Bezinningseiland 5

Vorige week  Bezinningseiland 4. Vandaag Deel 5 (slot):

Over een half uur mogen we aan boord. We zitten op een houten bankje in de haven. Jasper is op mijn schouder in slaap gevallen. Uit de koffieautomaat van de rederij komt een donkerbruin, waterig goedje, maar na vannacht ben ik blij met alles dat de schijn van cafeïne heeft.

Het is gebeurd, Alex: ik ben betrokken geraakt.

***

Irma had alle ‘bezinners’ verzameld in de lobby. Ze deelde zaklampen uit. Jasper was zonder jas, zonder telefoon, zonder een woord verdwenen, maar dat weerhield haar er niet van om ons stralend op speurtocht te sturen. Haar humeur is onkreukbaar. Ludo stond achter de balie met zijn armen in de lucht.

‘Hij kan niet ver zijn,’ mompelde de coach. ‘Jaspers energie is dichtbij.. zijn energie is.. in de stilte.’

Met die aanwijzing moesten we het doen.

De kille oostenwind blies ons over het strand. Claudia ging voorop, de rest van de ‘bezinners’ waaierden achter haar aan. We vliegerden langs de kust en schreeuwden zijn naam tot we schor waren, maar de zee raasde over onze kreten heen en Jasper antwoordde niet. Onze zaklampen waren niet opgewassen tegen het donker. Het enige licht in de wijde omtrek kwam van ‘t Zonnegloor, waar Irma en Ludo de Levende Antenne waren achtergebleven om de schommelingen in Jaspers energie te volgen. Ik snakte naar een sigaret.

Toen Claudia voorstelde om ons op te splitsen en in kleine groepjes verder te zoeken, greep ik mijn kans en snelde de duinen in voor een peuk.

Je voelt de bui al hangen, Alex. Ik wilde hem niet vinden, maar het universum keek vannacht de andere kant op. Net toen ik mijn eerste haal nam, hoorde ik het: een iel stemmetje dat zong dat de meeste dromen bedrog zijn. Ik volgde het geluid. Het licht van mijn zaklamp viel op de resten van een konijn en verse voetstappen in het zand. Ik kwam bij de bakstenen muren en vond het pad dat stijl omlaag liep. Voorzichtig ging ik het bunkerpad af. Het zingen werd harder – en valser.

‘Jasper?’

Ik hoorde gesnik uit een van de bunkers komen. En daar zat hij; in een zwembroek en zijn Batman shirt. Hij was doorweekt. Jasper knipperde tegen het licht.

‘Wat doe je hier?’

Ik kroop de bunker in en ging naast hem zitten, gaf hem mijn extra trui die hij dankbaar aantrok. Het rook er naar pis. Jasper sloeg zijn armen om zijn knieën en begon langzaam te wiegen.

‘De zee,’ snikte hij. ‘Ik dacht als ik in de zee.. dat de vlekken dan..’ Zijn schouders schokten. ‘Maar het komt er niet af!’

‘Je kunt hier niet blijven zitten, Jasper. We moeten terug.’

‘Ik word nooit schoon!’ riep hij, heviger wiegend. ‘Zoveel weerstand, zoveel weerstand..’

Er zat niets anders op, Alex. Ik moest het proberen: ‘Dat is gezond,’ zei ik in mijn beste Hallmarks. ‘Weerstand is gezond, Jasper. Het beschermt je tegen aan-doeningen, tegen slechte in-vloeden van buitenaf, tegen mensen zoals-‘

‘Maar ik ben narcistisch! Ik ben–’

‘Je bent vooral in de war.’

Hij begon harder te huilen. De zaklamp flikkerde. Het licht werd zwakker.

‘Dat bedoelde ik niet zo,’ zei ik snel. ‘Ik ben ook in de war! We zijn allemaal in de war. Daarom zijn we hier tenslotte, om ons te bezinnen. En bezinnen is..’

‘..opnieuw beginnen?’

‘Precies!’ Nooit eerder kwam een slechte slogan me zo goed van pas. ‘Het is een kwestie van perceptie, Jasper. De werkelijkheid is een kwestie van perceptie. Nou, doe je ogen dicht,’ zei ik, terwijl ik mijn hand op zijn schouder legde. Natuurlijk had ik geen idee wat ik aan het doen was, Alex. Maar hij stopte met wiegen en deed wat ik zei. Autoriteit is tenslotte ook een kwestie van perceptie.

‘Laten we op-nieuw beginnen, Jasper. Laten we doen alsof het vrijdagmiddag is, hm? Laten we doen alsof we weer op de boot zitten.’

Hij veegde zijn neus af aan zijn mouw en rilde. Even was ik bang dat hij weer zou gaan huilen, maar Jasper keek me alleen treurig aan. ‘Ik wil naar huis,’ zei hij.

Op dat moment gaf de zaklamp er de brui aan. Jasper gilde van schrik.

‘Kom,’ zei ik. ‘Ik breng je naar huis.’

Ik hielp mijn nieuwe beste vriend overeind en bij het licht van mijn aansteker kropen we de bunker uit. Hij gaf me een plakkerige hand. Op de tast vonden we onze weg naar ‘t Zonnegloor.

***

Het eiland verdwijnt langzaam uit zicht. Er is niemand op het dek. Ik heb Jasper met twee kroketten achtergelaten in de restauratie. Ze zijn nog steeds in de aanbieding.

Ik zou je willen vertellen dat we als helden werden onthaald, Alex. Dat Irma, Ludo en de andere ‘bezinners’ ons juichend stonden op te wachten met zelfgemaakte confetti en spandoeken waar de ecoline vanaf sprong – maar iedereen was al naar bed. Op de balie lagen onze telefoons en een briefje van Irma. Ze vond het jammer dat we elkaar misliepen, maar bezinnen doe je in een uitgerust lichaam en Jasper had al Ludo’s energie gekost. Hij was een nemer en voor nemers had de coach minstens een week nodig. Er was al een inschrijfformulier naar hem onderweg.

Bezinnen is een egoïstische bezigheid. Ik verfrommelde het briefje voor Jasper het kon lezen.

We hebben gewacht tot de zon opkwam, maar ook vanochtend was er niemand om ons uit te zwaaien. Ik heb een taxi gebeld om ons naar de haven te brengen.

***

Mijn verslag loopt ten einde, Alex. Misschien heb ik het hier en daar wat aangedikt. Het zou kunnen. Misschien heb ik me wel twee dagen in een duinpan liggen vervelen. Wie zal het zeggen? Misschien zit er wel niemand in de restauratie en schrijf ik je dit vanaf mijn balkon. Ik sluit het niet uit, broer. Misschien is het allemaal een kwestie van perceptie.

Maar dit is het verhaal dat je aan ma zult moeten vertellen als jullie onderweg zijn naar haar dameskoor. Wees niet zuinig met de details, die maken tenslotte het verhaal. We hebben Batman gered. We zijn ont-popt. We hebben bijna leren vliegen. Ze zal trots op ons zijn.

Ik hoop dat je me dankbaar bent.

 ———–

Daphne Huisden portretDaphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan een nieuwe roman.

Dit was de laatste Zondagse Gastblog van Daphne Huisden. De Tirade-redactie zegt: Dankjewel,  Daphne, voor dit heerlijke feuilleton. We kijken uit naar je nieuwe boek!

Leviathan

Ik zag van de week Leviathan, van de Russische regisseur Andrej Zvjagintsev. Een waanzinnig mooie film, als je het mij vraagt. In Leviathan wordt het verhaal van Job verteld, de vrome man die alles kwijtraakt; en die van god alles dubbel terugkrijgt. Plus tien nieuwe kinderen, waaronder drie extra knappe dochters. Ik heb dat altijd al een eigenaardige afloop gevonden. Wat is precies de boodschap? Houdt moed bij tegenslag, want als je maar lang genoeg wacht geeft god je dubbel, of beter, terug wat je is afgenomen? Is dubbel dan ter compensatie van het verlies? Vervangen nieuwe, extra mooie kinderen het verlies van tien eerdere? Ik vind het een beetje Amerikaans voorkomen, bigger is better. Als schamele beloning voor een wrede test.

In deze verfilming is het verhaal van Job geplaatst in hedendaags Rusland. En het is deze keer niet god die alles afneemt. Maar de staat, hier voorgesteld als een zwijnerige burgemeester, die wodka wasemt. Deze burgemeester wil hoofdpersoon Kolya’s grond onteigenen. Met daarop zijn huis dat hij eigenhandig heeft gebouwd. Kolya is verwikkeld in een kansloze rechtszaak. De avond voor zitting drinken Kolya en zijn advocaat Dima moed in, kleine glazen wodka, dan nog. Ze hebben een plan om de corrupte burgemeester die nogal wat op zijn kerfstok heeft, in het nauw te drijven met chantage. Later in de film als het onheil toeneemt, nemen de hoeveelheden wodka toe, tot aan halve flessen die worden weggeklokt in een tergend traag shot.

In een van de hoogte/dieptepunten van de film citeert de plaatselijke dominee uit het boek van Job, staande voor de deur van zijn verweerde houten hut, terwijl schrale wind los zand tegen de wanden slaat.

Can you pull in the leviathan with a fishhook, or tie down his tongue with a rope?
Can you put a cord through his nose or pierce his jaw with a hook?
Will he keep begging you for mercy? Will he speak to you with gentle words?
Will he make an agreement with you for you to take him as your slave for life?

Na de film sloeg ik mijn Bijbel erop na. Het citaat blijkt afkomstig uit een lange tirade die god tegen Job houdt, over zijn almacht. Wie van ons twee heeft de wereld geschapen?, vraagt god. Wie van ons heeft op de zeebodem gelopen? Kun jij een monster vangen met een vishaak? Kun jij hem tot slaaf maken? Ben je sterk genoeg? Nee, dat is Job niet. Tegen zo’n God is niemand opgewassen.

Ik heb het altijd moeilijk te begrijpen gevonden dat mensen troost vinden in geloof. Voor mij is zijn afwezigheid op de wereld alomtegenwoordig. Armoe, onrecht, oorlog; als iemand de wereld had geschapen zou dat niet bestaan. Na Leviathan begon ik me af te vragen, of het misschien juist precies andersom ligt? Is de aanwezigheid van ellende het ultieme bewijs voor gods bestaan? Een god die zo macho is, en die zo genadeloos uit is op onderwerping en leed, moet wel aan de oorsprong staan van een wereld waarin zoveel ongelijkheid bestaat. Geef je er maar aan over. Of help! Is onze wereld gemaakt door een genadeloze despoot?

‘Een goede morgen met’ 3

00:13:48

Reynaldo Hahn, À Chloris (1916); Phlippe Jaroussky, countertenor; Jerôme Ducros, piano.

