ El Ombu’ , een verhalenbundel van Hudson is de naam van de boom met welks beschrijving ook zijn autobiografisch werk een aanvang neemt.

Een fase in de Argentijnse geschiedenis wordt aangeroerd, er staan schitterende episoden in over de broers onderling. Gezinnen van buren en hun indolentie of juist levenslust worden zeer levendig beschreven. Maar vooral de natuurbeschrijvingen – zonder enige kwezeligheid – zijn geweldig. Ik heb in tijden niet zo’n magistraal boek gelezen.

Of zoals – John Galsworthy schreef in de inleiding bij de Engelse uitgave:  ‘Zijn werk is een visioen van natuurlijke schoonheid en menselijk leven zoals het zou kunnen zijn – bezield en gezuiverd door de zon en de wind en de regen, en door het verbond met alle andere vormen van leven – een visioen voor ons, die er meer behoefte aan hebben dan welke generatie dan ook.’

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

‘Waar je ook bent, ik verlaat je nooit’

‘Weet je… het grootste verschil tussen de Vlaamse en Nederlandse literaire cultuur,’ zei DW B-redacteur en de Buren-gastheer Willem Bongers-Dek toen we na de DW B presentatie in de Faculteitsbibliotheek Ingenieurswetenschappen & Architectuur wat gingen eten bij Pane & Vino, ‘is dat het er hier allemaal wat ruiger aan toegaat… In Vlaanderen is ‘t verschil tussen rockers en schrijvers veel kleiner dan in het noorden.’
‘Serieus?’
‘Ja, echt. Hier is ‘t bijvoorbeeld heel normaal dat schrijvers na afloop van hun verblijf hun hotelkamer trashen… Sterker nog: als wij een hotelkamer na vertrek van een auteur netjes aantreffen, dan zijn we bang dat we iets niet goed hebben gedaan.’
‘Zoals Chinezen na het eten altijd keihard boeren om te laten zien dat het allemaal heeft gesmaakt?’, zei ik.
‘Nou, dat is volgens mij een fabeltje.’
‘Ik hoop van niet. Want dan heb ik de afgelopen tien jaar in heel wat Chinese restaurants voor niks voor me uit zitten boeren.’

We hadden geen tijd om het onderwerp verder uit te diepen: we zouden nog naar een handvol karaoke cafés. Niet in Gent, maar in Antwerpen, waar je volgens Willem meer en betere keuze hebt in ‘meezingkroegen’. In zijn Maserati – Miek Zwamborn en ik achterin omdat in de passagiersstoel naast Willem een geüniformeerde etalagepop zat (iets met preventie van autodiefstal en Vlaamse verzekeringsmaatschappijen) – reden we naar Antwerpen. En eenmaal daar van karaokekroeg naar karaokekroeg. Waarschijnlijk hoef ik niemand te vertellen hoe een karaoke avond verloopt. Maar onvergetelijk was ‘t moment waarop we met z’n drieën op de leestafel van Café Het Beleid stonden om het Smurfenlied van Vader Abraham Pierre Kartner te zingen. Willem: ‘Waar komen jullie toch vandaan?’ Miek en ik: ‘Uit een land hier ver vandaan!’

‘Nou,’ zei ik toen Miek en ik om een uur of vier in de foyer van het hotel stonden, ‘laat ik nou eerst mijn kamer maar es even kort en klein gaan slaan, dan heb ik morgen tenminste genoeg tijd om mijn tas in te pakken.’
‘Zou je daar niet liever mee wachten? Anders moet je tussen de glasscherven en houtsplinters slapen.’

Scherp, Zwamborn, verdomde scherp!

De volgende ochtend werd ik wakker van een ongelooflijk kabaal. Miek was begonnen uitdrukking te geven aan haar tevredenheid over het verblijf en de geboden accommodatie. Kogelstoten met een televisietoestel. Lampwerpen, stoelslingeren, spiegelbreken. Voor we naar de ontbijtzaal gingen, hielp ze ook nog even het interieur van mijn kamer te veranderen in een ravage. In een rebus. In een: ‘dankjewel!’

Maar nu een quizvraag!

In welke moderne Europese literaire tekst stapt een vrouw of een man een café-restaurant binnen met een afgebroken deurklink in zijn/haar hand? De lezer die als eerste reageert met het correcte antwoord wint een exemplaar van de door Miek Zwamborn vertaalde novelle De laatste (Arno Camenisch).

Over festival Writers Unlimited dat afgelopen weekeinde (do-zo) plaatsvond in Den Haag is en wordt elders al uitvoerig verslag gedaan. Maxim Februari en ik hebben het er zeer naar ons zin gehad. We begonnen vrijdag om een uur of zes te praten, backstage, liepen tegen half elf pratend het podium op, wandelden pratend naar de theaterfoyer, en later naar het hotel, en ik geloof dat het optreden een tamelijk organisch deel uitmaakte van deze marathonconversatie.

Februar Pruik PaardenhaarNa afloop van het optreden in Den Haag vroegen verschillende mensen me naar de exacte vindplaats van één van de passages die ik voorlas. Ik tik de tekst even over. De bewuste alinea komt uit M. Februari & Marjolijn Drenth, Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek, Amartya Sen en de Onmogelijkheid van de Paretiaanse Liberaal (2000;p.155):

‘Lieve V. Een brief is maar een tijdelijk bericht van eenzaamheid. Wie vermoedt dat de eenzaamheid eeuwig is schrijft een boek. De schriftgeleerden zullen achter beide, brief en boek, het oude verlangen wel weten aan te wijzen. Het vlees, zeggen zij, is zwak. Maar vanaf nu zul je begrijpen wat dat als drijfveer voor het schrijven eigenlijk betekent. Het betekent: waar je ook bent, ik verlaat je nooit.’

Er staat wat er staat. Maar lees je de brief in de context van de roman en het oeuvre van Februari dan gaat die, volgens mij, ook, over de relatie tussen schrijver en lezer, tussen een auteur en zijn of haar talent, tussen verbeelding en werkelijkheid en zelfs over de relatie tussen individu en samenleving en wetenschapper en traditie. Een comparatief literatuurwetenschapper houdt de passage ook nog even naast het nawoord van Februari’s romandebuut.

Soundtrack: Ernst Reijeseger, Mola Sylla, Harmen Fraanje:  Raykwela.

Tirade – constructief.

Volgende week: Herman Heijermans. En meer.

Een stuk dat nooit wordt opgevoerd

Vorige zondag schreef ik over “het romantische idee dat literatuur het laatste pure medium is, waarin de tekst het helemaal alleen moet doen.” Maar natuurlijk doet de tekst het allang niet meer alleen. Hij heeft het zelfs nog nooit alleen gedaan.

Lang voordat er taal werd opgeschreven, werd ze gesproken en gezongen. Stel je een kampvuur voor op de stranden van Pylos, en een pre-Homerische zanger die zijn hexameter met intonatie en gezichtsuitdrukkig ondersteunt; wiens armgebaren achter hem als grote, zwarte schaduwen over het tegen de wind gespannen zeildoek schieten, en die zijn adem dramatisch doet stokken op het moment suprême. Jammer, eigenlijk, dat niets daarvan bewaard wordt in de pagina’s van de Ilias, of om het even welke roman.

Tenzij de lezer het zelf toevoegt. Volgens historici is voor jezelf lezen pas sinds ongeveer 1800 een stille aangelegenheid. En met name sinds lezen geluidloos is geworden, horen we klachten over de expressieve armoede van het (alfabetische) schrift. Zo noemde de beroemdste twintigste-eeuwse taalkundige, Roman Jakobson, het “merely a parasitical superstructure upon speech”, en klaagde de futuristische dichter Khlebnikov dat gedrukte letters als kaalgeschoren geïnterneerden naast elkaar op een rechte lijn staan, sjagerijnig, “de een net als de ander, grijs en kleurloos”.

Voor de Frans-Russische illustrator Alexeïeff (1901-1982) markeerde de transitie van orale naar geschreven literatuur de geboorte van de illustratie. “In orale literatuur”, schreef hij, “kan de verteller toevlucht nemen tot intonatie, ritme, lichaamshouding, tot muziek, dans, kostuums en maskers. Illustratie vult de lacune die de afwezigheid van deze instrumenten in geschreven literatuur veroorzaakt.” Voor hem was een boek zonder illustraties als een theaterstuk dat nooit wordt opgevoerd. “Aan hen die zich verzetten tegen illustratie wil ik vragen: waarom zouden we toneelstukken opvoeren? Waarom lezen we ze niet gewoon? Verliezen ze er wat mee als ze worden opgevoerd?”

Natuurlijk valt hier heel wat tegenin te brengen – het feit, bijvoorbeeld, dat een roman geen theatertekst is en daarom heel anders wordt geschreven. En het feit dat een illustrator die de illustratie verdedigt, niet als onpartijdig gelden kan.

