Dromen aan de reling

(De wereld in stukken 44) (voor J.)

De meest romantische vrijwel filmische scène: J. en J. ontmoetten elkaar in de jaren ’50 op een station in Tasmanië (of Australië). Hij zag haar staan op het perron terwijl zijn trein al op gang kwam, herkende haar uit Nederland en besloot in een split second dat hij niet op die trein moest, maar sprong er af. Dat bewustzijn van hoe het leven moet. Ze overwogen er te blijven, maar keerden terug en trouwden. Hun kleinkinderen emigreren nu alsnog.

Vandaag melden 381.948 Australiërs desgevraagd dat ze Nederlandse voorouders hebben. Kort na de oorlog moedigde de Nederlandse regering emigratie naar Australië, Tasmanië  (en ook bv Canada en Zuid-Afrika) aan. De economie kwam nog niet goed op gang en Nederland vreesde de bevolking niet goed te kunnen voeden. Een paar monden minder scheelde al. Na 1949 kwam daar nog een aardige groep Nederlanders en Indonesiërs bij die na de onafhankelijkheidsverklaring van de Republiek Indonesië liever niet daar bleven, maar ook weinig heil zagen in dat gure landje aan de Noordzee.  

Australië en Tasmanië voeden mijn hang naar escapisme, zoals ook Nieuw-Zeeland en Canada dat doen, of Scandinavië: er zijn plekken met heel veel ruimte waar je wellicht een eenvoudig leven, iets met een schuur, een bijl en een boerderij, met zon en een rivier kunt opbouwen, een stuk bos.

De onvergelijkbare Australische dichter Les Murray dicht:

Eindelijk een lage kustlijn,
oude schrik van Hollandse kapteins.

Daarachter, nog onbekend,
zongeblakerde boerderijen, vreemde bomen, familiegrapjes
en alle klassen van de sociale gelijkheid.

Terwijl de kust noordwaards wegzonk
restte hen een laatste week voor liederen,
voor dromen aan de reling,
voor geliefde betekenisloze woorden.

Bij het binnenlopen in Port Phillip
in het zoutgrijze zomerlicht
viel het dorp uiteen
in gespannen gedaanten met koffers;

Nu wachtte hen, net als de norse
Australiërs daarbeneden,

de ontmoeting met den Vreemde
waar alle fijngevoeligheid faalt.

[…]

(uit De immigrantenreis, in De planken kathedraal, vertaling Maarten Elzinga)

Murray volgt het schip de Goya die zijn vrouw halverwege de 20ste eeuw naar Australië brengt. Murray leefde in Bunyah, New South Wales. Als Australië en klok is: op het cijfer 4.

Er is geen land waarvoor meer geldt dat ik best een beetje denk te kennen – maar uitsluitend door poëzie – dan Australië.

Murray leefde in een boerengemeenschap en van hem wordt verteld dat hij besloot dichter te worden bij het zien van een libelle boven de rivier en wat dat met hem deed: een pakkende mythe omdat de nauwkeurige waarneming van land en natuur, gebruiken, gevoelens precies dat is wat zijn dichterschap uitmaakt. En net als J. de vaardigheid in een seconde te weten wat je moet. Wanneer je Murray leest kun je dus werkelijk ver komen in het leren kennen van eh… Bunyah, voornamelijk. Ik ken geen poëzie die zo plaatsgebonden en tegelijk zo universeel is. De plek is specifiek, het denken erover kan je 20.000 km verderop bij de strot grijpen. Ik kan nooit meer aan Australië of Tasmanië denken zonder meteen in de regels van Murray te denken. Of zonder die treeplank scène.

Ik droom verder aan de reling dat ik er nog wel eens komen zal: op Tasmanië en in Australië.

lezen:

Bruce Chatwin The Songlines

Gould’s Book of Fish: A Novel in Twelve Fish van de Tasmaan Richard Flanagan

Les Murray De planken kathedraal, vertaling Maarten Elzinga

Les Murray On Bunyah

Een Australische site over Nederlandse immigratie.

Naar kaart 45

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Loslaten

Het went niet, dat schrijven. Steeds is het maken van een verhaal of roman een avontuur. Fijnstellen ben ik steeds meer gaan waarderen, het schaven aan een tekst. En mijn verwachtingen qua verkoop of bekendheid werden minder hoog. Tegenwoordig gaat het me alleen nog om het werk.

Zolang ik mag blijven maken ben ik oké. Ik heb geleerd dat elke dag een bladzijde na een jaar of wat optelt tot een boek, en dat het slecht is om te denken aan dat boek als ik niet aan het schrijven ben. Waar je op dat soort momenten ook op uitkomt: een oplossing voor die moeilijke passage biedt het niet.

Personages zijn mensen en die moeten zich op een organische manier bewegen. Ze zullen vanzelf doen wat bij ze past – je moet ze geen verhaallijn opdringen. Luister goed naar je personage, laat de controle los en durf te volgen, ook als dat betekent dat je een zijstraat inslaat die je weken werk kost. Mocht die zijstraat komen te vervallen dan heeft hij toch bijgedragen aan de ontwikkeling van je personage.

Afgelopen maandag presenteerden we mijn nieuwe roman, waaraan ik twee jaar heb geschreven. Café De Druif, waar ik op donderdagen werk sinds ik de eerste versie van Café Dorian af had, stond vol vrienden, familie en collega’s. Omdat er iemand was uitgevallen in het rooster werkte ik aan het begin van de avond zelf achter de bar, wat ik helemaal vond kloppen.

Mijn boek gaat over een Hollandse barman die in een buitenlandse stad een café overgenomen heeft. Een van mijn meest geliefde personages is de gehaktballenverkoopster Astrud. Later in het verhaal komt zij in de Dorian te werken. Sinds een maandje maak ik voor De Druif wekelijks zo’n honderd ballen, die we met een lepel jus verkopen.

Recht tegen de trend in houd ik ervan als mijn leven mijn werk volgt: ik wil in mijn verhalen wonen, vind mijn eigen leven vaak niet interessant genoeg om over te schrijven.

Uitgever Menno gaf zijn kortste speech ooit, maar wist me ermee te raken. Vriend Colin was over uit LA en sprak ontroerend – zijn Nederlands wordt steeds beter. Ik kon niet geloven dat hij mijn werk gelezen had, de kern uit al mijn boeken haalde. Misschien moest ik een beetje huilen. Daarna was het tijd voor bier, een bitterbal.

Er werden boeken verkocht en ik signeerde. Een nieuw loslaten begon, mijn boek moest het nu zelf gaan doen – ik was heel tevreden en opeens ook heel erg moe. Toen de laatste van mijn vrienden de deur uit was bedankte ik barmannen Joep en Tristan en fietste naar huis, een doosje auteursexemplaren in het krat voorop mijn fiets.

De volgende ochtend kwamen de eerste lezersreacties binnen. Misschien klopt mijn gevoel en is Café Dorian een stap omhoog voor mij als schrijver. Ik houd mijn hart vast voor mijn barman, zijn stamgasten, het café. Ik houd mijn hart vast voor mijn vertelster, voor wie er zoveel op het spel staat.

Omslagbeeld: Roger Jansen, Pictorlux

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.

De ideale gids

Wist je dat er in de benedenhoek van het schilderij Brieflezend meisje bij het venster, doorgaans te zien in de Gemäldegalerie Alte Meister te Dresden, een vingerafdruk zit, waarmee dit werk het enige bewaard gebleven levensspoor van Johannes Vermeer bevat? Ik niet, totdat ik onlangs De wereld op zijn kop. Ontmoetingen met de Hollandse meesters (2023) van Benjamin Moser (1976) las. Moser werd geboren in Texas, kwam tot wasdom in New York City en verhuisde in 2002 naar Nederland voor de liefde. Hij verzachtte de schok van het plotse vreemdelingschap door zelf een culturele inburgeringscursus te ontwerpen in de vorm van veelvuldig museumbezoek, en begon zich te verdiepen in de klassieke Nederlandse schilderkunst. Nu, twintig jaar na zijn migratie, heeft hij de neerslag van dat acclimatiseringsproces vastgelegd in een boek, bestaande uit een reeks van zeventien hecht verbonden essays over laaglandse schilders uit de zeventiende en achttiende eeuw. 

Met ieder hoofdstuk ontsluit Moser een stukje Nederlandse geschiedenis, terloops de belangrijkste politieke, economische, sociale en culturele veranderingen van die tijd vastleggend, maar zijn blik is evengoed die van een kunsthistoricus. De wereld op zijn kop laat zich lezen als een pleidooi voor het realisme van de Hollandse school, dat, afgezet tegen het werk van de destijds dominante Italiaanse renaissancisten, een even ingetogen als radicale innovatie behelsde: ‘Het waren doorgaans kleine schilderijen. Je had geen vierkante meters aan doek nodig om te laten zien hoe een vrouw een brief schreef. Dit waren de weinig sensationele onderwerpen waarin de Hollanders zich specialiseerden. Het ging niet om fantasiebeelden van het hiernamaals of aandenkens aan beroemde gebeurtenissen. Hun thema – en dit was hun grote artistieke vernieuwing – was het alledaagse leven.’ Of, directer geformuleerd: ‘In Holland stelde een soldaat in een kroeg een soldaat voor, en een prostituee die lonkte naar een klant een prostituee.’ Die ongefilterde weergave van de wereld en omarming van het zinnelijke keert in iedere afdeling terug en wordt door Moser steeds soepel en overtuigend teruggeleid tot details van de besproken schilderijen. Zijn begeestering is groot, zeker wanneer hij het werk van Rembrandt en Frans Hals bespreekt; in combinatie met zijn aangename, uitnodigende verteltrant, maakt dat hem tot een ideale museumgids. 

Opvallend is dat alle essays een biografische component hebben. De auteur wilde duidelijk geen genoegen nemen met de ontmoedigende standaardzin in kunsthistorische naslagwerken(‘Over zijn leven is bijna niets bekend.’). Bij zijn beschouwingen betrekt hij daarom onder meer de voortijdige dood van Fabritius door de ontploffing van een buskruitmagazijn, de mogelijke homoseksualiteit van Jacob van Ruisdael, de camp van de slordige bohémien Jan Steen en de ongewone loopbaan van Rachel Ruysch, die als moeder van tien een eigenzinnig oeuvre bijeen schilderde en aanzienlijk succes had in haar eigen tijd. Dat procedé gaat hem zeer natuurlijk af, wat misschien niet verwonderlijk mag heten. Eerder schreef Moser namelijk twee uitstekende, voor mij zelfs voorbeeldige biografieën: Why This World (2009), waarmee hij een internationale herontdekking van het werk van de Braziliaanse schrijver Clarice Lispector (1920-1977) bewerkstelligde, en Sontag. Her Life and Work (2019), bekroond met de Pulitzer Prize. De terugkeer van het verhalende, op het leven achter de kunst gerichte schrijven, laat vooral zien dat hij, ondanks een wissel van genre, zijn metier nog geen vaarwel heeft gezegd.