00:16:47

Zijn ouders hadden elkaar leren kennen op de zangvereniging; het is dus maar de vraag of hij er zonder muziek wel was geweest. Veel meer dan zijn vader is zijn moeder een en al gezang gebleven: Johannes de Heer, Richard Tauber, het Pelgrimskoor uit Tannhäuser tijdens het ochtendprogramma ‘Moeders wil is wet’, alles zong of neuriede zij zachtjes mee: zij moet in muziek ‘tiefe tiefe Ewigkeit’ hebben gevonden. Muziekprogramma’s op de radio duurden hooguit een uur, zodat Tannhäuser voor hem jarenlang niets anders was dan het Pelgrimskoor. Waar de pelgrims vandaan kwamen, hij had het zich nooit afgevraagd. Het idee om een hele opera te beluisteren kwam niet in hem op. Daar kwam bij dat hij als scholier al, te vroeg dus om dit met eigen ervaringen te kunnen weerspreken, had gelezen dat Nietzsche het troebel-Dyonisische van Wagner graag inruilde voor de Apollinische helderheid van Bizet. Daar was hij erg van onder de indruk geweest. Omdat hij niet zou hebben geweten hoe hij Nietzsche juist op dit gebied moest weerspreken, besloot hij dat hij Tristan und Isolde en soortgelijke zwelgpartijen kon overslaan.

Dat was een tijdlang niet zo moeilijk, want toen hij ging studeren, was hij vooral benieuwd naar muziek die niet al met een aura van heiligheid was omgeven. In het Concertgebouw, waar meer kenners dan liefhebbers rondliepen, dacht hij, en waar tegelijk sociale verplichtingen de boventoon voerden en niet persoonlijke ervaringen, zag je hem niet. Wel – en daar heb ik hem leren kennen – bij de concerten van eigentijdse muziek op zaterdagmiddag in het Stedelijk Museum, bij die in het Sigma Centrum en soms in de huiskamersfeer van De Suite, plaatsen waar je het gevoel kreeg de geboorte van muziek bij te wonen, zoals tijdens een soloprogramma van Max Neuhaus waar even veel aan te zien bleek als te horen, zoals die heen en weer bewoog tussen een instrumentarium dat het traditionele slagwerk tot kinderspel degradeerde, of die keer dat wij Morton Feldman zo over een piano gebogen zagen zitten, zo op zoek naar het stilste geluid dat nog muziek genoemd kon worden, dat het leek of hij met zijn oren speelde in plaats van met zijn vingers.

Achteraf stelde hij vast dat dat er de oorzaak van moest zijn geweest dat het jaren had geduurd, voordat Wagner hem in zijn greep kreeg; maar toen dat eenmaal gebeurde, was het ook direct een stevige greep. Hij doelt op zijn eerste Götterdämmerung, in het Concertgebouw inmiddels, en hij weet nog steeds niet of het van de vermoeidheid kwam na meer dan vier uur aandachtig luisteren of doordat hij aan het slot ineens – rare historische omkering – een flard West Side Story meende te horen, maar voor het eerst van zijn leven bleek muziek hem tot tranen te kunnen roeren; ook hem. Misschien kwam het wel, dacht hij, door de onverwachte samenklanken. Maar waarom was dat dan nooit gebeurd in die kleinere zalen, waar hij toch ook zoveel bijzonders had gehoord? Was ontroering alleen mogelijk bij muziek die al een tijd bestond? Was het een kwestie van patina, van vergeefsheid ook, van het besef dat wat je hoort eigenlijk al niet meer mogelijk is, dat het een droom is uit het verleden? Zou de eigentijdse muziek nog niet dat stadium van vergeefsheid hebben bereikt?

Hoe het zij, sindsdien beperkte hij zich niet meer tot de hoogtepunten, maar is hij hele opera’s gaan beluisteren, waarbij hij verwonderd merkte hoeveel vooraankondigingen in Tannhäuser bijvoorbeeld het eigenlijke Pelgrimskoor bijna overbodig maakten: een voorspel dat intenser leek dan de ontlading.

Ik begrijp wel dat in een programma dat maar twee uur duurt, geen hele opera past, laat staan een van Wagner. Toch laat hij iets horen waarin de intensiteit en de complexiteit van Wagners werk en wat hij er zelf bij ervaart, tot hun recht komen. Hij zal hebben gedacht: als een slot, zoals dat van de Götterdämmerung, pas na uren luisteren kan worden begrepen en aangevoeld, dan moet ik maar een begin kiezen, een voorspel.

Ik herinner me het verhaal dat hij een keer, toen hij aan het eind van een lange vakantie net de Autoroute du soleil op gedraaid was, uit de kleine boxen in de deur iets had gehoord, van de weg af moest, een aire op – ‘alsof de gedempte sirene en het opvallend trage zwaailicht van een passerende politiemotor me daartoe dwongen’ – om te horen wat het was. Wagner? Wat dan? Het was muziek die hem, door het geluid van de auto, de wind en het andere verkeer heen had weten te raken, vertelde hij, ‘alsof ik de jonge Samuel was’, die in zijn droom door een onbekende stem wordt geroepen en dan niets anders weet te zeggen dan: ‘Spreek Heer, Uw knecht hoort.’ Hij was in de overtreffende trap van muzikale overgave terechtgekomen.

00:20:12

Richard Wagner, Parsifal, Vorspiel (1878); Berliner Philharmoniker olv Daniel Barenboim.

00:34:00

 

adzuiderent Ad Zuiderent (1944) is dichter, schrijver en criticus. Hij publiceerde onder meer de biografie van Gerrit Krol, Van Korreweg naar Korreweg. Zijn laatste dichtbundel is We konden alle kanten op (2011). Tot voor kort schreef hij over muziek voor de website Muziekvan.nu en vervangt Marko van der Wal op de vrijdag.

Venture capitalists en de uitgeverij

In het instructieve Economics The User’s Guide, van Ha-Joon Chang, wordt de lezer in een rustig vaartje door de geschiedenis van de economie gevoerd: van Adam Smith’s An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations (1776) tot hedendaags venture capitalism. In het eerste hoofdstuk van Smith boek legt hij aan de hand van een eenvoudig voorbeeld – een haarspeld –  uit dat specialisatie van werk tot optimalisatie van resultaat leidt. Wanneer je als mens elke fase van het maken van zo’n ding zelf moet doen werk je veel langzamer dan wanneer je maar 1 stukje doet.

Chang noteert de ontwikkeling van ‘een eigen bedrijf hebben waarvoor je aansprakelijk bent’, naar een bedrijf met beperkte aansprakelijkheid, zoals de VOC er een was, een van de eerste. Hij schrijft: ‘Smith was against the principle of limited liability. He argued that those who manage limited liability companies without owning them are ‘playing with other people’s money’ and thus won’t be as vigilant in their management as those who have to risk everything they have.’

Vigilant, alert. Toch is dat precies het woord dat in je opkomt als je leest over Marc Andreessen, een venture capitalist uit Silicon Valley. Zijn bedrijf Andreessen Horowitz doet eigenlijk precies dit: ze luisteren naar mensen met een plan en harken veel geld bij elkaar voor de financiering van dat plan en kopen zich in het zo te stichten bedrijf in. Maar ze hebben in hun opzet precies dezelfde overweging als Smith ook al had: een te starten bedrijf moet de starter ook als bedrijfsleider houden: alleen hij heeft de energie om er ook echt helemaal voor te gaan.

De vreemde parallel met akkerbouw drong zich op toen ik over dit vreemde bedrijf las: ze zaaien, en ze oogsten. Of met uitgeven: een plan faciliteren en hopen dat het werkt.  Indrukwekkend is wel hoe je je kunt trainen in proeven welk idee met een bom geld het kan gaan halen en welk niet. En wat blijft is een percentage bluf. Ook in de uitgeverij, denk ik.  Ik leerde het woord ‘logo shopping’ – veel dergelijke venture capitalists kopen zich in een laat stadium voor veel geld in in een geslaagd bedrijf (google, facebook) om hun logo in het portfolio te kunnen plaatsen. Ook dat zien we natuurlijk in de uitgeverij. Laten we eerlijk zijn, veel uitgevers sieren met wat anderen hebben opgekweekt. Joris Luyendijk is niet door Atlas/Contact bedacht, ik bedoel maar. (Maar wel door Podium.)

Uiteindelijk, meldt deze geldprofeet Andreessen, is het ook geluk hebben. Een kansspel, en dan sieren met de mooie namen . Net de uitgeverij dus.

 

Luisteren: Andreessen praat met Brian Grazer, ‘the super-producer behind half the movies and television you’ve watched in the last three-plus decades including Empire, 24, Parenthood, Arrested Development, Friday Night Lights, The DaVinci Code, 8 Mile, A Beautiful Mind, Apollo 13, Real Genius, Splash….

‘If there’s one business on planet earth that makes Silicon Valley look sober and level-headed it’s Hollywood’

 

——————-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt vandaag van non-fictie en ook van poëzie.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Dertig jaar Caffè Toscanini

Aan het eind van de avonden verzamelden we de kaarsen van alle tafels op één dienblad, als verweesde sterren waarvan de planeten lang vertrokken waren. We haalden de blauwe kleden af, vouwden die tot stroken en zetten rondzwervende stoelen aan de kant. Alleen de stamtafel bij de keuken lieten we met rust. Later, onder het geleidelijk doven van al die sterren, maakten we de kas daar op.

We dronken wijn, stonden om beurten op om een vork door een pan afgekoelde pasta te halen en pikten ansjovisjes uit de schaal die na het service was blijven staan. Was het mijn beurt om een rondje te halen, dan zette ik steeds Pino Danieles Dimmi cosa succede sulla terra op, waarbij ik – ook toen ik nog niets van de tekst begreep – keihard meezong. Ik nam aan dat Danieles muziek over voorbije of hopeloze liefde ging, en voorbije of hopeloze liefde vond ik mooi.

Romantisch als het schrijverschap mag lijken, kan het niet tippen aan mijn jaren in Toscanini. Als schrijver probeer je steeds een overtuigend leven vast te leggen, maar mezelf vond ik overtuigender, échter, toen ik nog vier avonden per week in Toscanini rende, zweette, lachte, dronk en zong.

Het verstrijken van de tijd is in niets zo voelbaar als in mijn relatie tot het mooiste restaurant van Amsterdam. In Toscanini werkte ik samen met mijn vriend Gijs en leerde ik Birre kennen, met wie ik er op een regenachtige maar onvergetelijke junizondag trouwde. De eerste keer dat onze zoon uit eten ging zaten we aan tafel 250, waar Nadim in minder dan een minuut een mergpijp met zuurdesemtoastjes en gremolata wegwerkte. Toen Gijs vermist werd, kwamen al zijn vrienden en collega’s in Toscanini samen om zijn verjaardag te vieren. Een maand later verscheen het voltallig personeel op de begrafenis.