Veel hedendaagse illustratoren staan ambivalent tegenover het beeld. Harrie Geelen bijvoorbeeld stelt dat sommige elementen van een tekst mooier uitkomen als hij ze niet tekent; voor Ted van Lieshout, die – overigens net als Geelen – naast beeldend kunstenaar ook schrijver is, blijven romans ongeïllustreerd omdat ze de laatste vrijplaats zijn waar het voorstellingsvermogen zélf beelden kan bedenken.

Literatuur is nooit beeldvrij, is het nooit geweest, en heeft het nooit willen zijn. Maar de meeste literatoren en lezers willen dat beeld situeren in hun eigen hoofd, in een persoonlijke vormentaal. Zoals Charles Swann die, in Prousts Un amour de Swann, betreurt dat de woorden van een liefdesbrief ook een onafhankelijke, voor vreemden toegankelijke betekenis hebben, en hen kwalijk neemt dat ze niet enkel en alleen bestaan uit de individuele trekken van de unieke geliefde*, zo wil de literatuurliefhebber het voorrecht behouden om die uniforme, ‘grijze en kleurloze’ letters en die algemene woorden tot een voller en ‘eigen’ leven te wekken. De woorden zijn niet persoonlijk; het beeld dat ze oproepen is dat wel. De lezer wil de opvoering van zijn roman zelf regisseren. Van de casting tot de kostuums.

Het is de vraag of deze schroom voor het beeld terecht is. Kan goede illustratie niet juist een springplank zijn voor de verbeelding? Ik betreur het geenszins dat mijn voorstelling van de Ilios altijd beïnvloed zal worden door de breedgeschouderde helden en de intense kleuren van Harrie Geelen, net zo min als ik de cadans betreur die het verhaal dankzij de ritmische tekst van Imme Dros ook in mijn hoofd begeleid. Het is het knappe geheel van tekst en beeld dat het wapengekletter en de soepele tred van Achilleus zo hevig oproept.

Prof. Saskia de Bodt zal op 22 januari tijdens een bijzondere lezing in Spui 25 de vraag stellen waarom de Nederlandse schrijver bang is voor het beeld. Waarom zien we zo weinig illustraties in de Nederlandse literatuur?

*“il regrettait presque qu’elle eût une signification, une beauté intrinseque et fixe, étrange a eux, comme (…) en des lettres écrites par une femme aimee, nous en voulons (…) aux mots du langage, de ne pas être faits uniquement de l’essence d’une liaison passagere et d’un être particulier.” – Un amour de Swann

————————-

hofstede cosseeBregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. In 2014 verscheen haar romandebuut De hemel boven Parijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede.

Volgende week: de Vierde Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede.

Annie’s optimisme

Ik was de afgelopen week ziek en luisterde Heksen en zo, van Annie M.G. Schmidt. Door haarzelf voorgelezen. Het is het enige luisterboek dat ik bezit, op een cassettebandje, en gelukkig ben ik nog in het bezit van een walkman om het te beluisteren. Ik heb dit bandje in mijn leven al zo vaak gehoord, dat ik precies weet wanneer Annie zich verspreekt, wanneer ze pauze neemt om adem te halen, wanneer ze een zin onderbreekt voor een kort kuchje. Toch zal het me niet snel vervelen, want de sprookjes hebben een zalvende humor, lichtheid, optimisme. Oxazepanniemgschmidt mag van mij op doktersrecept uitgeschreven worden. Het is garantie voor zacht inslapen, vriendelijke dromen, en vertrouwen in de mensheid. Wellicht een tikkie verslavend. Luisterend naar de sprookjes uit Heksen en zo viel het me op hoe hedendaags de verhalen aandoen. Zou er dan misschien toch niets veranderd zijn sinds 1964? In de Miesmuizers blijkt bijvoorbeeld dat mensen ook voor het bestaan van twitter massaal, en hoorbaar, zeurden:

 

‘Zo,’ zei de schillenman. ‘En zijn er veel van die miesmuizers in de stad?’

‘Veel?’ zei de mevrouw. ‘Wat heet veel? Duizenden, tienduizenden, luister maar eens goed.’
De schillenman luisterde goed. En wat hoorde hij om zich heen? Het klagen en brommen van de miesmuizers. Grote miesmuizers en kleine miesmuizers. Vader-miesmuizers, moeder-miesmuizers en kindermiesmuizers. Gejammer en gedrens. Gezeur en gejengel. Ja, wie goed luistert, hoort de miesmuizers. Ze willen:

niet naar school,
niet naar kantoor,
een ander leven,
meer snipperdagen,
elke week naar de Rivièra,
geen andijvie,
weer een nieuwe auto

en nog honderd dingen niet en honderd dingen wel.

In Het Beest met de Achternaam komen hiptseronderwerpen als dierenleed voorbij. En vrouwenemancipatie (context: Meisje brengt draak, die ze op diervriendelijke wijze ving, naar de koning):

‘U mag hem niet doodmaken,’ zei Pietepeut gauw.
‘Nee,’ zei de koning. ‘Ik zal hem een park geven voor hem alleen. En jij krijgt de helft van het koninkrijk en je mag met de prinses trouwen.’
‘Wat een onzin,’ zei Pietepeut. ‘Ik ben toch een meisje.’
‘O ja,’ zei de koning, ‘dat is waar ook. Nou goed, dan mag je met de prins trouwen.’
‘Eerst zien,’ zei Pietepeut. En toen ze de prins zag, zei ze: ‘Okee.’

Vroeg ik me af waarom Annie MG’s verhalen zo’n zalvende werking hebben. Natuurlijk groeien al generaties op met haar werk, maar het is niet alleen nostalgie waardoor ik zo op haar verhalen ben gesteld. Volgens mij heeft naast Annie MG haast niemand de Hollandsche volksaard zo zorgvuldig, en zo vermakelijk, doorgrond. Annie’s personages hebben zonder uitzondering een prettige neiging tot rebellie, een onaangepastheid, waarmee ze ons, zonder dat expliciete kritiek nodig is, laten zien dat onze maatschappij bij vlagen wat kortzichtig is, kleinzerig ook, en bovenal (zelfs vandaag de dag nog) burgerlijk. Haar personages hebben vervelende buurvrouwen (mevrouw Helderder), vervelende bestuurders (de burgermeester in Minoes) en vervelende moeders (Floddertje). Geen van Annie MG’s helden zit echter ooit bij de pakken neer. Ze hebben een onvermoeibare drang om goed te doen, om plezier te maken, om zich niets aan te trekken van het gezeur. Ze zijn stuk voor stuk assertief, autonoom, en vooral rasoptimisten.

Zo is Schmidt een eigenaardig soort profeet. Eentje die zag hoe de Nederlansche volksaard in elkaar steekt, maar die ook inzag dat die niet snel zou veranderen. Wellicht daarom schreef ze boeken die al generaties lang aanmoedigen om zich tegen de burgerlijke moraal te verzetten. Halleluja.

‘God werd bedacht door mensen…’

Vorige week publiceerden we hier deel VII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel VIII:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

de laatste paar weken lees ik amper poëzie. Dat komt denk ik door mijn hormonen, die als een razende tekeergaan.

Daardoor ging ik nadenken over hoeveel poëzie ik normaal lees, en of dat eigenlijk wel genoeg is. Nee dus. Maar ik wil niks moeten, met poëzie. Niet moeten lezen, niet moeten schrijven, niet moeten kunnen uitleggen, niet moeten kopen.

Alleen als ik er zin in heb.

Vaak komt de zin in een bundel in een opwelling, stop ik er een in mijn tas en loop ik er een paar dagen mee rond. Zo kan ik me er goed op concentreren, en in verdiepen.

Wat ik zelf mooi vind van poëzie, is de onderstroom die er -als het goed is- in zit, die je onbewust kan oppikken.

Tenminste, bij mij gaat dat onbewust. Daarna kan ik pas een beetje vangen in woorden wat ik er mooi aan vindt, of goed, maar nooit helemaal. Juist dat oppikken van het onbenoembare, dat een dichter een sfeer neerzet die je aanvoelt, daar houd ik van. Kale poëzie, misschien zelfs licht en helder gebracht, maar wat daar achter en onder zit kan me niet zwaar genoeg zijn.

Anders dan de religieuze poëzie in de kerken vroeger, waar ik meezong met loodzware psalmen, op loodzware muziek, in een loodzware omgeving. Geen wonder dat het er saai is: er zit niks dubbelzinnigs in. De boodschap is glashelder.

Ben je eigenlijk religieus opgevoed?

Groet,
Annemieke

———————————————————————————————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

Nee, ik ben niet religieus opgevoed maar heb wel op de Zondagsschool gezeten en luisterde gretig naar de bijbelverhalen.

Onlangs heb ik trouwens de hervertellingen van Guus Kuijer gelezen en herlezen. Ik kan je die reeks – de bijbel voor ongelovigen – aanbevelen, al is het alleen maar omdat Kuijer telkens verrassende perspectieven kiest.

