Joseph Roth -Leviathan 8

(Lees vanaf het begin)

En Nissen Piczenik vergat in de haven van Odessa al snel de plichten die een gewone Jood uit Progrody heeft. Hij ging ‘s ochtends noch ‘s avonds naar het gebedshuis om de voorgeschreven gebeden te zeggen, maar hij bad thuis, heel haastig en zonder werkelijke en correcte gedachten aan God, en hij bad slechts als een grammofoonplaat, de tong herhaalde mechanisch de geluiden die begraven waren in zijn hersenpan. Was er op de wereld ooit eerder zo’n Jood geweest? Thuis, in Progrody, was het koraalseizoen begonnen. Nissen Piczenik wist dit, maar hij was niet langer de oude continentale Nissen Piczenik, maar de nieuwe, de pasgeboren oceanische. Ik heb genoeg tijd – hield hij zichzelf voor – om terug te keren naar Progrody! Wat mis ik daar nou helemaal! En hoeveel heb ik hier nog te winnen! En hij verbleef drie weken in Odessa en bracht er elke dag gelukkige uren door bij de zee, met de schepen, met de kleine visjes.

Dit was de eerste vakantie in het leven van Nissen Piczenik.

6

Toen hij naar Progrody teruggekeerd was, ontdekte hij dat hij niet minder dan honderdzestig roebel uitgegeven had, inclusief de reiskosten. Maar zijn vrouw en alle anderen die hem vroegen wat hij zo lang in het buitenland had uitgespookt, vertelde hij dat hij in Odessa ‘belangrijke zaken’ had gedaan. In deze periode begon de oogst en kwamen de boeren niet zo vaak meer naar de markten. Zoals ieder jaar in deze weken werd het rustiger in het huis van de koraalhandelaar. De koralenrijgsters verlieten zijn huis al laat in de middag. En ‘s avonds, als Nissen Piczenik terugkeerde uit het gebedshuis, wachtte hem niet langer het heldere gezang van de mooie meisjes, maar slechts zijn vrouw, met het gebruikelijke bord met uien en radijs en de koperen samowar.

Koraalhandelaar Piczenik voegde zich niettemin in de gebruikelijke regelmaat van zijn herfstdagen, niettegenstaande de herinnering aan de dagen in Odessa, van welks commerciële vruchteloosheid niemand behalve hijzelf enig idee had. Een paar maanden later overwoog hij al om opnieuw belangrijke zaken voor te wenden en naar een andere havenstad af te reizen,  naar Petersburg bijvoorbeeld. Voor materiële ontberingen hoefde hij niet te vrezen. Al het geld dat hij opzij had gezet in de loop van de lange jaren van zijn handel in koralen, die steeds winst had opgeleverd, lag bij de woekeraar Pinkas Warschawsky, een gerespecteerde geldschieter in de gemeenschap die meedogenloos was in het incasseren van schulden maar evengoed alle rente op tijd betaalde. Nissen Piczenik hoefde niet bang te zijn voor lijfelijke ontbering; hij was kinderloos en had dus geen nakomelingen om voor te zorgen. Waarom dus niet naar een andere van de vele havens gereisd? De koraalhandelaar begon derhalve al aan zijn plannen voor de volgende lente, toen er iets ongewoons gebeurde in de naburige stad Sutschky.

In dit kleine stadje, dat net zo klein was als de geboortestad  van Nissen Piczenik, Progrody, opende op een dag een man, die niemand in het hele gebied kende, een koralenwinkel. Deze man heette Jeno Lakatos en hij kwam, zoals men al snel hoorde, uit het verre Hongarije. Hij sprak Russisch, Duits, Oekraïens, Pools, naar behoren, en als iemand het toevallig maar gewild had, zou de heer Lakatos ook Frans, Engels en Chinees hebben gesproken. Hij was een jonge man met steil, blauwzwart, gepommadeerd haar, overigens de enige man in de omgeving die een glanzende, gesteven kraag droeg, een das en een wandelstok met een gouden knop. Deze jonge heer was enkele weken geleden in Sutschky aangekomen, had daar vriendschap gesloten met de slager Nikita Kolchin bewerkte hem zo totdat deze besloot een koraalhandel samen met Lakatos op te starten. Het bedrijf met het felrode uithangbord was genaamd: N. Kolchin & Compagnie.