Voordat ouder worden ons evenwichtig maakt lijkt het ons eerst te doen wankelen, en zo is er steeds meer twijfel mijn leven in geslopen. Sommige van mijn vrienden noemen dat vooruitgang, maar terwijl ik dit stukje schrijf mis ik mijn sloof en dienblad opeens vreselijk; mijn eindeloze, drukke en onbekommerde geouwehoer.

‘Dubbi non ho,’ zong Daniele op Dimmi cosa succede: twijfel heb ik niet. En ik, zonder te weten waarover het allemaal ging, zong zulke ware woorden hardop mee. Jaren later zou een ander lied van de Napolitaan mijn hart nog breken, op de begrafenis van Gijs:

 

Voglio il sole per asciugarmi

Voglio un’ora per ricordare

Allegria

 

Ik wil dat de zon me droogt

Een uur om terug te denken, wil ik

aan het geluk.

 

In januari van dit jaar overleed Pino Daniele aan een hartstilstand. Naast geëngageerde nummers schreef hij vooral over voorbije of hopeloze liefde. Over de kansloze wens dat alles mag blijven zoals het ooit was.

 

 

* Het citaat uit Alleria (Pino Daniele, 1980) is hier in het Italiaans weergegeven en niet in het Napolitaans. 

________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Maandag

Tirade 459 (juni 2015) wordt de laatste Tirade waarbij ik ben betrokken als redacteur. Na dertien papieren nummers, honderdvijftig blogposts, drieduizend tweets en vijf miljoen mailtjes is het tijd om me weer volledig te gaan wijden aan het schrijven.

Dank Tirade lezers, Tirade contribuanten, Tirade (gast)redacteurs en Tirade uitgevers voor twee en een half jaar literair geluk.

Tot ziens!

——–

Martijn Knol (1973) – schrijver.

SoundtrackCarry on (remix), Janne Schra.

Bezinningseiland 4

Vorige week  Bezinningseiland 3. Vandaag Deel 4:

Jasper staat al een half uur te grienen onder de douche. Mijn nieuwe beste vriend heeft een inzinking. Of een doorbraak. Ik kan het verschil niet horen. Heb jij weleens een huilende padvinder getroost, Alex? Ik heb het zojuist geprobeerd. Maar ik kwam niet ver.

Waakspin Irma stond voor zijn deur met over elkaar geslagen armen en haar meest onverzettelijke glimlach. Er hangt vandaag een walm van uiensoep om haar heen. Ik vermoed dat de pasta op is.

‘Kan ik iets voor je doen?’ vroeg ze. ‘Het ontbijt staat al klaar hoor. En Ludo wacht beneden op je.’

‘Ik hoorde Jasper,’ zei ik. ‘Hij lijkt nogal – ‘

‘Overstuur, ja!’ Irma knikte. ‘Daarom heb ik hem even onder de douche gezet. Jasper ondergaat een inzicht, dat gaat altijd gepaard met tranen.’ Ze wenkte me. Ik hield mijn adem in. ‘Hij komt eindelijk in het reine met de narcistische vlekken op zijn “zijn”.’

Ze kijken hier niet op een diagnose meer of minder. Bezinnen kun je kennelijk alleen als je iets mankeert.

‘Dat klinkt ernstig.’

‘Dat is het ook,’ zei Irma. Ze staarde even dromerig in de verte. Jasper liet een onverstaanbaar gebrul horen. ‘Heel ernstig.. Maar zonder inzicht komen we niet tot groei. En zonder groei verdienen we geen certificaat.’

‘Krijgen we een certificaat?’

‘Zij die dat verdienen, worden door Ludo beloond met een certificaat ja.’

De spin keek me strak aan en stak haar hand naar me uit. Ik sprong naar achteren.

‘Je moet je echt beter insmeren, Raphael. Er zitten barsten in je cocon.’

Ik vraag me ernstig af of een droge huid voldoende is om een certificaat te verdienen. Ik vrees dat we ze zelf moeten maken.

Nu moet ik naar beneden, naar de vliegles. Ik ben benieuwd met wat voor aandoening ik terug kom.

***

Ludo zat inderdaad al op me te wachten. Hij droeg een verrekijker om zijn nek. Op zijn hoofd prijkte een platte pet. Zwijgend ging de coach me voor naar buiten. Als een spirituele boswachter stapte hij met zijn handen op zijn rug voor me uit. Ik volgde hem op gepaste afstand; ‘t Zonnegloor uit, het zandpad af, over de konijnenholen en dwars door de groene duinen. We wandelden in stilte tot we bij een rij verlaten bunkers kwamen. Daar wees hij me, nog altijd zonder iets te zeggen, op een smalle doorgang; een door bakstenen muren geflankeerd pad, dat steil de duinen in liep.

‘Ik dacht dat we het strand opgingen,’ zei ik.

‘Ach,’ zei Ludo. Hij schudde zijn hoofd en keek op zijn horloge. ‘Je hebt de stilte doorbroken. Wat.. jammer.’

De coach ging door zijn hurken en stak zijn handen in de grond, hij groef tussen de konijnenkeutels. De verrekijker sloeg tegen zijn knieën.

‘Hét strand,’ zei hij, terwijl hij langzaam overeind kwam en een met zand gevulde hand onder mijn neus hield. ‘Het strand is.. overal! Het is de weg naar het “alles”, de reis naar het “over-zicht” die telt. Begrijp je?’

Hij liet de zandkorrels door zijn vingers glijden. Er is niets zo vermoeiend als een wandeling maken met iemand die zich de schepper van het landschap waant, Alex.

We sloegen het bunkerpad in. Ludo – uiteraard – voorop. Ik vermoed dat hij alle ‘Nieuwe Lichten’ langs deze route leidt, al was het maar om het tempo te bepalen waarmee ze de weg naar “het alles” bewandelen.  We klommen brokkelige trappen op, struikelden over de onder het zand verstopte treden.

Bunker zeeToen kwamen we boven.

Het was een heldere dag. De zee rolde het verlaten strand op. Ludo legde hijgend zijn hand op mijn schouder. Zelfs de schepper heeft zijn aardse grenzen. Hij tuurde naar de kust. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht.

‘Zie je die zwarte stip?’ vroeg hij. ‘Zie je die vogel daar? Die zit daar altijd.’

Hij gaf me de verrekijker aan.  Langs de vloedlijn wandelde een kraai. Een bizar gezicht, Alex. Het beest hinkelde tegen de wind in, hupte over de schuimgolven, kraste tegen de zee – en leek zich kostelijk te vermaken.

‘Zie je hem nou?’ vroeg Ludo ongeduldig.

‘Die kraai?’

Hij trok de verrekijker uit mijn handen. ‘Jij wilt overal een naam aan geven! Een vogel, een kraai, wat maakt het uit? Je denkt in categorieën, Raphael. In hokjes. Zo.. beperkt. Zo.. bekrompen. Zo.. jammer.’

‘Maar het “is” een kraai!’ wierp ik tegen.

Ludo luisterde niet – de man is doof voor zijn eigen jargon. Hij ging voor me staan en spreidde zijn armen. ‘Je creëert een enorme.. af-stand tussen jou en de wereld om je heen, Raphael. Voel je dat niet?’

‘Misschien ben ik zo,’ mompelde ik.

‘Wanneer heb jij je voor het laatst “betrokken” gevoeld, hm?’ coachte hij door. ‘Wanneer ben je voor het laatst “verbonden” geweest met.. de wereld?’

‘Nou, vanochtend nog. Jasper-‘

De schepper legde zijn vinger op zijn lippen. Hij sloot zijn ogen en drukte zijn vingertoppen tegen zijn slapen. De diagnose kwam tot hem. ‘Ja,’ zei hij. ‘Ja, dat is het. Jij bent.. als die kraai.’

‘Ik dacht dat ik een rups was.’

Ludo sloeg zijn armen om me heen. De verrekijker drukte pijnlijk tegen mijn buik.

‘Sla je vleugels uit,’ fluisterde hij. ‘Laat zien dat het je kan schelen, hm? Laat zien dat je de vlucht wilt maken.’

Hij liet me los. ‘En misschien,’ knipoogde hij, ‘misschien verdien je dán zelfs een certificaat.’

Toen schudde de schepper mijn hand. ‘Ik laat je achter met dit inzicht. Ik zie je straks bij Creatief Confronteren.’

Ik wachtte tot hij uit het zicht verdwenen was voor ik een sigaret opstak.

Ik ben een jammerlijke kraai aan de vloedlijn, Alex. Ik vroeg me af of ik moest gaan huilen.

***

Over het Creatief Confronteren kan ik kort zijn, broer: meer ecoline, meer innerlijk geknutsel, meer gefreubel in de marge. Claudia heeft promotie gemaakt. Ze deelde glimmend van trots  de grasshotjes uit. Jasper stond er beteuterd naast, zijn ogen nog steeds dik van zijn inzicht. Hij is de treurigste smiley die je ooit zag. Ik wilde nog iets opbeurends tegen hem zeggen, maar Irma escorteerde hem naar de ‘stiltehoek’. Narcisme schijnt besmettelijk te zijn.

Om me heen forceerde Ludo de ene doorbraak na de andere. Er werden grenzen verlegd, inzichten uitgedeeld, blokkades overwonnen; er werd over schaduwen gesprongen dat het een lieve lust was – maar ik voel nog altijd niets, Alex. Ja, opluchting. Morgenochtend mag ik naar huis. Ik heb een rups met een snavel voor je gekleid.

Er stond inderdaad uiensoep op het menu. Ik heb het raam opengezet tegen de lucht. Het Bezinningsweekend loopt op z’n einde. Ik geloof niet dat ik iets wijzer ben geworden. Ik geloof dat ik me nog nooit zo lang dommer heb voorgedaan dan ik ben. Een nieuw record. Ik verwacht een certificaat, dat snap je. Ik denk dat..

Irma staat weer op mijn deur te bonken.

Jasper is weg.

———————

Daphne Huisden auteursportret

Daphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan een nieuwe roman.

Portret D.H.: Salih Kilic.

Volgende week: Bezinningseiland 5 (slot).

Geweld

actionman 191In Istanbul ontmoette ik Laura Restrepo, een Colombiaanse schrijfster van wereldwijd vertaalde boeken. Restrepo was in het verleden journaliste, onderhandelaar met de M-19 guerilla’s, door doodsbedreigingen gedwongen om naar Mexico te vluchten en haar werk is getekend door het geweld in haar land.

“Er is geen ruimte in de Latijns-Amerikaanse literatuur”, zei ze, “voor verhalen over een rustig leven, voor intimiteit, voor normaliteit – want wat normaal is hebben we al lang al afgeleerd. Denk niet aan onze situatie als iets uit het verleden; zie het als de toekomst voor de mensheid.”

