Elias Canetti en Susan Sontag en ernst

In ‘Mind as Passion’, een essay in Under the Sign of Saturn van de onvergelijkbare Susan Sontag vraagt zij zich over Elias Canetti onder meer af of hij een ‘intellectuele dandy’ is. ‘Want inderdaad is de grootste beperking van Canetti’s gevoeligheid de afwezigheid van maar het geringst aspect van een estheet. Canetti toont geen liefde voor de kunst op zichzelf. Hij heeft zijn lijst van Grote Schrijvers, maar geen schilderkunst, theater, film, dans of een van de andere gebruikelijke vormen van humanistische cultuur figureren in zijn werk. ‘ Het is een betrekkelijk eenmalige niet te plaatsten opmerking in een verder zeer enthousiasmerend essay.

In het elders  door haar geciteerde The Tongue Set Free, het eerste deel van zijn memoires lees ik immers net: ‘Ik was 19 toen ik ineens voor Breughels schilderijen stond. Onmiddellijk herkende ik de vele kleine mensen van die brand in mijn jeugd. De schilderijen kwamen me zo vertrouwd voor alsof ik altijd onder hen geweest was. Ik voelde een geweldige aantrekkingskracht van ze uitgaan en kwam er elke dag naar kijken. Breughel werd mijn belangrijkste schilder, ik absorbeerde hem niet, zoals bij veel dingen later door beschouwing en reflectie. Ik ervoer hem als aanwezig in mijzelf alsof hij al lang op me wachtte, zeker dat ik naar hem toe zou komen.’

16246468380_c06f90af74_bSontag beweert zeker genoeg zeer raaks over Canetti in haar essay, vind ik. Zo is haar waarneming van een afwezigheid van ironie bij Canetti naar mijn smaak iets waar je betekenis uit kunt halen, het is misschien wat hem zo aantrekkelijk maakt. Ironie is natuurlijk geen kwaad in zichzelf, maar functioneert bij veel kunst als verontschuldiging op voorhand, het inbouwen van een vluchtweg, ironie is minder recht door zee, minder diep gemeend. Het is angstig, in zekere zin.

Bij Canetti herkende ik onmiddellijk ‘de kunstenaar van wie het lijkt dat die op je wacht.’ Voor mij is dat bijvoorbeeld Frans Masereel. De verzameling houtsneden in Mon Livre d’Heures, maar vrijwel al zijn werk lijkt recht door zee, eeuwig fris, steeds een nieuw op je leven passend verhaal te vertellen. Ik kan ernaar blijven kijken. Vitaal is het. Net zo vitaal als Canetti in zijn jeugdherinneringen die van een enorme serieuze kracht zijn. Of zoals Sontag schrijft:
‘ Zijn werk verdedigt welsprekend spanning, inspanning, morele en amorele ernst.’

 

—-

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. Hier iets anders over Susan Sontag.

En hier nog een over Sontag en fotografie.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Andere schrijvers

Ik had de memo niet gekregen waarin stond dat het een zwarte trui moest zijn. Bij toeval was de trui die ik aanhad zacht en van natuurlijk materiaal, wat ook in die memo bleek te hebben gestaan, maar zwart dus: nee.

Zoals altijd had ik het restaurant gekozen. Soms ben ik bang dat andere schrijvers me niet meer zullen moeten als ik geen culinair recensent meer ben, maar net als de meeste mooie vrouwen heb ik geleerd me dit soort dingen niet hardop af te vragen.

Mooie vrouwen (ja ja, en mannen) worden uiteindelijk minder mooi, en zo zal ik op een gegeven moment ook geen culinair recensent meer zijn. Tot dan geniet ik van mijn volle lippen, gladde huid en wespentaille, van de voordelen die ze me opleveren.

Hans-Ivo meldde dat het van nu af aan oké was om dingen te noteren als we met zijn drieën op pad zijn. Hij was de enige die noteerde, en deed er moeilijk over* toen Rob en ik wilden weten wat hij opschreef.

We zouden praten over de reis die we binnenkort gaan maken. Doel van de reis is het feit dat we laat gedebuteerd zijn een kleine week te ontkennen**. Wij zouden ook graag jónge schrijvers zijn geweest. Nu willen we op een niet nader te noemen locatie in Europa soort van tegelijkertijd onze komende boeken afronden.