Ik beschouw hem overigens als een van onze beste schrijvers.

Maar dat terzijde.

Tijdens een tv-gesprek dat ik onlangs met hem had refereerde ik aan een boekje van Ellen van Wolde, zij is hoogleraar exegese van het oude testament en haalde een paar jaar geleden de internationale pers omdat het oude testament niet begint met In den beginne schiep God.

Volgens haar interpretatie staat er dat de aarde er al was en dat toen God op het toneel verscheen.

Dat lijkt mij ook logisch. God werd bedacht door mensen die elkaar verhalen vertelden over de oorsprong van de wereld maar ze wisten ook wel dat die wereld er al was.

Terwijl ik dit schrijf moet ik denken aan de laatste voorstelling van Wim T. Schippers, Hoogwater voorheen Laagwater. Lang geleden dat ik zo monter een schouwburg verliet, wat een stuk! Zoals je weet is Schippers in hart en nieren nog steeds een Fluxus-kunstenaar.

Ik citeer uit het programmafoldertje:

‘Zij wijzen elke zoektocht naar betekenis af en zijn ervan overtuigd dat het beter is het leven en de onbegrijpelijkheid die daarbij hoort te omarmen. In al zijn onzinnigheid is het leven voor ons allen een onverwacht cadeau dat we zoveel mogelijk en zolang mogelijk moeten zien te vieren. Want het grote raadsel ligt niet zozeer in de vraag waarom we geboren zijn, maar waarom we, als het dan eenmaal zo is, na een keer of zeventig, tachtig rondjes rond de zon zo nodig weer moeten sterven’.

Zo… en buiten is het opgehouden te regenen.

vrgr

Wim

————————–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel IX.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Man en vrouw met camera

Het laatste deel van Susan Sontags On photography is gewijd aan citaten over fotografie die zij belangrijk vond. Er is sinds 1971 natuurlijk nogal veel veranderd in het denken over fotografie. Er is ook ontstellend veel veranderd in de fotografie zelf – en het belang ervan voor ons. Susan Sontags heeft een schitterende denktrant, en een benijdenswaardige melange van eenvoud en diepzinnigheid, helderheid – ik blijf maar denken dat de grote fotografe Annie Leibovitz na het lezen van deze bundel verliefd op haar moet zijn geworden.

Inmiddels kunnen  Sontags eigen citaten moeiteloos tussen die van de grootheden in haar laatste hoofdstuk staan. Ik citeer uit het essay ‘In Plato’s cave’. Geannoteerd voor 2015.

‘To collect photographs is to collect the world.’ – Pinterest, Flickr en bijvoorbeeld instagram komen tegemoet aan juist deze intentie, verzamelen van plaatjes met als verstrekkend doel bezit te nemen van de wereld om je heen. Je die wereld eigen te maken. Vakanties, straatleven, feestjes. Zijn van jou omdat je ze gefotografeerd hebt.

‘To photograph is to appropriate the thing photograped.’ – Heel eenvoudig geformuleerd de essentie. Vanaf kadrering – buitensluiting  – eigent de fotograaf zich het gefotografeerde toe, maakt het passend, interpreteert het dan ook. De beste toetsteen is Instagram, je kunt in de verzameling van willekeurig wie aan de foto’s zien hoe zij zich tot de wereld verhouden. Iemands verzameling zien, is iemand kennen. En andersom, zoekend vanaf een ding, #icecream bijvoorbeeld, kun je de interessante makers eruit vissen, zij spreken tot je als het ware door hun foto’s heen.

‘Like guns and cars camera’s are phantasy machines whose use is addictive.’ – Makers van camera’s adverteren in de late 60’er jaren op dezelfde wijze als fabrikanten van auto’s en wapens: het zijn gestroomlijnde machines die alles zelf doen, en altijd resultaat leveren. Met de camera in je telefoon tegenwoordig is dit ook zo, je hebt hem altijd aan je holster, altijd geladen, altijd werkend. En de verslaving: ik zie op tegen kennis omtrent hoe exponentieel mijn cameragebruik gegroeid is de laatste jaren, dat zegt genoeg.

Natuurlijk ben ik On photography gaan lezen omdat ik me afvroeg wat fotografie voor me betekent, dus de vraag lag er al, maar juist door Sontags betrekkelijk eenvoudige redeneertrant is er een wereld van vragen geopend. De zekerheid dat mensen hun leven construeren door beelden van dat leven is vandaag nog veel pregnanter aanwezig dan toen het boek in 1971 verscheen. Ook facebook is voor een belangrijk deel een plaatjesboek waarin men zijn wereld verzameld. Ik ben me bewust geworden van mijn impuls te leven door foto’s.

‘Room for thought’ is een denkstap verder: deze app geeft 1 maal per dag op een moment dat door de app gekozen wordt aan, dat je binnen 10 seconden een foto maken moet. ‘To collect photographs is to collect the world.’ is hierdoor iets buiten de beslissingsbevoegdheid van de fotograaf gebracht. Om in ‘Plato’s grot’ te blijven: ‘Room for thought’ verplicht je iets meer je echte wereld te verzamelen, meer dan je gedroomde of ideale wereld. ‘To photograph is to appropriate the thing photographed’ wordt lastiger en tegelijkertijd veelzeggender door ‘ Room for Thought.’ Op Instagram zet je niet snel de binnenkant van je wc-deur, maar als de app je verplicht te fotograferen als je op de wc zit heb je weinig keus. Dan moet je dus in heel korte tijd bedenken hoe je je die omgeving op zo’n manier eigen maakt dat het je persoonlijkheid representeert. Fotograferen als hordenloop.

Het tweede essay, over Diane Arbus is op alle mogelijke manieren een hoogtepunt in de twintigste-eeuwse fotografie-essayistiek. Haar voorbeelden zijn natuurlijk ook uitgelezen. Niet alleen Arbus overigens, Sontag grossiert in verwijzingen, ook in voor mij onbekende voorbeelden.  Neem deze totale beeldliefhebbersporno The Man with the Movie camera van Dziga Vertov:

Sontag schrijft: ‘The man with a movie camera (1929) gives the ideal image of the photographer as someone in perpetual movement, someone moving through a panorama of disparate events with such agility and speed that any intervention is out of the question.’ En daarvoor: ‘The person who intervenes cannot record; the person who is recording cannot intervene.’ Op deze wijze de inactiviteit van de beeldmaker aanroerend die ook nu, in 2015 zo tekenend is, we schieten ons een breuk en voelen ons passiever dan ooit. Overigens ook interessant voor wie geïnteresseerd is in het dagelijks leven in steden als Kiev, Charkov, Moskou en Odessa in de late 20’er jaren. De film van Vertov is vooral fascinerend in de mate waarin het het kijken zelf waarneembaar maakt en hoe je voelt dat wanneer je kijkt  je jezelf op gelijksoortige wijze verlustigt in wat er te zien is, als de cameraman deed. Leven is kijken.

Tirade – ziet voor- en achteruit

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Charlie was alleen

Ik lees de Volkskrant en het Parool; NRC en Trouw koop ik voor de boekenbijlagen. Elke avond kijk ik naar het journaal en als er iets schokkends gebeurt weet ik het via Facebook binnen een uurtje. Ik heb vrienden die met de regelmaat van lab-ratjes nieuwssites checken, in het geval van enige actualiteit ontvangen ze een pushbericht op hun mobiel.

Informatietourette. Het ontladen van interne spanning middels een tic.

Hoe gigantisch de hoeveelheid nieuws ook is, de tornado aan reacties-op-het-nieuws die dag en nacht op het internet voortraast is vele malen groter. Opinions are like assholes, om Dirty Harry aan te halenEn, merk je zeer terecht op, ook Gilles van der Loo heeft er een.

Wat gebeurde er met al die informatie voordat die ons zo makkelijk bereikte? Waarmee vulden we ons hoofd toen er één journaal per dag te zien was, waarop de gewone burger niet online kon reageren? Sinds de jaren ’70 zijn de ontwikkelingen zo snel gegaan dat ik me afvraag of de mens ze heeft kunnen bijbenen. Zijn we wel gebouwd op het moeten voelen van zoveel medeleven?

De afgelopen week kwamen we overal ter wereld samen om de machteloosheid te verdrijven. We hielden onze pen in de lucht en riepen dat we Charlie waren. We wilden godverdomme iets doen. 

