De buurman

Mijn buurman, meneer Braaksma, woont op de begane grond. Het is een jolige oude baas met een geruite pet op, die voorover gebukt achter zijn rollator naar voren schuifelt. Op warme dagen gebruikt hij het ding als een stoel en overziet hij de buurt. Alles aan hem is rond; zijn bolle lijf, zijn hoofd in de vorm van een ham. ‘Weet je wat dit is?’ vraagt hij me kloppend op zijn bast. ‘Levenslust!’ En dan schatert hij homerisch om zijn eigen grap.

Regelmatig maak ik een praatje met hem als ik terugkom met een volle boodschappentas.

‘Zo…terug van de rooftocht?’ zegt hij dan met een aanstekelijke Jordanese tongval. ‘Ze zijn weer es bij me langs geweest. Figuren van de woningbouwvereniging. Willen weten of ik niet eens aan de cv-ketel wil? “Nou”, zeg ik, “jullie mogen dat onding best installeren…as ik in me graf leg! Ik heb me kacheltje en ben daar dik tevreden mee. Dank je feestelijk”. Ik ben over de tachtig! Wat moet ik nog met zoiets onbenulligs?’   

Als ik dan inbreng dat het gebruik van kachels misschien wettelijk niet meer mag, en dat ze hem daarom zo lastigvallen, zegt hij droog: ‘In míjn huis maak ík dat uit.’ En dan slaakt hij een diepe, welgemeende zucht.

Mijn meest bizarre herinnering is de volgende: ik loop langs hem en hij begroet me met een ondeugende grijns. ‘Zes es, jongen,’ vraagt hij met zijn handen leunend op zijn wandelstok, ‘is jouw generatie gelukkig?’

‘Ja,’ zeg ik kortaf zonder een idee te hebben waar dit heengaat.

Hij lacht nu zodanig hard dat zijn rollator piept en kraakt onder zijn schuddende lijf, smekend om zuurstof. ‘Nou,’ hikt hij, ‘volgens mij niet,’ waarop hij wijst naar de boom tegenover ons pand waar in de bovenste takken twee behaatjes zitten.

Ik geef het eerlijk toe, want ontkennen heeft geen zin. ‘Gisteravond werd ik dronken met een vriendinnetje en toen hebben we in kennelijke staat…’ We kijken samen geamuseerd naar de kledingstukken die vastzitten aan de klauwen van hout.  

‘De buurvrouw spreekt er schande van,’ zegt Braaksma, ‘maar ik vind het geweldig. Jij bent net as ik; houdt ook van een beetje ontregeling. Kom es hier.’ Samenzweerderig breng ik mijn gezicht dichterbij die van hem. ‘Dat bordje voor mijn raam met die hond erop en de tekst ‘IK BIJT NIET, IK AMPUTEER’…da’s één grote flauwekul. Ik heb helemaal geen hond. De blafgeluiden die je hoort, komen van een bandje.’ Hij lift zijn imposante fysiek van de rollator, die een kreet van opluchting slaakt. ‘Mevrouw van hiernaast meent dat mijn hond haar narcissen ongevraagd van water voorziet.’

Hij waggelt het bloemenperk met de zojuist besproken narcissen tegemoet en keert zijn rug naar me toe. Een rits wordt naar beneden getrokken en zijn broek zakt gedeeltelijk naar beneden. Mijn keurige opvoeding dwingt me weg te kijken, maar mijn perversie kan het niet laten. Een verschrompeld en gerimpeld brandblussertje komt tevoorschijn en een dun straaltje uiterst donkere urine klettert neer op de bloempjes. De blaadjes buigen onderdanig naar voren als ze eenmaal geraakt zijn. Nadat hij zijn lading heeft gelost, bergt Braaksma zijn in onbruik geraakte gereedschap netjes op, de waarschuwingswoorden ‘WIJ ZIJN GEEN HONDENTOILET’ negerend.

Drie dagen na zijn overlijden vind ik het hondenbord bij de vuilnisbakken. Ik heb het meegenomen naar huis als aandenken aan deze tijdloze rebel.

Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Gewichtloos

What will you miss the most on Earth?

I will miss swimming the most.’

