Groningen-angst (bij het overlijden van Anton Valens)

Verspreid over twee decennia woonde ik zo’n negen jaar in Groningen. Ook wanneer je niet uit het Noorden komt is het er heel goed toeven, de stad is gastvrij en levendig. Op de Vismarkt en de Grote Markt, langs de Diepen en de Kijk in ’t Jat, gonst het van de ideeën en verhalen. Voor velen is de stad een oase van cultuur in een prachtige, maar ook wel erg lege en platte regio.

Toch heb ik Groningen verlaten. Ik ben er zelden, en misschien keer ik er als bewoner wel nooit meer naar terug. Het is mogelijk dat dit ook te maken heeft gehad met twee Nederlandse romans die een verpletterende indruk op me hebben gemaakt. Erger nog: ze hebben een soort ‘Groningen-angst’ in mij geplant (irrationeel, uiteraard, maar zo is angst). Het gaat om Uit talloos veel miljoenen (1981) van Willem Frederik Hermans en De eeuwige jachtvelden (1995) van Nanne Tepper. Deze boeken presenteren twee typisch Groningse fenomenen, te weten de uitgebluste academicus en de door drank geplaagde mislukte provincie-bohemien. Het zijn mensentypen die je overal wel kunt vinden, maar toevallig heb ik er de Groningse variant van leren kennen, en ik wist na het lezen van die romans: zo wil ik niet worden. Weg hier.

Het boek Ont van de onlangs overleden Anton Valens zou ik aan dit rijtje kunnen toevoegen, omdat ook in dit boek een fenomeen uit de Groningse schaduwwereld ten tonele wordt gevoerd: de aan lager wal geraakte ex-student. Valens schreef over gesjeesde studenten (vooral mannen) die wegzinken in het precariaat van telemarketing en schoonmaak en daar hun onopgemerkte levens leiden.

Het verhaal van Het boek Ont speelt in 2002, toen ik zelf ook in Groningen woonde. Het hoofdpersonage, de verlegen en zenuwachtige Isebrand Schut, wonend aan het A-Kerkhof, herkende ik daarom meteen. In de grijze studentenflat waar ik verbleef woonden ook ongezonde en stille mannen van in de dertig die elke dag diepvriespizza’s of kant-en-klaarmaaltijden in de combi-oven schoven, om dan terug te keren naar hun kale kamertje van 12m2. Ze hielden de gordijnen vaak dicht. Tijdens mijn studie maakte ik kennis met jongens (vooral jongens) die niet bijster veel deden en niet bijster veel zeiden, en die op een gegeven moment verdwenen en nooit meer tevoorschijn kwamen. Ook niet online (heb het zojuist nog geprobeerd. Ze zijn onvindbaar).

In Het boek Ont leerde ik waar ze gebleven waren, en ik leefde met ze mee. Want ook ik kende in Groningen perioden van angst voor mensen op straat, voor bezoek aan de deur, voor markten, massa’s, kassamedewerkers, vertrektijden bij de bushalte, en vergelijkbare maatschappelijke vastigheden.

Valens heeft me vaak hardop doen lachen, en ook zijn andere boeken las ik met bewondering: Vis, Meester in de hygiëne, Het compostcirculatieplan en Chalet 152. Nu hij overleden is herlees ik Ont en – ver weg van Groningen – zie ik hoe hij de hilarische tristesse van werkloosheid, regen en mislukking boven de stad heeft uitgetild. Ja, het is een Groningse roman, maar Valens schiep ook een volstrekt uniek universum, waarin hij gebruik maakte van eigen taal- en idioomregels (bijvoorbeeld de afkortingen ‘l-hand’ en ‘r-hand’) en onnavolgbare, wonderlijke en geestige beeldspraak. Hij beschreef het banale alledaagse in een perifere stad en creëerde in taal een andere wereld, waarin ik anders leerde kijken, luisteren, voelen.

Zo werd Het boek Ont me dierbaar. Valens wist met zijn mildheid de door Tepper en Hermans gevoede Groningen-angst in me weg te drukken en trok een nieuw vlies van verbeelding over de stad. Hij gaf me er een ander Groningen voor in de plaats. Groningen werd er niet mooier of lelijker op, maar kreeg een diepere laag – een bestaan in een andere, Valensiaanse dimensie.

Dat, besef ik nu eens te meer, kan alleen een groot kunstenaar.

Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

Thuis

Een kennis uit Londen vertelde me dat al zijn vrienden die stad verlaten omdat de pluspunten ervan sinds de eerste lockdown veelal wegvielen. Theaters, restaurants, pubs en musea waren gesloten. Dicht bij je werk wonen werd zinloos, want thuiswerken kan overal.

Natuurlijk zit een deel van de aantrekkingskracht van een stad in wat je er allemaal kunt doen, maar wie een stad verlaat omdat hij niet meer elke avond naar een opening of première kan, verdient het niet er te wonen. Wat betekent een thuis als je het laat vallen zo gauw je er niet meer kunt schommelen en trampolinespringen?

In 2022 woon ik dertig jaar in Amsterdam, en de grootste bedreiging voor mijn stad vind ik niet de corona-beperkingen, maar het minder divers worden van haar inwoners en het grote verloop. Ik neem het die expats niet kwalijk dat ze hier willen wonen. Dat snap ik juist heel goed. Als ze maar blijven, of in ieder geval komen met de intentie te blijven.