Het mag nooit zo zijn dat er op een terroristische aanslag geen openbaar blijk van afkeuring en verontwaardiging volgt, maar zelf denk ik dat de slachtoffers het meest recht gedaan wordt door niet uit de weg te gaan wat zij in hun laatste momenten voelden: angst, machteloosheid en een verschrikkelijk alleenzijn.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Het goede voorbeeld

Uit het oog, uit het hart. Zo werkt ’t bij mij nou eenmaal. Natuurlijk hoorde ik regelmatig gehinnik uit de stallen hier achter en ik ‘zag’ bijna dagelijks één van mijn bedienden door de lanen van mijn landgoed galopperen om mijn glanzende renpaarden fit te houden en toch en toch en tóch realiseerde ik me tijdens een sequentie aan het begin van Benedikt Erlingssons Of Horses and Men (2013) – een ruwe, bonkige, irritante, grappige, deprimerende, saaie, onontkoombare film en (en als dat hysterisch klinkt DAN MOET DAT MAAR!!!) zonder meer één van de beste films die ik de eerste tien dagen van 2015 in de vaderlandse bioscooptheaters heb mogen aanschouwen – waarin je ene Kolbeinn, gespeeld door Ingvar Eggert Sigurðsson, en zijn paard Huppeldepup, de werkelijke naam van het dier ontbreekt om mij onbekende redenen op de aftiteling, in aanstekelijke telgang door agrarisch landschap ziet gaan, pas dat ik zelf over een aantal van die krachtige, elegante dieren beschik.

O, ja, paardrijden! Dat bestond ook nog! Sinds een paar dagen doe ik alles weer te paard. Even met een bloemetje bij oma langs? Te paard! Naar de bakker? Te paard! De slager? Te paard.

Aanstaande woensdag hoop ik in een halve dag van Utrecht naar Gent te galopperen. Ik ga er,  samen met collega Miek Zwamborn – die voor Tirade 456 een passage vertaalde uit Arno Camenisch’ roman Fred en Franz  (2013) – voorlezen en aansluitend met architecten in gesprek over de door Christophe van Gerrewey samengestelde literatuur & bouwkunst special van Dietsche Warande & Belfort.  Meer informatie over de presentatie vind je: daar.

Miek heeft me al laten weten dat ze een te gekke karaoke hut kent in Gent – dus drie keer raden waar mijn stukje van volgende week over gaat. Maar los van het fuiven en instuiven beschouw ik het bezoek aan DW B als een soort stage. DW B bestaat al sinds 1855. Tirade pas sinds 1957. Van DW B’s senioriteit moet ik dus iets kunnen opsteken.

Vrijdag gaan de paardenhoefjes  – om op een bekende regel uit de fascistische/racistische poëziecanon te alluderen – weer zachtjes van trippeltrippeltrippeltrap richting Den Haag, naar de twintigste editie van Writers Unlimited, om optredens bij te wonen van, onder anderen, al die auteurs en tekenaars die hebben meegewerkt aan Tirade 457.

MF zonen uitzicht‘s Avonds heb ik daar dan de eer om met collega-auteur en filosoof Maxim Februari in gesprek te gaan over ‘de roman’. We doen dit onder de titel ‘Op een goed boek zitten we niet te wachten’. Nou, dan word je door de NED-LIT op je wenken bediend, zou je zeggen. Maar het ligt genuanceerder. We gaan elkaar, en het publiek, denk ik, ook vertellen op wat voor soort boeken we wél zitten te wachten. Het gesprek – dat ik stilletjes beschouw als een Masterclass omdat ik Maxim een paar ethische, esthetische en compositorische knopen hoop voor te leggen die ik zelf maar niet weet te ontwarren – vindt plaats in Theaterzaal 2 en duurt van 22.30 tot 23.00 uur.

Er gebeurt natuurlijk nog veel, veel meer tijdens Writers Unlimited. Een overzicht van wat zich van aanstaande donderdag tot en met zondag allemaal afspeelt vind je : alhier.

Tirade – jong genoeg om te leren.

Soundtrack (ook een karaoke hit onder Jihadisten, trouwens):  ‘I’m gonna live forever, I wanna learn how to fly (high!)/ I’m gonna make it to heaven/Light up the sky like a flame (fame!). ‘ Fame.

Volgende week: Ghroeten uit ’s-Gravenhage.

Say Cheese

“Zo’n leuk meisje, altijd zo keurig gekleed, en dan zo’n boek schrijven.”

Deze reactie werd door een vriend opgetekend uit de mond van zijn grootmoeder, die mijn roman gelezen had. De dame was ontdaan – door het handjevol schuttingwoorden misschien, en door wat ze ‘de vruchtafdrijving’ noemde, maar vooral door het contrast tussen het beeld dat ze zich van mij had gevormd en de gedachtenwereld die uit het boek oprees. Ik bleek een ander.

Warempel, het boek lijkt niet op de auteur. Of preciezer: de schrijver – het bewustzijn dat de tekst gevormd heeft – valt niet samen met de persoon die op visite komt en dan zo goedgehumeurd over haar roman vertelt. Want dat is zo’n aardig meisje. (Jan van Mersbergen wijdde een mooie columnreeks aan het onderscheid tussen de twee, die hij respectievelijk de schrijver en de auteur noemt. Zie: bivakmuts.)

Ook als je de auteur nog nooit ontmoet hebt, vorm je je een beeld van hem of haar. Nog voor je een letter gelezen hebt. Omdat je de biografie op de achterflap hebt bekeken, of de portretfoto die nooit ontbreekt, of een interview gelezen hebt. (Voor de meeste hedendaagse auteurs geldt dat ik meer over dan van hen gelezen heb.) De indruk die je je zo  vormt, beïnvloedt jouw lezing. Ik vind dat jammer, vanwege het romantische idee dat literatuur het laatste pure medium is – puur in modernistische zin – waarin de tekst het helemaal alleen moet doen. Zonder deuntjes, zonder stroboscopisch lichteffect of spannende plaatjes, zonder DWDD of top-tien, en dus zonder auteur.

De enige keer dat ik me bewust was dat ik een boek kocht omdat ik benieuwd was naar degene die het had geschreven, was toen ik Het fantoom van Alexander Wolf aanschafte, van Alexander Gazdanov. Die auteur prikkelde me, niet alleen vanwege zijn biografie – hij woonde als levenslange banneling in Parijs, net zoals de eveneens Russische kunstenaar Alexander Alexeïeff naar wie ik een jaar lang onderzoek had gedaan – maar vooral omdat ik het zo’n ongelofelijk mooie man vond. Meestal merk ik niet dat dit gebeurt bij het kiezen van een boek. Meestal denk ik: o, dat is een interessant thema, of: een interessante literaire vorm, en vraag ik me niet af of ik bijvoorbeeld even benieuwd zou zijn naar de dagdagelijkse beslommeringen van Karl Ove Knausgård als hij er niet uitzag als een rockster maar als de boekhouder van een rockster.

Wie te trots is om gekocht en gelezen te worden omwille van een goed portret, zou kunnen weigeren om op de foto te gaan. Dat doet eigenlijk niemand, simpelweg omdat een boek met portetfoto beter verkoopt, en al helemaal wanneer die foto getuigt van het bezit van de hedentendage hoogst aangeschreven component van literair talent, jeugdigheid.

Goed voornemen: wees leuk, altijd goed gekleed, cultiveer je babyface en ga goedlachs op de foto. Schrijf boeken die niet op je lijken.

————————

hofstede cosseeBregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. In 2014 verscheen haar romandebuut De hemel boven Parijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede.

Volgende week: de Derde Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede.

‘Hij zwaaide met twee armen, net zolang tot ik was verdwenen’

Vorige week publiceerden we hier deel VI van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel VII:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

nu we het toch over maken hebben, wil ik het graag hebben over iets wat me sinds je bundel Ruimtevaart opviel. De gedichten die je schrijft die ‘vrij naar’ zijn, intrigeren me. Ik heb wel eens de originelen proberen te vinden, wat me niet is gelukt. Alleen om te kijken hoe vrij dat vrij nou eigenlijk was. Misschien heb ik niet goed genoeg gezocht of bezit je exquise bundels.

Er was een recensent die schreef dat ik nogal wat vragen in mijn gedichten had. Was mijzelf nog nooit opgevallen. De volgende dag, als bij toeval, kreeg ik van iemand Het boek der vragen van Neruda. Fantastisch hoe hij de lijm plakkerig houdt in die gedichten, gemaakt met louter vragen. Ik heb een gedicht geschreven voor Neruda, met alleen maar vragen.

Ik vind de bundel Liedjes van Wijnberg een van de beste bundels die ik heb gelezen. Het raakte me. Ooit reed ik met hem mee omdat we allebei optraden in Groningen. Het was warm, en halverwege rustten we even uit. Hij vertelde hoe zijn ouders de oorlog hadden overleefd door een huis in een dijk te bouwen. Dat beeld bleef me achtervolgen. Ik dacht, daar schrijf ik een liedje over.

Elk voornemen om ‘over iets’ een werk te maken, strandt bij mij per definitie in het proces. Er kwam tijdens het schrijven alleen dit beeld naar boven: Hoe Wijnberg mij uitzwaaide in zijn straat, staande voor zijn huis dat van zijn familie is geweest. Hij zwaaide met twee armen, net zolang tot ik was verdwenen. Uiteindelijk gaat het liedje min of meer daar over, over die bewegingen in de straat, en wat me daarin raakte. Het zwaaien met twee armen riep hetzelfde op als het lezen van zijn gedichten.