Met De wereld op zijn kop schuift Moser ook op van biografie naar autobiografie – formeel gezien, althans. We krijgen wat flitsen uit zijn vroegere leven te zien, horen waarom Utrecht de ideale Nederlandse stad is om in te wonen, maar verder blijft de schrijver doorgaans op de achtergrond; een bekwame gids gaat tenslotte niet voor, maar naast de schilderijen staan. Zijn boek is persoonlijk vanwege de inhoud, die veeleer existentieel dan confessioneel van aard is. Moser vertelt dat de kunstwerken en hun makers hem hielpen bij het beantwoorden van de wezensvragen die hem preoccupeerden als jongeman, behept met de drang tot schrijven zonder een duidelijk idee van wat precies. Hij bezwoer de ongewisheid van zijn eigen toekomst door te kijken naar de geleefde levens van anderen: in Rembrandt zag hij het archetype van de duistere romantische kunstenaar, in Lievens dat van de epigoon; tegenover een enigma als Vermeer stonden carrièristen als Flinck en Bol. 

Na twee decennia Nederlandse kunst kijken kan Moser terugblikken op een succesvol voltrokken wordingsproces: in de loop van zijn relaas typeert hij zichzelf meermaals als een schrijver van middelbare leeftijd die de bijbehorende onzekerheden trotseerde en definitief zijn weg heeft gevonden. Als deze vaststelling een lichtelijk melancholische indruk wekt, dan is dat ten onrechte. Er is hier namelijk geen sprake van een einde, maar van een nieuw begin: na zijn successen als biograaf presenteert Moser zich nu voor het eerst in boekvorm als cultuurhistoricus, verhalenverteller, kunstcriticus en autobiograaf. Zijn bewondering voor kunstenaars die zichzelf telkens blijven heruitvinden, mag wat mij betreft ook gericht worden op hemzelf: als lezer ben ik in ieder geval uiterst benieuwd in welke van deze richtingen hij zich al schrijvende verder zal gaan ontwikkelen. 

Foto van Lodewijk Verduin
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Fluiten

Mijn wekker ging, ik zette het ding af, draaide me weer om en sliep langer door dan eigenlijk kon. Daarna wurmde ik mezelf los uit de houdgreep van mijn bed, kleedde me aan (onderbroek, sokken, willekeurig wit overhemd, minder willekeurig pak), raapte de krant van de mat en sleepte mezelf naar de keuken.

Het koffiezetapparaat, dat altijd wat slaperig op wacht staat als ik aan kom sloffen, gromde naar me tijdens het zetten. Madame Bovary zag als een opzichter toe hoe ik wat voorovergebogen wachtte tot de koffie klaar was. Nadat het apparaat rustig was uitgedruppeld (het is een oud model) bewoog ik me naar de gordijnen, sjorde die open, keek even naar buiten. Het leek een doodgewone dag.

Aan de keukentafel deed ik iets wat op lezen moest lijken, maar de kop op de voorpagina van de krant krabde aan mijn netvlies, bonkte in mijn hoofd, legde een klamme hand rond mijn hals en kneep. Naar de foto’s keek ik niet, zoals je soms ook je hoofd afwendt bij een verkeersongeluk, maar in gedachten toch het autowrak ziet.

Er waren wat vrienden die berichten in mijn telefoon stuwden van boosheid, angst, moed, veerkracht, vastberadenheid – de termen die zo krachtig klinken als ze vooraf worden gezegd, maar voelen als een leeggelopen ballon nadat er iets ergs is gebeurd.

In de middag dwong ik mezelf naar buiten, pakte mijn fiets en trapte naar het winkelcentrum voor wat boodschappen. Als dit een slechte film was, dacht ik, of een middelmatig boek, dan zou de zon ineens dwars door een wolkendek breken, een vrouw zou me zonder reden vriendelijk groeten en een begrijpende blik toewerpen, iemand zou een bejaarde op de parkeerplaats helpen met het tillen van de veel te zware boodschappentassen. Er zou hoop gloren, hoe suikerzoet en clichématig ook, maar het zou er zijn. En dan zou ik geheeld weer doorlopen.

Er gebeurde niets. Ik slenterde door het grijze winkelcentrum, vroeg me bij elk gezicht af waar ze op gestemd hadden, liep langs een draaimolen met kranten, waar de koppen met hun lange, benige vingers naar mijn gemoed gristen.

Hoop, dacht ik, hoop is misschien ook het probleem bij een ander in de schoot werpen, terwijl je zelf in een hoekje kruipt en wacht tot het is opgelost. Daar was niemand nu mee geholpen. Wie te lang lamgeslagen is laat de ander winnen, dus moesten we door. Zekerder dan ooit, uitgesprokener dan voorheen, veerkrachtiger dan we al waren.

Ik las in columns en op sociale media dat veel mensen de haat een virus in onze maatschappij noemden, een vergiftiging van de samenleving – als dat zo is, dan zij wij, de verdraagzamen, zelf het tegengif.

Met die vastberadenheid haalde ik mijn fiets weer van het slot, schakelde mijn versnelling omhoog en fietste naar huis.

En als ik kon fluiten, had ik dat gedaan, niet zacht, maar luid. Het zou een strijdbaar deuntje zijn geweest.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Kamp 21 Pasi

Vingerwijzen. Meer vragen dan antwoorden. Verdriet en woede. Op 20 november 2023 kwamen vijftien illegale gouddelvers van Kamp 21 Pasi in het Matawai-gebied in Brokopondo, Suriname om het leven, toen de mijnschacht waarin ze goud zochten instortte. Dit gebeurde op een concessie die toebehoort aan Zijin/Rosebel Gold Mines, een grote goud multinational. Zo’n incident deed zich al eens voor in 2010, dezelfde periode van het jaar, hetzelfde gebied. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje in enkele minuten. Een deel van de samenleving vond dit gebeuren erg. Een ander deel oordeelde snel dat de gouddelvers dit zelf hebben gezocht omdat zij, los van illegaal, ook weinig veiligheidsmaatregelen hadden getroffen om een ramp te voorkomen. Feit is dat Suriname jonge zonen heeft verloren in de bloei van hun leven. Een ontwikkeling die voorkomen had kunnen worden als er betere kansen door opeenvolgende regeringen waren gecreëerd voor de binnenlandbewoners om duurzaam geld te verdienen.

Er wordt al verschillende jaren gesproken over ordening van de goudsector in Suriname. Maar voor wie eigenlijk? Hoe moeten de binnenlandbewoners duurzaam geld verdienen als er nauwelijks mogelijkheden zijn en ze dan ook geen goud mogen zoeken?

Dit jaar heeft Suriname veel drama’s te verwerken gehad. Op 17 februari hadden we de rellen in de binnenstad, op 2 mei vonden twee Inheemsen de dood tijdens rellen in Pikin Saron tegen de gronduitgifte die daar had plaatsgevonden en nu is deze ontwikkeling in het binnenland erbij gekomen. Deze zaken worden opgeteld bij de economie die het land doormaakt waardoor er steeds stakingen plaatsvinden die het onderwijs en de dienstverlening stagneren.

Het is geen geheim dat er minder in het binnenland wordt geïnvesteerd om dat te ontwikkelen door de regering, vergeleken met de hoofdstad van Suriname, Paramaribo. Het onderwijs in het binnenland is er slecht aan toe.  Je kunt niet tot de middelbare school gaan en moet naar de stad voor vervolgonderwijs. De gezondheidszorg is ook niet optimaal. De samenlevingen daar hebben niet veel opties wat geld verdienen betreft. Een beetje landbouw, houtkap, vermarkten van bosbijproducten, boot transport en toerisme. De illegale goudwinning lijkt soms het enige waar zij toch aardig wat verdienen.

Andere productiesectoren krijgen weinig aandacht vergeleken met de mijnbouw. Dit terwijl investeren in menselijk kapitaal en het verwerken van bosbijproducten het land veel kan opleveren. Ook het toerisme, als natuurlijk de transportkosten (boot en vliegtuig) tot redelijke proporties kunnen worden gebracht.

Het is voor de verschillende non-gouvernementele organisaties nog steeds onduidelijk welke richting de Surinaamse regering op wil met het bos van het land. Streven naar natuurbehoud door beter bosbeheer of juist de mijnbouw en grootschalige landbouw in het binnenland stimuleren. De Inheemsen en Tribale volkeren wachten nog steeds op de formele toekenning van hun grondenrechten. Echter wordt juist aan de andere kant grondconversie goedgekeurd waarbij personen die grond in grondhuur hebben heel goedkoop dat kunnen omzetten in eigendom. En dan maakt het niet uit hoeveel percelen je hebt.

Uiteindelijk komt het erop neer dat door goed bestuur het land in zijn totaliteit kan worden ontwikkeld en niet slechts enkele delen. Daarvoor moet een goed en integraal plan worden ontwikkeld waarbij bosbehoud ook wordt meegenomen. Aan de vooravond van vijftig jaar onafhankelijkheid over twee jaar is het belangrijk dat een goede richting wordt bepaald welke het land moet opgaan. Dit is niet alleen belangrijk voor de burgers van nu, maar ook voor de komende generaties. Daarbij kan er strategisch worden samengewerkt met het buitenland.

Foto van Kevin Headley
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Vertelstem

‘Misschien is het eerder zoals een jachthond een geurspoor volgt. Zo’n beest weet helemaal niet wat hij doet, hij volgt slechts zijn neus. Het is zijn onbewuste manier van doen, zijn intuïtie.’ 

Uit: De schim van Raamswolde

Gisteren las ik nog eens mijn blog van vorige week, over de boekpresentatie en de uren die daarop volgden, en besloot ik dat het tijd werd om de balans op te maken. Ik legde alle acht stukken die ik tot nu toe voor Tirade geschreven heb naast elkaar ter vergelijking. Het volgende viel op: schreef ik de eerste vijf weken vooral over schrijven en lezen, later werden beide verdrongen door ontboezemingen over de man (de hondenbezitter, de vader, de debutant) achter het boek. Schrijven versus schrijver zijn, kort gezegd. Het is er ingeslopen. Twee dagen geleden was ik nog voornemens deze lijn door te trekken en in dit blog fragmenten uit mijn dagboek op te nemen. Wat huiselijke taferelen, een mini-signeersessie in Amersfoort, enkele korrels zelfmedelijden en een flinke scheut zelfspot. Het materiaal lag er, ik hoefde alleen maar een selectie te maken. Toch heb ik besloten hiervan af te wijken. Niet omdat het te makkelijk zou zijn (immers, mijn tweede blog was een kant-en-klaar romanfragment), maar omdat de eerste paar blogs op veel meer enthousiasme van lezers konden rekenen dan de latere. 

Terug naar het schrijven zelf, dus. Daar gaan we. 

De eerste reacties op De schim van Raamswolde druppelen binnen. Van vrienden, familieleden en collega-schrijvers, helaas nog niet van recensenten. Wat mij opvalt is dat vrijwel iedereen die iets over het boek zegt, de vertelstem van hoofdpersoon Allard noemt. Het stemt mij ook gelukkig, want het oordeel erover is (tot nu toe!) zonder uitzondering positief. Wel is het iets waar ik, gek genoeg, tijdens het schrijven geen moment over heb nagedacht. Natuurlijk heb ik mijn hoofd gebroken over de handelingen en de compositie, maar ik kan mij niet herinneren dat ik iets heb moeten schrappen omdat Allard dat niet op deze of die manier zou zeggen.

Is het register dat ik hanteer het gevolg van een door vele vlieguren gerijpte stijl, of is het vanzelf gegaan omdat het boek volledig uit Allards brieven bestaat?