Onberispelijke rode koralen glommen in de etalage van deze winkel, lichter van gewicht dan de stenen van Nissen Piczenik, maar veel goedkoper. Een hele grote zak koralen kostte een roebel vijftig, halssnoeren waren verkrijgbaar voor twintig, vijftig, tachtig kopeken. De prijzen stonden in de etalage vermeld. En opdat niemand deze winkel zomaar zou voorbijlopen, speelde binnen een grammofoon de hele dag vrolijk schallende liedjes. Je kon ze in de hele stad en daarbuiten horen – tot in de omliggende dorpen. Er was geen grote markt in Sutschky zoals in Progrody. Niettemin – en ondanks de oogsttijd – kwamen de boeren naar de winkel van meneer Lakatos om de liedjes te horen en het goedkope koraal aan te schaffen.

Nadat de heer Lakatos een paar weken zijn aantrekkelijke bedrijf had gerund, verscheen op een dag een rijke boer bij Nissen Piczenik en zei: ‘Nissen Semjonowitsch, ik kan maar niet geloven dat je mij en de anderen al 20 jaar bedriegt. Maar nu is er een kerel in Sutschky die de mooiste koraalsnaren verkoopt, voor vijftig kopeken per stuk. Mijn vrouw stond op het punt om daarheen te gaan – maar ik dacht dat we het eerst even aan jou moesten voorleggen, Nissen Semjonowitsj.’

‘Deze Lakatos,’ zei Nissen Piczenik, ‘is beslist een dief en een oplichter. Een andere verklaring voor zijn prijzen is er niet. Maar ik ga er zelf heen als je me een lift wilt geven in je wagen.’

‘Goed’, zei de boer. ‘Overtuig jezelf.’

De koraalhandelaar reed dus naar Sutschky, bleef een poosje voor de etalage staan, hoorde de schallende liedjes vanuit de winkel, ging toen uiteindelijk naar binnen en sprak meneer Lakatos aan.

‘Ik ben zelf koraalhandelaar’, sprak Nissen Piczenik. ‘Mijn waren komen uit Hamburg, Odessa, Triest, Amsterdam. Ik begrijp niet hoe en waarom je zulke goedkope en mooie koralen kunt verkopen.’

‘Je bent van de oude generatie’ antwoordde Lakatos. ‘en sorry dat ik het zeg: een tikje achtergebleven.’

Intussen kwam Lakatos van achter de toonbank vandaan en Nissen Piczenik zag dat hij een beetje mank liep. Blijkbaar was zijn linkerbeen korter, want zijn linkerschoen had een hiel die twee keer zo hoog was als die aan de rechterkant. Hij geurde geweldig bedwelmend – en je vroeg je af waar in zijn slanke lichaam de bron van al dat geuren eigenlijk zat. Zijn haar was blauwzwart als de nacht. En zijn donkere ogen, die eerst misschien vriendelijk schenen, gloeiden elk ogenblik zo intens dat een vreemd lichtje gloeide in het midden van hun zwartheid. Onder de zwarte, gedraaide snor glimlachten Lakato’s witte en blinkende tanden.

‘Dus?,’ vroeg de koraalhandelaar Nissen Piczenik.