Rob en mij zal dat waarschijnlijk lukken, maar Hans-Ivo heeft nog geen letter op papier vanwege het Grote Zijspoor waartoe hij zich afgelopen jaar liet verleiden. Omdat hij een noeste en licht competitieve tikkerd is, sluit ik niet uit dat hij vlak voor de finish nog een eind op ons zal inlopen.

Dat onze boeken sleutelromans moeten worden had kennelijk ook in de memo over de kleur van onze truien gestaan. Het mijne is al een heel eind op weg, en nu moet ik er opeens nog twee Muppets (zie beeld) in werken.

Ik schrijf geen grappige of zelfs maar luchtige boeken. Wie daaraan twijfelt vindt hieronder mijn beknopte bibliografie.

Om van onderwerp te veranderen vroeg ik me hardop af of Hans zijn alter Ivo in een volgend boek van kant moet maken. Een soort Fight Club, waarin alter Tyler Durden het tenslotte ook aflegt tegen de vertellende hoofdpersoon.

Hans-Ivo maakte een notitie achter zijn gekromde arm en borg daarna zijn boekje op.

Ik wilde weten of we onderweg in de auto wel zouden zingen. Ik houd heel erg van zingen in de auto.

‘Dat doen wij eigenlijk nooit,’ zei Rob.

‘Nee,’ zei Hans-Ivo. ‘Zingen in de auto, dat doen wij niet.’

Na het eten gingen we nog één biertje in de Engelse Reet drinken.

Hans-Ivo dronk één biertje en zei dat hij naar huis ging. Normaal gedrag, behalve dat hij ook echt ging. En Rob en ik dus ook.

Op de fiets kreeg ik een berichtje van Rob. Of ik iets wist over de bedden op ons vakantieadres. Dat hij bij een bepaald soort matras snel last van zijn rug krijgt.

Ik hoop dat we straks in mei overtuigendere twintigers zullen zijn.

________________

Hieronder de reacties van de genoemde schrijvers op de hen toegezonden conceptversie van dit stuk. Ik verzoek de lezer hiervan kennis te nemen en alvast medelijden met me te hebben.

* Hans-Ivo: “Ik deed helemaal niet moeilijk, maar het is grappig dus laat maar staan.”

** Rob: “Ik wil helemaal niet naar Frankrijk om een jonge schrijver te zijn. Verder geen opmerkingen.”

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De langdurige gevolgen van het kolonialisme

Het meest opmerkelijke op mijn reis door Japan, vorig jaar, vond ik de hulpvaardigheid van zijn bewoners. Op mijn tocht was ik meer dan eens de weg kwijt, maar verdwaald heb ik mij nooit gevoeld. Ik hoefde maar de eerste de beste Japanner aan te klampen, of hij bracht me, al moest hij er een kwartier voor omlopen, naar mijn plaats van bestemming. Hun welgemanierdheid in het openbaar vervoer – geen mens die er daar in de trein of de metro maar over denkt hardop te praten in zijn mobiel of met zijn buurman – was een verademing vergeleken bij het luide getetter waarop je bij ons zo vaak wordt getrakteerd. Zelfs in de zogeheten stiltecoupé is het nogal eens slikken geblazen. Daar moet je dan toch wat van zeggen, vinden vrienden van mij. Maar ik heb al eens in Amsterdam in de tram een stiletto op mijn keel gehad. Tegenwoordig schat ik, vóór ik iemand met storend gedrag aanspreek, de kans in die ik loop om in het ziekenhuis te belanden. Liever tuitende oren dan een mes tussen mijn ribben. Voor mij was het respect dat de Japanners betoonden voor de medemens dan ook een verademing. Mijn verwondering was des te groter omdat ik – vlak na de oorlog opgegroeid – de verhalen over de Jappenkampen en de gruwelen die ze daar begingen nooit vergeten heb. Onbegrijpelijk zo’n tegenstelling tussen de vriendelijkheid van de individuele bewoners en de wreedheden die uit naam van een hiërarchisch systeem werden begaan.

In Japan zelf worden deze verhalen verdonkeremaand, althans van officiële zijde. Er zijn wel oud-strijders geweest die op hoge leeftijd tot het inzicht kwamen dat ze vreselijke dingen hadden gedaan en daarmee naar buiten traden. Maar door de regering en de oud-strijdersvereniging zelf zijn de gruwelen altijd systematisch in de doofpot gestopt.