Wat zijn dat voor gedichten, die ‘vrij naar’ gedichten van jou? Hoe maak je die?

Groet!
Annemieke

——————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

toen ik voor het eerst in Amerika was en een tijdje in Seattle verbleef bezocht ik regelmatig een antiquariaat waar ik dichtbundels kocht van Amerikaanse dichters als Oppen, Creeley, Olson, William Carlos Williams, Reznikoff.

Openbaringen.

Met name Reznikoff beschouw ik als een voorbeeld. Hij schrijft glasheldere poezie die soms zo helder is dat het je gaat duizelen. Van hem heb ik ook regelmatig gedichten vertaald.

Zo is het begonnen, vrij naar.

Dat ‘vrij naar’ betekent vaak dat ik het gedicht heb vertaald zonder aanspraak te willen maken op een perfecte vertaling. Daar is het me namelijk niet om te doen, ik wil het gedicht naar mijn hand zetten.

Onherstelbaar verbeterd, noemde Gerrit Komrij dat.

vrgr

Wim

————————–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel VIII.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Nu te koop: Tirade 457

Tirade 457 vpVerschenen en inmiddels te koop in de winkel en webwinkel: Tirade 457, de Tirade Writers Unlimited Special 2015.

Tirade 457 brengt literatuur uit de hele wereld. Het nummer bevat teksten van, in volgorde van opkomst: David Grossman, Toef Jaeger, Jennifer Clement, Bregje Hofstede, Muhammad Aladdin, Shantie Singh, Stefan Hertmans, Dinar Rahayu, Martijn Knol, Mira Feticu, Ayikwei Parkes, Maaza Mengiste, Maarten van der Graaff, Louise Fresco, Adriaan van Dis, Hanneke van Eijken,  Milena Michiko Flašar, Witold Szabłowski en Alfred Schaffer.

De illustraties op, in en achterop het nummer zijn van Dominique Goblet, Leela Corman en Michaël Olbrechts.

Tirade 457 bestel je hier.

Meer informatie over Writers Unlimited: daar.

TiradeUnlimited.

Lachen maar…

Satire, de oude literaire vorm van humor die sociale kritiek is, blijkt soms moeilijk te verdragen. Waarom is dat zo, hoe verklaar je woede als gevolg van satire? Ik moet er zelf nogal diep voor graven, want bijvoorbeeld als jongste kind van vijf heb je al vrij vroeg geleerd dat het goed is jezelf bij voorbaat als een beetje belachelijk te zien. Wanneer je in woede ontbrandt vanwege een prent die je raakt in je devotie dan is de zekerheid die je voelt niet erg groot. Woede over satire legt wankelmoedigheid bloot. Als deze grap kan, dan ben ik niet goed bezig met mijn fanatisme, dus deze grap kan niet, want mijn fanatisme is terecht. Het gegeven ‘petitio principii’ zal de daders van gisteren in Parijs weinig zeggen, maar een drogreden ligt waarschijnlijk ten grondslag aan de aanslag op het satirische tijdschrift. Satire daagt voortdurend overtuiging uit.

Malcolm Gladwell schrijft in The tipping point dat goed leiderschap zich omringt door kritische geluiden. Zelfbevestiging is een gevaarlijke tendens in bestuur. Ook maatschappelijk is het gevaarlijk. Satire rekt de spier die zelfinzicht heet. ‘Ben ik echt zo?’ is de vraag die elkeen die aangevallen wordt in een spotprent zich dient te stellen. Wanneer je dan meent van niet dan is een nieuwe spotprent het antwoord. Want satire beantwoord je met satire.

En een aanval op satire, hoe beantwoord je die? Het voelt als een diep geworteld Europeanisme dat Charlie Hebdo al bezig is met het tijdschrift van de volgende week. De satire is niet te stoppen, want de satire is het scherpe potloodpunt van Westers, maar ook van fundamenteel Oosters zelfinzicht.

De satire is dood, leve de satire!

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De hond van Maslow

Zingeving is tegenwoordig een onmogelijk vraagstuk. In het huis waar ik me op deze mooie koude ochtend bevind, was het nog geen twee generaties geleden verreweg het makkelijkste.

Vroeger had je hier in de Jordaan god, en te weinig eten.

Ik weet dat het buiten koud is omdat Birre met een sjaal om haar hoofd naar haar werk vertrok; haar adem zichtbaar in de straat bleef hangen toen ze de hoek om fietste. Onze nieuwe CV maakt van de kou iets romantisch, waarover ik kan schrijven omdat mijn vingers warm zijn en zonder moeite de juiste toetsen van mijn laptop raken.

De afgelopen maanden woonden we in Suriname. Ik heb daar niemand ontmoet die worstelde met zijn raison d’être. Mensen zijn er bezig met een huis, een auto, een flatscreen-TV. Op die plekken waar men weet dat die Sony er nooit zal komen gaat alle tijd op aan jagen, vissen en het lopen van onmogelijke afstanden om bij kostgronden te komen.

Geld maakt in 99% van de gevallen gelukkig. Alleen voor degenen die zich in de toplaag van Maslows piramide bevinden lijkt het niet te werken. Zingeving is dus een luxeziekte, een virus dat de kop opsteekt bij overbevolking en een gebrek aan natuurlijke vijanden.

Otis de hond, die hetzelfde huis bewoont als ik, heeft voor zover ik weet geen geloof. Hij heeft te eten en drinken, krijgt aandacht en hoeft nooit op zoek naar een warme plek om te slapen. Toch lijkt hij niet te kampen met enige vorm van ‘waarom’ of ‘waarheen’. Een oplossing voor onze luxeziekte (zonder arm te worden of religieus) lijkt dat we onze intelligentie bijstellen tot het niveau van welopgevoede Stabij.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De laatste Avonden van het jaar (2)

Hoe het uitlezen van De Avonden de deelnemers van het facebookevent (22 t/m 31 december jl.) is vergaan weet ik niet precies. Ik had in elk geval toch enige moeite met deze herlezing, wat ik van te voren niet had verwacht. Het is me niet gelukt om de dagen tussen kerst en nieuwjaar bij te benen met één hoofdstuk per dag. Helaas, maar wellicht des te passender in dit geval, heb ik ook geen sterke mening over het boek. Uiteindelijk ben ik het nog het meest eens met het, vermoedelijke apocriefe, citaat van Nescio: ‘Dat is geen boek: dat is een onboek.’

Er was tenminste één lezer in de groep die het ‘fantastisch’ vond. Meteen kreeg zij tegengeworpen dat het weliswaar goed geschreven maar ‘nog steeds een kutboek’ is. Voor goede boeken geldt dat de voor- en tegenstanders gelijkelijk zijn verdeeld over de twee kampen. De sterke kanten van De Avonden zijn tegelijkertijd ook wat andere lezers juist verfoeien: de gortdroge, supergecomprimeerde beschrijvingen; de (pijnlijke) herkenbaarheid van de scènes en de algehele awkwardness die overweldigend is. Sommigen vinden dat hilarisch terwijl het soort leedvermaak dat Reve beoogt voor anderen helemaal geen kwestie is van ‘la la, lachen lachen, honderd procent vermaak’ (p. 252). De sadistische trekken van hoofdpersoon Frits, bijvoorbeeld in het derde hoofdstuk, vind ik persoonlijk even verschrikkelijk als grappig.

De Avonden is misschien geen gemakkelijk boek voor de hedendaagse lezer, maar het gevoel dat eruit spreekt overstijgt de tijd van de wederopbouw wel degelijk. Ik schreef al eerder dat het boek voor mij voornamelijk staat voor een saaie periode van het jaar die gepaard kan gaan met een flinke dosis verveling. In principe gebeurt er in het hele boek dan ook niets: Frits maakt geen ontwikkeling door en een overkoepeld verhaal ontbreekt. De opeenvolging van scènes laat vooral zien hoe de tijd verstrijkt. Zo zullen de laatste dagen van het jaar nog heel lang voorbij gaan; nieuwe Frits van Egtersen zijn er ook volop in tijden van smartphones en keuzestress.

Het is dus wachten op een nieuwe De Avonden, een herbewerking in de geest van Reve. Een boek dat de tongen ongetwijfeld nog meer zal losmaken dan het origineel. Wat mij betreft zou dat er als volgt uit kunnen zien.