“De belangrijkste boodschap van Escobar was niet drugs. Het was dood. Iedereen die in de weg stond werd vermoord en alle Colombianen dragen deze ingewikkelde boodschap binnenin zich, dat leven niet beter is dan dood. Wie begrijpt dat in de Westerse landen, in de VN?

In deze hoek van de wereld kun je niemand ervan overtuigen dat veiligheid, zekerheid, overal bang voor zijn, evenveel waard is als geweld. Want geweld is een motor. Wie niet veel uit zijn leven kan halen, haalt veel uit geweld.

Geweld maakt leven moeilijk, onmogelijk, maar zorgt daarmee ook voor een sterk leven; er is geen tweede kans. Daarom is om geweld uit te bannen de belofte van veiligheid, van zekerheid ook niet genoeg. Het enige dat wel werkt is er een andere passie tegenover plaatsen – een passie die even sterk is als geweld.”

Dat laatste is, lijkt mij, precies wat wij tegenwoordig haast niet meer kunnen – ergens, waar dan ook, gepassioneerd in geloven.

 

Wytske Versteeg (1983) schreef Dit is geen dakloze, De Wezenlozen & Boy. Haar 3e roman, Quarantaine, verschijnt deze herfst.

 

 

Kennismaking met de polderjihadist

Ik las deze week Ongeloofwaardig, van Nikki Sterkenburg, over Dennis Abdelkarim Honing, een Nederlandse bekeerling die snuffelde aan het wereldje van de radicale islam, en die daar volgens eigen zeggen “van terugkwam”. Dennis was een tijdje terug hét gezicht van de polderjihadisten; ik heb dat even gemist, maar gelukkig heb ik hem nu alsnog leren kennen. Het boek werkt bij mij gek genoeg op de lachspieren. Dennis is een kwajongen met een klein hartje, een Ciske de Rat met djellaba en baard. Dol op zijn pa, die hem niet kon beschermen tegen zijn alcoholistische moeder. Zichzelf enorm overschreeuwend in zijn zoektocht naar aandacht. En bovendien gezegend met een enorme geldingsdrang. Dennis wil overtroeven. In slechtheid, daarna in vroomheid, later in mildheid.

Het begon allemaal in de Doggershoek, een jeugdgevangenis waar Dennis terecht kwam, omdat hij “tegen een Turk had gezegd dat hij een tasje van een oude vrouw moest stelen”. Anderen zaten daar omdat ze een moord hadden gepleegd, of een “beveiliger met kogels doorzeefd”. Dennis kwam er relatief onschuldig binnen (al geeft hij toe dat hij fouten heeft gemaakt, tasjes roven, al deed hij het niet zelf, vindt hij niet oké). Dennis legde in de Doggershoek een wietplantage aan (de cipier had zoiets nog nooit gezien). Maar belangrijker: Dennis raakte er onder de indruk van zijn islamitische medegevangenen die, hoe bad-ass ze ook waren, altijd met veel respect over hun geloof spraken. Hij verdiepte zich in de islam, en die beviel hem. Dennis: “Je krijgt (in Nederland) nog een boete voor fietsen zonder licht, maar er was geen wet die verbood dat mijn moeder alcoholist was. Nederland heeft alleen wetten voor op straat, maar de islam durft mensen aan te spreken op wat er in hun koelkast staat en hoe ze met hun familie moeten omgaan. Dat waardeerde ik.” Dennis hield vervolgens als enige van de hele Doggershoek de hele ramadan vol. En bekeerde zich kort na zijn vrijlating in een moskee in Haarlem. Dat was een mooi ritueel. Dennis herhaalde Arabische zinnen “vrij soepel” en werd daarna “door Marokkaanse opaatjes geknuffeld”. Vervolgens begon een lange zoektocht naar een moskee die hem beviel (te politiek, te weinig politiek, “hoge mate van simplisme”) En voor hij het wist behoorde hij tot een salafistische terreurcel, voor wie “de AIVD in het begin even een oogje dichtkneep”. Toch voelt Dennis zich uiteindelijk ook hier niet thuis. Geen muziek luisteren, bijvoorbeeld, bevalt hem niets. Muziek zou leiden tot onzedelijk gedrag, maar Dennis heeft nog nooit “een vrouw met haar kont zien schudden op een stuk van Bach”. Verder ergert Dennis zich aan het geloof in Djinns (“pertinente onzin”). Hij vindt theologische geschillen “gekift op de vierkante centimeter van het niveau van kinderen die ruzie krijgen in de poppenhoek”. Ook werken de salafisten volgens hem hypocriet samen met organisaties die mensenrechten hoog hebben zitten, en die heus niet zouden “staan springen als wij de sharia in zouden voeren”. Het eindigt ermee (ik wil het natuurlijk niet verklappen, maar ja, het staat op de kaft) dat Dennis wordt geëxcommuniceerd. Al had hij kort daarvoor zelf al geconcludeerd dat zijn geloof niet echt diep zat. Hij was teleurgesteld in de islam, in wat er gebeurt in Syrië, in het toestaan van slavernij, in het openlijke geweld.

Ik vind Ongeloofwaardig een heerlijk boek, dat voor mij valt onder irritainment. Het ergert me en bekruipt me: jongen jongen, denk ik, rustig nou toch, denk na, zoek hulp, praat met een psycholoog, waar ben je mee bezig? Ik ben dol op onsympathieke hoofdpersonages, dat wel. Maar deze is echt, en tegelijk bij vlagen zo dol dat het als fictie ongeloofwaardig (hee is dat niet de titel!) zou zijn. Als non-fictie is het misschien wel geslaagd, al vraag ik me af in hoeverre Dennis representatief is voor de jihadist. Als ze allemaal zoals Dennis zijn, hoef je in elk geval niet erg bang voor ze te zijn. Het geeft te denken: hebben ze niet gewoon een aai over de bol nodig? Iemand die ze aan tafel zet, en vraagt: lieve jongen, op wie ben je nou zo boos? Misschien is de les die we kunnen leren van Dennis Honing: we moeten wat meer liefde geven aan onze ontspoorde jeugd in detentie. Een dikke zoen, een knuffel, misschien is dat uiteindelijk toch wat ze nodig hebben.

‘Een goede morgen met’ 2

00:04:24

Guus Janssen, Estampie voor blokfluitkwartet en virginaal; Guus Janssen, virginaal; blokfluitkwartet Brisk.

00:11:09

Er werd bij hem thuis heel wat gezongen, bij het harmonium eerst, maar dat schijnt al gauw, wegens weigerachtige broers (‘Daar gaan wij nooit op spelen!’), te zijn ingeruild voor een piano. Ook de radio gaf vaak aanleiding tot op zijn minst meehummen. Zijn vader was van de mannenkoren, de Mastreechter Staar, vooral als die traag, met lage stem en stroeve dynamiek De twaalf rovers zong. Hij heeft mij wel eens laten horen, met de ironie van de imitator natuurlijk, hoe hij als puber meedeed, de diepte van zijn eigen bas proberend. Kon hij ook, was niets aan.

Met meer overtuiging zong hij mee met Les Compagnons de la Chanson en Edith Piaf, Les Trois Cloches, waarin een van de mannen door het geneurie van zijn negen compagnons zo wordt opgestuwd dat ze een menselijke piramide van geluid vormen. Stemmen die ver omhoog gaan, hij moet het een klein wonder hebben gevonden; de top van de piramide bleef voor hem, met zijn lage stem, buiten bereik.

Misschien komt het door dat diepe verlangen naar iets onbereikbaar hoogs dat hij de laatste tijd, altijd als we een countertenor horen, als in een reflex vraagt of ik wel besef hoe bijzonder dat is. Dat de stem van een vrouw hoog reikt, is normaal; vrouwen naderen vaak moeiteloos de perfectie. Maar o, de vergeefsheid van een hoog zingende mannenstem, de kier tussen bereik en perfectie van deze stem.

Dat zal de reden zijn waarom hij van het lied À Chloris van Reynaldo Hahn geen vrouwelijke uitvoering heeft gekozen. Nog maar kort geleden had hij, vertelde hij mij, voor het eerst, voor het eerst bewust tenminste, een recital van Franse liederen uit de eerste helft van de twintigste eeuw gehoord. Iemand die vóór hem zat, had telkens blij herkennend geknikt als de zangeres een volgend lied aankondigde, maar voor hem was het allemaal nieuw. En van Reynaldo Hahn had hij wel eens vaag gehoord, maar hij had nooit geweten dat die zoiets prachtigs had geschreven als À Chloris, een liefdeslied, intiem en extatisch tegelijk, dat klonk – dat verbaasde hem nog het meest – alsof hij het zijn hele leven al kende. In het kleine zaaltje in hun vakantiedorp, met zeventig toehoorders propvol, was hij even helemaal van de kaart geraakt door dat heldere lied en zijn ogenschijnlijk simpele begeleiding.

Hij was thuis direct op internet op zoek gegaan naar de noten, vond ze, merkte dat zijn vingers ze aankonden, en een dag of wat later had hij in een andere kamer vrouw en dochter in tranen aangetroffen. Ging dat zo makkelijk? Ze huilden weliswaar om iets anders dan de muziek, zeiden zij, maar hij vertelde dat het wel zijn spel was geweest dat hen tot ontlading had gebracht.

Later was dat nog een keer gebeurd, met dezelfde muziek, en nog steeds alleen met de pianopartij. Ik was er toevallig zelf getuige van dat zijn acht jaar oude kleindochter onder het spelen zo geconcentreerd zat te tekenen dat ze niets leek te horen, maar dat wij, toen hij uitgespeeld was, ineens hoorden: ‘Wat was dat mooi.’ Ook bij haar zag je een traan, zonder andere oorzaak dan de muziek zelf. ‘Wil je het nog een keer spelen?’ Dat was toch, zei hij, het bijzondere van musiceren: dat je er jezelf en anderen bedroefd en gelukkig tegelijk mee kon maken, dat je dat kon bereiken door met de vijf vingers van de ene hand een bloemenkrans van versieringen te vlechten en met niet meer dan duim en pink van de andere een sokkel neer te zetten van eenvoudige octaven. De zangstem, de geliefde die met de bloemenkrans om op de sokkel zou moeten staan, liet zich er moeiteloos bij denken.

00:13:48

Reynaldo Hahn, À Chloris (1916); Phlippe Jaroussky, countertenor; Jerôme Ducros, piano.

00:16:47

—————————————————————————————————————————–

adzuiderent Ad Zuiderent (1944) is dichter, schrijver en criticus. Hij publiceerde onder meer de biografie van Gerrit Krol, Van Korreweg naar Korreweg. Zijn laatste dichtbundel is We konden alle kanten op (2011). Tot voor kort schreef hij over muziek voor de website Muziekvan.nu en vervangt Marko van der Wal op de vrijdag.