‘Nou,’ zei Lakatos, ‘wij zijn dus niet gek. Wij duiken niet naar de bodem van de zeeën. We maken gewoon kunstmatige koralen. Mijn bedrijf heet: Lowncastle Brothers, New York. Ik heb twee jaar met succes in Boedapest gewerkt. De boeren merken er niets van. De boeren in Hongarije niet, en de boeren in Rusland al helemaal niet. Ze willen allemaal mooie, rode, gave koralen. En kijk eens aan. Goedkoop, mooi, decoratief. Wat wil je nog meer? Echte koralen kunnen niet zo mooi zijn! “

‘Waar zijn je koralen dan van gemaakt?’, vroeg Nissen Piczenik.

‘Van celluloid, mijn beste, gemaakt van celluloid!’, riep Lakatos opgetogen uit. ‘Niets tegen de techniek! Want weet je: in Afrika groeien rubberbomen, latex en celluloid worden gemaakt van rubber. Is dat onnatuurlijk? Zijn rubberbomen minder natuur dan koralen? Is een boom in Afrika minder natuurlijk dan een koraal op de bodem van de oceaan? – En, wat zeg je ervan? Zullen we samenwerken? Neem een beslissing! Binnen een jaar ben je al je klanten kwijt door mijn concurrentie – en je kunt in de zee zakken met al je echte koralen, naar waar de prachtige stenen vandaan komen. Dus zeg op: ja of nee? “

‘Geef me twee dagen’, zei Nissen Piczenik.

En hij reed naar huis.

(hier doorlezen)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Hullen in haren en naalden (Over Charlotte Mutsaers)

Het tuincentrum Ranzijn (‘Tuin & Dier’) is getransformeerd tot een kerstlabyrint. Ik zoek hondenvoer, maar stuit op pluchen rendieren met uitpuilende ogen, grote houten pinguïns (?) en plastic sneeuwpoppen zonder ogen, maar mét tanden. Huiveringwekkend.

Een echtpaar staat geagiteerd te discussiëren of ze nu wel of niet een gouden of zilverkleurige piek gaan aanschaffen voor hun kerstboom. Elders wegen twee identieke dames goudkleurig bespoten dennenappels in hun hand, alsof ze jeu-de-boule spelen en aanstonds gaan werpen.

Ik bezie het echtpaar met de piek, en werp een blik op hun nog onversierde kerstboom in de kar. Opeens waan ik me in een kledingzaak, waar ouders dure jassen en andere kledij kopen om hun kind, hun trofee, mee te versieren. Niets is te gek voor het kind: goud, zilver, engelenhaar. De laatste trends zijn geloof ik wollen kerstballen en schijfjes gedroogde citroen.

In december herlees ik meestal De avonden van Gerard Reve, maar inmiddels weet ik het wel met die bessen-appel. Bovendien is het coronaleven al claustrofobisch genoeg. Dit jaar herlees ik Zeepijn van Charlotte Mutsaers. Hierin legt zij het verband tussen de dennenboom en de zee, en pluist het uit. De essays, verhalen en brieven in dit prachtige boek hullen zich in een vacht van naalden, en ook de vertelster, Mutsaers zelf, geeft het toe aan het einde van het boek: ‘Ik ben geboren in een houten jas.’

Wie schrijft wordt. Zelden deed iemand dat mooier, grappiger en diepzinniger dan Charlotte Mutsaers in Zeepijn. Ook lezen is worden. Met elke pagina van Zeepijn word je meer zee en pijnboom, en ruik je en adem je, en wieg je mee op de golven en in de wind. Geïnspireerd en gemotiveerd door het concept ‘wordingen’ in het werk van de Franse filosoof Gilles Deleuze, hult Mutsaers zich als schrijver niet alleen in de naalden van de kerstboom, maar ook in de vachten van paarden, honden en andere zoogdieren. In het essay ‘Fik en Snik’ uit de bundel Paardenjam kijkt ze over de rand van een tafel naar een vers gebakken, geurige kersentaart (zoals afgebeeld op een schilderij van Bonnet). ‘Via de hondenblik om je heen kijken,’ schrijft Mutsaers, ‘dat geeft de dingen kleur.’