Dit fragment uit een interview met een potentiële Marskolonist komt uit Weather (2020), die nieuwe roman van Jenny Offill (1968). Deze minuscule inkijk in het gevoelsleven van een geharde, rücksichtslose avonturier ontroerde me: dat iemand die bereid is om vrienden, familie, dierbare plekken en zelfs de aardse zwaartekracht achter zich te laten, toch hecht aan de gewichtloze toestand van de zwemmer. 

Na drie maanden voornamelijk binnen te hebben gezeten, ben ik voor het eerst weer baantjes gaan trekken. Buiten, in het Brediusbad; de eerste keer in de ochtendzon, de tweede keer in de kou. Aanvankelijk viel die gewichtloosheid me wat tegen. Sterker nog: ik merkte er vrijwel niets van. Mijn lijf leek log en slap te zijn geworden. Ik sleepte mezelf zo goed als het ging vijfentwintig meter op en neer, happend naar adem en proestend van weer een mondvol chloorwater.

Later die week las ik het meest recente boek van L.H. Wiener (1945): Zeeangst. Een logboek (2020). Het is een verslag van een bootreis naar Engeland en terug, vergezeld door vriendin Ant en poes Loes. De schrijver legt minutieus de koers en voortgang vast, en fileert onderwijl het gedrag en taalgebruik van de Britse medemens. Het is een relatief luchtig geheel, dat af en toe wordt opgeschud door calamiteiten, die de tocht (gelukkig) niet definitief dwarsbomen. 

Meer dan de reis zelf zijn het de terloops genoteerde anekdotes en herinneringen van Wiener die dit boek zo onderhoudend maken. Zo brengt hij een prachtig saluut aan de tragische cultauteur Malcolm Lowry (1909-1957) en vertelt hij bijzonder aanstekelijk over The Unquiet Grave (1944) van Cyril Connolly (1903-1974). Indringend is Wieners beschrijving van zijn eerste confrontaties met de zee, waar het logboekmee opent:

‘Op 4 mei 1958, ik was toen dertien, heb ik op driehonderd meter voor de kust van Zandvoort het verdrinkingsproces zo goed als geheel ondergaan. Het licht ging uit op het moment dat ik door een der andere schipbreukelingen weer het leven werd in getrokken.

Deze gebeurtenis heeft de zee voor mij getransformeerd tot een vijand, die het op mij heeft voorzien en die ik vrezen moet, terwijl ik tegelijkertijd weet dat het niet zo is. En zo is zeezeilen voor mij een dualistische uitdaging geworden. Enerzijds zee kiezen en opgaan in de natuur, met alle existentiële diepgang van dien, en anderzijds het tarten van de dood. Niets minder dan dat.’

Na zelf weer even de mogelijke vijandigheid van het water geproefd te hebben, probeerde ik het een week later nog eens. Het morgenlicht maakte het bad schokkend helder: onderwater kon ik, tussen de trappelende benen door, de verste uithoeken zien. Na de eerste meters viel de weerstand opeens weg. Ik gleed door het water, voelde me daadwerkelijk gewichtloos, opgetild – een sensatie die ik inderdaad niet graag missen zou.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Ahoy Pan,

Boca Chica opnieuw, Boca Chica nog steeds. Boca Chica. Ze waren er nog: de meisjes. Alles was er nog: de lege kantoren waar de verf van de muren bladdert, dezelfde dikke mannen in legeruniformen en de scooter-taximan met het vierkante hoofd wachtte nog steeds onder dezelfde boom. Boca Chica: niets was veranderd.

Uiteindelijk zijn we dan vertrokken. Onder zeil varen we nu dicht aan de wind onder de zuidkust van Hispaniola, gigantisch eiland in de tropische ochtendzon. De kustsnelweg oogt vooralsnog zoals altijd, vol met als gekken rijdende auto’s. De reclameborden daarboven zien er ook hetzelfde uit als voorgaande jaren: de ooit felle kleuren zijn nu verbleekt en verroest. De kleine Caribische golfslag beukt op de kust zoals ze eeuwen heeft gedaan en ik ruik die typisch Caribische geur nog eenmaal: nat regenwoud en verbrand plastic. De geur van natte hitte. 

Ik weet niet of ik mijn zeepost aan een of twee personen moet adresseren. Je zei dat je je na zoveel maanden nooit meer alleen voelt, maar wel eenzaam. Ik schrijf  dus vooral aan jou, voor jou, de wachtende Pan aan de andere kant van de oceaan. Je kunt het later wel voorlezen als onze kleine geboren is.