Mijn stad is een moeder voor me in de zin dat ze me heeft grootgebracht; een dochter voor me omdat ik vind dat ze meer verdient dan een booty call, dan een prela te zijn waarvan de expat al weet dat het nooit een rela wordt.

Ik hoor je: wat nou als mijn Amsterdam ook driften heeft? Wie ben ik om te zeggen wat goed voor haar is? Ze is tenslotte bijna 750.

De dertig jaar die ik met haar heb gedeeld lijkt daarbij in het niet te vallen, maar ik heb goed opgelet. Ik heb haar zien veranderen en weet dat ze echt barmhartig en heldhaftig is, maar een stuk minder vastberaden dan iedereen zegt.

De recente verplichting een gekocht huis te bewonen is een aardige eerste stap, maar ik wil dat nieuwe Amsterdammers blijven, een leven opbouwen in mijn stad, banden aangaan waardoor ze hier – net als ik – nooit meer weg willen.

Ja, je kunt nu overal werken en met iedereen contact houden, maar zelfs de grootste idioot noemt het internet geen thuis. Het hoort moeilijk te zijn om je plek van herkomst te verlaten en je elders te vestigen. Wie daar oprecht oké mee zegt te zijn, is niet verhuisd maar gevlucht. Fuck het internet en het schijncontact dat het ons biedt.

Een thuis is geen uitneembare module, maar hoort zich op een vaste plek tussen, onder en boven andere thuizen te bevinden.

Een thuis gaat niet over wat er allemaal te doen is. Een thuis is een anker, een dak, een vrouw die babbelt in haar slaap, een tochtig venster dat op zijn plek gehouden wordt door het dubbelgevouwen geboortekaartje van de dochter van een vriend. Thuis is dat die dochter inmiddels groot genoeg is om op zichzelf te wonen, en dat je weet waar ze nu woont.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

De mond van de koning

Ik loop om 9 uur in de ochtend door de hallen van het Rijksmuseum. Dit was het enige beschikbare tijdslot op het moment dat ik besloot dat ik de expositie over het slavernijverleden wilde bezoeken. Een erg druk bezochte expositie, dat stemde mij hoopvol. Ik had veel positieve verhalen gehoord van witte vrienden die waren gaan kijken, en ik hoopte dat ik de tentoonstelling door eenzelfde bril zou ervaren. Ik kan je nu al zeggen dat dit niet het geval is geweest.

De introductie van de expositie is imposant. Met een audiotour en de klokken van verschillende plantages wordt de tentoonstelling ingeluid. Wat door critici bejubeld werd is het feit dat het Rijksmuseum is gegaan voor een persoonlijkere versie van het verhaal. Niet meer dat grafische kaartje van een scheepsruim waarin Afrikaanse slaafgemaakten eruit zien als pionnen. Echte verhalen, verteld door de nazaten van de mensen die een actieve rol speelden in de hoogtijdagen van de trans-Atlantische slavenhandel. Hun namen staan erbij, en fotootjes, en ze praten je door de expositie heen. Erg fijn, die verschillende stemmen die allemaal een ander stukje belichten, maar waar ik oprecht hongerig door de hallen van het museum liep ging ik ook met een knagend gevoel weer weg.

Als Nederlander met een migratieachtergrond zie je dingen soms door een andere lens. Ik besef nu pas, nu ik dit stuk vanuit mijn eigen veilige studeerkamertje schrijf, dat ik iets anders had verwacht van de expositie dan mij überhaupt was beloofd. Ik verwachtte niet alleen de gruwelijke verhalen over slavernij. Mensen wier borst werd afgesneden, wier familie werd afgenomen of die na een kort en wreed leven in de tafelbaai werden verdronken. Ik verwachtte de mensen erachter te ontmoeten. Niet zozeer de Nederlandse kant, die ook in mijn geschiedenisboeken uitvoerig werd benadrukt en op elke bladzijde gedetailleerd tot leven werd geroepen. Juist de mensen die verhandeld en verzwegen werden. Zij van wie afdruk uit de geschiedenis is gewist.

Soms zag je stukjes van hen. Bijvoorbeeld in de ruimte waarin het kunstwerk La Bouche du Roi staat opgesteld, een door kunstenaar Romuald Hazoumé vervaardigde installatie. De opstelling is opnieuw die van de vorm van een schip. Jerrycans symboliseren de mensen die bij de trans-Atlantische slavenhandel betrokken zijn. Hoewel jerrycans op zichzelf vrij nietszeggende objecten zijn, laat Hazoumé ze leven door ze verschillende kleuren, vormen en gebruiksvoorwerpen mee te geven. Ik merkte dat ik geroerd was door de gebruikte details. De op historie beruste attributen gaven iets tastbaars aan de levenloze benzinetanks. Zoals de blauw met witte kralen die er lagen voor zij die de Afrikaanse godin Mami Wata aanbeden, maar ook de maiskolven en specerijen die iets zeiden over hun leven vóór de plantages.

Ik krijg eenzelfde soort gevoel van tastbaarheid bij een installatie aan het eind van de tentoonstelling. Honderden blauwe glaskralen vormen hier een kroonluchter. De kralen zelf hebben een bijzonder verhaal. In de tijd dat slavernij heerste op het eiland Sint Eustaas werden slaafgemaakten betaald met glazen kralen. Zodra het tijdperk van gevangenschap en dwangarbeid voorbij was, gooiden de mensen de kralen in de zee. Ze wierpen de symbolen van hun onderdrukking van zich af en focusten zich op het opbouwen van een leven na deze duistere periode.