Terug in het labyrint van kerstversiering en jingle bells gidst de hond me naar de hoek met vlees. We laden een stapeltje hondenworsten in het mandje, ook voor in de vriezer. Op weg naar de uitgang passeer ik de geurloze plastic sneeuwpop zonder ogen, maar met tanden. Opnieuw huiver ik. Bij de kassa staat een lange rij van mensen, honden en kerstbomen. Ze ademen zwaar achter hun mondkapjes, hijgen, dampen, trillen en bloeden hars.

Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014).

Laatste les

Een van de dingen die ik het liefst doe is lesgeven op de Schrijversvakschool. Omdat ons vaste gebouw coronabeperkingonvriendelijk is, waren er de afgelopen weken ruimtes geboekt in de Beurs van Berlage.

In de mijne – niet de mooie directeurskamer, die kreeg Nico Dros – stond altijd een bak lolly’s klaar. De enkele beglazing liet het fraairuige innercity soundscape van de buurt geweldig door. Toegegeven: geen toeristen, maar wél goed wat auto-alarmen en wegrennende dealers.

Mijn klasje was een van de gezelligste ooit, wat natuurlijk kwam door de studenten, maar ook doordat de lessen voor ons allemaal het uitje van de week betekenden. Niet eerder zat ik in de appgroep van een klasje, niet eerder wilde ik na élke les met mijn studenten bier gaan drinken.

Bij de laatste les zouden we allemaal iets meenemen. We zouden eerder afbreken en dan een uurtje borrelen. Toen ik binnenkwam stond de dranktafel al behoorlijk vol.

‘Ik stel voor,’ zei ik. ‘Dat we eerst jullie werk bespreken en dan een blikkie opentrekken.’

De klas wilde er niks van weten. Zelf zat ik na een halfuur al aan de pils.

Als er voor volwassenenonderwijs een ethische commissie is, dan kom ik de situatie daar graag toelichten. Ik ben er zeker van dat ik de absolute noodzaak van dat winterkoude, maar tegelijk lauwzwetende blikje pilsner helder zal kunnen overbrengen. We waren heel snel klaar met bespreken. Het zou een mooi verhaal zijn als we stiekem uit het raam hadden gerookt, dus zo staat dat hier nu ook.

Voor tien uur ruimden we alle sporen weg. Letterlijk: alsof we nooit in het zaaltje gezeten hadden. Dit ging vanzelf, zonder overleg wist iedereen zijn rol. Voor de geloofwaardigheid liet ik een Chupa-chupfolietje achter op de tafel bij de deur.

Vanaf het bordes keek ik mijn cursisten na, en bedacht nog eens hoe raar het is onaffe, zelfgeschreven verhalen te delen met een kamer vol bijna-vreemden. Twee van mijn studenten hadden moeten stoppen wegens zwangerschap. Eentje zou bijna bevallen en de ander werd door haar zwangerschap verrast, te misselijk om nog te gaan. Een derde stopte wegens een plotselinge relatiebreuk, te verwoest om nog te gaan.

Ik deed een wens dat het allemaal goed mocht komen en fietste naar huis, waar de slaap me urenlang ontlopen zou.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Joseph Roth – Leviathan 7

(Lezen vanaf het begin)

‘En ik,’  zei Nissen Piczenik  ‘ben mijn stad Progrody nooit uitgekomen en enkel boeren kopen mijn koralen. Maar u zult mij hier allemaal toe willen geven dat een eenvoudige boerin, versierd met een paar kettingen van prachtig, smetteloos koraal, meer voorstelt dan een groothertogin. Trouwens, koralen worden door hoog en laag gedragen, ze verheffen de nederigen en sieren de fine fleur. Koralen kunnen ‘in de morgen,’ s middags, ‘s avonds en’ s nachts gedragen worden, bij een feestelijk bal, bijvoorbeeld in de zomer, in de winter, op zondag of op doordeweekse dagen, op het werk en in vrije tijd, in gelukkige tijden en op momenten van rouw. Er zijn veel soorten rood in de wereld, beste medereizigers, en er staat geschreven dat onze Joodse koning Salomo een heel speciaal rood had voor zijn koninklijke mantel, omdat de Feniciërs die hem aanbaden hem een heel speciale worm hadden geschonken, die de gewoonte had om rode kleurstof als urine uit te scheiden. Het was een kleur die er tegenwoordig niet meer is, het paars van de tsaar is niet meer diezelfde kleur, want de worm stierf na Salomo’s dood, de hele soort van deze wormen stierf uit. En kijk, deze kleur komt nu alleen nog voor in volstrekt rode koralen. Maar waar ter wereld heb je ooit rode parels gezien?’

