Burning the days

Omdat zijn geplande logeerpartij in het water gevallen was, besloot ik mijn jongen mee te nemen naar de kermis. Hij wilde graag op het zitje op de stang van mijn fiets, hoewel hij daar al een paar jaar te groot voor is. Toen we aanreden begon het te regenen, en hij drukte zijn rug tegen mijn borst, zijn scherpe schouders prikten in mijn biceps.

Ik had een mondkapje meegenomen, maar er waren geen controleurs op de pont en de helft van de opvarenden ging kaploos. Ondanks de regen reed ik door naar het voordek zodat we over ‘t IJ konden kijken. Rivieren zijn belangrijk, ook in een moderne stad, opdat de inwoners snappen dat hun metropool geen hele wereld maar een halte is, een stipje op een lange lijn.

Het blijft indrukwekkend om over het water aan te komen bij de loodsen van de voormalige werf, en een achterlijk goed getimede regenboog knalde boven de attracties uit op het moment dat ik mijn QR-code liet scannen door een van de suppoosten.

‘Nou,’ zei ik tegen Nadim. ‘Je bent nu groot genoeg voor enge snelle dingen. Waar wil je allemaal in?’

Mijn laatste achtbaanervaring was de rups op een Vughtse kermis ergens in de late jaren ’70 – ik geloof dat een rups officieel geen achtbaan is – maar omdat mijn jongen de hele dag al sip was, zou ik niets over mijn angst voor attracties zeggen, en akkoord gaan met de machine des doods van zijn keus. We liepen een paar rondjes, en Naadje werd steeds enthousiaster. Hij wreef in zijn handen en deed dansjes op de sloophouse die uit hondehokgrote gestoffeerde speakers hortte.

Niet die, bad ik toen hij bleef kijken bij een paarsmetallic octopusding, waarin idioten werden gecentrifugeerd op een snelheid die toch zeker hun bloed en plasma moest scheiden. In een van de tentakelkuipjes zat een zwarte vrouw van een jaar of dertig. Ze was met zorg opgemaakt, had roodgestifte lippen en een rond hoofd vol korte glimmende krulletjes. Met gesloten ogen en de grootste glimlach die ik sinds corona zag liet ze zich rondgieren, schijnbaar volledig ontspannen. Omdat er niemand anders stond te kijken, nam ik aan dat ze alleen naar de kermis was gekomen, zich deze ervaring kado had gedaan.

We gooiden meer dan vijftien euro in machines met grijpers die pluchen Pokemons steeds weer lieten vallen en ik leerde mijn jongen iets over de werking van het gokken. We gingen in de cake walk, waarbij Nadim alle rollers en wiebelende treden pakte en ik waar het maar kon langs de rolbanden en muizenwielen afliep. De kurkentrekkerglijbaan aan het einde skipte ik door de trap ernaast te pakken; Naadje knalde zonder aarzeling door de rode pijp om er onderaan juichend weer uit te rollen.

Mijn jongen kreeg een suikerspin en toen was het niet langer uit te stellen. We stonden recht tegenover de Time Machine. Ik zette mijn voeten uiteen, stak mijn handen in mijn zakken.

‘Kom,’ zei ik. ‘Eet eens op, dan pakken we die achtbaan.’

Zag ik een lichte aarzeling, bij hem? Er gingen kinderen van acht jaar met hun ouders in dat ding, dus zoiets moest toch zeker kunnen. We sloten aan in de rij, en even later mocht ik meer dan tien euro aftikken bij een telefonerende dame achter een glasplaat. Een man in een leren jas hielp ons in een bedrieglijk suf ogende tobbe.

Geleidelijk schoven we naar voren. Op het punt waar de bakjes aan hun lange weg omhoog begonnen, zat de man die belast was met onze veiligheid: in de zestig, larfbleek, kalend, ongeschoren. Hij leunde achterover in een kuipstoel naast een groenstalen console met verlichte knoppen, een walmende sigaret tussen de middel- en ringvinger van zijn rechterhand. Aan zijn voeten stonden twee open zakken Dorito’s, een Sweet Chilli Pepper en een Nacho Cheese. In zijn linkerhand, op zijn opgetrokken knie, hield hij een geopend potje tomatendip. Ik probeerde het aantal bewegingen te schatten dat hij zou moeten maken om op wat voor manier dan ook in te grijpen in de werking van de achtbaan, maar we passeerden hem al en onze tobbe draaide honderdtachtig graden, waarna we in grote vaart achterwaarts omhooggetrokken werden. Het knarste en ratelde onder ons. Het kraakte, schuurde en gierde; we kwamen boven en stonden een paar afgrijselijke tellen stil.

Ik herinner me dat Nadim schold als een volwassen man en dat ik gilde als een tienermeisje. Zoals bij de meeste bijna-doodervaringen was onmogelijk te zeggen hoe lang het allemaal duurde, maar opeens waren we beneden en klapten de beugels die ons in de stoelen hielden weg.

‘Gódverdomme,’ zei Nadim. ‘Sorry voor het schelden, papa. Téring.’

Kennelijk had hij zijn portie wel gehad. Ik had gedaan wat er gedaan moest worden. Het was volbracht. Ik merkte dat ik niet helemaal rechtop kon staan vanwege een soort diepe kramp in mijn buikspieren.

‘Dat was me wat,’ zei ik even later, toen ik mijn fiets van het slot haalde.

Nadim stapte op en trok mijn armen dichter om zich heen. ‘Papa?’

Misschien was het te eng geweest. Was ik in mijn zelfopoffering ook te ver voor hém gegaan. ‘Ja, man?’

‘Kunnen we een keer naar Six Flags?’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).