Gewichtloos

What will you miss the most on Earth?

I will miss swimming the most.’

Dit fragment uit een interview met een potentiële Marskolonist komt uit Weather (2020), die nieuwe roman van Jenny Offill (1968). Deze minuscule inkijk in het gevoelsleven van een geharde, rücksichtslose avonturier ontroerde me: dat iemand die bereid is om vrienden, familie, dierbare plekken en zelfs de aardse zwaartekracht achter zich te laten, toch hecht aan de gewichtloze toestand van de zwemmer. 

Na drie maanden voornamelijk binnen te hebben gezeten, ben ik voor het eerst weer baantjes gaan trekken. Buiten, in het Brediusbad; de eerste keer in de ochtendzon, de tweede keer in de kou. Aanvankelijk viel die gewichtloosheid me wat tegen. Sterker nog: ik merkte er vrijwel niets van. Mijn lijf leek log en slap te zijn geworden. Ik sleepte mezelf zo goed als het ging vijfentwintig meter op en neer, happend naar adem en proestend van weer een mondvol chloorwater.

Later die week las ik het meest recente boek van L.H. Wiener (1945): Zeeangst. Een logboek (2020). Het is een verslag van een bootreis naar Engeland en terug, vergezeld door vriendin Ant en poes Loes. De schrijver legt minutieus de koers en voortgang vast, en fileert onderwijl het gedrag en taalgebruik van de Britse medemens. Het is een relatief luchtig geheel, dat af en toe wordt opgeschud door calamiteiten, die de tocht (gelukkig) niet definitief dwarsbomen. 

Meer dan de reis zelf zijn het de terloops genoteerde anekdotes en herinneringen van Wiener die dit boek zo onderhoudend maken. Zo brengt hij een prachtig saluut aan de tragische cultauteur Malcolm Lowry (1909-1957) en vertelt hij bijzonder aanstekelijk over The Unquiet Grave (1944) van Cyril Connolly (1903-1974). Indringend is Wieners beschrijving van zijn eerste confrontaties met de zee, waar het logboekmee opent:

‘Op 4 mei 1958, ik was toen dertien, heb ik op driehonderd meter voor de kust van Zandvoort het verdrinkingsproces zo goed als geheel ondergaan. Het licht ging uit op het moment dat ik door een der andere schipbreukelingen weer het leven werd in getrokken.

Deze gebeurtenis heeft de zee voor mij getransformeerd tot een vijand, die het op mij heeft voorzien en die ik vrezen moet, terwijl ik tegelijkertijd weet dat het niet zo is. En zo is zeezeilen voor mij een dualistische uitdaging geworden. Enerzijds zee kiezen en opgaan in de natuur, met alle existentiële diepgang van dien, en anderzijds het tarten van de dood. Niets minder dan dat.’

Na zelf weer even de mogelijke vijandigheid van het water geproefd te hebben, probeerde ik het een week later nog eens. Het morgenlicht maakte het bad schokkend helder: onderwater kon ik, tussen de trappelende benen door, de verste uithoeken zien. Na de eerste meters viel de weerstand opeens weg. Ik gleed door het water, voelde me daadwerkelijk gewichtloos, opgetild – een sensatie die ik inderdaad niet graag missen zou.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.