Vanzelf? 

Wat brieven delen met een dagboek (en dus ook een briefroman met een roman in dagboekvorm) is een zekere vrijblijvendheid – losheid, misschien zelfs –, in die zin dat de schrijver ervan niet vastgepind kan worden op wat hij schrijft. Een dagboek is doorgaans niet voor andermans ogen bestemd, dus het hoeft allemaal niet logisch of correct te zijn. (Aan wie dit betwist: geef mij onmiddellijk jouw dagboek te lezen, als je durft.) Boude uitspraken of kromme zinnen in brieven kunnen in latere epistels weer rechtgezet worden, iets wat Allard dan ook doet. In beide vormen kun je je als schrijver dus een beetje uitleven. Je mag je laten gaan. Zoals Jeroen Brouwers eens over zijn epistolaire kunst zei: ‘Je chargeert gemakkelijk, vooral in brieven, ook omdat brieven weinig beredeneerd en weinig overwogen geschreven worden, juist vanuit die spontaniteit.’* 

Goed, dat hebben we. Laat ik zeggen dat die losheid, of die spontaniteit waar Brouwers het over heeft, onontbeerlijk was voor het tot wasdom komen van mijn vertelstem. Zoals zonlicht dat is voor de groei van de meeste planten. 

Maar dat alleen is niet genoeg, want hoe voel je dan aan wat de fictieve briefschrijver wel of niet op een bepaalde manier zou zeggen? Je moet de briefschrijver worden. In zekere zin ben je het al (jij schrijft per slot van rekening die brieven), maar dat betekent niet dat het er ook uitkomt. Er moet iets gecreëerd worden – een situatie. 

Ik ging tafel zitten met niets meer dan een pen en een vel papier. In de rechterbovenhoek schreef ik een plaatsnaam en een datum. Daaronder, links nu, de aanhef. In de hoop de briefschrijver in mij tot leven te wekken. 

Een echte brief kan niet vol staan met doorhalingen, dat is geen gezicht. Bovendien kan een dergelijk schrijven doorgaans niet te lang op zich laten wachten. Je moet jezelf dwingen om niet al te veel tijd te nemen. Je begint voor de vuist weg, je reageert op een denkbeeldige penvriend en je stelt al schrijvende bij. En zo groeit de vertelstem van het personage en groeit in jou het besef dat je dat personage aan het worden bent, met al zijn grilligheden en fouten. Een vergelijking met acteren dringt zich op, maar het is acteren en scriptschrijven in een. Improviseren, daar lijkt het misschien nog het meest op. Denk ik. Het gaat vanzelf, onbewust. Je hebt alleen de omstandigheden ernaar gemaakt. 

En zo is dit stuk ook een beetje een verhaal geworden over de man achter het boek: de briefschrijver. 

*Uit de documentaire Wie schrijft die blijft (1987).

Foto van Alexander Baneman
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

De zon komt op boven een verwoest Arcadië

(De wereld in stukken 43)

Leven onder een regering waar je weinig goeds van hebt te verwachten en met een programma dat je het ongemakkelijke gevoel geeft niet op je plaats te zijn, het is een sensatie die Filipino’s al eeuwen kennen. Op het eilandenrijk linksboven op deze kaart was allereerst natuurlijk millennia een zeer decentraal bestuur van handelsnederzettingen per eiland. Een netwerk van contacten per outrigger boat. (Toen ging het allemaal nog wel…) voordat de Spanjaarden in 1565 de boel overnamen en de Amerikanen in 1946 vertrokken. Daartussen Chinezen en Japanners.  Van 1965 tot 1986 de Ferdinand Marcos regering van onderdrukking van media en oppositie, geweld, corruptie en… zijn koopverslaafde gade Imelda. Na Aquino naar de gek Duterte en nu – godbetert – Bongbong, de zoon van Ferdinand en Imelda! Waar gekken wel niet op stemmen! Zijn ouders haalden in 1989 het Guinness Book of Records wegens: ‘het meest gestolen van een overheid.’ Tussen de 5 en 10 miljard graaiden ze weg. In 2018 zei Imelda:

‘We bezitten vrijwel alles op de Filipijnen, van elektriciteit, telecommunicatie, luchtvaartmaatschappijen, banken, bier en tabak, krantenuitgeverijen, televisiestations, scheepvaart, olie en mijnbouw, hotels en badplaatsen, tot aan de kokosnootfabrieken, kleine boerderijen, onroerend goed en verzekeringen.’

En het electoraat, zoals op veel plekken, vergeet de geschiedenis en dat wat een politicus echt doet of wil en verliest zich in een gedroomd verleden.

Ik neem aan dat voor de oppositie op de Filipijnen, de kunstenaars, journalisten, armen, schrijvers, wetenschappers, dagelijks toch de zon weer opgaat boven hun Arcadië, ondanks de wellicht ingesleten droefenis over de gekte boven hun hoofden.

En over wat voor land gaat de zon dan op! Mijn kortste samenvatting was ‘Amerika in de jaren vijftig, neergezet in Azië.’ Waar anders werd je in prachtige mintgroen en roze diners bediend door dito geklede meisjes op rollerskates die je een cocktail aan kwamen zeilen?  Ik herinner me nachten op veerboten waarvan het volledige bovenste dek door stapelbedden van gekleurd plastic waren gevuld waar honderden mensen sliepen in de hete tropennacht onder de sterren. De werkelijke uitzinnige jeepneys, verlengde jeeps in de bontste kleuren en zilver en goud gepolijst met parafernalia van die andere Grote Wetgever op het eilandenrijk: de katholiek kerk. Waar anders kun je naar een live kruisiging, met echte spijkers, met echt bloed?

Spaans en Engels kom je nog overal tegen. De keuken is de minste van Azië wat mij betreft, veel fastfood, ook op z’n Amerikaans. Naar cultuur moet je erg goed zoeken. De natuur is daarentegen ongelofelijk mooi. Van pijnbossen op Noord-Luzon tot de koraalriffen, van de heuvels op Bohol (en het endemische Filipijnse spookdiertje!) tot de bountystranden van Malapascua, van de hete bronnen op Camiguen tot de paddy’s van Cebu. 572 soorten vogels, waarvan 172 endemische. Geen land heeft meer werkkracht buitenslands. Een schoonmaker in de Verenigde Arabische Emiraten is geloof ik altijd een Filipijnse.

Een Filipijnse geschiedenisles

Het is een geschiedenis die
ons wegvoert
van wie we zijn.

Wij schelden erop,
zoeken er de oorsprong van,
en geven de macht de schuld
waardoor Spanje gelijk kreeg
en Amerika – beet.

Dit is waar het op neerkomt:
we zijn afgebeten, weggesneden
uit de schil der dingen.

Wat ons ooit pulp gaf
is afgekauwd
en ontpit – verdroogd.

Citeert Buruma in zijn Gods Dust Alfredo Navarro Salanga, een van de bekendere Filipijnse dichters.

Dat afgekloven fruit zijn, is een sterk beeld. Het droeve gevoel dat de vele sekswerkers naast opvallend veel Duitse sekstoeristen gaven. Maar tegelijkertijd die onthutsende schoonheid van het land. En de vrolijkmakende frivoliteit van de zeer jonge bevolking en haar hang naar camp en kitsch.

Geschiedenis is ook ver weg en de toekomst zeer nabij, helpen we ons in onze mismoedigheid maar wat op weg.

lezen:

F. Sionil José – Mis in Manila

Ian Buruma Gods Dust. A Modern Asian Journey.

Zier ook deze ontstellende documentaire: The Kingmaker

Naar kaart 44

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Lek

In het koude donker werd ik wakker naast Ada (7), die in afwezigheid van haar moeder bij mij had willen slapen. Ik durfde niet te kijken hoe laat het was omdat het antwoord toch wel kut zou zijn: rond drie uur betekende dat ik heel kort geslapen had en misschien nog één uurtje zou kunnen pakken, rond vijf uur dat ik niet meer in slaap zou komen en dat het beter was om maar vast aan de slag te gaan.

Onder het ruisen van de regen door waren duidelijk individuele druppels te horen: een lekken dat met even betrouwbare als tergende intervallen klonk in de woonkamer. Het heeft daar eerder gelekt. Er is ettelijke keren naar gekeken. Het lekte daar nu weer.

Bizar hoe een druppel op de verkeerde plek alle hoop op nachtrust doet verdwijnen. Regen tegen dak en ruiten: een heerlijk ruisen dat je binnenzijn benadrukt. Petsen op de vloer in je woonkamer: een watermarteling waarvoor je niet eens in dezelfde ruimte hoeft te zijn.

Inmiddels kan ik het geluid van een druppel die een vloerdeel raakt onderscheiden van tikkende verwarmingsbuizen, van door een kind gemorst kraanwater, van het door temperatuur of droogte zetten van dakbalken en wanden. Zelfs midden in mijn slaap pik ik het blijkbaar op.

Ik kwam overeind, glipte uit bed en liep de gang door, twee wollige eilandjes van duttende kat ontwijkend. Bij het laagste punt van het daklicht in de woonkamer hing een glinsterende druppel. Eronder op de vloer glom een kwaadaardige vlek, een vennetje vol watergeesten.

Ik zuchtte, deed het licht aan en pakte theedoeken, een emmer. Terwijl ik veegde en depte, uitwrong, landden er druppels op mijn achterhoofd en in mijn nek. Een kleinigheid op zich, gewoon water dat het laagste punt zoekt zoals het in beekjes en rivieren doet, een eeuwig optimistisch streven naar de zee. Maar water hoort niet door het dak te komen en het dakbeschot zou gaan rotten als ik niet ingreep.

Ze zeggen dat wie het zich kan veroorloven een huis te kopen, gek is als hij huurt. Ik zou daaraan willen toevoegen en genoeg geld heeft om dat huis door anderen te laten onderhouden.

Om halfzeven kwam Ada uit bed. Ze klom bij me op schoot en gaf me een kus, leek niks te merken van het tikken in de mengkom op de vloer.

‘Vandaag komt Sinterklaas aan met de boot,’ zei ze.

En dat was zo. Ik regelde ontbijt, zocht mooie kleren met haar uit. Rond halfelf waren alle tanden gepoetst en haren gekamd en kon ik met Ada en haar broer Nadim (12) op pad. De Sint zou langs de Scharrebiersluis komen, die zowat naast café De Druif ligt, dus ik prees me dit jaar gelukkig.

Met wat andere ouders en kinderen verzamelde ik me op het hardstenen afdak van het souterrain van het café en volgde de beweging aan de kade, de boten met pieten en Sint. Veel grote mensen gingen opvallend vroeg aan het bier en ik dronk mijn eerste fluitje om half twaalf.

Ik zag een liefde uit mijn verleden met haar jonge dochter lopen en besloot haar niet te roepen, keek naar hoe M onder het praten steeds naar het meisje overhelde. Haar grijzende krullen reikten als tentakeltjes naar het kind. Ik vroeg me af of ik me M’s lijf echt kon herinneren of het nu aanmaakte in mijn hoofd.

Het ontroerde me om iemand die ik uit een kinderloze tijd kende hand in hand met haar dochtertje te zien, zoekend naar de beste plek om Sint en Piet te roepen. Zoveel jaren, dacht ik. Zoveel leven al voorbij.