Elk jaar is het moeilijker onze cacao, koffie en rum over de grens, door het hek van de haven van Boca Chica te krijgen. Waar we ze een aantal jaren geleden nog afkochten met flessen goedkope wijn uit Spanje, werkt dit niet meer. ‘Capi, Capi, Capi!’ schreeuwen ze van vroeg tot laat en ze willen geld zien. Geld voor het hek, geld voor de douches, geld voor de unie, geld voor het sjouwen van de zakken, wat ze niet doen en geld voor het gebruiken van de kruiwagen met de lekke band.

De regenplassen zitten vol vliegen en er drijven rattenkadavers die zelfs de uitgemergelde zwerfhonden niet meer willen vreten. Langzaam verandert de haven in een scheepskerkhof. Het schip dat hier op uitlopers van de deining tegen de kademuur beukt is nog steeds hetzelfde als vier jaar geleden. Het oude blauwe containerschip waar we toen een keer mochten douchen van die oude vriendelijke kapitein is nu verlaten en verroest; ik denk dat het hier ook nooit meer zal wegkomen. Ook nooit meer wegkomt, net als alle mensen hier in de haven in het dorpje en eigenlijk het hele eiland. Met gebogen schouders staan ze ons weer na te turen. Je wordt daar niks, maar blijft dezelfde. 

Vier jaar geleden ontsnapten we even van boord en reden met verschillende hard toeterende taxibusjes over de vervuilde snelweg naar Santo Domingo. Eergisteren had ik voor het eerst in weken een middag vrij en vertrok met de eerste stuur voor zo’n zelfde tocht. Dezelfde grijsbruine smog lag over de stad, het waren waarschijnlijk dezelfde mensen die wandelden over de snelwegen als jaren geleden (als ze niet aangereden waren in de tussentijd), dezelfde honden in dezelfde schaduw onder de viaducten, dezelfde droogte. Nog steeds die winkelwagentjes vol plastic zakjes noten en warme blikjes cola.

Eenmaal in de kakafonie van de grote stad aangekomen, dacht ik bij elke prachtig pleintje alleen maar aan jou. Hier hadden we gelopen, en je was zo ver weg nu. Ergens in het oude stadsdeel dat we jaren geleden niet konden vinden, zaten we op een heel toeristisch terras. Het was typisch zo’n terras waar wij nooit zouden gaan zitten, niet het rum barretje in een achterwijk waar wij altijd terecht komen. Dit was de façade van toerisme die je overal op de wereld tegenkomt en die wij zolang we samen reizen proberen te omzeilen. Nu was er geen tijd voor omzeilen dus gingen we in de grote kussens zitten en werden bediend door obers in nette pakken. De stuur en ik dronken grote hoeveelheden Mojito die niet smaakte.

En ineens waren daar de eerste tekenen van wat zich op de wereld afspeelde. Westers uitziende mensen kwamen aan ons tafeltje om vragen te stellen over onze scheepsshirts. Of we op dat grote zeilschip voeren? ‘Jawel, de eerste stuurman en de kapitein van het schip zaten voor hen’, was ons antwoord. Of we niet de haven gingen verlaten binnenkort? En zouden wij niet naar Europa zeilen dan? Er ontstond een oploopje, steeds meer mensen kwamen rond ons tafeltje. Ik bleef naar de lege Mojito glazen staren, en probeerde te denken. Het virus transformeerde daar, onder de overscherende zwaluwen, van de cynische grap die het de laatste weken aan boord geweest was tot keiharde realiteit. De Dominicaanse Republiek zou binnen een paar dagen haar grenzen sluiten en er vloog niks meer naar Europa. Hoera, eindelijk was het zeilschip weer het snelste vervoer over de oceaan. Ineens konden we als mens niet meer vervuilen: wilden we dit als anti-globalisten niet al jaren?  

Maar ook overviel een gevoel van ineens in een oorlogssituatie zitten mij: deze ex-vakantievierders waren de nieuwe vluchtelingen en deze toerist-vluchtelingen willen naar huis. Zelfs de heftige oceaanoversteek van vijf weken of meer, die wij met ons zeilschip over de oceaan gingen maken, was beter dan vastzitten in vakantieland.