Nu, jaren later, duikt men de kralen weer op. Ze verwerken ze in sieraden en dragen ze met trots als symbool voor de veerkracht van hun voorouders. Dit soort installaties zeggen iets over de mensen die slavernij hebben doorstaan. Hun daden hebben de versleten kralen een verhaal gegeven, wat zo vele malen sterker is dan het logboek van een Nederlandse generaal.

De honger die ik aan het begin van de tentoonstelling voelde is nadien zeker niet gestild. Ik vergat dat het onderwerp de slavernij zelf was. En dat het niet zou gaan over de talloze vergeten mensen die, onder het juk van slavernij, in de velden stonden die Nederland rijk hebben gemaakt. Zij komen niet genoeg naar voren. Dat is misschien niet zozeer aan het Rijksmuseum te verwijten; het is het resultaat van het succesvol wegwissen van identiteit, zoals eeuwenlang kolonialisme dat doet.

Ik geloof dat je als mens kunt terugverlangen naar plekken waar je in dit leven nooit bent geweest. Dat je herinneringen kan hebben aan het pad dat je voorouders bewandeld hebben. Een pad dat jou als resultaat had, en je dus gevormd heeft. Een geur, gevoel of een lied. Bij de Suriname-ruimte in het museum voelde ik dat niet, toen ik naar de grote, half vergane suikerketel keek. Het is een grotesk gevaarte dat in de vorm nog steeds een ketel is, maar geërodeerd is tot een roestig stuk metaal. Hetzelfde voel ik met de jukken verderop in de expositie. Het doet pijn dat de mensonterende stukken die hen zijn opgedrongen hen overleefd hebben, maar zij er niet meer zijn. Ook doet het pijn, de wetenschap dat hun leven niet te romantiseren valt: ze hebben geen menswaardig leven gehad. Het juk is daar een tastbaar bewijs van.

Dit maakt het ook zo veel wranger dat de maatschappij waarin we leven hun nakomelingen nog steeds geen gelijke kansen geeft, en dat het kunnen leiden van een menswaardig bestaan nog steeds grotendeels wordt bepaald door de nazaten van hen die vroeger ook de dienst uitmaakten. Er is vooruitgang, maar totdat de machtsstructuren die zo diep in onze maatschappij geworteld zijn open bediscussieerd en uitgedaagd worden, is het proces niet compleet.

Ik voel me verplicht om ook aan te geven wat ik dan wel zou willen zien. Mocht er genoeg van het versnipperde materiaal terug te vinden zijn om een reis te maken die van Afrika naar Suriname, de Antillen, Indonesië en Zuid-Afrika leidt, dan ben ik de eerste die deze expositie bezoekt. Een expositie die de diaspora en de ontwikkeling van hun eigen culturen illustreert. Ik heb genoeg gehoord uit de mond van de koning, nu wil ik horen van diegene die hem eeuwenlang onder dwang diende.

Inez van de Ven

Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.

Gastles

Het was een mooie bijeenkomst. Lekkere vegetarische hapjes. En het was fijn om zo veel mensen te zien die zich inspanden voor een betere stad. Mirik was er, Gabriel, Saïd, Maria. LHBTI-rechten, het klimaat, de wooncrisis, discriminatie, emancipatie. Belangrijke thema’s, goede mensen en allemaal verbonden door bietenbitterballen, kaasstengels en groenteloempia’s.

Na afloop werden we gevraagd om op de foto te gaan met kartonnen bordjes waar we belangrijke woorden op mochten zetten. Er stond ‘iedereen is gelijk’ en ‘een goede plek voor iedereen’ omdat Saïd erop wees dat iedereen recht had op een ‘goede’ plek, niet alleen de rijken. Ik maakte een bordje met de schooldirecteur waar ik vaak gastlessen gaf.

De volgende dag werd ik gebeld: mijn les over biseksualiteit werd afgezegd. De ouders maakten zich ongerust over de inhoud, zei het afdelingshoofd. ‘Maar de inhoud is liefde,’ zei ik. ‘Hoe kan iemand zich daar nu druk over maken?’

‘Het gaat om het geloof van de ouders,’ zei het afdelingshoofd. ‘Ik sta er ook niet achter.’

‘Maar heb je dan niet gezegd dat de les niet over geloof maar over liefde gaat?’ vroeg ik.

‘Ik heb de ouders niet gesproken, dat heeft de directeur gedaan.’ Hij hing op. Ik nam een glas havermelk, maar mijn verbijstering nam niet af. Ik belde de directeur. ‘Ik heb niet veel tijd voor je,’ zei ze. ‘Ik moet zo naar een vergadering. Maar het zit zo: ouders dreigen hun leerlingen thuis te houden als we door blijven gaan met jouw gastlessen.’

‘Welke ouders?’

‘Dat kan ik niet zeggen. Het gaat om verschillende ouders.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Ze hebben signalen afgegeven.’

‘Aan wie?’

‘Aan diverse leerkrachten.’

‘Ik geef de lessen al vijf jaar, er heeft nog nooit iemand geklaagd.’

‘Het is voor mij niet makkelijk,’ zei ze. ‘Ik sta ook voor jouw gelijkheid. Alhoewel –  dat mag je best weten – ik heb er persoonlijk wel eens moeite mee.’

‘Hmm,’ antwoordde ik.