De dromenwever

Omdat het leven een beperkte duur heeft zoeken veel mensen verlenging. Je kunt dan denken aan een parallel bestaan. Reizen kan dat effect teweegbrengen. Als je ver reist, leer je een wereld kennen die nieuw voor je is. Eenmaal thuis heb je je herinnering, maar je hebt ook een bewustzijn van dat het leven daar, in Greymouth, Nieuw Zeeland bijvoorbeeld, gewoon doorgaat. Je hebt dan twee levens tot je beschikking, dat waar je bent en het leven dat je je nu voor kunt stellen. (Erg saai parallel leven overigens, Greymouth)  Toch een goede reden om te reizen. Kinderen krijgen kan ook een parallel bestaan opleveren: mensen herleven hun jeugd een beetje door naar hun kinderen te kijken. En verder hebben kinderen – gelukkig voor ze –een bestaan waar de ouders niet bij aanwezig zijn, maar waar die ouders wel over nadenken: een nieuw wereld naast die je al had. Lezen werkt ook zo, schrijven ook.  In vijftig romans leef je vijftig extra levens.

In de zeer goede feel good movie About Time hebben de mannelijke leden van het gezin de mogelijkheid in de tijd te reizen. Bill Nighy vertelt zijn zoon dat op zijn 18e verjaardag. Zelf, meldt hij, heeft hij de extra tijd die dat opleverde vooral gebruikt om te lezen, alles, twee tot drie keer, Vooral Dickens. Feel good kunstenaar Richard Curtis maakt er echt wat van in deze film. Het is een van de weinige filmlevens, waar ik zo in zou stappen.

Droom vannacht: het boek
de zee, de zee
het vlot

(Chr. J. van Geel)

MV5BMTA1ODUzMDA3NzFeQTJeQWpwZ15BbWU3MDgxMTYxNTk@._V1_SX214_AL_Lectuur van Douwe Draaisma De dromenwever heeft mij een nieuw parallel bestaan gebracht. Ik heb mijn dromen meestal genegeerd of als curiositeit onmiddellijk weer vergeten, maar door kennis te nemen van het vreemde fenomeen dat we ’s nachts niet zomaar ‘uitgaan’, maar per nacht 5 keer door eenzelfde cyclus bewegen – eerst in ongeveer vier fasen afbouwen van de hersenactiviteit, dan de REM-slaap, dan weer in vier fasen naar bijna bewustzijn en dat 5 maal – wekt toch interesse. In die REMslaap gebeurt het. Ene J.A. Hobson heeft een geloofwaardige theorie: in de hersenstam gaan betrekkelijk willekeurige hersencellen opflitsen, dit spreidt zich door de hersenen heen uit. Het brein doet verder wat het overdag ook doet: een min of meer acceptabel verhaal maken van de impulsen en indrukken die het binnenkrijgt. Zie daar de droom.

Droom van de overwoekerde snelweg

De vanen van de netels wapperen, smal spoor
wie fietst trekt schoenen aan, in korte schokjes wind
doen varens, gras, onstuitbaar kruid, beton vergaan.

Het horen slaan van tennisballen achter hagen
wekt mij, het rinkelen van kopjes en van glazen
op nikkelen bladen rondgedragen door de tuin.

(Chr. J. van Geel)

Het lichaam heeft geleerd dat het veilig is tijdens dit droomdeel van de slaap, de REMslaap, de musculatuur volledig te blokkeren. De vreemde paradoxale  situatie doet zich dan voor dat wanneer je ’s nachts geestelijk bijna net zo actief bent als overdag, je lichaam volledig out is.

Gewezen op je droombestaan ga je proberen waar te nemen of je droomt, ze bijhouden zoals Frederik van Eeden deed in zijn droomboek. (‘Ik zag in den laten slaap na een uur wakker liggen een gebergte, een bergwand, zeer mooi en scherp.’) En mijn God, wat een parallel leven heb ook ik er opeens bij! Als je een nacht of 10 je dromen opschrijft heb je een reeks absurde verhalen geschreven waarvan althans ik niet wist dat ik ze in me had.

——————-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en minder van vliegen, of uitsluitend in een droom.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Wie leeft

 

 

 

 

 

“Wie leeft hoeft niet te schrijven,” zegt mijn collega Wytske in een prachtig essay voor ons volgende nummer. Ze zegt er ook dat je scherpe observaties alleen van een afstand kunt doen.

Het ligt voor de hand dan te denken aan de schrijver die afstand tot haar object neemt. Gisteren kocht ik Julian Barnes’ Levels of Life. Ik ben makkelijk te vangen met eerste zinnen, en als het raak is sta ik al snel een half uur in de boekhandel te lezen.

“You put together two things that have not been put together before. And the world is changed…”  

Dat Levels of Life gaat over Barnes’ rouw om zijn partner Pat Kavanagh, die in 2008 overleed, wordt pas na vier hoofdstukken duidelijk. De onomkeerbaarheid die besloten ligt in dat begin komt onder een verschrikkelijke spanning te staan.

Afstand is belangrijk om goed te kunnen beschrijven wat je ziet, maar het verlangen om die afstand te overbruggen is waarom ik schrijf.

 

________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Perspectief

Professor Timofej Pnin, de antiheld van Vladimir Nabokov´s roman Pnin (1957), is dol op de wasmachine van Joan, zijn huisbazin. Op deze kennisgeving volgt een verrukkelijke (om een uitgesproken Nabokov*-adjectief te plaatsen) passage, hier in het Nederlands van Else Hoog (1987; p. 37/38)ː

‘Hoewel het hem was verboden erbij in de buurt te komen, werd hij keer op keer betrapt op overtreding van het verbod. Alle fatsoen en voorzichtigheid liet hij varen en hij voedde het ding alles wat toevallig bij de hand was, zijn zakdoek, keukenhandschoenen, een stapel onderbroeken en hemden die hij uit zijn kamer had meegesmokkeld, alleen om het genot door die patrijspoort te kunnen kijken naar wat eruit zag als een eindeloze buiteling van dolfijnen die aan kolder leden. Op een zondag, nadat hij zich ervan had vergewist dat hij alleen was, kon hij niet nalaten om, uit pure wetenschappelijke belangstelling, de machtige machine een paar canvas schoenen met rubber zolen, vol modder- en grasvlekken te geven om mee te spelen: de schoenen stampten weg met een gruwelijk aritmisch geluid als een leger dat over een brug marcheert en keerden terug zonder zolen.’

Een halve eeuw later werden deze regels verfilmd. Maar dan vanuit het perspectief* van de wasmachine:

 

 

Noten (waarvan één kokosnoot)

* Nanne Tepper, ‘de Groningse Nabokov’, schreef in de jaren negentig een verhaal, De psychologie van de constructie, dat nooit werd gepubliceerd en waarvan de Haagse Statenhofpers nu een boekje heeft gemaakt (100 exemplaren, genummerd). ‘Zomaar is Tepper terug, mét zijn eigengereide grappen, driedubbele verwijzingen en lyrische uitbarstingen,’ schreef Arjan Peters er afgelopen zaterdag over in De Volkskrant. De psychologie van de constructie (1995/2015) opent met een erg grappige anekdote en in noot zeven deinst Knollenveld, Teppers verteller, er zelfs niet voor terug een mop te teppen tappen. Vertel! Vertel! Laat ik ’m even overtikken (2015;p.12):

‘Veenkoloniale humor (verboden in de vaderlandse letteren): Een mug neukte een olifant. De olifant kreeg tijdens de vrijage een kokosnoot op zijn hoofd. ‘Auw!’, riep de olifant. Waarop de mug zei: ‘Och, lieverd, moet ik wat voorzichtiger zijn?’

Hahaha!, die grap alleen is al voldoende rechtvaardiging voor publicatie van de vrolijke vingeroefening (no pun intended) die DPVDC au fond is.

* De blik in, of richting, de camera doet denken aan een stijleigen van cineast Yasujiro Ozu (dan wel Ozu Yasujirô) die sprekende personages graag en face filmt. Ozu’s onlangs gerestaureerde Tokyo Story (1953) is een prachtige, volwassen film over vergankelijkheid, vervreemding, verlies – en de (on)mogelijkheid je met verdriet te verzoenen. ‘Een getrouwde dochter is een vreemde,’ zegt de mannelijke protagonist. Ik blurbte net ‘volwassen’ omdat TS vraagt je te identificeren met de verteller/maker en niet met zijn personages. TS is – als een verhaal of toneelstuk van Tsjechov – wijzer dan z’n personages. De onheilspellende scène waarin een moeder zich te ruste legt in het bed van haar acht jaar eerder gesneuvelde zoon! TS is zo kalm en zo doordacht in beeld gebracht en gemonteerd, daar kun je gerust een zomeravond aan offeren. Deze weken zijn, in een aantal grote steden, zes films van Ozu opnieuw te zien.  Tot zover deze aflevering van Lekker weg in eigen land.

———

Martijn Knol (1973) – schrijver, Tirade-redacteur.

Volgende week: Adieu. Et merci.

Bezinningseiland 3

Vorige week  Bezinningseiland 2. Vandaag Deel 3:

Het was Irma.

Ze vulde de deuropening in haar gebloemde nachtjapon. Ze had gezien dat er bij mij nog licht onder de deur door scheen. Haar glimlach stond ongerust.

‘Het is niet verstandig om zo lang op te blijven,’ zei ze. ‘Je moet je rust nemen. In een zwaar lichaam kan de geest niet verlicht raken.’

‘Ik was net van plan om –’

Ze stak haar neus in de lucht, snoof, keek me streng aan. ‘Je bent toch niet aan het roken, hè?’

‘Nee,’ zei ik snel. ‘Nee, natuurlijk-‘

‘Goed zo!’ Ze stak haar hand uit en kneep in mijn wang. (Het was gebeurd voor ik er erg in had, Alex. Alsof er een spin op je valt – een spin met moedergevoelens.)

‘Ik zie je morgen bij het ontbijt.’ Irma draaide zich om, de klaprozen zaten strak om haar heupen. ‘Vergeet je niet goed in te smeren,’ zei ze over haar schouder. ‘Je huid voelt erg droog aan.’

***

Onnodig te zeggen dat ik geen oog heb dichtgedaan, broer.

Nu zit ik tussen de konijnenkeutels te kettingroken in de duinen. Ik kan de zee horen. Het is hier groener dan ik dacht –  verder afgelegen ook. Er zijn geen fietsers, geen wandelaars, geen hondenbezitters en de konijnen houden zich verstopt in hun holen.

Ik telde daarnet twaalf ‘bezinners’ aan het ontbijt. Ze zaten aan ronde tafels iets met veel vezels weg te werken. Bezinnen blijk je in lycra of biologisch katoen te doen. Ook Jasper heeft zich in een  afritsbroek gehesen. Batman is een padvinder geworden.