Ons schip was echter totaal volgepakt met balen biologische cacao, koffie en vaten rum bestemd voor Amsterdam. De zakken cacao lagen zelfs in de leefgedeeltes, omdat het ruim vol was, een broeierige geur van cacao en rum hing rond het schip. Het zou ondoenlijk zijn alles weer uit te laden en te laten verrotten op de kades van Boca Chica. De reden waarom we hier waren was op een groene manier vracht halen en niet om toeristen te redden. Ook zag ik niet helemaal voor me hoe deze mensen in vakantieoutfit in een zware storm om vier uur op dek moesten komen om dan de bovenbramzeilen te bergen. Dus jammer voor de nieuwe vluchteling: u moet nog even in het  beloofde vakantieland blijven. Drink nog een Mojito met ons en geniet nog wat langer van dit werkelijk prachtige uitzicht!

De zon ging onder en in de tropische avondzwoelte reden we met een taxi naar de haven terug. De taxichauffeur maakte in gebroken Engels grappen over Europa. De rollen waren omgedraaid, de mensen van hier wilden niet naar daar en lachten het oude continent uit. Ik dacht aan jou, mijn reden om naar huis terug te keren; ik dacht aan jou, mijn thuis om naar toe te keren. Ik keek goed naar alle cafés, benzinestations en winkels langs de snelweg: zou dit het laatste stuk beschaving zijn dat we zouden zien voor een langere tijd?

De dag daarop zat ik op een terras onder een palmboom, keek uit over de baai waar waterscooters en speedboten op hoge snelheid heen en weer voeren. Het nieuws in de wereld volgde elkaar snel op. Een voor een werden de grenzen dichtgegooid: voor zeilschepen geen toegang op Bermuda, de Azoren sloten hun havens. Macron besloot doodleuk heel Schengen dicht te gooien. Wat te doen? Blijven of zee verkiezen?  Vogels vlogen laag over, een disco in de verte zette de boomba-muziek maar weer aan. Het was kiezen tussen de vlucht naar huis zoals de vogels of blijven in dit treurige vakantieoord.

Afwegingen en berekeningen, Kon ik in een keer naar Nederland zeilen? Met veertien mensen, zonder motor, zonder koelkasten, 4000 liter water en helemaal afhankelijk van het weer?  Het zeezeilen zonder motor was nu in mijn nadeel. Als ik in een windstilte zou komen te zitten, ergens midden op de oceaan, zou er geen hulpmotor zijn om ons door de windflauwte heen te duwen. Normaal omzeil ik de depressies om niet in al te heftige stormen te komen. Nu zou  ik ze wellicht opzoeken voor een snelle oceaanoversteek. Moest ik de noordelijke route nemen om meer in het pad van de Westerlies te komen of toch de normale zuidelijke weg tussen Azoren-hoog en de depressies in blijven navigeren?  Nog nooit in mijn bestaan als kapitein had ik me zo alleen gevoeld.

Het weer voor die twee dagen was aardig voor het begin van onze weg naar buiten, ontstnapping weg van de Caribische zee. Net als Columbus tussen Puerto Rico en Dominicaanse Republiek door, de Mona Passage hoog aan de wind, weg blijven van de lage wal. Als Columbus het al kon met zijn scheepjes die niet aan de wind konden varen, moest ons dit ook lukken. Columbus voer toch ook non stop naar huis toe zonder weet en gedetailleerde kaart?

Met andere zeezeil-kapiteins die met hun zeilschepen ook in de Caribbean lagen, had ik telefonisch contact over hun plannen, nu we in deze situatie zaten aan de andere kant van de wereld. De meeste besloten hun schooltraining programma’s af te kappen en naar huis te varen, hals over kop. Ze mochten steeds minder eilanden binnen varen en waren dus bezig met diesel bunkeren en voedsel provianderen voor een snelle terugtocht. Mijn schip was na een maandenlange struintocht totaal volgeladen, dus ik had niet veel meer te zoeken in de Caribbean. Ik moest ook weg hier.