‘Maar als wij hier op school moeten kiezen tussen jouw lessen en de kinderen die thuis worden gehouden en dan bijvoorbeeld geen wiskunde volgen… Dan kiezen we toch voor wiskunde. Ik hoop dat je dat begrijpt.’

Ik wist niet goed wat ik verder moest zeggen. Ik keek naar een mot op het aanrecht en vroeg me af hoe klein een levend wezen moet zijn, om het te mogen doodslaan. Ik dacht aan de foto van mezelf met de directeur. Ik kende haar niet goed, maar we hadden wel allebei onze lippen verbrand aan een gloeiend hete bietenbitterbal en toen lachend op een kartonnen bordje ‘fuck the system! one love!’ geschreven. Ze had haar arm om me heen geslagen en ik had me onderdeel van een team gevoeld. De burgemeester had een foto van ons gemaakt omdat ze ons zo’n mooi stel vond. Ik pakte mijn glas havermelk en gooide het over de mot.


Foto: Lucas V (Unsplash)

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

De ander

Omdat ik al een tijdje meedraai, denk ik redelijk te weten hoe ik overkom, en dat is heel vaak níét hoe ik mezelf ervaar. Een tijdje geleden reageerde Elke Geurts verbaasd op een stuk van me over de witte kamer, symbool voor onze ervaren afstand tot geliefde anderen. 

‘Huh?’ zei ze. ‘Jij ook? Dat had ik niet gedacht.’

Wie geen afstand kan maken – exacter nog – zich nooit machteloos voelt in die schijnbaar opgelegde afstand tot de ander, kan niet met hunkering schrijven. Er moet iets te overbruggen zijn, en in dat bruggenslaan moet verlies dreigen. 

Wat snijdt dieper dan verlies, en wat is daarom belangrijker om te duiden, te benoemen? De liefde zelf is niet goed te beschrijven, maar we kunnen wel haar omtrek tonen; het gat dat liefde achterlaat. 

Dit is wat ik maak en dus is het ergens de kern van wie ik ben. Vanachter een gin&tonic – we dronken iets in Restaurant Amsterdam tijdens de toneelles van onze tieners – vertelde Sarah Meuleman me dat ik mezelf voor de gek houd. 

‘Het hoeft niet zo,’ zei ze. ‘Ik geloof dat je anders schrijven kunt.’ 

Buiten de te overbruggen afstand tot de ander is er de ervaren afstand tot het zelf. Ik weet niet welke van de twee schrijnender is. Ze leken me altijd verbonden, maar met het krimpen van mijn afstand tot de ander, dat te bereiken bleek door simpelweg te uiten wat ik het meest niet wil zeggen, lijkt mijn ervaren afstand tot mezelf niet duurzaam te veranderen. 

Misschien is de echte witte kamer wel die ruimte van waaruit ik gedwongen ben te kijken naar mezelf. Mijn blik is zonder mededogen; wat ik voor mijn lelijkste personages makkelijk opbreng, lijk ik zelf niet te verdienen. 

Mijn ouders hebben altijd van me gehouden. Mijn vrienden, kinderen en partner doen dat ook. Wie ben ik om zo dwars te liggen? Is het omdat ik over meer informatie beschik dan de anderen? Kan alleen iemand die niet alle stukken van de puzzel heeft overgaan tot liefde? 

Verliefd word je op iemand die je slecht genoeg kent om jezelf wijs te kunnen maken dat hij ideaal is, dus daar zit wel iets. 

Ik schreef het bovenstaande voordat ik ging hardlopen. In de eerste honderd meter van mijn rondje gleed een jongen van een jaar of elf onderuit met zijn fiets. Het was een flinke klap, die hij maakte. Met grote ogen bleef hij zitten in het midden van de straat. Voordat ik erover na kon denken was ik bij hem; er was geen verschil tussen deze jongen en mijn eigen kind. 

‘Ik wil mijn vader even bellen,’ zei hij met een trillend stemmetje. 

Hoewel die vader hem ongetwijfeld zou zeggen op te staan en verder te fietsen naar school, te blijven bewegen met die knie, leek het een goed idee dat de jongen belde. Ik ben geschrokken, papa. Ik ben gevallen en heb pijn, maar nu weet jij het ook en dus is het oké. 

Terwijl ik verder rende naar het park zette een fijne regen in. De glazen van mijn bril besloegen, en ik ging verder door een dichte mist.

Beeld: Lauren Mae Murphy

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Burning the days

Omdat zijn geplande logeerpartij in het water gevallen was, besloot ik mijn jongen mee te nemen naar de kermis. Hij wilde graag op het zitje op de stang van mijn fiets, hoewel hij daar al een paar jaar te groot voor is. Toen we aanreden begon het te regenen, en hij drukte zijn rug tegen mijn borst, zijn scherpe schouders prikten in mijn biceps.

Ik had een mondkapje meegenomen, maar er waren geen controleurs op de pont en de helft van de opvarenden ging kaploos. Ondanks de regen reed ik door naar het voordek zodat we over ‘t IJ konden kijken. Rivieren zijn belangrijk, ook in een moderne stad, opdat de inwoners snappen dat hun metropool geen hele wereld maar een halte is, een stipje op een lange lijn.

Het blijft indrukwekkend om over het water aan te komen bij de loodsen van de voormalige werf, en een achterlijk goed getimede regenboog knalde boven de attracties uit op het moment dat ik mijn QR-code liet scannen door een van de suppoosten.