Hij stelde me voor aan Claudia, een interieur-styliste van onder de rivieren met een hardnekkige burn-out. Claudia gooide direct haar levensverhaal in m’n muesli. Ze heeft alles al geprobeerd: yoga, reiki, skydiven; ze heeft piercings waar je het bestaan niet van af wilt weten en haar hele huis ‘ondersteboven ge-feng-shuied’;  het wilde allemaal niet baten.  Maar nu, nu Ludo ‘op haar pad’ terecht is gekomen zal ze echt ‘doorbreken’, want Claudia wil ‘het volgende niveau’ in ‘haar zijn’ bereiken. Claudia heeft een bezinnings-arrangement geboekt waarvan de prijs alleen op aanvraag beschikbaar is, stel ik me zo voor. Ze is hier al een maand.

In de hoek zaten twee mensen met hun rug naar de kamer. Ik vroeg Jasper om uitleg.

‘Zij kunnen niet loslaten,’ fluisterde hij. ‘Ze  zijn betrapt toen ze hun telefoon probeerden te stelen uit het kantoor.’

‘Een onderbreking in hun groei,’ vulde Claudia hoofdschuddend aan. ‘Zo zonde.’

Toen ik vroeg hoe je je eigen telefoon kon stelen, keken ze me niet begrijpend aan. Ik geloof zelfs dat ze een blik uitwisselden die verdacht veel op medelijden leek. Ik heb nog veel te leren van onze coach.

(Die overigens nog nergens te bekennen valt. Ik begin me voorzichtig af te vragen of Ludo wel bestaat.)

Na het ontbijt kregen we twee uur de tijd om ons mentaal voor te bereiden, een genereuze rookpauze. We zullen het meemaken, Alex. We hebben nog tijd voor één sigaret voor het programma begint.

***

Het hotel is stil. Iedereen slaapt. Ik heb voor de zekerheid een opgerolde handdoek onder de deur gelegd. Natuurlijk zou dit verslag kunnen wachten tot ik weer thuis ben. Maar na vanmiddag heb ik het gevoel dat ik er verstandig aan doe om tegen je te blijven praten – mijn handen zitten onder de ecoline, broer.

De tafels waren aan de kant geschoven. Irma stond ons ‘bezinners’ bij de deur op te wachten met een dienblad. Ze deelde shotjes gemalen tarwegras uit die we wegwerkten terwijl we plaatsnamen op een rij klapstoelen. Voor ons stonden een  flip-over en een doos met knutselmateriaal. Uit een cd-speler kwam het geweeklaag van een panfluit spelende walvis.

En toen was hij daar ineens, zonder aankondiging: Ludo Stoker, de life-coach zelf.

Ik weet niet wat ik ervan verwacht had, Alex, maar ik moet toegeven dat ik enigszins teleurgesteld was. Hij is korter dan ik me hem had voorgesteld. Kaler ook. Ludo Stoker ziet eruit als een man die veel vrije tijd heeft, maar desalniettemin de indruk wil wekken dat zijn tijd kostbaar is. Hij draagt een zegelring om zijn pink en heeft een waterdicht horloge waar hij om de vijf minuten met gefronste wenkbrauwen op kijkt.

Ludo liet er geen gras over groeien. Binnen een paar minuten stond de flip-over vol met woeste lijnen, een plattegrond van het bewustzijn. Ludo wappert zijn gebakken lucht met veel handgebaren de wereld in.

‘We dénken dat we onszelf kennen, maar wie is die “ik”? Hm? Wie is die “ik” die ons aankijkt in de spiegel?’ Hij stond stil voor Jasper en wees met een dikke vinger naar het naamkaartje op zijn borst.

‘Wie ben jíj?’ vroeg Ludo.

‘Jasper,’ zei Jasper.

‘Maar.. wie.. ís.. Jasper? Nou?’

Jasper moest hem het antwoord schuldig blijven.

‘Jij kunt Jasper niet zien, want..’ Ludo zette twee stappen naar achter en spreidde zijn armen voor de ontknoping. ‘Jij bént hem. Jij bént – hét zelf.’

De ‘bezinners’ slaakten een collectieve zucht. Ik heb het eerste a-ha moment gemist, Alex.

Ludo keek op zijn horloge. ‘Heel goed,’ zei hij. ‘Laat het.. aan-komen. Laat het zakken.’

Ik volgde het voorbeeld van de groep en boog mijn hoofd. Als je in de minderheid bent is het lastig rebelleren.

Toen zag ik vanuit mijn ooghoeken hoe Irma de coach iets in zijn oor fluisterde.

‘Een nieuwkomer!’ bulderde hij verheugd. ‘Nieuw licht! Waar zit je?’

Ontkennen had geen zin, Alex. Ik stak mijn hand op.

Er werd een stoel bijgeschoven. We zaten knie aan knie. Ludo pakte me bij mijn polsen, sloot zijn ogen en ademde diep in. Ik zag de seconden wegtikken op zijn horloge en vroeg me af hoe lang hij zonder zuurstof kon.

‘Ik voel je cocon,’ verzuchtte de coach. ‘Het is donker in je “veilige” ruimte. Maar je bent niet veilig. Je bent een rups.’

Hij legde een hand op mijn borstbeen en floot door zijn tanden.

‘Ik voel je weerstand,’ zei hij. ‘Het zit diep.’

‘Dat klopt,’ zei ik.

‘Je moet loslaten,’ zei hij. ‘Ontkoppelen. Ont-poppen.’

‘Ik doe m’n best,’ zei ik.

‘Ik zal je leren vliegen,’ beloofde hij.

De rest van de middag hebben we onze mentale blokkades abstract vormgegeven met ecoline. Ludo gaf aanwijzingen. Zijn laatste boek (“Hallo? Ben ik daar? – Een kleurengids naar verlichting”) is tijdelijk met korting te koop bij de balie. Ik denk er sterk over een exemplaar voor je mee te nemen, Alex.

Irma stuurde ons naar bed met een bord natte pasta. Maar voor deze rups naar zijn kamer kon verdwijnen, greep ze me bij mijn arm. De coach wil een één op één gesprek met me.

Morgenochtend gaan we samen het strand op. Leren vliegen.

Sta me bij, Alex. Sta me bij.

———-

Daphne Huisden auteursportretDaphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de romanAlles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan een nieuwe roman.

Portret D.H.: Salih Kilic.

Volgende week: Bezinningseiland 4.

Inclusie/exclusie

Ik sprak van de week een oud-collega die naar de Metropolisconferentie in Milaan was geweest, een jaarlijkse conferentie over migratie, waar migranten, overheidsfunctionarissen, politici en activisten met elkaar spreken over het belang van bewegende groepen mensen op aarde. Hij was naar een flink aantal lezingen geweest, over de beëindigde missie Mare Nostrum, bijvoorbeeld, die bootvluchtelingen redde op de middellandse zee. Maar ook over integratie. Dat noemen ze inclusion daar, zei hij achteloos. Alsof dat precies hetzelfde was.

Die term is vervolgens in mijn hoofd blijven hangen. Inclusie als tegenhanger van integratie. Het zijn geen synoniemen, vind ik, maar eerder twee lijnrecht tegenover elkaar staande visies op hetzelfde fenomeen. Het betekenisverschil zit hem erin wie de handelende partij is. Voor inclusie moet de maatschappij moeite doen, voor integratie de migrant. De term integratie draagt eigenlijk een wijzend vingertje in zich: als het niet lukt om mee te draaien in onze maatschappij is het uw eigen schuld. Toch zijn de signalen alom aanwezig dat migranten in Nederland worden buitengesloten. Dat ze niet op hun c.v. worden beoordeeld maar op hun huidskleur, of op hun voornaam Mohammed. Onze asielzoekers worden vaak parkeerwacht of schoonmaker, ondanks dat ze in hun land van herkomst journalist waren of politicoloog. Ook hangt er een angstig sfeertje dat onze Marokkaans/Nederlandse jeugd massaal in de criminaliteit belandt, of erger: radicaliseert.

Steeds opnieuw zien we dat de voor radicalisering gevoelige jeugd vooral de tweede en derde generatie migranten betreft. Mohammed B, de gebroeders Kouachi, Samir A, de daders van de aanslagen in Madrid en Londen. Jongeren met een identiteitscrisis, zei mijn Turkse collega Abdul. Ze voelen zich nergens thuis. Zijn opgevoed door verbitterde ouders, die het niet is gelukt om de migrantendroom te verwezenlijken, en die alle hoop vestigen op hun kinderen. Maar die kinderen worden vervolgens met dezelfde problemen geconfronteerd, namelijk dat ze een andere huidskleur hebben, dat ze niet voor vol worden aangezien, en dat ze natuurlijk ook Mohammed heten.

Integratie ergens paradoxaal, realiseerde ik me. Van migranten verwachten dat ze zelfstandig integreren is eigenlijk in zichzelf al een vorm van buitensluiting. Het is al moeilijk genoeg voor onze eigen burgers om een plekje te bemachtigen in de maatschappij. In de Correspondent las ik een tijdje terug dat je achternaam eigenlijk de beste indicator is of je het gaat maken in Nederland -ik geloof zelfs in de wereld. De meest invloedrijke families zijn dat meestal al eeuwenlang. Dat vond ik pijnlijk duidelijk in het Pauperparadijs van Suzanna Jansen, dat ik van de week las. Jansen beschrijft in dit boek het armenbeleid in Nederland, aan de hand van haar eigen familie die generaties lang behoorde tot de armste laag van de bevolking. Een schrijnend moment vond ik dat Jansens voorvader in 18-zoveel wegens landloperij werd veroordeeld door een Officier van justitie genaamd Donner, een voorvader van Piet Hein Donner.

Buitenstaanders, armen, minderbedeelden verantwoordelijk maken voor hun eigen integratie, betekent dus lekker achterover leunen voor de gevestigde orde. Zo hoeft die zich niet af te vragen of wij er zelf wellicht verantwoordelijkheid voor dragen dat onze migranten, onze armen minder goed presteren op onze scholen, of in onze arbeidsmarkt, dat zij worden buitengesloten uit onze maatschappij.

‘Een goede morgen met’ 1

00:00:00

Tielman Susato, Gaillarde 1 en 3 uit Danserye (1551); Aldo Bova, blokfluit; Ernst Stolz, viola da gamba en blokfluit.

00:01:35

‘Tielman Susato, die vreemde, vrolijke naam kwam zomaar uit het blokfluitboekje op de kweekschool tevoorschijn dansen.

Welkom in mijn muziekverleden.

‘Meisjes die blokfluit spelen’, schreef ik indertijd; ik was verliefd op zo’n meisje. Wij speelden wel samen, soms in een kwartet, zij stukken beter dan ik.

De blokfluit is een handig instrument; je kunt hem overal heen meenemen. Geen stoer instrument. Voor cabaretiers is de blokfluitspeler de korfballer onder de musici: noem iemand zo en het publiek lacht: mietje.