De zwijgzame koraalkoopman had nog nooit zo’n lange en zo’n begeesterde rede afgestoken voor zoveel vreemden. Hij schoof zijn pet van zijn voorhoofd en wiste het zweet van zijn voorhoofd. Hij glimlachte beurtelings naar de medereizigers, en ze onthaalden hem op het applaus dat hij verdiende. De man heeft gelijk!’, riepen ze als uit een keel.

En zelfs de parelhandelaar moest toegeven dat Nissen Piczenik weliswaar geen gelijk had in deze kwestie, maar een uitstekende redenaar was waar het koralen aanging.

Uiteindelijk bereikten ze Odessa, de stralende haven, met het blauwe water en de vele bruidswitte schepen. Hier wachtte de pantserkruiser al op de matroos Komrower als een vaderlijk huis op zijn zoon. Nissen Piczenik wilde het schip ook wat van naderbij bekijken. En hij ging met de jongen naar de opzichter en zei: ‘Ik ben zijn oom, ik wil het schip zien.’ Hij was zelf verbaasd over zijn durf. Nee, dit was niet langer de oude continentale Nissen Piczenik die met een gewapend matroos aan het praten was, dit was niet de Nissen Piczenik van het Progrody van het continent, maar een compleet nieuw mens, als iemand wiens ingewand binnenstebuiten was gekeerd, een soort van binnenstebuiten persoon, een oceanische Nissen Piczenik. Het kwam hem voor dat hij niet per trein was gekomen, maar regelrecht uit zee, uit de diepten van de Zwarte Zee. Hij kende het water zo goed als hij zijn geboorteplaats, daar waar hij woonde -Progrody – nooit had gekend. Overal waar hij kijkt ziet hij schepen en water, water en schepen. De bleekwitte, gitzwarte, koraalrode – ja, koraalrode – wanden van de sloepen, de boten, de schepen, de zeiljachten, de motorboten geselen teder het eeuwig kabbelende water, nee, dat klopt niet, de schepen worden gestreeld door honderdduizenden kleine golven die als tongen zijn en handen in één, tongetjes en handen tegelijkertijd. De Zwarte Zee is helemaal niet zwart. In de verte is zij blauwer dan de lucht, vlakbij is ze groen als een weide. Duizenden snelle kleine visjes hupsen, springen, glijden, dwalen, schieten en vliegen heen en weer als je een stuk brood in het water gooit. De blauwe lucht strekt zich uit over een wolkenloze haven. De masten en schoorstenen van de schepen strekken zich ernaar uit. ‘Wat is dit? Hoe heet dat?’ vraagt Nissen Piczenik onophoudelijk. Dit is een mast en dat is de boeg, hier zijn reddingsvesten, er zijn verschillen tussen boot en sloep, zeilboot en stoomboot, mast en schoorsteen, kruiser en koopvaardijschip, dek en achtersteven, boeg en kiel. Honderd nieuwe woorden bestormen haast het arme maar vrolijke hoofd van Nissen Piczenik. Na lang wachten (uitzonderlijk, zegt de onderofficier), krijgt hij toestemming om de kruiser te inspecteren en zijn neef te vergezellen. De luitenant van het schip zelf verschijnt om de joodse handelaar te bestuderen die aan boord van een kruiser van de keizerlijke Russische marine rondloopt. Zijn hooggeborene, de luitenant-admiraal van het schip, geglimlach. De zachte wind waait langs de lange zwarte panden van de mantel van de magere roodharige Jood, je ziet zijn versleten, verscheidene malen opgelapte gestreepte broek in zijn matte knielaarzen zitten. De Jood Nissen Piczenik vergeet zelfs de geboden van zijn religie. Voor de glimmende wit-gouden pracht van de officier neemt hij zijn zwarte pet af en zijn rode, gekrulde haren wapperen in de wind. ‘Je neef is een goed matroos!’, zegt zijn hooggeborene, de officier. Nissen Piczenik kan geen passend antwoord vinden, hij glimlacht alleen, hij lacht niet, hij glimlacht stil. Zijn mond is open, je kunt de grote geelachtige paardentanden en het roze gehemelte zien, en de koperrode sik hangt bijna tot over zijn borst. Hij kijkt naar het stuurwiel, de kanonnen, hij mag door de telescoop kijken – en Godbetert, de afstand komt dichtbij, wat veraf is, is er al, achter de lenzen. God gaf mensen ogen, dat is zo, maar wat zijn gewone ogen vergeleken met ogen die door een verrekijker kijken? God heeft mensen ogen gegeven, maar ook verstand, zodat ze telescopen kunnen uitvinden en de kracht van deze ogen kunnen versterken! En de zon schijnt op het dek, richt zijn stralen op de rug van Nissen Piczenik, en toch heeft hij het niet warm. Omdat de eeuwige wind over de zee waait, ja het lijkt alsof er een wind uit de zee opkomt, een waaien vanuit de diepte van de wateren.