Druifcollega Yaad was aan het bijklussen voor AT5 en interviewde kinderen. Ada kwam met een mop en Nadim vertelde wat zijn lievelingsboek was. Toen de camera weer verder ging, zei Nadim dat hij wil worden ingeschreven bij een castingbureau. Bijna legde ik uit wat een ellende die bureaus zijn en hoe vaak je voor niks moet auditeren.

‘Mis je mama?’ vroeg ik aan Ada, die opeens stilletjes leek.

Ze pakte mijn hand, knikte.

‘Maar die is er morgen weer,’ zei ik. ‘Als je uit school komt. We sturen haar wel een mooi plaatje van je.’

Ik maakte een foto van Aad met haar pietjestiara en appte die na enige twijfel aan B. Dit was de eerste keer in twaalf jaar dat zij een intocht had gemist.

Om me heen aten de mensen broodjes worst, dronken ze Chocomel. Kinderen renden over het terras. B hoorde nu te zeggen hoe leuk ze dit elk jaar weer vindt en ik zou daarop het hele feest belachelijk maken; dit zijn de rollen waarin we zijn gegroeid, maar nu mijn vaste tegenspeelster er niet was had ik veel minder tegen de Grote Kindervriend.

Ik zong Daar wordt aan de deur geklopt met Aad en legde een toerist uit wie Sinterklaas was en waarom het feest in de meeste steden niet meer zo heel racistisch is. De toerist leek niet overtuigd.

Zo snel als het druk geworden was, liep de kade ook weer leeg en binnen een halfuur oogde het Rapenburg verlaten. Ook Nadim was al naar huis gegaan. Ik zette Ada op het zitje op mijn stang en trapte met haar terug naar ons eiland, waar me op het dak nog een heel gedoe met zeilen, touw en planken wachtte.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.

a.k.a. Deadboy

Woorden zijn belangrijk. Woorden kunnen deuren zijn of vensters. Ze kunnen staan voor de behoefte aan verbinding of een muur optrekken. In de verkeerde handen, van politiek of media, wordt taal vaak ingezet als een verdeel-en-heersinstrument. Om macht mee uit te oefenen. Als manier om de werkelijkheid te simplificeren. Of als instrument voor gaslighting, waarbij je aan je eigen beoordelingsvermogen gaat twijfelen.

Eendimensionaal taalgebruik verdeelt mensen in kampen. Afgelopen juli viel het kabinet Rutte IV over maatregelen om de ‘migrantenstroom’ in te perken. Woorden als ‘migrantenstroom’, ‘asielplaag’ of ‘vluchtelingenlawine’ insinueren dat we hier te maken hebben met een gevaar, met een te veel, met bedreigende aantallen zonder gezicht. Je zou bijna vergeten dat het gaat om mensen zoals jij en ik. En dat bedoel ik letterlijk. Migrant zijn is wat ons verbindt. Het zit in ons DNA: van oorsprong is de homo sapiens een rondzwervende nomade die grenzen slecht uit overlevingsdrang. Niemand hoeft ver te zoeken in zijn of haar familiestamboom om een neef of een betovergrootmoeder te vinden die door oorlog, ziekte of natuurramp, door werkloosheid of als pure gelukszoeker op zoek ging naar een andere, betere toekomst voorbij de horizon.

Niemand laat zo maar alles wat hij kent en liefheeft achter zich om ergens ver weg, op een onbekende plek met andere gewoonten en een vreemde taal, een nieuw leven op te bouwen. Zoom in op de vluchteling en de migrant, op deze gelukszoekers van over de grens, en je ziet haarscherp dat migratie vooral een daad is van enorme moed en zelfopoffering.

Ik ervaar dit wekelijks als ik Nederlandse les geef aan statushouders, expats en asielzoekers. Bijna dagelijks vult mijn beeldscherm zich met migranten, elke met hun eigen verhaal. Ik zie het bij de Turkse cursiste, die als enige van haar hele familie een aardbeving overleefde, na dagen onder het puin te hebben gelegen, en die nu, haar pijn verstopt achter een glimlach, internationaal carrière maakt bij de ING. Bij de Oekraïner achter in de klas die zich maar moeilijk kan concentreren op de vervoeging van onregelmatige werkwoorden omdat hij in de pauze gesproken heeft met zijn beste vriend, die samen met zijn zwangere vriendin doodsangsten uitstaat in een schuilkelder in Kyiv. De Iraniër, die nachtdiensten draait als schoonmaker van kantoorgebouwen, is in zijn geboorteland natuurkundeprofessor.

Terwijl ik deze woorden schrijf, luister ik op Spotify naar de zangeres Fairuz, de Engel van Libanon. Iedere ochtend, in het hele Midden-Oosten, van Kabul tot Cairo, van Palestina tot Teheran, klinkt haar stem in de thee- en koffiehuizen, op straat en op de taxiradio.

‘Door Fairuz,’ zegt de taxichauffeur Samir in Goudjakhals tijdens een nachtelijke rit door de kapotgeschoten straten van Beiroet, ‘waren we tussen de granaten door in staat om lief te hebben. Met haar stem als mast bevoeren we de zee van hoop.’ 

Alle personages in Goudjakhals staan me na aan het hart. Maar deze dagen gaat mijn hart vooral uit naar de jongere broer van Samir. Tarek, a.k.a Deadboy, is een Palestijnse straatkunstenaar die in Nederland in de illegaliteit terechtkomt omdat hij aandacht wilde vragen voor zijn zaak.

“Op een avond in de nachtopvang waren we op de radio getuige van een oud liefdesspel. Met geloken ogen speelden de zionisten over tafel het Westen de joker toe van de Holocaust. De boodschap: bemin ons, niet die ander. We reageerden met een graffiti-aanval, uitgevoerd op een blinde muur van het stadhuis, recht tegenover een bewakingscamera:

PALESTINA ZAL OVERWINNEN.

De volgende avond, in blauw-witte blow-upletters, lazen we eronder het antwoord:

ISRAËL ZAL OVERLEVEN.

Eigenlijk was het geen antwoord. Zeker geen weerwoord. Eerder bijna verlegen woorden. En toch vervulde de boodschap ons met wanhoop. Een overwinning is altijd tijdelijk, beperkt. Overleven daarentegen heeft een eeuwigheidswaarde. Wij vechten dagelijks om ons bestaansrecht. Zij hebben zichzelf dat recht allang verleend.”

(uit: Goudjakhals)     

Tarek is een fictief personage. En toch. Sinds op 7 oktober de hel uitbrak in Israël en vervolgens in de bezette gebieden, vraag ik me iedere dag af hoe het met hem is, en met zijn familie in Beiroet en in Gaza. Waarom? Verhalen bieden de mogelijkheid de innerlijke wereld te betreden van anderen. Fictieve personages krijgen hun eigen leven in onze binnenwereld. Worden een onderdeel van onze realiteit, onze dromen en gedachten. Komen om ons heen staan, zoals de doden en voorouders ons omringen. Kunnen zelfs een troost zijn in eenzame uren.

Zijn schrijven en lezen niet beide oefeningen in empathie?   

Foto van Julien Ignacio
Julien Ignacio

De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

De voorspelling

Peer begon deze week tijdens het eten over Paul de Octopus – een achtarmig dier dat voorspellende gaven werd toegedicht. Ten tijde van het WK in 2010 was ik twaalf, dus ik kan me er vaag nog wat van herinneren, maar het nieuws over die helderziende octopus was kennelijk niet blijven hangen. Peer is ouder, en was al twintig toen die octopus het tot krantenkop had geschopt.

Ze diept wel vaker absurde feitjes op als we een normaal gesprek voeren, en wist ook te vertellen dat er een kat heeft bestaan die Achilles heette, die ook wat voorspellingen had gedaan – een goedgelovig mens zou daarin kunnen geloven, of een achterlijk mens. Wij behoorden tot die laatste groep, maar dat kwam vooral omdat we al aangeschoten waren.

We hadden het over de verkiezingen, wisten allebei wat we gingen stemmen, hadden samen wat debatten gekeken en wat peilingen besproken, maar dus vooral veel wijn gedronken, tot we tot de conclusie waren gekomen dat er geen peiling te trekken viel op de aanstaande uitslag. Kort daarna was Peer over die octopus en die kat begonnen. Ze was opvallend soepel opgestaan, nam Madame Bovary op haar arm (die dat gedwee toeliet), en vroeg of ik nog wat lekkers voor mijn viervoeter in huis had, terwijl ze al naar mijn keukenkastjes liep.

‘Als jij even drie papiertjes scheurt en daar de grootste drie partijen op schrijft,’ beval ze, terwijl ze met één hand door mijn kastjes ging en met haar andere arm Madame Bovary tegen zich aangedrukt hield.

‘Je wilt toch niet –‘

‘Ja. Wie weet!’ zei ze, met de lach die ze altijd op haar gezicht heeft, alsof iemand haar tien minuten geleden een grap had verteld en de laatste restjes van die lach nog in de groeven van haar gelaat stonden.

Tien minuten later keken we gespannen naar Madame Bovary, die we los hadden gelaten op de drie grootste partijen, die gereduceerd waren tot een schoteltje met paté. Ze had het tafereel eerst van een afstandje bekeken, was langzaam naar de schoteltjes toegelopen, terwijl wij onze adem inhielden en nipten aan de laatste restjes wijn die we nog hadden.

‘Als ze van de VVD gaat eten, brengen we haar meteen naar het asiel,’ zei Peer.

‘En als ze van de NSC eet, gaat ze een week op rantsoen,’ voegde ik toe, terwijl het orakel haar tong al uitstak naar de paté die op het bordje van de VVD lag.

Nog voordat ik het kon roepen, had Peer vrij hard ‘Lief, niet doen!’ geroepen tegen de helderziende in de dop, die nietsvermoedend wilde beginnen aan de VVD-snack. Het arme beest was zo geschrokken dat ze weg was geschoten, via de krabpaal de kast op probeerde te komen en daarbij een vaas omstootte, die uiteenspatte op de vloer.

Nadat we Madame Bovary gerustgesteld hadden en de band tussen Peer en haar weer hersteld was, waren we naar bed gegaan, zonder echte voorspelling – dat was maar beter ook, want we hadden een ramp voorkomen, vonden we. We hadden nog steeds geen flauw idee wat de kapotte vaas nu precies betekende (het moest een diepere betekenis hebben), hadden er allerlei complotten op losgelaten, maar kwamen er niet uit.

De wijn bonkte in mijn hoofd, en toen ik net in halfslaap was gevallen, draaide Peer zich naar me toe en stootte me aan.

‘Ik weet wat het betekent!’ riep ze, terwijl ik de dekens over mijn hoofd trok en wat chagrijnigs mompelde.

‘Nou?’

‘Dat we morgen even naar het tuincentrum moeten, zodat ik een nieuwe vaas voor je kan kopen.’

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

En dan…slaat het om

Eergisteren was dan eindelijk het moment om De schim van Raamswolde ten doop te houden. Vijf uur, in de ‘tuinkamer’ van Uitgeverij van Oorschot. Ik had mij van tevoren behoorlijk nerveus gemaakt, maar de zenuwen verdwenen als kakkerlakken waar het licht op valt toen ik een stukje kon gaan voorlezen. Daarna, tijdens het signeren, kwam ik zelfs in een jolige stemming. Ik kreeg cadeaus (vooral drank), kaarten, warme handdrukken en knuffels. We proostten op een tweede druk, we dronken, we lachten. Het was goed. Nee, meer dan goed. 