De sopraanblokfluit van eind jaren vijftig, in de zwartfluwelen zak die mijn moeder had gemaakt. Ik lik aan het garen dat het mondstuk stevig op de fluit moet houden, ik weet nog hoe ik vocht uit de fluit moet blazen en kloppen. Als ik Tielman Susato hoor, krijg ik bijna zin om weer te gaan spelen.’

Zo had ik twee uur door kunnen gaan, met fragmenten in de ik-vorm. Ik had genoeg op papier staan ter toelichting van mijn muziekkeuze: wat muziek te maken heeft met mijn leven, wat muziek mij doet – hoe ze bij me binnen komt, hoe ze er bij me uitkomt. Waar die toelichting toe zou leiden, wist ik nog niet; ik zou wel zien. Tot de twijfel toesloeg of het geen aaneenschakeling zou worden van loze anekdotiek en of de ik-vorm op den duur niet veel te vlak zou klinken. Bovendien vroeg ik mij af of de keuze voor muziek tout court niet eenvoudig aan alle andere keuzes voorafgaat en of het verantwoorden van de keuze binnen de muziek (geen Haydn of Messiaen, wel Beethoven of Ives) niet iets volkomen willekeurigs zou zijn. Maar het idee van een Programm ohne Worte viel niet goed bij de redactie van ‘Een goede morgen met’. Daarom heb ik mijzelf een boventoon-ik cadeau gedaan, een soort vriend die veel van mij weet, maar niet alles. Die is van hier af aan het woord.

Ik dus, met een speellijst van twaalf stukken in de hand waar ik iets over moet zeggen. Ik zal er soms een slag naar moeten slaan waarom hij iets heeft gekozen, maar die slag zal er zelden ver naast zijn; daarvoor gaan we al te lang samen naar concerten, luisteren we samen naar muziek, praten we er met elkaar over. Ook al zeggen we vaak niet meer dan: ‘Ken je dat?’ of ‘Hier, dit moet je eens luisteren.’

Toch heeft hij mij met het eerste stukje muziek al een loer gedraaid, want over de Antwerpse muziekuitgever en bloemlezer Tielman Susato, als componist meer ambachtsman dan kunstenaar, en diens ‘musyck boexken’ heb ik hem nooit gehoord. Behalve door de kweekschool of de Vereniging van Huismuziek, waar hij een blauwe maandag lid van is geweest, kan hij zich die naam hebben herinnerd door uitvoeringen van Syntagma Musicum, een jaar of wat later, toen ik hem in Amsterdam leerde kennen. Dat was wel wat anders dan het keurige blokfluitspel van vroeger. Leek het instrument op school op zijn best op de heldere stem van een kind waarvan je hoort dat het nog niets van de wereld weet, bij Syntagma Musicum was het of je iemand hoorde die licht buiten adem was geraakt, een roker, iemand die net een eind heeft gehold, iemand met een interessant verhaal.

Hij maakte in die jaren ook kennis met muziek van generatiegenoten die zich van de grenzen tussen verschillende muziekwerelden weinig aantrokken, net zo min als van historische scheidslijnen. Ik geloof dat Willem Breuker nog een keer voor een radioprogramma muziek heeft gemaakt bij zijn gedichten – dat moet eind jaren zestig zijn geweest. Hij heeft toen vast gedacht: hadden wij ook maar zoiets ongehoords op de lessenaar gehad; wat zou dat aan die schooltijd een andere kleur hebben gegeven. En van een stuk voor virginaal en blokfluitkwartet als dat van Guus Janssen, muziek waarin Middeleeuwen en twintigste eeuw over elkaar heen tuimelen, had zijn muziekleraar niet eens durven dromen: zo speels en dwars, toegewijd en controversieel tegelijk klonken hoofse minneliederen destijds niet.

00:04:24

Guus Janssen, Estampie voor blokfluitkwartet en virginaal (2008); Guus Janssen, virginaal; blokfluitkwartet Brisk.

00:11:09

————————————————————————————————————–

Ad Zuiderent (1944) is dichter, schrijver en criticus. Hij publiceerde onder meer de biografie van Gerrit Krol, Van Korreweg naar Korreweg. Zijn laatste dichtbundel is We konden alle kanten op (2011). Tot voor kort schreef hij over muziek voor de website Muziekvan.nu en vervangt Marko van der Wal op de vrijdag.

Post Blast Picture

Het had erg lang geduurd voor de laatste gasten het restaurant uit waren, en na de schoonmaak had Issa nog wat gedronken met zijn collega’s. Toen hij de volgende ochtend ontwaakte uit een droom waarin hij het bovendeel van een stapelbed had moeten delen met een meisje uit zijn middelbare schooltijd dat sterk naar walnoot rook, scheen de zon in zijn gezicht.

Zijn bed van nu was leeg. Sterre zou al rond een uur of acht vertrokken zijn, hun zoontje naar de crèche hebben gebracht. Tegen de gravitationele werking van zijn kater in kwam Issa op stramme voeten overeind. Hij passeerde de openstaande slaapkamerdeur van Tijn: ook hier een leeg bed, waarin de belangrijkste knuffels in een cirkel rond een kleine kuil lagen. Een post blast picture van de slapende liefde.

Op weg naar de douche, een handdoek over zijn schouder, kwam hij langs de badkuip, die vol plastic zeebeesten lag, nog meer bewijs van het bestaan van zijn vrouw en kind. Precies hier, precies zo, maar niet nu. De tijd krulde om, plek viel op plek als een opgerold fotonegatief en zo zag hij ze even, alleen gescheiden door een heel dun vlies: naakt en lachend. Roze reuzen tussen bergen sop.

Issa zette de douche aan en wachtte op warmwater, met tegenzin opgehoest door de oude ketel. Met zijn schouder tegen de tegels geleund probeerde hij zich te herinneren wanneer hij het ding had laten nakijken. Vier jaar geleden? Vijf? Wat als zo’n pijp ergens verstopt raakte en de koolmonoxide als ninja’s tussen plafond en vloer begon te strooien, elke kier in huis afdichtend met sluipend gif?

Dit was nog maar een enkel puntje in de lijst van achterstallig onderhoud. Het dak lekte, maar niet op de kritieke plekken, en er liep een barst over de keukenmuur waarvan Issa niet wist of die er altijd al geweest was. En dan waren er natuurlijk de honderden gevaren waaraan hij niet elke ochtend dacht. Het Issadiagram als kleinste van de Vennen, een deelverzameling informatie die minuscuul afstak tegen de oneindigheid van potentieel onheil.

Hij stapte onder de douche en liet de stralen over de wervelingen van zijn brein lopen. Als kleine rivieren zochten ze doorgang, voortgestuwd door smeltend ijs, en voerden nachtsediment af naar lagergelegen gebieden.

Aangekleed, geschoren, zijn wangen brandend van de aftershave, zette hij koffie voor zichzelf. De machine bromde aanvankelijk tevreden, maar toen de druk hoog opliep kwam er een ratel bij die Issa nog niet kende.

‘Niet deze maand,’ zei hij tegen het roestvaststalen beestje, tegen de knoppen waarvan de icoontjes al jaren waren afgesleten. ‘Please, niet deze maand.’

Hoewel Sterre de tafel afgenomen had lagen er overal ontbijtkruimels, die zich vastzetten in de groeven van Issa’s ellebogen terwijl hij zijn toast at. Die middag, bij het indekken van de eerste tafels in het nog lege restaurant, zou een stukje vruchtenhagel ongemerkt zijn mouw uit rollen en tussen een wijn- en waterglas achterblijven om later, tijdens de drukte van het service, te worden aangetroffen door een Deense vrouw die het blauwe korreltje niet kon plaatsen en Issa bij zich riep om te vragen wat het was.

 

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Niet aanraken

Berlinde De Bruyckere, Marthe, 2008 / was, hout, epoxy, ijzer / 159 x 51 x 90 cm / Privécollectie Antwerpen / © Mirjam Devriendt

Tentoonstelling van lichamen gemaakt van was, takken en paardenhaar, de vormgeving van pijn. Het bordje vermeldt: kwetsbaar, niet aanraken en toch zou ik het liefst een deken over de koude ruggen gooien. In plaats daarvan bewegen wij, bezoekers ons voorzichtig en wat lacherig om alle beelden heen.

Een vrouw – maar het zijn mijn eigen ogen die een vrouw van haar maken, in feite is het beeld geslachtsloos – verandert in een aantal takken, daar waar haar armen zouden moeten zijn. Weerloos. Unarmed. 

En even verderop twee losse, even machteloze handen.

 

Berlinde de Bruyckere, nog te zien in Gemeentemuseum Den Haag t/m 31 mei. 

 

IMG_0499Wytske Versteeg (1983) schreef Dit is geen dakloze, De Wezenlozen en Boy.Haar nieuwe roman Quarantaine verschijnt deze herfst.

Plestik

In zijn hoofd was de tekst al af. Teder, rauw, openhartig. Hooguit nog wat langdradig hier en daar. Hij stond voor zijn boekenkast, rekte zich uit, reikte werktuiglijk naar de Nederlandse vertaling van Baltasar Graciáns Oráculo manual y arte de prudencia (1647).

‘117. Nooit over uzelf praten. Wie over zichzelf spreekt zal ofwel zichzelf prijzen, wat beschamend is, ofwel zichzelf naar beneden halen, wat van wereldvreemdheid getuigt. Onverstand bij de spreker wekt onbehagen bij de toehoorder. Als men dit zelfs al moet vermijden in de omgang met vrienden, hoeveel te meer op belangrijke posten, waar men voor het publiek spreekt, dat alles voor dwaas houdt wat daar maar enigszins de schijn van heeft.’*

Dat was waar ook! Echte mensen zijn van plestik.

Hij zette zijn laptop uit en wandelde door de schemering (zwaluwen, seringen) naar het filmhuis.

—————

Sandro_Botticelli_-_Portrait_of_Martijn KnolMartijn Knol (1973) – schrijver, Tirade-redacteur.

 

 

Noot

* Uit: Baltasar Gracián, Handorakel en kunst van de voorzichtigheid (1990; p.52). Vertaler Theo Kars schrijft in zijn nawoord bij de NL editie: ‘De overtuigingskracht van Graciáns leefregels schuilt in de wijze waarop hij ze formuleert en uitwerkt. Hij legt ons daarbij vaak de mentaliteit en filosofie van onze tegenstanders uit, zegt hoe zij zullen reageren wanneer wij een voorschrift niet in acht nemen, en waarom zij zo reageren. Hij laat ons voortdurend in de huid van anderen kruipen, traint ons onszelf te zien  met hun ogen. Het Handorakel is bedoeld als vademecum en heeft dan ook alleen nut als men het geregeld raadpleegt. Wie het in één keer leest, wint daar niets bij en zal zich achteraf hoogstens herinneren dat de schrijver voorzichtigheid aanraadt, maar niet de voorschriften zelf. Wie daarentegen van tijd tot tijd een aantal bladzijden leest, maakt zich het boek geleidelijk eigen, herkent de situaties in het leven waar Gracián op doelt, en bezint zich langer alvorens een beslissing te nemen, dat wil zeggen: wordt voorzichtiger.’ (Ibid. 134-135).