Uiteindelijk kwam dan het uur van afscheid. Nissen Piczenik omhelsde de jonge Komrower, maakte een buiging voor de luitenant en vervolgens voor de matrozen, en verliet de pantserkruiser. Hij had besloten om onmiddellijk na het afscheid van de jonge Komrower terug te keren naar Progrody. Maar hij bleef toch in Odessa. Hij zag de pantserkruiser vertrekken, de matrozen groetten hem, terwijl hij in de haven stond te zwaaien met zijn blauw, rood gestreepte zakdoek. Hij zag vele andere schepen vertrekken en zwaaide naar alle onbekende passagiers. Want hij ging elke dag naar de haven. En iedere dag leerde hij iets nieuws. Hij hoorde bijvoorbeeld wat het anker hijsen, of: de zeilen binnenhalen, of: lading lossen, of: schoten aanhalen, enzovoort betekent.

En iedere dag zag hij al die jonge mannen in matrozenpakken aan het werk op de schepen, in de masten klimmen, hij zag de jonge mannen door de straten van Odessa lopen, arm in arm, een hele reeks matrozen die de hele breedte van de straat in beslag namen – en het ging hem aan het hart dat hij zelf geen kinderen had. Gedurende deze uren had hij zonen en kleinkinderen gehad willen hebben – en het staat buiten kijf: hij zou ze allemaal naar zee hebben gestuurd, ze zouden matrozen zijn geworden. Ondertussen was zijn onaantrekkelijke vrouw onvruchtbaar en thuis in Progrody. Ze heeft vandaag namens hem  koralen verkocht. Is te haar wel gelukt? Kent ze de betekenis  van koraal wel?

(Hier doorlezen)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een verzoening

Toen mijn werk als recensent voor Het Parool begon, hield ik er volop rekening mee dat Gilles de eetmeneer Gilles de schrijver van de kaart zou vegen, maar ik hoopte ook dat de nieuwe naamsbekendheid goed zou zijn voor de verkoop van mijn eigen werk.

Van meet af aan leefden de twee Gillessen op gespannen voet. Fictiegilles zei voortdurend zijn recenserende tegenpool te waarderen, terwijl hij eigenlijk jaloers was op het aantal lezers dat Eetgilles bereikte.