Aan dit hemelsbreed verschil tussen de vriendelijkheid van de gewone Japanner en het stelselmatig verwerpen van verantwoordelijkheden door de hem vertegenwoordigende overheid moest ik denken bij mijn bezoek aan het Mori Art Museum in Tokio. Daar zag ik in een zaaltje de video-installatie ‘My Anthem’. Daarin vertelt een aantal Taiwanezen, mannen en vrouwen van rond de tachtig, hoe ze de oorlog van Japan tegen de westerse mogendheden hebben beleefd. Taiwan was van 1895 tot 1945 een kolonie van Japan, en als kind leerden ze op school Japans als de officiële taal. Ze waren er duidelijk trots op dat ze nog steeds Japans konden spreken, en met kennelijk plezier haalden ze in die taal herinneringen op. In 1941, toen deJapanners de Amerikaanse vloot in Pearl Harbor bombardeerden, waren ze een jaar of tien. En nu, zo’n zeventig jaar later – al lang niet meer onder Japans bestuur – borrelden ze ze nog steeds over van het hun op school ingeprente enthousiasme voor Japan en zijn goddelijke keizer. Zo kreeg ik te horen dat de keizer van Japan qua moraal huizenhoog boven China’s toenmalige leider Chiang Kai-shek stond, die alle rijkdom van de Chinezen in eigen zak had gestopt. Dat het Japanse onderwijs het beste van de hele wereld was, dat de technische verworvenheden van de Japanners toonaangevend voor de wereld waren (Japanse vliegtuigen konden veel verder vliegen dan de Amerikaanse) en dat door het heldhaftig optreden van Japan de Verenigde Staten een verpletterende slag was toegebracht. Een paar Taiwanezen vertelden in close-up dat ook hun oudere broers de oorlog waren ingegaan en voor Japan hadden gestreden, één broer had zelfs in zo’n prachtig vliegtuig gevlogen, maar was nooit teruggekeerd. Tja, dat was nu eenmaal het offer dat je de keizer mocht brengen om de wereld vooruit te helpen; en de broers werden meer bewonderd dan betreurd: zij waren helden geworden.

Ten slotte brachten de oudjes, breed over een podium opgesteld en gekleed in Japanse marine-uniformen – hetzelfde soort uniform als waarin zij rond 1941 schoolgingen – een paar destijds voor de goede zaak geleerde liederen ten gehore, waaronder het Japanse volkslied “Kimigayo”, het kortste volkslied ter wereld. De metaforen liegen er niet om: Moge de keizer 1000 jaar heersen, tot  kiezels rotsen worden, bedekt met mos. Hoewel sommige Taiwanezen bij de beantwoording van de vragen lichtelijk dementeerden, of althans in het Japans niet meer uit hun woorden kwamen, zongen allen met verve de liederen die hen destijds waren bijgebracht. Indoctrinatie werpt langdurig zijn vruchten af.

Pal naast de muur waarop de video werd geprojecteerd, was op een andere muur de Japanse krijgsvlag gehangen, met de rijzende zon die zijn stralen over de wereld werpt. Was de video met het vlagvertoon een nieuw staaltje van nationale trots? Allesbehalve. Voor veel Japanse kunstenaars van een jongere generatie staat deze vlag voor het door de overheid verzwegen verhaal van de oorlogsmisdaden, ofwel voor de leugenmachine. Dat de overheid zich nog steeds achter leugens verschuilt, op allerlei niveaus, is voor Bontaro Dokuyama, de maker van deze videoinstallatie, evident. Dokuyama (1984) werd kunstenaar na de tsunami en de daarop volgende nucleaire ramp in de kerncentrale bij zijn geboorterstad Fukusihima. Vanwege de radioactieve neerslag moesten ruim 160.000 mensen, waaronder Dokuyama en zijn ouders, huis en haard verlaten. De verwoesting van Fukuyama en de onwezenlijke, nauwelijks op de slachtoffers zelf gerichte maatregelen die de overheid vervolgens trof, deden hem beseffen dat ‘alles wat mij geleerd was een leugen was’.