Met zijn goudgele lichten leek de hele Herengracht te delen in mijn vreugde toen ik later met een volle klapkrat naar de auto waggelde. 

Voor we vertrokken deelden mijn vrouw en ik een sigaartje. Met het opbranden van de tabak, groeide in mij langzaam een onaangenaam gevoel. Ik herkende het, dit had ik altijd na een feest: klein verdriet omdat het afgelopen was. Niet te veel aandacht aan besteden. 

Tijdens het rijden was ik stil. We stopten bij een wegrestaurant, maar ik at weinig. Boven mijn ogen zwol hoofdpijn aan en ik was een beetje duizelig. 

Nadat we thuis de kinderen naar bed hadden gebracht, zei ik: ‘Weet je wat het is? Ik voel mij zo leeg. Had ik niet verwacht.’ 

‘Je hebt natuurlijk veel indrukken opgedaan vandaag,’ zei mijn vrouw. 

‘Nee, dat is het niet. Ik ben totaal niet moe.’ 

‘Toch de zenuwen misschien? Mensen gaan er nu iets van vinden.’ 

‘Daar ben ik, gek genoeg, helemaal niet zenuwachtig voor,’ zei ik. ‘Je moet zelf tevreden zijn met je boek en je uitgever moet er tevreden mee zijn. Daar gaat het om. Volgens mij heeft Wolkers dat ook eens gezegd.’

‘Ben je misschien bang dat je de noodzaak niet meer voelt om verder te schrijven?’

‘O nee, ik heb een paar ideeën waar ik zelfs heel erg de noodzaak van voel.’ 

Ik houd al jaren een klein archief bij met mogelijke plotlijnen, krantenknipsels waar misschien iets in zou kunnen zitten en jeugdherinneringen. Ook heb ik drie plannen van toekomstige romans op de plank liggen die blijven roepen om geschreven te worden. 

‘Ik denk dat ik gewoon heimwee heb naar het schrijfproces,’ zei ik. ‘Naar de concentratie die nodig is om stijlvast te blijven, het puzzelen, het spelen met woorden, het sleutelen aan de alinea’s.’ 

Hoe lang heb ik al niet geschreven? Toch zeker al sinds de zomer niet meer. Natuurlijk heb ik daarna de drukproeven nagelopen (en ik blog nu al enkele weken), maar dat telt niet als schrijven, wat voor mij betekent: opgeslokt worden door iets dat net zo groot en werkelijk is als de dagelijkse realiteit. 

Zoals ik wel vaker doe, zocht ik steun bij mijn boekenkast. Had Ilja Leonard Pfeijffer hier niet eens iets over geschreven? Ik meende mij zoiets te herinneren. In Het geheim van het vermoorde geneuzel? Of Brieven uit Genua? Ik bladerde door de boeken. Nee, hier stond het niet in… Ik pakte Hoe word ik een beroemd schrijver? van de plank. Op de eerste bladzijde bleef ik meteen al hangen aan een passage waarin Pfeijffer schrijft dat schrijven voor de echte schrijver een instinct is. Het is ondenkbaar om het niet te doen.

Ik las het luid voor. Klopt helemaal. Ook ik krijg het benauwd als ik een poosje niet schrijf. De afgelopen maanden ben ik continu onrustig geweest en heb ik mij uit verveling bemoeid met allerlei zaken die mij niets aangaan en conflicten uitgelokt. Als ik geen schrijfproblemen op te lossen heb, ga ik blijkbaar in het echte leven problemen zoeken. (Pfeijffer gaat zelfs nog een stap verder en vergelijkt schrijven met ademhalen. Ook hierin geef ik hem graag gelijk, maar dan zou ik door de mand vallen. Ik zou dan immers nu dood moeten zijn.)

Was dit wat mij dwars zat? Enkele pagina’s verder vond ik het antwoord. Wanneer een boek af is, zegt hij, is er niet alleen euforie, maar ook rouw. Dit laatste omdat hij op dat moment gelijk zijn interesse in het boek verliest. Het is dan aan anderen om het te lezen.

Verdomd. Ik besefte dat mijn zojuist gepresenteerde roman niet meer van mij was, maar van de lezer was geworden. Ik herinnerde mij nu ook een aardig interview met Allard Schröder waarin hij zegt dat het boek van de lezer is en hij er dus als schrijver niets meer mee te maken heeft als het eenmaal in andermans handen terecht is gekomen.

‘Lieverd, ik ben in róúw. Hallo? Hoor je wat ik zeg?’

‘Luid en duidelijk,’ zei mijn vrouw. ‘Daar moet je even doorheen, denk ik.’ 

‘Gelukkig heb ik net vier flessen whisky gekregen.’ 

‘Dat dacht ik niet!’ riep ze. ‘Die drank gaat achter slot en grendel, vriend.’ 

Foto van Alexander Baneman
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

Japan: veel in weinig

(De wereld in stukken 42)

Beminnelijk hoe
de navigatiedame
zegt: ‘Take the left lane.’

Door de ruit van je snelle Mazda-automaat is de Fuji niet zo heel anders dan op een houtblokprint van Hiroshige. Er is nog niet eerder een landkaartkaart geweest denk ik, waar zo’n interessant land in zijn geheel op staat. Wat de beperking van 500 woorden zo pijnlijk doet gevoelen. Maar de uitkomst wordt bijgeleverd: de haiku. Die versvorm kan immers ook zoveel duiden en tonen op zo korte baan. Recent verscheen Matsuo Bashō Verzamelde haiku’s.

Inktviskruiken –
vluchtige dromen
onder de zomermaan.

Het boek verzamelt ze allemaal en geeft onschatbare context. De haiku is het kortste bewijs van wat opvallendst is aan Japan: alles is anders. En folkelt van vreemdheid. De reden waarom er rondreizen zo’n feest is: de voortdurende verbazing.

Zet de wc aan
verbloemend geluid zorgt voor
ontspannen verblijf

Ik ken een vertaalster die een prijs won en overwoog er twee Japanse toiletpotten voor te kopen, met een scala aan mogelijkheden: een hele reeks geluiden en muziekjes om de schaamte van lichaamsgeluid te kunnen helpen voorkomen, door het geluid te maskeren. En een scala aan douches voor de optimale lichamelijke hygiëne. Koud en warm.

Toe, winterbui, door-
drenk alle aanwezigen,
hoe koud ook dit huis

In weer en wind – de Ukiyo-e – de prints van beroemde kunstenaars als Hiroshige of Hokusai, tonen een wereld in zomer en winter die tegelijkertijd totaal verdwenen als overal nog zichtbaar is. In het Sieboldhuis in Leiden zag ik een tentoonstelling van vroege fotografie in Japan en het opmerkelijkste was dat in de opnamen bleek dat er in de veel oudere prints niet zoveel gestileerd is als je wel denkt: de stilering is in ieder geval ook in de fotografie die soms straatbeelden geeft echt aanwezig. Met andere woorden, tot aan de manier waarop mensen staan in die afbeeldingen, en die je nu afwijkend voorkomen, volgden ze de waarneming. Ook dat was anders. En is het soms nog.

Bestel je eten
bij de automaat vooraan.
Na de maaltijd: weg!

De wonderlijke restaurantervaring: vooraf betalen bij een machine, geserveerd krijgen en weglopen als je klaar bent. Iets wat eerlijk gezegd zeer goed voelt.

Bloeiende chrysant –
soms zelfs een gemarineerd
hapje bij de sake!

Over de keuken kun je rustig een leven lang nadenken. Of over het glazen potje met een sardientjesachtig dekseltje waar sake in zit. En dat je steeds gehechter aan dat drankje raakt.

Telefoonnummer
is de code voor tomtom;
elk huis een lijn.

Zoiets: dat verbaast al, je voert het telefoonnummer van het huis waar je heen wilt in, en dan kom je aan. (Op plaatsnaamborden navigeren valt zonder kennis van de karakters niet mee.) Het feit dat niet je nummer meeverhuist is al zo opmerkelijk dat je realiseert dat op deze diepte de al structuren, maar nog veel dieper* alles steeds anders is.

Na mijn vertrek
uit de hoofdstad was ik dagenlang
met de goden op weg.

De even haiku’s zijn uit Matsuo Bashō Verzamelde haiku’s. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Jos Vos.

Verder, een eveneens onmogelijke beperking in 5 titels:

Yukio Mishima Een zeeman door de zee verstoten
Sei Shōnagon Hoofdkussenboek
Jun’ichirō Tanizaki De brug der dromen
Haruki Murakami De opwindvogelkronieken
* lees hiervoor: Ian Buruma De spiegel van de zonnegodin

Naar kaart 43

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Hulpje en schrijver

‘Pap, ben jij dokter?’ vroeg mijn dochter jaren geleden. 

‘Nee, hoor,’ antwoordde ik. ‘Hoezo?’ 

‘Je werkt toch in het ziekenhuis?’ 

‘Jawel, maar dan hoef je nog geen dokter te zijn.’ 

‘Verzorg je dan de zieke mensen?’ 

‘Nee, ook niet.’ 

Ze dacht even na en riep: ‘O, dus je bent maar het hulpje!’ 

Mijn vrouw en ik lachten erom, maar pijnlijk was het wel een beetje. Vooral dat ‘maar’ – ‘maar het hulpje’. 

Ik heb nooit carrière gemaakt. Nooit willen maken, kan ik misschien beter zeggen. Sinds ik in 2010 in het ziekenhuis ging werken ben ik post- en archiefmedewerker. Ik ben in die dertien jaar nooit hogerop gekomen. Mijn functie is onderdeel van de Ondersteunende Diensten, dus ja: ik ben een hulpje. Het was ooit de bedoeling dat ik dit tijdelijk zou zijn. Collega H. wrijft het er altijd in als ik hem tegenkom. 

‘Loop jij hier nou nog rond, kerel?’ 

‘Ja.’ 

‘En je had zo’n mooie opleiding gedaan. Iets asociaals, toch?’ 

‘Sociologie,’ zeg ik dan trouw. ‘Uiteraard niet afgemaakt.’ 

‘Dat zeg ik. Studeren van mijn belastingcenten en het verdorie niet afmaken. Dat noem ik knap asociaal.’ 

Dan lacht hij luid, klopt mij op de schouder en vraagt of het goed met mij gaat. 

Vanaf het moment waarop ik besefte dat ik niets anders wil dan schrijven, heb ik mijn leven in dienst gesteld van die activiteit. Wie het een hobby noemt, heeft er niets van begrepen. Ik schreef verhalen en gedichten, stuurde deze naar de bladen, kreeg afwijzing op afwijzing. In wanhoop zocht ik contact met gearriveerde schrijvers. Sommige waren bereid mijn teksten te lezen en tips te geven. Ik móést publiceren, mezelf op de kaart zetten. Die publicaties kwamen er ook, in De Revisor en Tirade. Na een mislukt traject bij een andere uitgeverij werd ik opgemerkt door Van Oorschot. Ik kreeg het auteurscontract op mijn verjaardag. (Dat gegeven vatte ik op als een gunstig voorteken.) Ik begon aan de roman te werken die toen nog Eigen haard heette. Elke twee, drie maanden ging ik naar de uitgeverij om de voortgang te bespreken. Ik ontving lof (en boeken), maar ook (broodnodige!) kritiek. De laatste twee jaar nam het schrijven mij volledig in beslag. 