De vraag waarom ik me zo verzette tegen een samenkomen van de eter en de schrijver in me leek steeds meer lading te krijgen. Mensen om me heen zagen er juist een gouden combinatie in.

Sinds kort maak ik – vanwege de coronasluiting zijn er geen recensies – een rubriek die ik al tijden wilde maken. In De smaak van toen bezoek ik mensen die me interesseren en voor wie ik een positief of negatief emotioneel geladen gerecht uit hun verleden kook. Daar praten we dan over, en van mijn uren met hen doe ik voor de krant verslag.

De madeleine van was mijn aanvankelijke idee, maar de verwijzing naar Proust bleek te old school voor in de krant.

Het punt dat het maken van De smaak van toen weer voor me scherp stelt is dat bezig zijn met smaak evenzeer bij me hoort als schrijven.

In mijn nieuwe rubriek komen een liefde voor mensen, eten en verhalen bijeen, zonder de boze brieven of morele bezwaren die het recenseren in deze en gewonere tijden met zich mee brengt. Ik voel me vrij om te schrijven zoals het in me opkomt, schik de verhalen van mijn gasten met hun instemming steeds vrijer.

En zie die twee schijnbaar onverenigbare Gillessen zich in hun samenwerking verzoenen.

Beeld: Nathalie Girard

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Datça

De junizon scheen uitbundig terwijl ik vanaf het balkon van mijn moeders zomerappartement naar het Griekse eiland Simi keek. Gisterenavond waren we na een reis van acht uur uit Konya aangekomen.

Sinds de dood van mijn vader in 1997, gebruikte mijn moeder dit appartement van juni tot oktober als toevluchtsoord. Ze kon het in haar huis in Izmir waar mijn vader was overleden niet uithouden. Herinneringen aan mijn vader en de zomerse hitte speelden haar parten.

Mijn moeder zat tegenover me te dommelen –  haar korte benen bengelden op een hoogte van tien centimeter boven de vloer –  en mijn vrouw maakte een rondgang langs de zee.

In het oord was het opvallend stil en rustig voor de tijd van het jaar. Naar verluidt wachtten de vakantiegangers die in Istanbul woonden de opnieuw uitgeschreven verkiezingen op 23 juni af om te kunnen stemmen voor een nieuwe burgemeester in hun stad. Daarna zou het opeens druk kunnen worden.

Het besef dat elke stem telde hield de vakantiegangers thuis. De uitslag van de verkiezingen van 31 maart 2019 voor het burgemeesterschap van Istanbul had een nipte overwinning voor de oppositie opgeleverd. Bijna niemand had verwacht dat Binali Yıldırım, de kandidaat van Erdogans AKP, jarenlang minister van Vervoer, voormalig voorzitter van het parlement en gedurende een korte periode minister president, het zou afleggen tegen de kandidaat van de grootste oppositiepartij CHP, de jongere en minder bekende Ekrem Imamoglu, voormalig burgemeester van een district in Istanbul, telg uit een behoudende immigrantenfamilie, oorspronkelijk afkomstig uit Trabzon en wiens vrouw geen hoofddoek draagt. Het partijkader van de AKP in Istanbul was volkomen verrast en vocht de uitslag aan. De Kiescommissie besloot om de verkiezingen over te doen.

Voor Erdogan stond er veel op het spel: met 16 miljoen inwoners is Istanbul te belangrijk om het burgemeesterschap te verliezen, terwijl zijn partij de meerderheid in de gemeenteraad wel had behouden. Deze stad, waar hij tussen 1994 en 2002 burgemeester was geweest, heeft een symbolische betekenis voor hem. Erdogans verkiezing tot burgemeester luidde destijds de eerste overwinning in van de islamitische beweging op het seculiere establishment.

Voor we naar Nederland zouden terugvliegen zou de uitslag bekend worden gemaakt.