In de vroege lente van 2019 werd de wereld verrast door het bericht dat een deel van de voormalige bewoners van Okuma, een kleine stad niet ver van de kerncentrale bij Fukushima, acht jaar na de kernamp weer naar hun woningen was teruggekeerd. Dat was mogelijk geworden doordat de overheid het gebied had laten ontsmetten en de radioactieve straling flink was gedaald. Maar Dokuyama en met hem andere kunstenaars en kritische geesten stellen dat dit soort ingrepen niets dan publiciteitsstunts van de overheid zijn en dat het stralingsniveau veel en veel te hoog is. Nu de in Japan te houden Olympische Spelen voor de deur staan, willen de autoriteiten, met voorbijzien van de belangen en de gezondheid van de bewoners, koste wat het kost aan de hele wereld tonen hoe snel Japan in staat is het productieproces te herstellen. Men verspreidt dus berichten die berusten op leugens, vergelijkbaar met de leugens die er destijds door de Japanse propagandamachine bij de bevolking werden ingehamerd ter rechtvaardiging van de oorlog.

In ‘My Anthem’ werd een groep ouderen in beeld gebracht en aan het woord gelaten die als kind de woorden en denkbeelden van de overheerser voor waar had aangenomen. Op hoge leeftijd getuigden ze ervan dat ze die woorden nog altijd voor lief namen. Ik heb de video twee keer gezien. De tweede keer werd mij duidelijk wat de hersenspoeling teweeg had gebracht die de Taiwanezen op school hadden ondergaan. Na zoveel jaren terugziend op die periode konden ze nog altijd louter en alleen getuigen van hun enthousiasme over een reeks oorlogsgruwelen die ze hadden leren bewonderen als glorieuze wapenfeiten. ‘My Anthem’ moet voor veel Japanse bezoekers een eye-opener zijn geweest. Na het zien van de video rees bij mij persoonlijk de vraag: in hoeverre zijn ook mij niet, in mijn vroege jeugd, op grond van halve waarheden of leugens een serie ‘waarden’ bijgebracht die mij blind hebben gemaakt voor kwalijke zaken uit ‘ons’ verleden? Als kind geïndoctrineerd door de kolonisator konden de oude Taiwanezen in het Japans nog wél woorden terugvinden voor de ‘heroïek’ van Pearl Harbour, maar niet voor de tragiek van Hiroshima.

Hans van Pinxteren

Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

Leo Africanus

Ik, Hassan, zoon van Mohammed de weger, ik, Jean-Léon de Médicis, besneden door de hand van een barbier en gedoopt door de hand van een paus, word vandaag genoemd de Afrikaan, maar ben niet van Afrika, niet van Europa, en ook niet van Arabië. Men noemt mij ook de Grenadees, of die van Fez, of de Zayyati, maar ik ben van geen enkel land, van geen enkele stad en van geen enkele stam. Ik ben een zoon van de weg, mijn land heet karavaan en mijn leven is het meest geleefde van alle beleefde.

Mijn eigen handen verzacht door zijde en verhard door wol, streling van prinsengoud en kastijding van slavenketting. Mijn vingers streken duizend zeilen en streelden duizend lippen, mijn ogen zagen afzien ontelbare steden en sterven duizendjarige rijken.

Uit mijn mond hoor je Arabisch en Turks, Castiliaans en Berbers, Hebreeuws en Latijn, Germaans en Italisch, want alle talen zijn de mijne en ook alle gebeden. Maar ikzelf behoor niemand. Ik ben slechts van God en de aarde, en buiten hen heeft niemand mij te bevelen.

Waarna jij, mijn zoon, mij zal komen te overleven. En je zal meedragen mijn aandenken en lezen mijn boeken en levendig voor ogen zien, het volgende: je vader, Napolitaans gekleed op het dek van een Ottomaanse galei, en ook reeds in zicht de Afrikaanse kust, krabbelend in zijn papieren als een koopman die na een lange reis zijn balans opmaakt.

Want deed ik ooit iets anders? Wat heb ik gewonnen? Wat heb ik verloren? Wat heb ik voor te leggen aan de hemelse rentmeester? Hij leende mij lange jaren, die ik uitzaaide achter vele horizonnen: mijn wijsheid leeft voort in Rome, mijn passie in Caïro, mijn angsten in Fez, en in Grenada verblijft nog steeds mijn onschuld.

En lijken jou de mensengeesten klein en gesloten, herinner je dan dat de aarde groot is en open, net zoals Zijn handen en Zijn hart.