Afgelopen maandag stuurde Menno mij een appje: ‘Boek is er, Alexander!’

Samen met mijn gezin ging ik naar de uitgeverij. We hadden taart mee. Sonja, Marko, Emmelie en Yara waren er ook. Op de tweede verdieping, in het kantoor kreeg ik dan eindelijk De schim van Raamswolde in handen. De exacte woorden die toen uit mijn mond kwamen kan ik nu niet reproduceren; ik kan ze mij domweg niet herinneren. Misschien later wel, als de euforie wat gezakt is. Ik bladerde in het boek, draaide het rond, opende en sloot de flapjes. Ik rook eraan. We aten taart en babbelden wat, want het officiële moment vindt volgende week pas plaats. We luisterden naar de kinderen die volledig opgingen in hun eigen gesprek en totaal geen besef hadden van het feit dat ze zich op (voor hun vader) heilige grond bevonden. Er werd een foto genomen. Daarna was het tijd om naar huis te gaan. Ik kreeg twintig exemplaren van mijn roman mee. 

Op de keukentafel stalde ik de boeken uit. Gewoon om ernaar te kijken. Steeds weer. 

Dinsdagmiddag, toen mijn dochter samen met een vriendinnetje uit school kwam, lagen ze er nog. Ze pakte er een van tafel en zei trots: ‘Dit boek heeft mijn vader geschreven. Hij is schrijver.’ 

Kijk, dat klinkt toch heel wat beter dan ‘hulpje’? Collega H. ben ik deze week nog niet tegengekomen, maar ik denk dat er een einde komt aan zijn running gag

De schim van Raamswolde ligt 16 november in de betere (online) boekhandel. 

Foto van Alexander Baneman
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

‘De dorst iets op te vissen uit de afgrond van de tijd’ Lezen over Rusland

(De wereld in stukken 41)

Een hoge legerleider besluit in opstand te komen tegen de Russische overheid en stuurt een ultimatum dat de grote baas niet meer naar de ministers moet luisteren maar eist een gesprek met hem.  

Komt dit je bekend voor. Prigosjin en Poetin? Ja, Maar ook Luitenant Schmidt en Tsaar Nicolaas II. Luitenant Schmidt is een heel bijzonder een vreemd lang poëem waarin de opstand van de luitenant van de Zwarte Zeevloot centraal staat, na de revolutie van 1905. Schmidt houdt een gloedvolle rede bij de begrafenis van de revolutionair Bauman en wordt later gevraagd door muiters het bevel over te nemen. Zijn schip voert dan de vlag ‘Ik commandeer de vloot. Volg mij.’ Maar het loopt slecht af, zijn eis wordt niet ingewilligd maar hij wordt opgepakt en in 1906 op een eilandje geëxecuteerd.

Pasternak schrijft het lange gedicht in 1926. Majakovski is er wild van. Tsvetajeva heeft veel commentaar, maar draagt het wel een aantal keren voor. De correspondentie die Schmidt voert met Zinaida Riesberg speelt een belangrijke rol. Liefde en heldenmoed dus, echt Pasternak. Zij probeert hem in zijn verbanning nog te bereiken in een eveneens echt Pasternakse passage:

‘Waar ooit een pogrom heeft gewoed, baant naar het plaatsje Romny
De posttrein zich een weg, hij spoedt zich door de sneeuwjacht heen,
Buiten – kaarsstompjes vonken en de wervelwinden grommen,
De hete moeren fonkelen, het kwik danst op de rails.
Vuren en vonkjes knetteren, boven haar hoofd gaan vlagen
van rook achter de reizigsters over de wenteltrap.’*

Ze is op weg naar Otsjakov, waar het schip van Schmidt met dezelfde naam gebouwd is. Later zal ze op de Zwarte Zee langs het gedoemde eilandje varen waar hij dan al vermoord is.

 In de Russische literatuur zijn nog een paar van dergelijke politieke stukken die heel interessant zijn: Tolstoj’s Hadji Moerat, over een islamitische ‘War Lord’ avant la lettre die moet kiezen tussen zich voegen of zich doodvechten, een prachtige novelle, en een journalistiek long read avant la lettre. En natuurlijk de Kapiteinsdochter van Poesjkin, over de Poegatsjovopstand.

Russen over hun eigen geschiedenis. In Nederland kun je in het Verzameld Werk in zeven delen van Karel van het Reve – voor de gelukkigen die dat ooit in bezit kregen een aanhoudende bron van vreugde – of in de nu nog leverbare Geschiedenis van de Russische Literatuur of Karel voor beginners en gevorderden heel goed veel ‘secundairs’ lezen over Rusland. Van Oorschot voert al sinds jaar en dag De geschiedenis van Rusland van J.W. Bezemer die later steeds geüpdatet is door Marc Jansen die naast zijn Grensland Geschiedenis van Oekraïne nog twee boeiende boeken schreef bij ons: een geschiedenis van Georgië onder de titel Belaagd paradijs, en De toekomst die nooit kwam, hoe Rusland worstelt met zijn verleden.

Afijn, ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend.’

Tot mijn verbazing lees ik nu net op onverwacht plek dit: ‘De oorlog is derhalve onvermijdelijk het enige middel om Rusland bij te brengen dat Europa niet zal zwichten voor de ongebreidelde expansie van hun grondgebied en macht, en de constante dreiging van hun duizenden kanonnen en miljoenen manschappen.’** Een analyse van de Russische dreiging uit onverwachte hoek: een uitgebreide brief van Alfred Russell Wallace uit 1856 vanuit het Maleisisch eilandenrijk over de Krim-oorlog.

En l’histoire se répète. Eindeloos. 

*vertaling Margriet Berg en Marja Wiebes, **vertaald door Ruud Rook.

Ook lezen: Ryszard Kapuściński Imperium, ‘a personal, brilliantly detailed exploration of the almost unphatomably complex Soviet empire in our times.’

Op deze kaart: Verhovansk. Wikipedia zegt: ‘Tussen 1860 en 1917 werd ze vooral gebruikt als politiek verbanningsoord.’ Zucht. Echt elk dorp in Siberië lijkt ooit een verbanningsoord te zijn geweest.

Naar kaart 42

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een soort legpuzzel

En toen hadden we het zomaar over onze ouders. Hoe het precies gebeurde kan ik me niet goed herinneren, maar dat doet er ook niet toe.

Ik zat met mijn Amsterdamse neven en Utrechtse nicht in een kroeg. We waren eerder die avond op een verjaardag geweest. Het was de eerste keer dat ik echt met mijn Amsterdamse neven sprak. Vroeger, als kleine kinderen, hadden we elkaar natuurlijk zo nu en dan gezien, maar ja, toen waren we klein en hadden we niet zoveel met elkaar op. Mijn Utrechtse nicht zag ik vaker.

We hadden het eerst over onze grootouders. Misschien maakte dat de stap naar onze ouders kleiner. Onze grootouders woonden in Driebergen, in een rustige buurt, waar voor ons als kinderen niet veel te doen was (in totaal zijn er zeven kleinzonen en twee kleindochters). We hadden het erover hoe we elk muurtje in de buurt van het huis van onze grootouders wel hadden gebruikt als ‘buut’ bij verstoppertje. Hoe vaak we daar niet hadden gevoetbald, met jassen en sleutels als doelpalen, die we soms snel moesten opruimen als er een auto aankwam (ik verschoof de doelpalen van de tegenstander wel eens stiekem met mijn voet als niemand keek). Iemand memoreerde dat we ook eens boven in het huis achter een computer belandden waar we tetris speelden, met z’n allen op één toetsenbord. En dat we met Kerst vaak dia’s bekeken, op een scherm geprojecteerd. Hoewel we elkaar weinig hadden gezien, bleken we toch vele gedeelde herinneringen te hebben.

Maar we begonnen elkaar ook vragen te stellen. Over hoe wij ons onze grootvader, pake, herinnerden, die ons hele bestaan half-verlamd in een rolstoel heeft gezeten. Over waarom we eigenlijk niet vaker een familiereünie hebben gehad. Over de gelijkenissen tussen mijn vader en mijn oom (de vader van mijn Amsterdamse neven). We vroegen ons af of wij elkaar vaker hadden gezien als pake niet half-verlamd in een rolstoel had gezeten. Uit de verhalen van onze ouders kwam hij altijd naar voren als een verbinder, een man met veel energie die waarschijnlijk veel had georganiseerd om de familie vaak bij elkaar te hebben: verjaardagen, feestjes. Misschien hadden we dan wel eens met z’n allen Sinterklaas gevierd in Driebergen.

Naarmate het gesprek vorderde, had ik het gevoel alsof we met z’n allen een legpuzzel aan het maken waren. We begonnen de verhoudingen in onze familie te bekijken. Iedereen vertelde wat hij of zij wist over of vermoedde van de reden waarom bepaalde broers en zussen (onze ouders dus) een iets hechtere band met elkaar leken te hebben dan met de anderen. De een legde uit dat hun ooms en tantes, onze oudooms en oudtantes, er iets mee te maken hadden. Een ander vertelde dat hun grootouders, onze overgrootouders, ook veel invloed hadden gehad. Nu is mijn familie een hele gelukkige familie waar iedereen goed met elkaar kan opschieten, dus grote, smeuïge ontdekkingen heb ik niet gedaan, maar kleine verklaringen kreeg ik wel: voor gedrag, voor de irritaties die er soms – zoals in elke familie – zijn, voor bepaalde gebeurtenissen van vroeger.

Interessant genoeg heb ik de afgelopen tijd steeds vaker dit soort legpuzzelervaringen, niet alleen wanneer ik met mijn neven of nichten praat, maar ook als ik met oude vrienden spreek. Alsof het bevragen van vroegere gebeurtenissen en de menselijke relaties om ons heen ineens hele natuurlijke en logische gespreksonderwerpen zijn geworden. Met menselijke relaties bedoel ik zowel liefdesrelaties, als vriendschappen, als de band tussen broers en zussen, als ook gewone groepsdynamiek. Zo zat ik begin september met een oud-klasgenote in een café en toen hebben we veel gesproken over onze tijd op het gymnasium in Leiden. Onze schoolgenoten daar, de docenten, het milieu eigenlijk. Ook tijdens dat gesprek vielen er allerlei stukjes op hun plaats.

De gesprekken gaan vaak eerst over hele andere dingen: politiek, het nieuws, studie. Maar op een zeker moment buigt het gesprek af naar het gedeelde verleden en dan stelt een van de aanwezigen over een bepaalde gedeelde ervaring een vraag, en van het ene op het andere moment ben je aan het puzzelen.

Het komt natuurlijk door mijn – onze – leeftijd. We zijn oud genoeg dat bepaalde gebeurtenissen en/of spanningen tussen mensen, van vroeger of nu, ons opvallen. Bovendien zijn we oud genoeg om alles wat we vroeger hebben gehoord of op een andere manier ontdekt, te ordenen en met elkaar in verband te brengen. Ik weet niet of dat bewust of onbewust gebeurt, maar dat doet er ook niet echt toe.