In hoofdstuk I wordt Frits halfwakker van de wekker die hij drie keer uitzet, voordat hij koffie maakt met de oude percolator op het gasfornuis. Dan kruipt hij terug in bed om te bedenken wat hij die dag gaat doen. Het is maandag, maar hij hoeft niet te werken. Hij besluit cadeaus voor de aanstaande kerst te zoeken, waar hij uiteindelijk niet in slaagt. In hoofdstuk II komt Frits thuis van werk, om meteen op zijn fiets te stappen op weg naar een oude vriend, die pas na drie keer aanbellen opendoet. ‘Wat doe jij tegenwoordig?’ vraagt hij. ‘Ik werk op kantoor. Daar vouw ik brieven en als ik die gevouwen heb stop ik ze in enveloppen en breng ze naar de post.’ ‘Misschien wil ik vertrekken uit dit land, nu ik ontslagen ben,’ zegt de vriend terwijl hij nog een gin-tonic inschenkt. Op weg naar huis rijdt Frits met volle vaart op een auto die plotseling remt. In hoofdstuk III doet Frits, zijn laatste kans grijpend, kerstinkopen. Hij reist in het begin van de middag met de trein naar het noorden des lands. Onderweg staart hij naar Facebook, waarbij hij zich afvraagt of hij zijn account zal verwijderen nu met ingang van 1 januari de voorwaarden veranderen. Zijn tijdlijn komt hem voor als een bron van tijdverspilling. ’s Avonds bezoekt hij zijn grootouders, die hem zwarte koffie te drinken geven ofschoon hij het daarvoor eigenlijk te laat vindt. In hoofdstuk IV volgt Frits een tenenkrommende conversatie die zijn vader voert aan de telefoon. ‘Schikt het morgen? Of vrijdag? Ik kijk even naar…’ ‘Ik weet het niet!’ roept Frits’ moeder, ‘moet je niet naar mij kijken.’ ‘Ik weet het niet, ik weet niet…’ zegt zijn vader in de hoorn. Etc. etc.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Spiegelen

Het klosje garen, klosje band en de schaar worden weerspiegeld door het glanzende tafelblad naast de vrouw met de sigaret in haar rechterhand. Toepasselijk bij een boek dat, onder meer, is gepreoccupeerd met spiegels en spiegelen*. De Nederlandse studente Fie wil niet op haar moeder lijken – op een bepaald moment lezen we zelfs dat ze geen zin heeft om tijdens het Skypen een, in psychologische zin, gespiegeld gesprek met haar te voeren (p.74) – maar besluit uiteindelijk wel de rol van Mathilde, een vroegere geliefde van haar professor Olivier, over te nemen. De gele letters waarin de titel  – De hemel boven Parijs* – op het voorplat staat geschreven doen het al vermoeden en auteur Hofstede flikt het ook echt:  de roman loopt  – voor de belangrijkste betrokkenen – goed af. Dit sterke debuut zoekt eerder aansluiting bij de traditie van het Literaire Existentialisme* dan bij het Postmodernisme of Post-Postmodernisme.

De vader van Riad Sattouf – in het autobiografische L’ arabe du futur – worstelt ook met de vraag wat hij wel of niet moet spiegelen of voorspiegelen. Is hij een Arabische Fransman of een Franse Arabier? En wat betekent dat voor de opvoeding van zijn zoon? Abdel-Razal komt uit een primitief dorp, uit een religieus gezin en is de enige in zijn familie die heeft leren lezen en schrijven. Met Kadhafi en Nasser deelt Abdel een pan-Arabisch ideaal. Arabieren zijn, in zijn ogen, kwezels die moeten worden gesticht verlicht.

Abdel-Razak ontmoet zijn toekomstige vrouw Clémentine, die uit Bretagne komt, aan de Sorbonne, in Parijs. De twee krijgen eerst een relatie, dan een zoontje, Riad (1978). Abdel wordt universitair docent in Tripoli, in het Libië van Mouammar Kadhafi. Wonen is gratis in de heilstaat, het eten wel matig, niet gevarieerd. Clémentine verveelt zich in Tripoli. In 1982 vertrekt het gezin naar Bretagne – en verhuist kort na de geboorte van Zoon Twee naar Syrië om zich te vestigen in Ter Maaleh, het geboortedorp van Abdel dat op 7 kilometer afstand van Homs ligt.

Iedereen zit binnenshuis altijd op de grond, de mannen gescheiden van de vrouwen. Iedere dag schalt de oproep tot gebed over de daken. Dieren worden wreed behandeld, opgehangen misdadigers bungelen vol in het zicht. De straten zijn vies, de bevolking is arm. Franse tijdschriften worden gecensureerd. Zodra Abdel thuiskomt van de universiteit verruilt hij zijn pak voor een djellaba.

Moet Abdel-Razak zijn zoon nu wel of niet verzen uit de koran uit het hoofd laten leren? Riad – door wiens ogen we het verhaal van L’arabe du futur volgen – maakt vriendjes en vijandjes in Syrië. Hij ziet ertegenop om naar school te gaan. Als Abdels gezin, tot opluchting van Riad, in de zomer naar Frankrijk vertrekt, denkt het jongetje dat dat voorgoed is. Maar het blijkt alleen voor de vakantie te zijn. Op de laatste pagina van het boek stapt het gezin weer op het vliegtuig. Riad moet weer naar Syrië, naar school…

Je zou het niet zeggen nu ik alles zo humorloos navertel, maar L’arabe etc. is een heel warm en geestig beeldverhaal. Een arbitraire, particuliere verzameling anekdotes is het eigenlijk – wat het geheel sterker maakt dan wanneer er een dwingend narratief verband zou zijn aangebracht. Net als in de werkelijke wereld is het uitbreken van een oorlog in dit verhaal net zulk groot nieuws als de mededeling dat er een kind komt.
Tu aimerais avoir un petit frère pour jouer avec toi?
Hein?
Papa et Maman vont avoir un autre bébé, comme toi! Tu pourras jouer avec lui!
Non merci.

futurSattouf is goed in het weergeven van het intieme leven van een gezin. Samen eten. Samen televisiekijken. Op de grond spelen. Met een stok de vruchtjes uit een moerbeiboom gooien. Vader Abdel kan niet tekenen – en ontkent dat – hij rooft eieren uit nesten. Hij vindt het niet prettig als zijn vrouw werkt en doet geregeld vrouwonvriendelijke uitspraken; bovendien is hij een racist en een antisemiet. Maar: hij is de vader van Riad. En uit iedere tekening van het gezin en van Abdel spreekt liefde. Hoe aandoenlijk Riad zijn vader tekent telkens als die met een wijsvinger over zijn neus wrijft omdat hij weer eens is vernederd!

De graphic novel – dik papier, genaaide katernen, flappen – is zo groot dat je soms het gevoel hebt dat je gezellig bij Sattouf thuis in z’n tekenblok zit te bladeren. Dat komt ook door zijn sympathieke Do It Yourself stijl, trouwens.

Het boek van Sattouf loopt – net als de roman van Hofstede – goed af. Voor de lezer in dit geval. Met de belofte op een vervolg: à suivre.

———-
Soundtrack:  ‘I’m the teacher teachin’ those that lack what I be teachin‘ –  Poor Righteous Teachers:  Holy Intellect.

Volgende week:  via Gent naar Den Haag.

Noten

*Als Fie tijdens het hardlopen door Parijs verdwaalt is het dankzij de kunst – street art – dat ze haar oriëntatie hervindt: ‘Toen, eindelijk, vond ze iets terug, een graffiti van een grijnzende kop zonder tanden. Hier ergens was het.’ (p.197). In de ogen van Hofstede heeft kunst, geloof ik, een vormende, sturende, voorspiegelde kracht.

*Hofstede kiest haar kleuren niet toevallig. Wie op pagina 209 leest dat een meisje een gele jas en een rode muts draagt, vermoedt een toekomst voor Olivier (rode trui) en Fie (mosterdgele sjaal).

*Ik bedoel: de protagonisten stellen een daad.

Twintig winters wereldliteratuur

Deze week verschijnt Tirade 457, de Writers Unlimited Special 2015. Hieronder, bij wijze van nadere aankondiging, het redactioneel van onze gastredacteur Judith Uyterlinde. Writers Unlimited duurt van 15 tot en met 18 januari 2015. In 2014 verscheen de eerste Tirade Writers Unlimited Special, Tirade 452.

Twintig winters wereldliteratuur

Een jaar geleden zag de eerste Tirade-Writers Unlimited Winternachten Festivalspecial het licht. Dat beviel zo goed dat we het dit jaar nog een keer doen. De vrucht hiervan hebt u nu in handen: een gevarieerd nummer met bijdragen van schrijvers, dichters en tekenaars uit binnen- en buitenland, die tenminste één ding met elkaar gemeen hebben: allemaal zijn ze in januari 2015 te gast bij de feestelijke jubileumeditie van ons internationale literatuurfestival, dat twintig jaar geleden werd opgericht door Ton van de Langkruis.