Ik belde de kok. Ze moest zich voorbereiden op 7 of 8 weken op zee in plaats van de normale vier weken. Geen tussenstops op Bermuda, Azoren of Frankrijk: Het bleef een lange tijd stil aan de lijn toen ik dit vertelde. Zonder koelkasten aan boord had zij nu net als ik een gigantische uitdaging. Met dezelfde krakkemikkige taxibusjes bleef ze een hele dag heen en weer van en naar de markten rijden om zoveel mogelijk houdbare groente en fruit in te slaan. Een aantal matrozen zat in de zon op de kade naast het schip en waste het fruit en de groente tegen kakkerlakken en andere insecten.

Ondertussen zat ik op het achterdek berekeningen te maken: de eerste twee weken zou alles goed te doen zijn qua voedsel. De trossen bananen zouden als eerste allemaal tegelijk rijp worden. Een week met in elk gerecht banaan verwerkt. Hierna zou al het fruit opraken, waarna er steeds minder diversiteit zou zijn. Als laatste zouden de pompoenen overblijven. En dan blijft er alleen rijst en blikvoer over, en wat hierna?

Elke randdebiel kan tegenwoordig met een GPS de oceaan oversteken, mijn hoofdzaak was om de veertien verschillende bemanningsleden samen te laten werken. Ruzies en verveling zijn een grotere vijand dan storm en gevaarlijke kusten. 

Weer aan boord organiseerde ik een muster voor de hele bemanning. Ik besprak wat de situatie in de wereld was, voor zover we die konden overzien en wat dat voor ons inhield. Dat we maar beter uit konden gaan van een worst case scenario: zeven weken op zee, Non stop van Boca Chica naar Amsterdam. De bemanning kon er nog voor kiezen af te stappen, maar dan zat je naar alle waarschijnlijkheid nog een aantal maanden vast in de Dominicaanse Republiek in Lock Down. Je mag kiezen, grijnsde ik, en ze bleven. Ze bleven allemaal, zelfs de grootste praters bleven. O heerlijk: dit was dus de verbroedering in crisissituaties, veel keus was er ook niet.

Een paar uur later kwam er door de middaghitte een veel lawaai makende vrachtauto die mijn extra water kwam brengen. Overal waar maar plek was: in de bibliotheek, kapiteinskamer, in de bilgeruimtes sloegen we de 40 liter flessen water op. Samen met de vier ton die we in de tanks hadden, moest dit zonder douchen en schoonmaken genoeg zijn voor acht weken koken en drinken. Ook berekende ik dat we vier extra gasflessen nodig hadden.

De nacht voor vertrek kon ik net als altijd niet slapen, alles ging weer door mijn hoofd, hoe zal het zijn buitengaats, is het niet te ver 6000 mijl varen in een keer? Komt het allemaal wel goed? Het enige wat me toen kon helpen was het van me afschrijven. En ik schreef wat flarden totdat het licht werd.

Drinkt een bakkie met de bootsman

‘t tuigage nagekeken, de lieren ingevet?

zijn gereedschap en reserveonderdelen

zeevast gezet?

Op de brug: stuurmannen aan het werk, weerberichten worden vergeleken, uitklaarpapieren ingevuld, zeekaarten gladgestreken, de barograaf constant? De roerinrichting nagekeken?

De man met mitrailleur kon niet lachen en de man met drugshond ook niet, maar ik had hun laatste uitklaarstempel nodig anders kon ik zeker geen enkele haven meer in. Nadat ze klaar waren met hun drugscontroles kreeg ik het stempel en wensten ze me een goede vaart, tot volgend jaar. ‘Tot volgend jaar,’ zei ik maar, al wist ik zeker dat ik hier komende jaren niet terug zou keren. Ik wilde zo vroeg mogelijk afvaren, omdat ik het land/zee effect optimaal wilde benutten. De wind stond van het in de nacht kouder geworden land af en die wind konden we gebruiken de haven en baai uit te varen. Daarna was het dicht onder de kust oostwaarts zeilen met een noordooster wind die later in de middag zou veranderen in oost: dan zou het kruisen beginnen om de Mona Passage te bereiken.