Dat je samen met anderen puzzelt is wel belangrijk, omdat iedereen een eigen beetje kennis met zich meebrengt, waardoor het geheel duidelijker wordt. Want daar gaat het om: de samenhang wordt duidelijker. Of dat nu de relaties tussen broers en zussen betreft of de redenen waarom bepaalde mensen op zeker moment niet meer meegingen op familievakantie. Er worden verbanden getrokken tussen verschillende ervaringen en verschillende stukjes kennis. En dat is moeilijk om in je eentje te doen.

Daarnaast zijn we oud genoeg om serieus met elkaar over deze dingen te spreken. Misschien weerspiegelt dat ook onze behoefte om er over te praten. Of, wellicht is ‘behoefte’ een wat groot woord, en is ‘interesse’ beter. We vinden het interessant genoeg om het erover te hebben. Het geeft wat duiding aan vroeger en daarmee mogelijk aan het nu. Daarnaast is het ook gewoon een combinatie van herinneringen ophalen, wat altijd voor een vrolijke sfeer zorgt, en roddelen, wat eveneens vaak leuk is. Het hoeft niet in een hele serieuze sfeer plaats te vinden, wil ik maar zeggen.

Aan het eind van de avond, toen de kroeg bijna sloot, stonden we op. We besloten dat we maar eens een neven-en-nichten-dag moesten organiseren, om eens met iedereen van onze generatie samen te komen. Ik ga ervan uit dat we dan een nog grotere puzzel zullen leggen.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

Leren eetlezen

Oké, ik beken: ook ik ben een van de mensen die weleens verkondigen dat ze met genoegen een voedingspil zouden slikken in plaats van driemaal daags een uitgebreide maaltijd te nuttigen. Eten is voor mij eerder een plicht dan een plezier. Ik neem genoegen met weinig, vergeet het zelfs regelmatig te doen, zeker wanneer ik aan het lezen of schrijven ben. ‘Eetlezen’, zoals Remco Campert de combinatie van deze activiteiten noemde, kwam op mij altijd over als een bijzonder onpraktische aangelegenheid, die uiteindelijk afbreuk doet aan beide. 

Door het nieuwe boek van Dwight Garner weet ik mijn literaire medestanders op dit gebied weer te vinden. Hier is Walter Benjamin, in de vertaling van Cyrille Offermans, scherp en speels (en streng) als altijd: ‘De krant kan men onder het eten eventueel nog lezen, maar nooit een roman. Dat zijn bezigheden die met elkaar in strijd zijn.’ Lord Byron beweerde dat hij geen smaakpapillen had, en Beryl Bainbridge bleef zo dun omdat zij er simpelweg niet in geloofde, eten. 

Garner, die al decennia als literatuurcriticus verbonden is aan The New York Times en soms ook culinaire essays en columns schrijft, bevindt zich helemaal aan de andere kant van het spectrum. Voor hem zijn eten en lezen van begin af aan verbonden, vandaar dat zijn eerste egodocument, The Upstairs Delicatessen, geheel in het teken van deze twee bezigheden staat. (De prachtige titel is ontleend aan Beat-criticus Seymour Krim, die zijn lezersgeheugen als zodanig typeerde; in vertaling zou het iets als ‘het kruidenierszaakje in de bovenkamer’ zijn.) Hij legt zijn vroegste herinneringen op deze gebieden vast, en komt daaruit naar voren als een papperige provinciale jongen die altijd in het geniep las, mede om te ontsnappen aan de verwachtingen van zijn traditionele ouders, en stapels detectives paarde aan rollen koekjes. Levenslang overgewicht wordt wel aangestipt als bron van schaamte (en jicht, niet te vergeten), maar de berustende toon suggereert dat zelfacceptatie al heeft plaatsgevonden, en dus niet voor de ogen van de meewarige lezer hoeft te worden bevochten. Het boek vertelt in plaats daarvan het bescheiden succesverhaal van een lezer die een schrijver werd, een jongen die uitgroeide tot een man, een vrijgezel die transformeerde tot een echtgenoot en vader.

In zijn inleiding schrijft Garner dat hij zich niet kan voorstellen dat mensen met mijn particuliere ‘karakterfout’ (aldus William Makepeace Thackeray) dit boek ter hand zouden nemen, waardoor hij niet de noodzaak voelt zich met het oog op hun leesplezier te matigen of in te houden. De uitgebreide verhandelingen over zijn tamelijk infantiel (of gewoon: Amerikaans?) aandoende eetgewoonten, inclusief lofzangen op volgeladen chili dogs, supermarktsushi en cola light, zullen voor niet-ingewijden dan ook behoorlijk bevreemdend kunnen zijn. 

Toch nam ik het boek mee nadat ik er in de Strand over struikelde en bladerde ik er de dagen daarna vrijwel voortdurend in, hardop fragmenten voorlezend aan wie zich maar in mijn omgeving bevond. Dat komt enerzijds door Garners uitstekende tekstselectie, en anderzijds door het enthousiasme dat hij als literatuurduider aan de dag legt. Zo wijst hij er graag op dat Toni Morrison de ideale consistentie van een zachtgekookt ei omschrijft als ‘wet velvet’ (proef die klanken even) en dat Kingsley Amis gerechten uit alle wereldkeukens drenkte in HP-saus, maar kan hij zich ook verliezen in essayistische uitweidingen over de betekenis van Amerikaanse diners in het oeuvre van Cormac McCarthy, of opbiechten nog immer ontroerd te kunnen raken door de Europese elegantie en souplesse waarmee Audrey Hepburn in Charade (1963) haar bestek hanteert: ‘This, one thinks, is what the poetical use of cutlery looks like. Her posture and manners are almost heartbreaking to observe.’ Al zijn evocaties van schoonheid laten zich uiteindelijk lezen als pleidooien voor stijl. 

In die hartstocht bleken we elkaar te kunnen vinden. Garner zegt te lezen uit ‘observation greed’, ofwel om zoveel mogelijk kennis over het leven te verzamelen; een aandrang die ik zelf meestal fundamentele nieuwsgierigheid noem. Zijn conclusie dat hij in wezen altijd die gulzig lezende en etende jongen is gebleven, is misschien niet heel verrassend, maar wel waarachtig, zeker voor mede-boekengekken. Op vergelijkbare wijze lees ik sinds mijn ontdekking van de literatuur als een kettingroker; halverwege het ene boek heb ik alweer het volgende voor ogen, en bij de slotpassage aangekomen ligt er in gedachten een heel nieuw stapeltje klaar waar direct aan zal worden begonnen. De metaforiek is anders, maar de honger hetzelfde. 

En geslaagde metaforen zijn aanstekelijk, merkte ik tijdens het lezen van The Upstairs Delicatessen weer eens. Ik hield op een gegeven moment stil bij een andere uitspraak van diezelfde Thackeray, namelijk dat hij romans als een soort geestelijk snoepgoed beschouwde. Terwijl ik een desolaat vliegveld afstruinde, in afwachting van een steeds verder vertraagde terugvlucht, dacht ik aan die woorden en probeerde ik hun waarheidsgehalte te peilen. Ze verleidden me ertoe om wat M&M’s te kopen, ooit door mij als hoogste gewaardeerd binnen het snacksegment, die ik met kinderlijk gusto verorberde bij het aanbreken van de volgende roman. Het is blijkbaar nog niet te laat om te leren eetlezen.

Foto van Lodewijk Verduin
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Een uurtje of vijf

Een heel leven past in twee bouwcontainers, weet ik nu. Alle spullen die je in een leven aankoopt, naar het hol van je woning sleept, dagelijks door je handen laat gaan – die dingen sterven met je mee als jij sterft.

Mijn oma was een verzamelaar. We wisten dat al, maar toen we begonnen met het uitruimen van haar woning stuitten we op spullen die we nog nooit hadden gezien. Ze was een trouwe kringloper van alle zaken in de omgeving en werd zielsgelukkig van het adopteren van spullen die anderen niet meer wilden hebben. En het stond mooi in haar huis, al was het vol: een soort museum van andere levens, maar uiteindelijk dat van haar.

Ik voelde me een ongewenste indringer toen ik de eerste keer na haar overlijden door de voordeur stapte, omdat zij er niet was om me binnen te laten, te begroeten, een kopje koffie te zetten. Het was moeilijk om de boekjes, schalen, kookmachines, bloemenvazen, salontafeltjes, kastjes, schilderijen en klokken aan te raken, omdat zij die dingen ook had aangeraakt, maar er nu niet meer bij was. Die doodgewone handeling voelde nu vreemd, alsof ik haar dagboek las zonder dat ze daar toestemming voor had gegeven.

Met liefdevolle hand sorteerde mijn familie de spullen. Wat weg moest, wat iemand wilde houden, wat we nog even lieten staan. Iemand zei me ooit dat een mens niet wordt gedefinieerd door spullen, maar nu twijfel ik daaraan: soms leg je in die spullen een deel van je leven, plak je een herinnering op de dingen, kleeft er een verhaal aan een meubilair.

Toen de avond viel, keerde ik weer terug naar mijn eigen huis. Ik stond in de woonkamer, keek naar de boeken die verspreid door mijn woonkamer stonden, hoorde het ratelen van mijn koffiezetapparaat, keek rond naar alle dingen die ik al had verzameld – ik ben ook een verzamelaar, al loop ik nog vijf decennia achter op mijn oma.

Als ik doodga, dacht ik, als ik morgen om zou vallen, zouden mijn familie en vrienden dan ook door mijn spullen gaan? Zouden ze mijn leven dan ook verspreiden over hun eigen huizen, de kringloop, de vuilstort? En wat zou er dan nog van me overblijven, eigenlijk?

Ik belde Snap, een goede vriend die ik al te lang niet meer had gesproken.

‘Hoe gaat het met je, naar omstandigheden?’ vroeg hij, alsof we een gesprek hadden hervat dat maar een paar minuten was afgekapt, terwijl we elkaar in werkelijkheid al twee maanden niet meer in levende lijve hadden gezien en alleen maar contact met elkaar hadden gelegd via de telefoon.

‘Het gaat,’ mompelde ik en ijsbeerde wat door mijn woonkamer. ‘Als ik doodga, trouwens, moet jij voor mijn boeken zorgen,’ overviel ik hem. ‘En ook voor mijn platen.’

‘Dat is goed,’ beloofde hij, alsof het de normaalste vraag van de dag was. Snap is een jaar jonger, dus statistisch gezien gaat hij me overleven – alsof statistiek ons redden kan, maar in tijden van twijfel biedt de statistiek kennelijk enige troost en hoop.

‘En mijn manuscripten, die moet je ook maar bewaren,’ voegde ik toe. ‘Wie weet krijg je daar ooit nog een tientje voor op Marktplaats, of iets dergelijks, dat zijn toch weer drie biertjes in de kroeg.’

‘Tegen die tijd is de inflatie zo hoog, dat ik van dat bedrag niet eens één biertje kan kopen waarschijnlijk.’

Mijn lach rolde over de lijn.

‘Oh, en als je tegen die tijd niet al te druk bent, moet je ook maar iets aardigs over me zeggen op mijn uitvaart. Iets over vriendschap, of anders iets over die keer dat ze dachten dat jij de dichter was die kwam voordragen en ik je literair agent. Desnoods iets over onze onbenullige kroegavonden, al weten we allebei niet meer wat we precies hebben gezegd en gedaan, volgens mij.’