(Naar Iman Maalouf)

Jan Lodewijckx

Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

Samen doen

B, die mij het best kent, zette mijn kernconflict al na een paar jaar samenwonen heel helder neer.

‘Samen of alleen,’ zei ze. ‘Daar zit het hem bij jou.’

Dingen die je ergens weet en voelt, maar die een ander voor je uit moet drukken. Zelfs terwijl ik deze woorden tik is de strijd er: Ada (heel erg drie) wil bij me op schoot en ik wil niets liever dan ongestoord werken. Ik zal haar zo voor de tv zetten en dan balen van mezelf terwijl ik werk.

In crisissituaties houd ik iedereen op afstand tot ik zo’n situatie onder controle heb, dan is er weer ruimte voor een ouder, een vrouw, een kind, een vriend. Nog altijd moet ik mezelf dwingen de dingen die me dwarszitten te delen, maar ik weet inmiddels dat het écht helpt B te betrekken in mijn misère, en de drempel lijkt steeds minder hoog.

Vijfentwintig jaar had ik een van de sociaalste beroepen, maar je kunt full time in de horeca werken en daarbij een leger vrienden maken zonder ooit écht iets te delen. Ik werd schrijver, zo’n beetje het eenzaamste vak. Een predikant zonder gemeente, pratend tegen een hardnekkig zwijgende god.

Zo nu en dan komt er een project voorbij dat samenwerking vraagt, zoals De Vertellers van Helmers, waar vriend Jan van Mersbergen me bij betrok.

Vijf keer per jaar vragen we schrijvers, acteurs en boekenvakkers om hun lievelingsverhaal voor te lezen in een intieme cafésetting. Jan en ik op een krap bankje van rood velours met die vertellers één voor één tussen ons in. Herman Koch, Maartje Wortel, Abdelkader Benali, Sun Li, Saskia Temmink, Edo Brunner, Chris Polanen, Marian Mudder, Henk Spaan, Arjan Visser, Gonny Gaakeer, Carly Wijs, Femke van der Laan en Gerbrand Bakker, onder veel anderen. Fijne mensen, bijna te dichtbij.

Wat ik zeggen wil: samen doen is aan het winnen.

De volgende Vertellers van Helmers is aanstaande maandag 27 januari om 20:00 uur in café Helmers. De gasten: Arthur van den Boogaard, Hanneke Groenteman, Roos van Rijswijk, Evelien Vos en Manon Uphoff. Vrij entree.

Kom je ook?

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De dood

Ik herinner me het van rond mijn 17e levensjaar: in een donkere nacht staren en je langzaam steeds beter realiseren wat het betekent dood te zijn. Heel langzaam vormt die realiteit zich  completer als een afgesloten systeem om je heen en voel je waarin je beland bent: angst te sterven. De wereld gaat door zoals ‘ie is alleen zonder jou. En je bent nergens. Een aantal keren bedrukte die angst me werkelijk zeer intens. Toen verdween de angst en dacht ik er geloof ik letterlijk decennia niet aan, althans niet op een wijze die tot angst leidde.

Deze Kerst raadde Q. me Irvin D. Yalom aan en ik bestelde lukraak een paar titels. Nu lees ik van deze Amerikaanse psychiater, die ergens in de VS vandaag nog leeft, 88 is hij geloof ik, Staring at the Sun. Overcoming the Dread of Death.

Ik lees het boek van een schrijver met een stem, daar zijn er maar een paar van; dat je hoort wat je leest en dat de volledige persoonlijkheid van de schrijver zich daarin aan je meedeelt. Het is goed dus, ergens op zijn Amerikaans lichtjes te versimpelend, maar wijs. Ik weet nu dus dat mijn doodsangst ondergronds ging. Zoals Freud de wereld heeft opgezadeld met een denksysteem waarin elke menselijke handeling een uiting kan zijn van onderdrukte seksualiteit, geeft Yalom aan dat veel problemen in de psychtarische zin voortkomen uit de angst te sterven. En dat die angst ook een motor kan zijn. Ik bezie de daden van Trump en Poetin of het ‘triomfalisme’ van Baudet ook opeens in een heel ander licht. Wat moeten ze bang zijn! De Grote Verffenaar snoeit alles terug tot de menselijke maat.