‘Nou,’ zei ik tegen Nadim. ‘Je bent nu groot genoeg voor enge snelle dingen. Waar wil je allemaal in?’

Mijn laatste achtbaanervaring was de rups op een Vughtse kermis ergens in de late jaren ’70 – ik geloof dat een rups officieel geen achtbaan is – maar omdat mijn jongen de hele dag al sip was, zou ik niets over mijn angst voor attracties zeggen, en akkoord gaan met de machine des doods van zijn keus. We liepen een paar rondjes, en Naadje werd steeds enthousiaster. Hij wreef in zijn handen en deed dansjes op de sloophouse die uit hondehokgrote gestoffeerde speakers hortte.

Niet die, bad ik toen hij bleef kijken bij een paarsmetallic octopusding, waarin idioten werden gecentrifugeerd op een snelheid die toch zeker hun bloed en plasma moest scheiden. In een van de tentakelkuipjes zat een zwarte vrouw van een jaar of dertig. Ze was met zorg opgemaakt, had roodgestifte lippen en een rond hoofd vol korte glimmende krulletjes. Met gesloten ogen en de grootste glimlach die ik sinds corona zag liet ze zich rondgieren, schijnbaar volledig ontspannen. Omdat er niemand anders stond te kijken, nam ik aan dat ze alleen naar de kermis was gekomen, zich deze ervaring kado had gedaan.

We gooiden meer dan vijftien euro in machines met grijpers die pluchen Pokemons steeds weer lieten vallen en ik leerde mijn jongen iets over de werking van het gokken. We gingen in de cake walk, waarbij Nadim alle rollers en wiebelende treden pakte en ik waar het maar kon langs de rolbanden en muizenwielen afliep. De kurkentrekkerglijbaan aan het einde skipte ik door de trap ernaast te pakken; Naadje knalde zonder aarzeling door de rode pijp om er onderaan juichend weer uit te rollen.

Mijn jongen kreeg een suikerspin en toen was het niet langer uit te stellen. We stonden recht tegenover de Time Machine. Ik zette mijn voeten uiteen, stak mijn handen in mijn zakken.

‘Kom,’ zei ik. ‘Eet eens op, dan pakken we die achtbaan.’

Zag ik een lichte aarzeling, bij hem? Er gingen kinderen van acht jaar met hun ouders in dat ding, dus zoiets moest toch zeker kunnen. We sloten aan in de rij, en even later mocht ik meer dan tien euro aftikken bij een telefonerende dame achter een glasplaat. Een man in een leren jas hielp ons in een bedrieglijk suf ogende tobbe.

Geleidelijk schoven we naar voren. Op het punt waar de bakjes aan hun lange weg omhoog begonnen, zat de man die belast was met onze veiligheid: in de zestig, larfbleek, kalend, ongeschoren. Hij leunde achterover in een kuipstoel naast een groenstalen console met verlichte knoppen, een walmende sigaret tussen de middel- en ringvinger van zijn rechterhand. Aan zijn voeten stonden twee open zakken Dorito’s, een Sweet Chilli Pepper en een Nacho Cheese. In zijn linkerhand, op zijn opgetrokken knie, hield hij een geopend potje tomatendip. Ik probeerde het aantal bewegingen te schatten dat hij zou moeten maken om op wat voor manier dan ook in te grijpen in de werking van de achtbaan, maar we passeerden hem al en onze tobbe draaide honderdtachtig graden, waarna we in grote vaart achterwaarts omhooggetrokken werden. Het knarste en ratelde onder ons. Het kraakte, schuurde en gierde; we kwamen boven en stonden een paar afgrijselijke tellen stil.

Ik herinner me dat Nadim schold als een volwassen man en dat ik gilde als een tienermeisje. Zoals bij de meeste bijna-doodervaringen was onmogelijk te zeggen hoe lang het allemaal duurde, maar opeens waren we beneden en klapten de beugels die ons in de stoelen hielden weg.

‘Gódverdomme,’ zei Nadim. ‘Sorry voor het schelden, papa. Téring.’

Kennelijk had hij zijn portie wel gehad. Ik had gedaan wat er gedaan moest worden. Het was volbracht. Ik merkte dat ik niet helemaal rechtop kon staan vanwege een soort diepe kramp in mijn buikspieren.

‘Dat was me wat,’ zei ik even later, toen ik mijn fiets van het slot haalde.

Nadim stapte op en trok mijn armen dichter om zich heen. ‘Papa?’

Misschien was het te eng geweest. Was ik in mijn zelfopoffering ook te ver voor hém gegaan. ‘Ja, man?’

‘Kunnen we een keer naar Six Flags?’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

De buitenstaander

‘Ik kan niet weten, wat dit oord is voor een ander,’ schrijft de Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944) in de winter van 1943. ‘Het is mijn moederland, omhelsd, maar nu door vlammen.’ De antisemitische rassenwetten in Hongarije zijn op dat moment aangescherpt. Radnóti heeft zelf een Joodse afkomst. Al twee keer is hij naar een werkkamp gestuurd, maar nu is hij terug in Boedapest.

In zijn kamer draagt hij een eerste versie van het gedicht voor aan zijn vrienden. Het gaat over wat een piloot ontgaat als hij vanuit de lucht naar Hongarije kijkt, omdat deze alleen maar lijnen op een landkaart ziet. De dichter, daarentegen, ziet zijn eigen herinneringen in het Hongaarse landschap: een park uit zijn jeugd, plekken waar hij met meisjes heeft gezoend, een seinhuis met een wachter, een snikkende moeder en een herdershond die spelend op de binnenplaats over de grond rolt.