Mijn vrouw had veel foto’s gemaakt die ze mij op haar camera liet zien. Mijn moeder werd wakker en vroeg haar een paar pannen van een hoge plank te pakken. Ze kreeg elke zomer bezoek van haar kinderen, kleinkinderen, achterneven en -nichten. Er was altijd iemand in de buurt om haar te hulp te schieten. In het ergste geval belde ze de overbuurman.

De pannen zouden de komende maanden vaak hun weg vinden naar het fornuis waar mijn moeder de lekkerste maaltijden bereidde voor haar logés. Wij verheugden ons op gevulde aubergines, gebakken courgette met yoghurt, opgerolde wijnbladeren en geroosterde paprika.

Voorlopig was er een einde gekomen aan de spanning die reizen altijd bij me teweegbrengt. Tijd om te ontspannen.

Op 23 juni om negen uur ‘s avonds maakten de tv-stations de definitieve uitslag van de verkiezingen voor het burgemeesterschap van Istanbul bekend. De AKP leed er een historische nederlaag. Ekrem Imamoglu (CHP) vergrootte de voorsprong op zijn opponent van 13.000 naar ruim 800.000 stemmen en werd tot de nieuwe burgemeester benoemd.

Wij vertrokken op 27 juni 2019 per bus en reisden – via tolwegen – naar Izmir waar onze vakantie in Turkije van start was gegaan en nu ten einde liep.

Met dit negende blog sluit ik mijn reisverslag af.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Bar side manner

Drie tellen nadat RTL Nieuws bekendmaakte dat het kabinet advies gevraagd zou hebben aan het Outbreak Management Team over een mogelijke beperkte opening van de horeca rond de kerstdagen, piepte mijn telefoon.

Hoe zitten jullie half december? appte Hans-Ivo. We moeten klaar zijn. Snel toeslaan.

Rob reageerde binnen de minuut: Laten we in de startblokken staan en ONMIDDELLIJK reserveren ZODRA het kan.

Ik heb een tijdje na moeten denken over het waarom van mijn lauwe reactie hierop in ons appgroepje. Tenslotte ben ik hier de culinair recensent, de ex-horecaman, de liefhebber van alles wat op borden of onder kurk te vinden is.

Waar ik op uit kom is dat ik sinds maart in een halfslaap lijk te zitten. Het doet allemaal net echt aan, maar het kán mijn leven niet zijn. Onder beperkingen uit eten en helemáál uit drinken gaan, voelt als op je trouwdag de verkeerde zuster toegeschoven krijgen.

Ze is mooi en absoluut de moeite waard. Die handen ken je, die glimlach die altijd aan één kant van haar mond begint, maar zij is niet degene waar je als een zoutblok voor gevallen bent.

Hoewel ik tijdens de beperkingen best kon genieten van een restaurantbezoek, werd ik er ook erg droevig van. Toen de horeca voor de tweede keer op slot ging, besloot iets in me kennelijk dat ik van nu af aan zou wachten op de ware.

Maar een heropening zal gefaseerd gaan. Misschien zelfs met horten en stoten. Dat is voor mij dus onacceptabel.

Zoals er in Amsterdamse cafés en restaurants geweldige talenten werken, zo consumeren er in die cafés en restaurants ook buitengewoon begaafde gasten. In de woorden van Jochem Pinxteren: ‘Het ontwikkelen van een goede bar side manner vergt discipline, jaren van training.’

Ik klop me hier niet op de borst, zie mezelf nog als een krap bovengemiddelde cafébezoeker, maar ik ben al die jaren blijven groeien en heb mijn potentieel bij lange na nog niet vervuld. Ik had ook een dream team bij elkaar, dat met onderlinge steun en gezonde competitie onvermoede hoogte in het vizier bracht.

Nu ik dit allemaal zo onder woorden breng, de pijn ook voor de lezer voelbaar maak, zie ik heel helder dat wij bij de eerste groep horen die in de rij mag staan voor Pfizer.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.