Het zijn beschrijvingen van casussen met patiënten gelardeerd met hoe hij het aanpakt deze mensen te helpen. Een deel ervan zit in literatuur en wijsheid, geen psychiater die ik las toont zo ragfijn aan dat woorden medicijn zijn. Epicurus speelt een belangrijke rol, Nietzsche.

Mijn helden De Montaigne en Elias Canetti kwam ik nog niet tegen. Das Buch gegen den Tod van de laatste is een vademecum in dezen.

blz 176: Neugier auf das letzte gespräch. Mit wem wird es geführt werden?

Een notitie van een duizelingwekkende kracht. Niet alleen herken ik juist deze precieze benieuwdheid, ook schat ik in dat het realistisch is – boeken en films in gedachten brengend – dat dat laatste gesprek met iemand is die je nu nog niet kent.

—-

Hier een stukje over Bashō en de dood. En hier een stukje met een Canetti citaat. En een stukje over De Montaigne.

Het indrukwekkendste stuk over de dood op dit blog is evenwel van Machiel Jansen leest u hier.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gebruiken

In 2010 werd in Suriname open tuberculose bij me gediagnosticeerd, gevolg van een besmetting die ik waarschijnlijk al in 2000 in Cairo of Alexandrië heb opgelopen.

Veel mensen zijn zonder het te weten drager van de tuberkelbacterie, maar die knakworstvormige ellendenaar legt het vrijwel meteen af tegen elk goed immuunsysteem, waarna hij zich ingraaft bij zijn gastheer, hopend op een dipje in diens weerstand.

In Paramaribo kreeg ik pfeiffer – wat een dipje in de weerstand is – et voilà: bloedhoesten, ijlen, extreem gewichtsverlies. Als aspirantschrijver zag ik er de romantiek wel van in. De longarts van het Academisch Ziekenhuis verklaarde me unfit to fly, wat inhield dat ik op kosten van mijn zorgverzekering langer in mijn geliefde SU mocht blijven.

Kleine minpunten: een alcoholverbod, als enige witmans in de wijde omtrek boodschappen doen met een mondkapje, en natuurlijk wat verlies van longcapaciteit. Toen de bergen antibiotica grip kregen op mijn tuberkels en ik weer naar Nederland mocht, zei dokter Gopi me vooral niet te roken, omdat vuiligheid nu makkelijk kon ophopen in de beschadigde delen van mijn longen en nóg sneller voor ellende zou zorgen.

Ik zag er geen probleem in, voelde geen behoefte aan tabak, maar op een of andere manier sloop de gewoonte deze stukjes onder invloed van cannabis te schrijven er over de jaren in. Elke dinsdagavond draaide ik een heel licht jointje van geurige zoete hash en begon dan voor me uit te tikken.

De rook gaf me een zetje, duwde me uit het humeur van de dag en op weg naar een plek waar woorden vanzelf kwamen.

Afgelopen vrijdag gaf ik mijn stash door aan mijn broer. De angst mijn longen te beschadigen verpestte het genot te zeer, en vanavond tik ik voor het eerst in lange tijd een stukje nuchter.

Toen ik Nadim vanmiddag ophaalde van school, vertrouwde ik Femke (een bevriende ouder die deze stukjes vaak leest) toe dat ik het maar spannend vond. Dat ik het zo gewend was met dat jointje, en nu misschien niet eens zou weten waarover ik schrijven moest.

Femke tuurde voor zich uit zoals je doet terwijl je met andere ouders praat en wacht op het opengaan van schooldeuren.

‘Nou,’ zei ze na een tijdje. ‘Het klinkt alsof jij je onderwerp al hebt.’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Voornemens

Dit was de zwaarste kerstvakantie ooit. B kreeg een berg werk mee die ze niet voorzien had en zat daar twee dagen aan vast. De werkkamer die ik voor ons bouwde heeft een venster op de woonkamer en terwijl ik op de bank lag zag ik haar zwoegen bij het harde licht van haar laptop.

Nadim werd ziek en ontwaakte de hele avond en nacht uit koortsdromen, ijlend, schreeuwend. De koorts zou vier dagen aanhouden en werd naadloos overgenomen door Ada, die alle expressie waartoe ze in staat is inzette voor pure woede en algehele ontevredenheid.