We openen deze special met een primeur: een voorpublicatie uit de nog onvertaalde roman van de bekende Israëlische schrijver David Grossman. In dit boek gooit Grossman de humor in de strijd: humor als wapen en als schild, maar ook als levenselixer. Achter de harde grappen van zijn hoofdpersoon – een stand-up comedian – gaat een pijn schuil die Grossman suggereert zonder deze te benoemen, maar die steeds schrijnender voelbaar wordt. Grossmans onmogelijke zoektocht naar dat wat niet in taal te vangen is maar ook niet onbenoemd kan blijven stond eerder centraal in ‘Uit de tijd vallen,’ waarin hij al schrijvend zijn verloren zoon probeert terug te vinden. Toef Jaeger wijdt een analyse aan dit boek, waaruit Grossman tijdens het festival voordraagt en dat centraal staat in de leesclub live van Wim Brands.

Speciale aandacht verdienen de in Nederland nog onvertaalde schrijvers als de Indonesische Dinar Rahayu met een mythisch verhaal over een verkrachting, de Egyptische Muhammad Aladdin die de liefde voor een leren jack bezingt en de Poolse Witold Szablowski, rond wiens werk we tijdens het festival een vertaalwedstrijd organiseren.

Wel eerder vertaald maar hier nog relatief onbekend zijn de sprankelende Nii Ayikwei Parkes – met een vrolijk verhaal over een trouweloze Afrikaanse vader – en Jennifer Clement, auteur van de indrukwekkende roman ‘Gebed voor de vermisten.’ Zij situeert haar verhaal in haar woonplaats Mexico-stad, ‘in de tijd voordat het vinden van afgehakte hoofden en handen dagelijkse kost was, toen je nog uit naam der liefde kon worden vermoord’. Net als bij Maaza Mengiste, die een verhaal schrijft over een ontvoering van een Ethiopisch meisje in Libië, gaat bij Clement oog voor maatschappelijk onrecht hand in hand met een verfijnd en beeldend taalgebruik. Een andere literaire ontdekking vormt het werk van de Oostenrijks-Japanse Milena Michiko Flasar, wier verrassende debuutroman tijdens het festival in vertaling verschijnt.

In dit nummer staan ook bijdragen van gevestigde schrijvers als Adriaan van Dis, met ongepubliceerd voorwerk voor zijn recente roman ‘Ik kom terug,’ Louise Fresco met een mijmering over verloren idealen en Stefan Hertmans, internationaal doorgebroken met ‘Oorlog en Terpentijn’ maar in Nederland minder bekend als dichter. Voor dit nummer leverde hij een nog niet eerder gepubliceerd gedicht: een waar loflied op de verbeelding. Ook de aanstormende jonge dichters Maarten van der Graaff en Hanneke van Eijken schreven op speciaal verzoek een bijzonder geslaagd gedicht.

Nieuwe Nederlandse prozaschrijvers in dit nummer hebben zich door het festivalthema ‘Thuis’ laten inspireren tot persoonlijke bespiegelingen over je al dan niet thuis voelen: in je lichaam (Bregje Hofstede), in een huis (Mira Feticu) of in een land (Shantie Singh). ‘Thuis is de wereld van de verbeelding, waarin alles opgebouwd en gesloopt kan worden met de snelheid van de gedachte,’ schrijft debutante Shantie Singh.

Dat laatste wordt levendig geïllustreerd door schrijver en Tiraderedacteur Martijn Knol, die zijn fantasie de vrije loop laat in een verhaal over een levensgevaarlijk bezoek aan een liederlijk muziekfestival. Alfred Schaffer tenslotte doet er nog een schepje bovenop in zijn persoonlijke tirade tegen de dodelijk saaie solo in de pop- en rockmuziek.

Gelukkig is ons literatuurfestival na twintig jaar nog springlevend en allesbehalve saai. We houden de vinger aan de pols van de tijdgeest en luisteren samen met u naar de hartenklop van de literatuur en de taal van de verbeelding. Waarvan akte in deze Tirade-special.

Judith Uyterlinde

Programmeur van het Writers Unlimited Winternachten festival Den Haag

—————–

Foto: Charles Atlas® under license from Charles Atlas, Ltd. Ontwerp: Eindeloos

Formidable

“Hé!”

Ik liep juist door het smalle steegje, een auto breed en vijftig meter lang, dat de afsnijroute vormt tussen mijn voordeur en de metrohalte, en dat me altijd angstig maakt: nauwelijks ramen, weinig mensen, geen ontsnappingsroutes.

De stem kwam van een lange, zwarte, bedreadlockte man, die op de hoek van het straatje tegen de muur leunde. De truien die hij laag over laag had aangetrokken kleefden onder een gezamenlijke vuilkorst aan elkaar. “Hé, Mademoiselle!” riep hij opnieuw. En, toen ik vlug verder liep: “Je ne vais pas vous draguer, promis, juré!

Ik zal u niet versieren hoor, beloofd, erewoord! Die zin frappeerde me zo dat ik de pas inhield en hem aankeek. Het is letterlijk een citaat uit Formidable van de Brusselse zanger Stromae. Toen de zwerver me zag aarzelen en met een lach en een breed armgebaar een stap in mijn richting zette, verdween ik vlug de mond van de metrotunnel in, en ontsnapte door de poortjes die op betaling opengaan.

Tijdens de rit naar mijn werk – langs Brouckere, Parc, Arts / Loi, Maelbeek, haltes waar de metro zich vult met ontheemden van de chique soort, ook op weg naar hun hydraulische bureastoelen en hun bloempotten met Spathiphyllum in de Europese buurt – dacht ik aan die reflex van herkenning. Ik verzon dramatische hartekreten die de zwerver me ook had kunnen toevoegen – “Ik heb geen geld, ik heb geen onderdak en het wordt min vijf vannacht, help mij” – en die me minder zouden hebben geraakt dan die ene strofe. We deelden een culturele code, en onmiddelijk hoorden we zodanig tot dezelfde groep dat ik me wél aantrok wat hij zei. Dat hij voldoende ‘iemand zoals ik’ werd om me over hem te willen ontfermen.

De clip bij Formidable is geheel opgenomen met verborgen camera. De zanger, die acteert dat hij beschonken is, zwalkt over straat in één van Brussels beste buurten. Hij wordt genegeerd of bekeken en uitgelachen; een enkeling filmt hem. Het lied dat de man met de dreadlocks mij citeerde gaat, kortom, juist over de kloof tussen ons, gewone mensen met onze zaakjes op orde, en de dronken schooier die lallend langs ons zwalkt als we op de tram wachten: de dronkelap die gisteren nog net als wij was, maar met wie vandaag niemand nog wil praten. “Pour les mecs comme moi, vous avez autre chose à faire, hein. Vous m’auriez vu hier, j’étais formidable.”

Een snipper gedeelde cultuur is dus genoeg om een touwbrug over die kloof te slaan, dacht ik, en ik bewonderde de humor en de superieure ironie van mijn zwerver, zoals ik hem in gedachten al noemde. Als hij er straks nog was, zou ik hem mijn maaltijdcheques geven, dacht ik. En wat zou ik doen voor de eerste die mij de Odyssee citeerde, of Zwervers van Knut Hamsun?

Binnen tien minuten waren er twee jonge mannen met kartonnen bordjes (“Ik heb honger”) langsgekomen, en was ik een oude man in slaapzak gepasseerd. Ik ging mijn kantoorgebouw binnen, deed mijn jas uit en gaf mijn Lepeltjesplant water. Misschien, dacht ik, was er wel een verborgen camera. Misschien werd ik ook gewoon versierd door een vagebond. Misschien citeerde Stromae hém.

—————————–

Bregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. In 2014 verscheen haar romandebuut De hemel boven Parijs. In het komende nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede. Bovendien zal zij in januari optreden tijdens de twintigste editie van het Writers Unlimited Festival (Den Haag).

De versleten toekomst

Op nieuwjaarsdag ging ik naar Interstellar, de nieuwe film van Christopher Nolan. Achterovergeleund in een bioscoopstoel in Oost-Berlijn, met een ietwat unheimlich gevoel in mijn maag van nieuwjaarskater en van de goedkope pizza als ontbijt, liet ik deze lekker megalomane ruimtepioniersfilm over mij heen komen, en begon mijn eerste dag van het jaar veelbelovend inspirerend*.

Interstellar is een science fiction in de ware zin van het woord. Wetenschappers zijn de helden (en de slechteriken). Het verhaal balanceert continu op de grens van wat je nog kunt begrijpen of volgen. En een van de belangrijkste inspiraties van de film is het, (eveneens moeilijk te bevatten) concept uit Einsteins relativiteitstheorie, dat tijd relatief is**. De ruimtereizigers uit Interstellar bezoeken bijvoorbeeld een planeet waar elk uur aanwezigheid gelijkstaat aan zeven jaar op aarde. Geen prettige gedachte voor protagonist Cooper, een vader wiens kinderen thuis zitten te wachten op zijn terugkomst. Als Cooper na een mislukte missie op deze planeet, later dan verwacht naar het ruimtestation terugkeert, is zijn collega grijs geworden. ‘Waar bleven jullie?’, zegt hij. ‘Ik heb 23 jaar gewacht.’ Cooper bekijkt vervolgens videoboodschappen die zijn kinderen hem stuurden, die inmiddels zelf volwassen zijn geworden, kinderen hebben gekregen. Neem een pakje zakdoekjes mee als je op ruimtereis gaat.

