Joseph Roth – Leviathan 7

(Lezen vanaf het begin)

‘En ik,’  zei Nissen Piczenik  ‘ben mijn stad Progrody nooit uitgekomen en enkel boeren kopen mijn koralen. Maar u zult mij hier allemaal toe willen geven dat een eenvoudige boerin, versierd met een paar kettingen van prachtig, smetteloos koraal, meer voorstelt dan een groothertogin. Trouwens, koralen worden door hoog en laag gedragen, ze verheffen de nederigen en sieren de fine fleur. Koralen kunnen ‘in de morgen,’ s middags, ‘s avonds en’ s nachts gedragen worden, bij een feestelijk bal, bijvoorbeeld in de zomer, in de winter, op zondag of op doordeweekse dagen, op het werk en in vrije tijd, in gelukkige tijden en op momenten van rouw. Er zijn veel soorten rood in de wereld, beste medereizigers, en er staat geschreven dat onze Joodse koning Salomo een heel speciaal rood had voor zijn koninklijke mantel, omdat de Feniciërs die hem aanbaden hem een heel speciale worm hadden geschonken, die de gewoonte had om rode kleurstof als urine uit te scheiden. Het was een kleur die er tegenwoordig niet meer is, het paars van de tsaar is niet meer diezelfde kleur, want de worm stierf na Salomo’s dood, de hele soort van deze wormen stierf uit. En kijk, deze kleur komt nu alleen nog voor in volstrekt rode koralen. Maar waar ter wereld heb je ooit rode parels gezien?’

De zwijgzame koraalkoopman had nog nooit zo’n lange en zo’n begeesterde rede afgestoken voor zoveel vreemden. Hij schoof zijn pet van zijn voorhoofd en wiste het zweet van zijn voorhoofd. Hij glimlachte beurtelings naar de medereizigers, en ze onthaalden hem op het applaus dat hij verdiende. De man heeft gelijk!’, riepen ze als uit een keel.

En zelfs de parelhandelaar moest toegeven dat Nissen Piczenik weliswaar geen gelijk had in deze kwestie, maar een uitstekende redenaar was waar het koralen aanging.