Ze plakte aan haar moeder, wilde niets van me weten. Geplande uitjes zegden we af, we lieten de afspraken met vrienden die bij ons zouden komen eten staan en beleefden er lol aan, maar kregen katers bovenop het slaapgebrek.

We overwogen de vrienden die zouden komen eten op Oud en Nieuw af te bellen en deden het niet omdat we voelden dat we het niet konden maken.

In de vroege ochtend van de eenendertigste deed ik zwetend inkopen bij de groothandel. Ik haalde wijn en stak de oven aan, schoof het hoofdgerecht erin. We hadden een rustige middag met een familiefilm en hesen ons daarna uit de klamme bank om op te ruimen, groenten te garen.

Om vier uur dronken we wijn en dat hielp. Ik las een hoofdstuk uit mijn nieuwe boek en was ontevreden, maar verbood mezelf te twijfelen aan het project, dat uit de klauwen groeide en diepgaand gesnoeid moet worden. Je weet dan nooit wat je gaat overhouden. Je houdt je hart vast.

De gasten druppelden binnen en deze groep mensen, laat me je zeggen, is me dierbaar. Een zeldzame humor en warmte; tegen half zeven hoorde ik B schaterlachen en niet veel later hing ook ik aan tafel, de arm van mijn broer die eigenlijk mijn zwager is over mijn schouders. Nadim wilde wakkerblijven voor het twaalfuurmoment en danste het hardst van iedereen in de aanloop naar het vuurwerk.

De onderburen klopten aan en we namen iedereen mee naar het dak, staarden naar de lichtjes aan de lucht. De geur van vuurwerk, die zal ik ook missen als het verbod er komt. Als buskruit dat de wonden van het afgelopen jaar uitbrandt, ontsmet.

Terwijl ik dit stukje tik luister ik naar de nieuwe plaat van Trijntje Oosterhuis. Het merendeel van die Nederlandstalige klassiekers wordt beeldschoon door haar uitgevoerd. Dit terzijde. Maar ook weer niet: mijn ex-collega Martijn Bethesda Knol postte vaak de door hem tijdens het schrijven geluisterde muziek onder zijn Tiradeblogs.

Bethesda is een poel in het Bijbelse Jeruzalem waarvan het water helende krachten zou bezitten, maar anyway.

Het werd laat en daarna vroeg. Broer Pim, Lauren en ik waren de last men standing. Om half negen bakte ik scones die niemand at; omdat koude scones vies zijn gooide ik ze weg voordat ik om negen uur – onvast op mijn benen – Ada ging halen bij mijn schoonouders. Ze had een topnacht gehad, sterretjes afgestoken en daarna door alles heen geslapen.

De laatste dagen van de vakantie probeerden we te rusten. Op zondag Dim Sumden we geweldig bij Sea Palace en genoten bijna van het eten, onze tafel bij het raam, elkaar.

Maandag pakte ik het werk weer op in een stil huis waar niemand ziek was, niemand met zweethaartjes in de deuropening van de werkkamer kwam zeuren om ijs. Het einde van de dag liet op zich wachten, ik haalde onze jongen van school en probeerde leuke dingen met hem te doen.

B kwam thuis met Ada en ik kookte, at met mijn gezin, waarvan de jongste helft – het moet gezegd – fucking lastig eet.

Ik haat mensen die klagen, maar doe het zelf vrij vaak. Sorry, daarvoor.

Tweeduizendtwintig wordt fantastisch. Als we elkaar tegenkomen dan zul je merken hoezeer ik me daarvoor inspan. Ik ga je bier geven, je omhelzen en alles wat je me aanbiedt opdrinken. Ik zal niet te vroeg naar huis gaan, genieten van de vrijheid die we hebben, het leven dat we hebben.

Adriaan van Dis meldde laatst ergens dat hij Wees niet zo bang tegen zijn vroegere zelf zou willen zeggen. Ik heb die man altijd bijzonder gevonden en bij het lezen daarvan dacht ik: zie je wel.

Het is vaak niet de situatie die ons zo belast en verzwaart, het is de angst dat alles zo zal blijven zoals alles op dat moment is.

Ik houd van je, vergeet dat niet. Mijn innerlijke James Worthy mag even buiten spelen, en dus houd ik van je zoals Nadim danst. Onhandig en misschien niet al te ritmisch, maar met alles wat hij heeft.

– beeld: Rob Waumans

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.