Als Radnóti klaar is met voorlezen, zijn de vrienden even stil. ‘Waarom heb je een patriottisch gedicht geschreven?’ zegt de ene, die ongemakkelijk met zijn slof over de vloer sleept. ‘En hoezo schrijf je dat de Hongaren net zo schuldig zijn “als ieder ander volk”?’ vraagt een ander, die zijn bril op tafel legt. ‘Zie je dan niet wat ze momenteel aanrichten? Wat ze ook jou aandoen?’

Vanaf het moment dat ik Radnóti’s poëzie leerde kennen heeft zijn onverzettelijke liefde voor Hongarije me gefascineerd. Gegrepen door de Hongaarse literatuur, waaraan een bijlesleraar hem in zijn jeugd introduceerde, wilde hij zijn leven lang niets liever dan als Hongaars dichter erkend te worden. Maar zijn vaderlandsliefde was niet wederzijds. Vanaf de jaren 20 werd Radnóti voor de wet een Jood, en werd zijn toegang tot de samenleving steeds verder beperkt. Toch werd hij niet bitter.

Het gedicht ‘Ik kan niet weten’ uit 1943 is daar een haast onbegrijpelijk voorbeeld van. Het gedicht is vrij van wrok. Radnóti vereenzelvigde zich zo radicaal met zijn Hongaarse landgenoten dat hij hen zelfs niet afviel wanneer ze hem buitensloten. ‘Als de Hongaren als volk een zondig volk zijn, dan ben ik dat ook,’ antwoordde hij zijn vrienden in de winter van 1943, ‘ik ben immers een Hongaar.’

Een Hongaar zijn. Wat betekent dat? Voor Radnóti had zijn Joodse afkomst er in ieder geval niets mee te maken. Hij kwam uit een familie van geassimileerde Joden, wier assimilatie al vroeg in de 19e eeuw was begonnen. Het was een eeuw waarin veel landen tot nationaal bewustzijn kwamen. Ook de Hongaren waren vanaf 1825 druk bezig hun eigen natie vorm te geven, en slokten gretig iedereen in zich op die de taal sprak en op andere manieren hun toewijding aan deze nieuwe natie lieten blijken. Joodse families dachten op die manier ook opgenomen te zullen worden.

Radnóti’s Hongaarse biograaf Győző Ferencz legde me uit dat Radnóti bleef vasthouden aan deze oude hoop. Zelfs toen de aard van het Hongaars nationalisme allang was veranderd na de Eerste Wereldoorlog en Hongaarsheid wettelijk meer en meer op basis van etniciteit werd vastgesteld, bleef Radnóti erin geloven: een Hongaar was iemand die Hongaars sprak.

Ik leerde Radnóti kennen toen ik op het punt stond om naar Hongarije te verhuizen. Ik zou de taal gaan leren, had ik besloten. De taal die centraal stond in Radnóti’s nationale identiteit, en die naar mijn idee nog steeds toegang verleent aan een afgezonderd land. Het is een spannend idee. Stel je voor: er is een land in het midden van Europa waar de mensen met elkaar overleggen in een taal die de omstanders niet verstaan. Niets ervan. Toen ik twee jaar geleden op vakantie in Boedapest was, werd ik voor het eerst omgeven door dat melodieuze geklater, waarin geen enkele klank me aan een woord deed denken. Ik bekeek de taal van de buitenkant, en werd nieuwsgierig. Zitten er woorden in die klanken? Waar hebben deze mensen het over?

Ik was mijn verhuizing aan het plannen toen Uitgeverij Van Oorschot aankondigde dat vertalers Orsolya Réthelyi en Arjaan van Nimwegen de Hongaarse dichter Miklós Radnóti dit jaar voor het eerst in het Nederlands zouden vertalen. Omdat ik nog geen Hongaars sprak was het dankzij hun vertaling dat ik kon lezen wat hij had geschreven. Zo werd Radnóti’s vertaling voor mij de eerste toegang tot de binnenkant van die mysterieuze taal. Ik vertrok vervroegd naar Hongarije om een radiodocumentaire over hem te maken.

Opgevouwen in mijn stoel in de nachttrein sliep ik de hele nacht niet. Het Hongaarse stel waarmee ik een coupé deelde was luidruchtig chips aan het eten. Toen ’s ochtends de zon opkwam, zag ik door het raam dat het landschap was veranderd. Heuvels, een lappendeken van akkers, afgewisseld met bossen. En tussen de bomen kleine witgepleisterde kerkjes met korte, bruine torenspitsen. Naast een van de kerken stond een man een sigaret te roken. Vanuit het treinraam bleef ik naar het landschap staren. Dus hier zou ik naartoe verhuizen. Nog een bos, een kerk, een akker. Het landschap herhaalde zich. Het was eentonig, en vreemd.

‘Ik kan niet weten wat dit oord is voor een ander,’ dacht ik, en ik lachte. Radnóti’s woorden waren geruststellend. Ze erkenden wat ik vreesde – dat ik naar een land verhuisde waar ik een buitenstaander zou worden – en tegelijkertijd lieten ze me zien hoe dat ook vanzelf weer over zou gaan. Als het aan Radnóti ligt, althans. Volgens hem zou ik ophouden een buitenstaander te zijn zodra ik eigen herinneringen in Hongarije had. Herinneringen die ik vervolgens in het landschap zou kunnen herkennen. Zo lees ik zijn woorden.