Nolan moet zich voor het maken van deze film hebben onder meer hebben laten inspireren door George Lucas,  de bedenker van het principe van the used future (wat een geweldige term, hoe kan het dat nog steeds geen band bestaat met deze naam?). Lucas was de eerste die de toekomst afschilderde als iets dat modern is en toch onderhevig aan slijtage. De Millenium Falcon bijvoorbeeld, het ruimteschip van Han Solo in de Star Wars-films is steeds kapot, en heeft een flinke schop tegen het bedieningspaneel nodig, voordat hij naar topsnelheid kan overschakelen. Ook Interstellar speelt zich af in een toekomst die oud is, en behoorlijk versleten. Geen enkele vooruitgang is te bespeuren, enkel afbraak sinds de dag van vandaag. Nolan bedacht, eerder dan een used future, een degraded future. De aarde is veranderd in een gortdroge spookwereld, die wordt geteisterd door erosie en zandstormen. De auto’s, de drones, de mensen en zelfs de NASA-stations zijn oud, en hoesten van het rondwarende stof. Bovendien lijden de laatste bewoners honger omdat een woekerende schimmel de meeste gewassen heeft vernietigd. Het enige lichtpuntje voor de kijker lijken korte fragmenten van mensen die  – nog verder in de toekomst – terugblikken op voor-hen-het-verleden/voor-ons-de-toekomst, en die dingen zeggen als: ‘Er was overal stof. We dekten de tafels met de borden ondersteboven, omdat er anders te veel stof op zou liggen tegen de tijd dat we gingen eten.’ Kennelijk is het op een dag toch beter geworden.

Vannacht zag ik opeens een mooi promotieonderzoek voor me naar het verband tussen economische conjunctuur en de afschildering van de toekomst in films. Het Amerika van 1975 waarin Lucas begon aan zijn eerste Star Wars-film was, evenals het nu, getroffen door economische teruggang (denk ook aan 1984 dat vlak na WO2 werd geschreven). Daar tegenover staan films als 2001: a Space Oddyssey (uit 1968) en AI van Spielberg (uit 2001) die de toekomst portretteren als een glanzende wereld vol goedgeklede mensen die champagne drinken in gestileerde ruimtestations, en die beiden werden geschreven in tijden van grote, (langdurige) economische vooruitgang. Kennelijk is het idee dat je kinderen het beter of slechter zullen hebben dan jij, voer voor een toekomstbeeld dat glorieus is of juist zwart als roet. Interstellar herinnert ons er in die zin ook aan dat in 2015 de economie weer aantrekt zodat we binnenkort weer over de toekomst kunnen denken als iets waar we reikhalzend naar uitkijken.

 

* Vriendin Phuc leerde me dat in Vietnam de eerste dag van het jaar geld als miniatuur van het jaar dat je te wachten staat. Lig je de hele nieuwjaarsdag in bed (afhankelijk van wat je daar precies doet), dan staan je niet veel avonturen te wachten (of juist wel). Ben je aan het werk op de eerste dag van het jaar dan staat je een ijverig jaar te wachten, etcetera etcetera. Maar wat als je op nieuwjaarsdag een space-pioniersfilm kijkt? Staan mij ruimtereizen voor de boeg? En al die andere mensen in de bioscoopzaal ook?

** Vriend/natuurkundige Timo probeerde me ooit uit te leggen  (en ik probeer dat nu te reproduceren) dat je de relativiteit van tijd waarneembaar zou kunnen maken als iedereen een apparaatje bij zich zou hebben dat bestond uit twee tegenover elkaar liggende spiegels waartussen een lichtstraal (verticaal) heen en weer kaatst. Dit zou als twee mensen direct tegenover elkaar stilstaan zichtbaar zijn als een rechte streep licht. Echter, als iemand je (bijv. met een trein) voorbijgaat, terwijl jij stilstaat, zou zijn lichtstraal er voor jou uitzien als een driehoek, terwijl het voor hemzelf nog altijd een rechte streep blijft, en de werkelijk afgelegde tijd en afstand van het lichtstraaltje gelijk is. Er is dus een verschil in de waarneming van tijd die verband houdt met de snelheid waarmee je je voortbeweegt. Wie stilstaat leeft, geloof ik, korter. De tijdswinst is overigens niet zo groot als de ene persoon met de fiets rijdt en de andere persoon te voet. Zelfs een tripje naar de maan zet schijnbaar nog niet echt zoden aan de dijk. Maar mochten we ooit manieren vinden om op lichtsnelheid te reizen, en via wormgaten naar andere sterrenstelsels, dan kunnen dit schijnbaar jaren worden. Ik ben bang dat ik nu de aandacht van mijn lezers heb verloren, maar het is dan ook het einde van dit veel te lange blog.

‘Zo wil ik eindigen: als een oude man die notitieboek na notitieboek vult…’

Vorige week publiceerden we hier deel V van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel VI:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

Iemand zei me ooit dat je mensen kan indelen naar landschappen: zee, bergen, bos. De zee spreekt me het meeste aan, omdat ik er zo gelukkig van word. Ik weet niet hoe het werkt, maar het is zo.

Toen ik werkte aan het huis aan zee had ik vanuit drie ramen zicht op de zee. Ik wilde erover schrijven en tekenen. Dan ging ik naar buiten, dijk op, dijk af, en nam foto’s van het water. Weer terug, en dan zat ik achter mijn beeldscherm te kijken naar foto’s van de zee. Ik kreeg er maar geen grip op.

Ik denk altijd aan het verband dat de zee maakt: hoe het water alle landen op de wereld aanraakt. Dat duizelt me. Het lukte me daar niet om iets te maken. Ik heb bij de zee alleen maar beelden verzameld. Ik kan trouwens bijna nooit ter plekke, tijdens een ervaring werk maken. Altijd achteraf.

Als ik poëzie schrijf, raak ik in een vreemde staat van zijn. Een soort afwezigheid. Alsof mijn hersenen in mijn vingers zitten. Als ik teken, heb ik het idee dat ik met mijn hand denk.

Waar begint het schrijven bij jou?

Hartelijke groet,

Annemieke

——————————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

Over tekenen gesproken: dat zou ik graag willen kunnen, misschien dat ik les ga nemen. Maar eerst wil ik me me bekwamen in de veldbiologie. Geen idee waar ik de tijd vandaan ga halen maar ik vind het idee dat ik af en toe denk ‘eigenlijk had ik bioloog moeten worden’ niet te verdragen en Tijs Goldschmidt die ik onlangs op straat sprak verzekerde me dat hij me wel in contact kan brengen met biologen die werken met mensen  die voor hen veldstudies verrichten.

Zo wil ik eindigen: als een oude man die notitieboek na notitieboek vult met aantekeningen over buizerds.

Soms verbeeld ik me trouwens dat mijn schrijven een vorm van biologie is.

Dat ervaar ik bij voorbeeld sterk als ik een gedicht voor een Eenzame Uitvaart moet schrijven.

Er sterft iemand die je niet kent, binnen een paar dagen moet je een gedicht over hem of haar schrijven. Maar wat? Er daalt altijd een enorme rust in me neer als ik aan zo’n klus begin.

Eerst vlooi ik rustig door de kaartenbak die mijn geheugen is. Ik bekijk beelden, herinner me regels die er bijhoren, alsof ik verslagen van oude tochten herlees.

En dan ga ik schrijven.

Ik spreek de gestorvene toe, gebruik gegevens uit de kaartenbak.

Hoe minder ik nodig heb hoe beter.

Soms dient zich een vondst aan.

Die verwijder ik altijd.

Als tekenaar zou ik dat wat ik zag in een paar lijnen willen vangen. Waarbij ik ook vrede heb met wat er misgaat. Ken je het werk van Saul Steinberg? Briljant is het, echt tekenen kon hij intussen niet. Zo bedacht hij voor de The New Yorker ooit een scene waarin je twee mensen in een bed ziet liggen terwijl er een man achter het bed staat.

Alleen die man achter het bed leek meer op een zeehond. En met die fout deed Steinberg dan weer zo zijn voordeel dat het een onnavolgbare cartoon werd,

vrgr

Wim

————————–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel VII.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Jaargang 59

De 59e jaargang van Tirade is… geopend!

Vanaf volgende week te koop in iedere serieuze boekhandel en te bestellen via de Oorshop:  de Tirade Writers Unlimited Special 2015.*

Wordt snel vervolgd…

TiradeUnlimited.

 

 

 

 

 

*Ontwerp voorplat: Emiel Efdée. Illustratie: Michaël Olbrechts.