All hands! Zet de Mars, los de gijen en aan de schoten! Single up de trossen! Zet het voorstagzeil en het stagzeil. Wanneer de Mars staat, kan de Onderbram gezet worden en de laatste tros die strak staat los worden gegooid. Het schip wil de haven uit, ze bouwt snel gang op. Het land slaapt nog, het lijkt wel een ontsnapping, maar waarnaartoe? We kijken niet achterom maar vooruit. Het is een nauwe vaargeul om buiten te komen. Boca Chica, voor een laatste keer? Beweging in de boot, niks is beter voor het schip en bemanning. We ronden de eerste boeien, rond de riffs en de spoelgolven. Een sleepboot in de verte komt juist de haven binnen. Via marifoon wensen ze ons een goede vaart: we zijn los.

En zo schrijf ik jou mijn eerste zeepost, thuisvaarder, ik zal alle zeilen bij zetten om zo snel mogelijk naar huis te keren. We varen een grote leegte in, in mijn logboek schrijf ik als aankomst Horta Azoren, al weet ik bijna zeker dat we daar niet heen zullen gaan. De wachten aan boord zijn net begonnen, het wachten voor jou zal binnenkort over zijn.

Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Het gaat over Wiebe als jonge kapitein van een groot zeilschip zonder motor op weg van de Dominicaanse Republiek naar Amsterdam in tijden van Corona. Het tweede deel (Thuisvader) gaat over het krijgen van een kind en het als zeeman op de wal leven.

De oversteek

Op de route naar Nadims school ligt een druk kruispunt. Sinds een paar weken worden de stoplichten er vervangen en staan er mannen die de verkeersstromen moeten regelen.

Ik weet niet van welk bedrijf die mannen zijn, maar in tegenstelling tot andere regelaars die je in onze stad tegenkomt worden deze fluorescente reuzen door geen enkele bestuurder genegeerd.

Nadim en ik werken aan zijn verkeersinzicht; ik laat hem voor me uit fietsen en hij moet nu zelf zijn inschattingen maken. Hij is consciëntieus, zet voor het oversteken steeds een voet aan de grond en kijkt heel goed naar links rechts links. Toch zal het jaren duren voor ik hem alleen naar school laat gaan.

Wat de mannen op het kruispunt anders doen is dat ze iedere bestuurder – ook wanneer die tijdig remt – recht en ernstig aankijken tot ze weten dat ze diens volle aandacht hebben. Werkt dat niet dan wijzen ze naar hem of haar, en dat mist nooit zijn uitwerking.

Fietsers die rechtsaf willen blijven ook staan, de meer heldhaftigen vragen aan de regelaar of ze mogen en fietsen pas aan als ze met een knik en een onmiskenbaar handgebaar toestemming hebben gekregen.

Mijn jongen deed alles goed, vanochtend. Tevreden keek ik naar zijn extreem alerte houding, naar zijn grote blonde hoofd en naar de verpakte bloem voor zijn juf die hij over zijn stuur vasthield.

De klas kampt met leegloop en dat trek je je als juf natuurlijk aan. Bij de bloem schreef hij een briefje met haar volledige naam erboven. Hij schreef dat ze een van zijn beste juffen ooit was, en dat hij het jammer vindt door corona maar zo weinig les te hebben gehad.

Als ik zijn juf was dan zou ik daar een beetje van moeten wenen. Juffen wenen, lijkt me.

We stonden stil bij het kruispunt met de strenge fluorescente mannen. Door de fietsers voor ons kon Nadim onze regelaar niet zien.

‘Houd jij hem in de gaten pap?’

‘Let maar op de mensen voor ons. Als die gaan, dan mag jij ook.’

Hij kantelde zijn hoofd en probeerde achterom naar mij te kijken. ‘Maar jij zegt altijd dat ik zelf moet besluiten wanneer ik kan gaan.’

‘Klopt,’ zei ik. ‘Kijk. Ze gaan al.’

In het voorbijrijden tuurde Nadim strak naar de regelaar. Misschien was hij bang een blik of handgebaar te missen. Het zou een goed moment geweest zijn voor de strenge man om zijn duim op te steken.

Maar de regelaar keek alweer nieuwe bestuurders aan, waaronder iemand in zo’n matgrijze Mercedestank.

Ik volgde mijn jongen naar het plein en liep mee naar zijn klasje. Ik hoopte te zien hoe hij zijn bloem aan de juf gaf, maar zij bleek al met een ouder in gesprek. Naad stopte de bloem voorlopig onder zijn arm.

Hij zou wachten op het goede moment, besloot ik. Hij zou wachten tot hij haar volle aandacht had.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.