Nu ik hier woon, verbaas ik me erover hoe groot Radnóti in zijn eigen land is. Schoolkinderen leren zijn gedichten uit hun hoofd. Popzangers maken liedjes van zijn teksten. Hij wordt geciteerd in kranten, basketbalwedstrijden, reclames. Orbán citeert hem in zijn toespraken, zijn politieke tegenstanders citeren hem in die van hen. In Hongarije zijn Radnóti’s woorden overal.

Győző Ferencz vertelde me dat Radnóti deze aandacht pas na zijn dood kreeg. Tijdens zijn leven was Radnóti vrijwel onbekend bij het grote publiek, omdat de Hongaarse rassenwetten het hem moeilijk maakten om zijn werk te publiceren. Toch schreef hij door. Zelfs wanneer de Hongaarse autoriteiten hem in 1944 naar een werkkamp in de Servische stad Bor sturen, blijft hij ’s nachts in het diepste geheim gedichten noteren in een schriftje. Bijna twee jaar later wordt dit Schriftje uit Bor in een vergane jas in een massagraf in de buurt van Abda ontdekt.

Het lijkt alsof juist die wonderbaarlijke vondst van het schriftje in de aarde de aandacht van de Hongaren had getrokken. Zij hadden hem als ‘Jood’ bestempeld en ontmenselijkt, en als ‘Jood’ vermoord. Maar door de wonderbaarlijke vondst richtten ze hun aandacht terug op hem als individu. Wie was die man geweest? Wat had hij geschreven? Kennelijk was het zo belangrijk voor hem geweest dat hij zelfs ter midden van dood, honger en geweld nog volhardde. Dat maakte nieuwsgierig.

Ze pakten zijn oude gedichten erbij. Ze lazen ze, en vonden ze mooi: ze gingen over liefde, vriendschap, de dood, maar ook over Hongarije. Ze rehabiliteerden hem. Vanaf de jaren 50 stonden zijn gedichten in de canon, en het gedicht ‘Ik kan niet weten’, dat Radnóti in de winter van 1943 schreef, kreeg een prominente plek. Sindsdien leert iedere generatie Hongaren dat gedicht uit het hoofd. Sindsdien is hij overal. Het is eigenlijk onverteerbaar ironisch. Radnóti werd tijdens zijn leven tot buitenstaander gemaakt. Pas na zijn dood kwam zijn wens, om als Hongaars dichter erkend te worden, uit.

Marian van der Pluijm

Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

Alleen onbeweeglijk

In het Centraal Museum in Utrecht wuiven de planten je toe, als bij een beladen afscheid. In een verre zaal staat een kunstwerk van Persijn Broersen & Margit Lukács met de wat kosmische titel ‘Fix the Variable, Exclude the Accidental, Eliminate the Impure, Unravel the Tangled, Discover the Unknown’. Het zijn vijf grote panelen, op elk een wuivende plant geprojecteerd, prachtige pianomuziek op de achtergrond. Soms staat een beeld stil. Het is een donkere zaal aan het einde van een tentoonstelling over de tuin in de beeldende kunst. Ik werd er even vastgehouden door dit werk waarnaar je rustig een half uur kunt staren. De planten zijn geanimeerd, bijna letterlijk genomen dit woord, van een ziel voorzien, ze wuiven als in een wind. Onwillekeurig denk je aan de wind die volgens Walter Benjamin de engel van de geschiedenis steeds verder uit het paradijs waait, de storm die hem steeds verder van het paradijs verwijdert, zijn rug naar de toekomst, de wind in de vleugels. Het paradijs, een besloten tuin immers, waar boom en plant heer en meester zijn. (Heester?) Een wind die na de milieutop in Glasgow deze week nog niet beloftevol minder is gaan waaien. Elke wuivende plant getuigt ervan.

Het verplicht stilstaan van een boom of plant is maar moeilijk te begrijpen voor een wandelaar over deze wereld. Bij stilstand kunnen we ons helaas te weinig voorstellen. In A. Alberts De bomen, volgt de lezer de jonge Aart Duclos in drie fasen van zijn leven. Een centraal gegeven in deze novelle is dat Aart in staat blijkt een kinderlijke magische wereld in stand te houden, waarin de bomen tot hem spreken en met hem mee bewegen. Ze zijn aanwezig in alle scenes zonder dat Alberts de moeite neemt uit te leggen wat ze precies betekenen. Repareer het variabele, sluit het toevallige uit, elimineer het onzuivere, ontrafel het verwarde, ontdek het onbekende. Tevens een kort recept voor een prachtige novelle.

Op de Veluwe zat ik gisteravond met dit in mijn hoofd na een boswandeling in een ‘dankdienst voor gewas en arbeid’. Mijn moeder wilde wel met me uit eten, maar ze had in haar 88-jarig bestaan nog nooit de dankdienst voor gewas overgeslagen. (‘Zoiets zit als boerendochter in je genen.’) Ik telde terwijl ik naar hypermodern geprojecteerde liedteksten staarde de jaren na van 1933 tot nu, oogst na oogst, landbouwrevolutie na landbouwrevolutie en voelde de kracht die trilt in bomen en in het sap van de planten.