Uiteindelijk bereikten ze Odessa, de stralende haven, met het blauwe water en de vele bruidswitte schepen. Hier wachtte de pantserkruiser al op de matroos Komrower als een vaderlijk huis op zijn zoon. Nissen Piczenik wilde het schip ook wat van naderbij bekijken. En hij ging met de jongen naar de opzichter en zei: ‘Ik ben zijn oom, ik wil het schip zien.’ Hij was zelf verbaasd over zijn durf. Nee, dit was niet langer de oude continentale Nissen Piczenik die met een gewapend matroos aan het praten was, dit was niet de Nissen Piczenik van het Progrody van het continent, maar een compleet nieuw mens, als iemand wiens ingewand binnenstebuiten was gekeerd, een soort van binnenstebuiten persoon, een oceanische Nissen Piczenik. Het kwam hem voor dat hij niet per trein was gekomen, maar regelrecht uit zee, uit de diepten van de Zwarte Zee. Hij kende het water zo goed als hij zijn geboorteplaats, daar waar hij woonde -Progrody – nooit had gekend. Overal waar hij kijkt ziet hij schepen en water, water en schepen. De bleekwitte, gitzwarte, koraalrode – ja, koraalrode – wanden van de sloepen, de boten, de schepen, de zeiljachten, de motorboten geselen teder het eeuwig kabbelende water, nee, dat klopt niet, de schepen worden gestreeld door honderdduizenden kleine golven die als tongen zijn en handen in één, tongetjes en handen tegelijkertijd. De Zwarte Zee is helemaal niet zwart. In de verte is zij blauwer dan de lucht, vlakbij is ze groen als een weide. Duizenden snelle kleine visjes hupsen, springen, glijden, dwalen, schieten en vliegen heen en weer als je een stuk brood in het water gooit. De blauwe lucht strekt zich uit over een wolkenloze haven. De masten en schoorstenen van de schepen strekken zich ernaar uit. ‘Wat is dit? Hoe heet dat?’ vraagt Nissen Piczenik onophoudelijk. Dit is een mast en dat is de boeg, hier zijn reddingsvesten, er zijn verschillen tussen boot en sloep, zeilboot en stoomboot, mast en schoorsteen, kruiser en koopvaardijschip, dek en achtersteven, boeg en kiel. Honderd nieuwe woorden bestormen haast het arme maar vrolijke hoofd van Nissen Piczenik. Na lang wachten (uitzonderlijk, zegt de onderofficier), krijgt hij toestemming om de kruiser te inspecteren en zijn neef te vergezellen. De luitenant van het schip zelf verschijnt om de joodse handelaar te bestuderen die aan boord van een kruiser van de keizerlijke Russische marine rondloopt. Zijn hooggeborene, de luitenant-admiraal van het schip, geglimlach. De zachte wind waait langs de lange zwarte panden van de mantel van de magere roodharige Jood, je ziet zijn versleten, verscheidene malen opgelapte gestreepte broek in zijn matte knielaarzen zitten. De Jood Nissen Piczenik vergeet zelfs de geboden van zijn religie. Voor de glimmende wit-gouden pracht van de officier neemt hij zijn zwarte pet af en zijn rode, gekrulde haren wapperen in de wind. ‘Je neef is een goed matroos!’, zegt zijn hooggeborene, de officier. Nissen Piczenik kan geen passend antwoord vinden, hij glimlacht alleen, hij lacht niet, hij glimlacht stil. Zijn mond is open, je kunt de grote geelachtige paardentanden en het roze gehemelte zien, en de koperrode sik hangt bijna tot over zijn borst. Hij kijkt naar het stuurwiel, de kanonnen, hij mag door de telescoop kijken – en Godbetert, de afstand komt dichtbij, wat veraf is, is er al, achter de lenzen. God gaf mensen ogen, dat is zo, maar wat zijn gewone ogen vergeleken met ogen die door een verrekijker kijken? God heeft mensen ogen gegeven, maar ook verstand, zodat ze telescopen kunnen uitvinden en de kracht van deze ogen kunnen versterken! En de zon schijnt op het dek, richt zijn stralen op de rug van Nissen Piczenik, en toch heeft hij het niet warm. Omdat de eeuwige wind over de zee waait, ja het lijkt alsof er een wind uit de zee opkomt, een waaien vanuit de diepte van de wateren.

Uiteindelijk kwam dan het uur van afscheid. Nissen Piczenik omhelsde de jonge Komrower, maakte een buiging voor de luitenant en vervolgens voor de matrozen, en verliet de pantserkruiser. Hij had besloten om onmiddellijk na het afscheid van de jonge Komrower terug te keren naar Progrody. Maar hij bleef toch in Odessa. Hij zag de pantserkruiser vertrekken, de matrozen groetten hem, terwijl hij in de haven stond te zwaaien met zijn blauw, rood gestreepte zakdoek. Hij zag vele andere schepen vertrekken en zwaaide naar alle onbekende passagiers. Want hij ging elke dag naar de haven. En iedere dag leerde hij iets nieuws. Hij hoorde bijvoorbeeld wat het anker hijsen, of: de zeilen binnenhalen, of: lading lossen, of: schoten aanhalen, enzovoort betekent.

En iedere dag zag hij al die jonge mannen in matrozenpakken aan het werk op de schepen, in de masten klimmen, hij zag de jonge mannen door de straten van Odessa lopen, arm in arm, een hele reeks matrozen die de hele breedte van de straat in beslag namen – en het ging hem aan het hart dat hij zelf geen kinderen had. Gedurende deze uren had hij zonen en kleinkinderen gehad willen hebben – en het staat buiten kijf: hij zou ze allemaal naar zee hebben gestuurd, ze zouden matrozen zijn geworden. Ondertussen was zijn onaantrekkelijke vrouw onvruchtbaar en thuis in Progrody. Ze heeft vandaag namens hem  koralen verkocht. Is te haar wel gelukt? Kent ze de betekenis  van koraal wel?

(Hier doorlezen)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.