Het was even stil aan de andere kant van de lijn.

‘Ben je druk, morgenavond?’ vroeg Snap ineens. Zijn toon was zachter nu, bedachtzaam, zelfbewust. ‘Dan kom ik gewoon even langs. Rond een uurtje of vijf?’

‘Dat moet lukken,’ zei ik. ‘Ik ben rond dat tijdstip nog niet van plan om dood te gaan.’

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Ode aan mijn basset hound

Achterin mijn te verschijnen debuutroman (16 november aanstaande!) staat een korte tekst waarin ik een aantal mensen bedank die voor mij onmisbaar zijn geweest tijdens het schrijven. Nu het werk gedaan is en ik veroordeeld ben tot de wachtruimte, krijg ik steun uit onverwachte hoek. Inderdaad, van die langoor op de foto. 

Vier jaar geleden kocht ik de beste vriend die ik ooit heb gehad voor een kleine duizend euro. Een basset hound; de koddige jachthond op korte poten van Frans-Engelse afkomst. Toby heb ik hem genoemd, maar hij luistert ook naar Tootje, Toops of El Tobertino (if you’re not into the whole brevity thing*). Als hij luisteren wil, moet ik zeggen, want dit heerschap heeft geen baas maar een bediende. Dit is een hond die overal lak aan heeft. Een viervoeter met een ijzeren wil. Hij is geen pleaser, verre van zelfs. Als hij op straat besluit om niet verder te lopen, krijg je hem met geen mogelijkheid aan de gang. Meermaals ben ik thuisgekomen met dertig kilo hond in mijn armen. Idiote commando’s als ‘geef poot’ of ‘dood liggen’ volgt hij niet op. Ik geef hem geen ongelijk, trouwens. De minzame blik in zijn ogen, vaak ten onrechte verward met droefheid, en het teveel aan huid geven hem iets van een verlopen aristocraat die te snel veel gewicht verloren is.

Maar laat je niet bedriegen door zijn voorkomen. Hij is een uiterst geraffineerde specialist. Een reukexpert die zijn gelijke niet kent. Geen hond heeft een betere neus dan hij. Wanneer hij ‘uit’ gaat demonstreert hij zijn gave steevast. Dan is hij blind en doof geworden voor alles wat afwijkt van het geurspoor. Tot hij het konijnenhol of die ene egel tussen de struiken gevonden heeft.

De egel doet hij niets, want buiten al het bovenstaande is hij een zachtmoedig wezen dat vaak zijn genegenheid toont. Hij is vriendelijk jegens al wat leeft. Zelfs katten vindt hij leuk. Hij weet niet wat vechten is, hij gelooft er gewoonweg niet in (of hij staat erboven, dat kan ook). Nooit heeft hij een boosaardig gegrom laten horen of zijn bovenlip opgetrokken. Kinderen kunnen geen kwaad bij hem doen, al trekken ze bij wijze van spreken aan zijn oren. Als ik verdriet heb, weet hij hoe hij moet troosten (likken en knuffelen). Tijdens het schrijven ligt hij aan mijn in pantoffels gestoken voeten. Wanneer ik na een vakantie weer aan het werk ga in het ziekenhuis, zit hij volgens mijn vrouw de hele dag bij de voordeur te wachten tot ik terug ben. Hoe kun je niet van zo’n beest houden? (De basset hound was geliefd bij meerdere wereldsterren, waaronder Elvis Presley, Marilyn Monroe en Brigitte Bardot, doch dit terzijde.) 

Overigens ben ik niet de beste hondenopvoeder, hoor. Zo heb ik Toby nooit afgeleerd tegen mensen op te springen in zijn enthousiasme. Ook het schooien (een doorn in het oog van veel baasjes) heb ik altijd toegelaten. Hij kan alles van mij krijgen, zolang hij maar niet te dik wordt. Ik vrees het moment dat ik hem eens bij de dierenarts zal moeten achterlaten als de ziekte. Toen hij oorontsteking had en de hele dag zijn kop scheef hield, at en sliep ik niet van ellende. In mijn nachtmerries breekt hij los en wordt hij overreden door een auto. In nachtelijke paniek stommel ik dan naar zijn mand om te kijken of hij nog wel ademt. 

Enfin. 

Terug naar waar ik dit stukje mee begon. (Wanneer het over die hond gaat, laat ik mij altijd meeslepen.) Als een interviewer aan een schrijver vraagt wat het fijnste moment in het schrijfproces is, hoor je vaak: ‘Als het af is!’ of ‘Als ik nog moet beginnen, want dan ligt alles nog open.’ Ik heb een hekel aan allebei die momenten, heb ik gemerkt. Als het af is, moet je wachten en daar ben ik niet zo sterk in. Het liefst begin ik meteen aan een volgend project, ook omdat ik alle begin moeilijk vind en die hobbel daarom maar genomen wil hebben. Echter, dat wordt mij door meerdere mensen afgeraden en ik begrijp dat ook heel goed. Ziedaar mijn kwelling. ‘Als ik niet werk, besta ik niet,’ schijnt kunstenaar Anton Heyboer eens gezegd te hebben. Gaat ook voor mij op, denk ik weleens.

Gelukkig biedt iets soelaas: wandelen. Een gezonde bezigheid die ik de laatste jaren te veel heb verwaarloosd, maar de afgelopen weken weer heb opgepakt. Toby loopt elke keer mee, al ligt die luiaard liever in zijn mand bij de kachel en moet ik hem soms zelfs voor zijn poep- en piesrondje naar buiten lokken met koekjes. Hij vergezelt mij nu zonder morren en ik heb hem nog niet één keer hoeven dragen. Elke avond om zeven uur gaat hij al bij de kapstok zitten waar zijn riem aan hangt. Weer of geen weer. Alsof hij voelt dat ik het nodig heb. Het liefst zou ik een doosje Merci voor hem kopen, maar hij mag echt geen chocolade. Iets anders dan. Vanmiddag maak ik minestrone voor het avondeten. Hij krijgt zoals altijd ook een bordje. Ik heb een lekker balletje gehakt van gisteren over. Die zal ik in stukjes snijden en in zijn portie gooien. 

Hij mag het na de wandeling, anders krijgt hij last van zijn maag en moet ik straks met hem naar die gevreesde dierenarts. 

*Uit de onvolprezen The Big Lebowski

Foto van Alexander Baneman
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

Een stuk van de taart – ongeclaimd land

(De wereld in stukken 40)

Wat zou er gebeuren als ik iemand vermoord in Marie Byrds Land? Het zou geen verstandige actie zijn, en moordlustig ben ik niet. En in deze witte en blauwe plek is het zo koud dat ik ook mijn grootste vijand beter dicht in de buurt zou houden om warmte te delen. Mijn neiging zou toe te schrijven zijn aan een zekere internationaal juridische interesse.

Marie Byrds Land is het grootste stuk ongeclaimd land op aarde, met 1,610,000 km2 is het iets groter dan Mongolië. Wiens wetten gelden er? Die van het Antarctic Treaty System uit 1959, die verdere escalatie van verdeelkwesties een halt toeriep en verdere claims op het land onmogelijk maakte.

De witte taartpunt is het. De zuidpool smelt veel sneller dan berekend, vooral door het contact met de grond. Dus eerder dan we denken is dit grote land wellicht wel interessant.

De leegte, het intense wit en blauw als het helder is, stel ik me voor als een geweldige ervaring. De ruimte is zo overweldigend, zo eindeloos. Het Marie Byrd Land van de geest is het bereizen al waard: cultuurloos, oneindig, eenzaam, een ergens gelukzalig voorportaal van de dood. Hoe zou het zijn er rond te lopen? Er zijn maar zo weinig mensen die het kunnen vertellen dat we louter voorstellingsvermogen hadden, en nu Artificial Intelligence.

Die helpt een stukje, want Chat GPT weet alles:

‘Wandelen in Marie Byrd Land, een afgelegen en onbewoond gebied op Antarctica, zou een unieke en uitdagende ervaring zijn. Hier is een beschrijving van wat je zou kunnen zien en voelen als je in deze extreme omgeving loopt:

1- Uitgestrekte ijs- en sneeuwlandschappen: het dominante kenmerk van Marie Byrd Land is de enorme uitgestrektheid van ijs en sneeuw. Het landschap wordt gekenmerkt door gletsjers, ijskappen en sneeuwvelden die zich uitstrekken zover het oog reikt. Het terrein is over het algemeen vlak en de horizon is vaak ononderbroken, waardoor een gevoel van isolatie en onmetelijkheid ontstaat.

– Briljant wit en blauw: Het landschap is overwegend wit, waarbij de ongerepte sneeuw en het ijs het felle zonlicht reflecteren. De heldere, blauwe lucht boven je hoofd contrasteert met het witte landschap, waardoor een verbluffend visueel contrast ontstaat. Op een heldere dag kunnen de kleuren ongelooflijk levendig zijn.

– Isolatie: Marie Byrd Land is extreem geïsoleerd, zonder permanente menselijke bevolking. De enorme leegte en stilte kunnen overweldigend zijn, en het gevoel van eenzaamheid en isolatie kan zowel vredig als griezelig zijn.

– Unieke dieren in het wild: Hoewel de regio onherbergzaam is voor mensen, is het de thuisbasis van een verscheidenheid aan dieren in het wild die zijn aangepast aan extreme kou, waaronder pinguïns, zeehonden en verschillende zeevogels. Het observeren van deze wezens in hun natuurlijke habitat kan een lonend onderdeel van de ervaring zijn.’

Maar poëzie is dit niet, dit is te verzamelen overbekende kennis. Want Chat GPT voelt niets en heeft alles van horen zeggen. Dan dit:

De branding, bevroren

Hoe op een nacht, de branding hier bevroor
en een halsstarrige, onderhuidse vloed toen geweldige schotsen
over de zandbanken kruide en zo de zee
onder arctisch pakijs liet verdwijnen, in een daglicht
dat haast niet te verdragen was –

(Hans Tentije)

Alleen al dat het daglicht haast niet te verdragen is help meer dan alles daarvoor. Dit is een ervaring.

Ik dacht dat het in de Marie Byrdse oneindigheid vooral over het licht zou gaan en ging daartoe te rade bij de dichter van het licht bij uitstek, de deze week overleden dichter Hans Tentije, van wie je niet snel genoeg hebt, zo goed is dat werk…

Maar – wat ik had kunnen weten – Tentije lijkt een echte Europese cultuurdichter, in kerken, op pleinen, in duinen, door straten. Licht is overal, maar de ijselijke vlakten zocht ik verder tot dusver vruchteloos. In zekere zin is Marie Byrds Land het land van de beperking van voorstellingsvermogen, van ervaringen, van de hegemonie van het cliché. De juridische kant doet onze eigen beperktheid eveneens op onszelf terugslaan: ik zal voor een misdrijf aldaar gewoon volgens Nederlands recht veroordeeld worden.

Tentije voegt zich bij het tragische rijtje van mensen van wie ik dacht dat ik ze nog wel eens uitgebreid zou spreken, maar het nooit deed.

Je hoeft niet door Marie Byrd Land te dwalen om elkaar niet tegen te komen.


eveneens over antarcica

Naar kaart 41

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.