De kracht

De kracht die trilt
in de armen van de bomen
en in het sap van de planten
woont ook in gedichten
maar tot rust gekomen

De kracht die schuilt
in de kus en het verlangen
zit ook in een gedicht
zij ‘t stiller geworden

De kracht die groeit
in Napoleons dromen
hem tegen Rusland in de sneeuw laat uitrukken
is ook in gedichten
alleen onbeweeglijk.

(Adam Zagajewski, vert Gerard Rasch)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Geloven willen

Zoals elke herfstvakantie zouden we met familie naar Normandië gaan. B en ik hadden besloten niet onderweg te overnachten, en dus poetsten we onze tanden in het kwaadste deel van de ochtend, dat feitelijk nog dief is van de nacht.

De straat lag voor dood op haar stenen terwijl ik Ada in het zitje tilde, de bestuurdersstoel van onze geleende auto terugklapte om Nadim met zijn kussen nog tegen het gezicht gedrukt in te laten stappen. Bleek als kunstijs, zag hij. De stoel kwam vast te zitten en de wegenwacht moest gebeld. Het zou meer dan een uur duren en om vage redenen tweehonderd euro kosten, en mede daardoor kon ik de stoel toch eigenhandig losvloeken. Een halfuur later dan gepland reden we aan.

Nadim zou weer tijdens de vakantie jarig zijn, een helaasheid die mijn jongen al een paar weken uit de slaap hield. Hij kan zijn hoofd moeilijk parkeren en dat heeft hij van zijn vader. Ik maak me daar in mijn eigen nachten dan weer zorgen over: als hij nu al wakker ligt van zaken waarop hij geen grip heeft, hoe moet dat later dan?

Dit jaar werd hij tien. Ik zocht zijn grote ogen in de achteruitkijkspiegel en glimlachte naar hem. ‘Probeer even te slapen, kerel.’

‘Maar dat kán ik niet.’

‘Doe je oogjes nou maar dicht.’

Hij deed het braaf, maar slapen zou hij nergens in de acht uur die we onderweg waren. Eenmaal in Servigny zocht hij vaak zijn kamer op, bouwde elke dag wat rustmomenten in weg van honden, opa’s, oma’s, ooms, tante, zus en nichtje. Het leek me verstandig en ik liet hem maar een beetje.

Elk jaar, aan de vooravond van zijn verjaardag, gebeuren er rare dingen in het dorp. Dit keer bracht een heksachtige buurvrouw een drankje langs, dat ik vrolijk uitschonk voor de hele familie behalve Nadim en zijn opa, die daar wat knorrig op reageerden. Iedereen die het gedronken had viel in slaap, en toen pas viel het briefje aan de flessenhals mijn jongen op.

Met mijn hoofd op tafel, overluid snurkend, luisterde ik hoe opa de brief van de heks van Servigny voorlas; uiteenzette hoe Nadim en hij hun familie konden bevrijden van de vloek van de eeuwige slaap. Ik had de brief die middag in grote haast geschreven, en vroeg me af of mijn jongen zo langzamerhand niet te oud was om in een verhaal over heksen en bokkenrijders mee te gaan.

Je kunt een zorgelijk hoofd maar beter concrete zorgen geven, dan draait het als een vers uurwerkje. Alle vermoeidheid leek uit zijn stem verdwenen. Nadim verbeterde zijn opa nu en dan, dacht vooruit, schikte de volgorde van te nemen stappen. Daarna vertrokken de twee naar buiten, en moest de rest van de familie zich in moordtempo schminken en verkleden om hen op te wachten in de holle weg die van het kerkhof naar een naburig dorp leidt.

Er was een clochard die hem een fles wijn gaf, er waren heksen op verschillende punten aan de holle weg die hem delen van een spreuk gaven, en kruiden voor een tegengif. Toen Nadim dat allemaal verzameld had en omkeerde, werd hij staande gehouden door een sinistere bokkenrijder met hoorns van twijgen en een vurig rood oog. Met de spreuk die hij geleerd had versloeg hij de duivelse struikrover, om samen met zijn opa de weg naar huis te vinden. Toen ze hun toverdrank verhitten in de haard verschenen er lichten aan de hemel en ontwaakte zijn familie. Zijn oom kwam schielijk via de tuindeur binnen met handen meurend naar vuurwerklont.

‘Oh, wat heb ik diep geslapen,’ zei B. ‘Wat is er allemaal gebeurd?’

En onze man vertelde over het slaapdrankje van de heksen en de vloek van de bokkenrijder. Nu en dan bijgestuurd door zijn opa kwam de hele beproeving eruit. Zijn wangen waren rood en zijn ogen glommen. Het was niet niks allemaal, en hij was zéker bang geweest, maar het was allemaal op tijd gelukt. Iedereen juichte en we aten taart.

Ik zocht zijn ogen, volgde zijn gebaren en de klank van zijn stem terwijl hij bij ooms en tante delen van de beproeving navertelde. Aan niets was te zien dat hij doorhad dat iedereen had meegespeeld. Schijnbaar van het ene op het andere moment zwaaide Nadim af. Zijn sokkenvoeten klonken op de trap, en even later bracht ik hem een kus in bed. Ik vroeg of het niet veel te eng geweest was.

‘Ik was heel bang,’ zei hij, al halverwege slaap. ‘Maar ik kon het aan.’

Terwijl ik de treden afliep om me bij de anderen te voegen, besefte ik dat geloven in verhalen niet stopt wanneer je oud genoeg bent om ze te doorzien, maar wanneer je niet langer geloven wílt.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).