Volgende week: cinema.

Portret M.K.:  Sandro Botticelli.

Bezinningseiland 2

Vorige week  Bezinningseiland 1. Vandaag Deel 2:

Mijn hotelkamer is twee bezemkasten groot. Er ligt zand in de douchebak, zand op het nachtkastje, zand tussen de lakens. De tafel wiebelt, het bed kraakt en aan de muur hangt een abstract zeegezicht in een lijstje van de Action. Er stampt iemand over de gang. Iemand die zijn best doet om te sluipen, maar te log is om zijn voeten op te tillen. De muren in hotel ‘t Zonnegloor zijn van vloeipapier.

(Maar denk nu niet dat ik klaag, Alex. Het raam kan ver genoeg open om te roken en maandagochtend is dit allemaal voorbij. En dan moet het voor jou nog beginnen. Wist je dat ma’s koor in een gospelfase zit? Oefen maar vast op je hallelujah-gezicht.)

We werden opgehaald in de haven. Een busje van het hotel met een slungelige jongen achter het stuur. Een eilander die luistert naar de naam Fons. Batman stond al naast hem met zijn rolkoffer. Hij probeerde de slogan die op de bus stond op zijn selfie te krijgen: ‘t Zonnegloor ~ Bezinnen is opnieuw beginnen.

(Fons vroeg zich af waar je was, Alex. Op zijn klembord stonden twee ‘de Klerkjes’ om af te vinken. Aan zijn gezicht te zien, geloofde hij je drukbezette verhaal net zo min als ik. Ik hoop dat je je vrije weekend gebruikt om betere smoezen te verzinnen.)

Batman schoof tegen me aan op de achterbank. In het dagelijks leven heet Batman Jasper en laat hij offertes door een hoepel springen. Of beitelt hij prognoses op een whiteboard. Ik luisterde maar half (zoals je doet met mensen die je meteen op de vergeetlijst zet) tot Jasper naar me toe boog en me toevertrouwde dat hij dit weekend een doorbraak verwachtte.

‘Dit gaat ‘m worden,’ zei hij. Zijn adem rook naar kroketten. ‘Vorige keer kwam ik heel dichtbij, maar ik had nog zoveel weerstand in me. Zoveel weerstand..’

Hij schudde zijn hoofd en trok zijn mondhoeken naar beneden.

‘Maar geloof me, Ludo Stoker is het echte werk. Ik heb al heel wat lifecoaches geprobeerd, maar Ludo en Irma..’

Jasper stak twee duimen op. Hij spreekt in smileys. Dit is zijn derde Bezinningsweekend. Als ik de website had gelezen had ik geweten dat Ludo Stoker en Irma Nijverhut al sinds 2005 Bezinningsarrangementen organiseren in hun strandhotel. Maar ik heb de website niet gelezen. Misschien komt Jasper me nog van pas dit weekend.

Toen wilde hij met me op de foto, maar de batterij van zijn telefoon gaf er de brui aan. (Soms knipoogt het universum naar me, Alex. Zullen we het karma noemen?)

***

Er klopt iemand op de deur. Het is te aarzelend om voor op te staan. Waarschijnlijk is het mijn nieuwe beste vriend. Hij zit in de kamer naast de mijne. Jasper zingt onder de douche. Marco Borsato. Hard, en vals.

***

Het was al donker toen Fons ons afzette bij ‘t Zonnegloor. Het hotel ligt in de duinen, aan het einde van een lange weg zonder tegenliggers. Er schijnt een bos te zijn, en verlaten bunkers waar de toeristen ‘s zomers wildplassen. En volgens Jasper wemelt het van de vakantiehuisjes met rode daken waar nu niemand inzit, want februari is geen weer voor de natuur. Er staat geen maan aan de hemel vannacht, maar sterren zijn er genoeg. Het is hier donkerder dan in de stad. Kouder ook. Ik heb mijn extra trui al aan.

We werden opgevangen door een forse vrouw met een opgetekende glimlach. Irma Nijverhut, de gebatikte rechterhand van Ludo, bemant de receptiebalie met verve. Als ze lacht – en dat doet ze onophoudelijk – gluurt haar zwarte tand naar je. We mogen elkaar niet. Nu al.

‘Raphael,’ zei ze. ‘Raphael de Klerk.’

Ze sprak mijn naam nadrukkelijk uit en keek me onderzoekend aan. Ik knikte. Ik wist wat er kwam.

‘Goh. Wat bijzonder.’

‘Bijzonder?’ vroeg ik voor de vorm.

‘Ja,’ zei ze. ‘We krijgen hier niet zoveel mensen die.. Mensen met jouw.. achtergrond.’

Het viel me mee dat ze het woord exotisch niet gebruikte, Alex.

‘Waar kom je vandaan?’ vroeg ze.

‘Uit Rotterdam.’

Ze lachte. ‘Ik geloof niet dat je begrijpt wat ik bedoel. Waar kom je echt vandaan?’

‘Rotterdam-West.’

De zwarte tand verdween even achter haar dunne lippen, maar Irma herpakte zich snel.

‘Welkom Raphael,’ zei ze. ‘Welkom in de rust.’

Nadat ze ons geplastificeerde naamkaartjes en de sleutels van de kamers had overhandigd, kwam ze achter de balie vandaan en drukte ons omstebeurt aan haar boezem. Het was er benauwd en het rook er naar knoflook.

Toen moesten we onze telefoons inleveren. Daar was geen discussie over mogelijk. Jasper had me er al op voorbereid. Er is geen televisie, geen wifi, geen afleiding van het bezinnen in dit hotel. Contact met de buitenwereld schijnt je “uit het moment” te halen. Ik heb het vermoeden dat ik aan het eind van dit weekend vloeiend Hallmarks spreek.

Irma vertelde dat de andere “bezinners” al liggen te rusten. Er wacht ons morgen een vol programma met de grote coach. Ze stuurde ons naar onze kamers met een dienblad waar een bord waterige pasta op stond en een karaf waar een reep geraspte komkommer in dreef. Het zag er heel gezond uit. Het smaakte naar knoflook.

***

En nu zit ik hier, aan een wiebelende tafel me af te vragen hoe ik zo makkelijk mijn telefoon ben kwijtgeraakt. En waarom ik daar lichtelijk nerveus over ben. Het bezinnen is begonnen, Alex.

Morgenochtend zal ik zien waar ik ben. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo vroeg ben gaan slapen op een vrijdagavond. Ik hoop dat jij..

Daar is het weer. Geklop. Harder nu.

Ik ga kijken –

————

Daphne Huisden portretDaphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan een nieuwe roman.

Portret: Marisa en Iris.

 

Volgende week: Bezinningseiland 3.

Full disclosure

Het artikel ‘The engineer’s lament. What’s the best way to think about auto safety’ in The New Yorker van 4 mei is om drie redenen interessant.

1 In het artikel over statistische uitkomsten van onderzoek naar veiligheid bij kleine auto’s – meer specifiek de compacte Ford Pinto – schrijft Gladwell op de tweede bladzijde, als de lezer er al een beetje inzit: ‘(Full disclosure: In 2011 I gave a talk at a marketing conference sponsored by Ford)’. Dit is de triomf van de onbezwaarde onderzoeksjournalistiek. Het is zo makkelijk: waarom zie je dit nooit in Nederland? Ook bij recensies: als een recensent alleen maar even heel kort aangeeft waarom hij bevooroordeeld zou kunnen zijn – bijvoorbeeld omdat hij getrouwd is met de redactrice van het boek dat hij bespreekt – heeft die openheid tot gevolg dat ik als lezer geen bezwaren meer voel. Of: dat mij de korrel zout is aangereikt waarmee ik het gebodene kan nemen. Het NRC wil in alles een pendant zijn van kranten als The New York Times of The Guardian, de hoofdredacteur Peter Vandermeersch zit zwijmelend voor zijn schermpje newyorktimesje te spelen, maar dit eenvoudige principe van Full disclosure heb ik nog nooit in praktijk gebracht zien worden in deze krant. Het is heel wat helderder en sterker dan de wat pedante ombudsmanoplossing. Dit is journalistieke waardigheid.

2 Malcolm Gladwell staat als onderzoeksjournalist met zijn voeten in de modder. Er is heus een sexier onderwerp denkbaar dan ‘vergelijken van getalsmatige bewijzen voor tank malfunction in een bepaald type lichte auto en daar de resultaten van’. Wie echter het werk van Gladwell kent, weet dat deze uitgebreide studie van 10 volle pagina’s in the New Yorker  terugkomt in een halve pagina in zijn volgende boek. Dat vind ik mooi.

3 De uitgeklede staat waarin dit artikel van Gladwell zich bevindt maakt duidelijker dan mij voorheen was dat de kern van zijn aanpak, ook in zijn boeken, koude statistiek is, en dat ik dat waanzinnig interessant vind werd me duidelijk toen ik het stuk uit had. En ineens had ik een nieuw voornemen: ik ga me ingraven in de statistiek. Eerst maar eens de lichte kant ervan, dan iets verontrustender, dan the works. En dan de boeken.

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van charts.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

The Narrow Road

Op advies van Henk van Straten lees ik Richard Flanagans The Narrow Road to the Deep North. De roman doet – zoals Henk schreef – denken aan het werk van James Salter. Vergelijkbaar zijn de toon, de periode in de geschiedenis en een bijzondere mengeling van afstand en nabijheid in de blik van de verteller.

The Narrow Road zou ik eerder van een hoogbejaarde Salter verwacht hebben dan het zo lucide All That Is, waarachter je op geen enkele manier een geleidelijk uitdovend genie kunt zien. Wat de twee schrijvers verder onderscheidt is het gebruik van ritme in de taal.

Gezien het 5 mei was – en er hier in Ancona geen cameraploeg van het jeugdjournaal zou kunnen opduiken – dacht ik in alle rust na over wat vrijheid voor mij betekent. Uiteindelijk besloot ik dat ik dermate omkom in de vrijheid dat het niet meer in woorden uit te drukken is.

Bijna had ik hier een foto geplaatst van een gedroogde heek met het onderschrift: Gilles eet vandaag stoccafisso con patate. 

In The Narrow Road wordt een Australische arts en legerofficier gevangengenomen door de Japanners en te werk gesteld aan de Birmaspoorweg. Flanagans beschrijving van het leven van de krijgsgevangenen is uitputtend en gruwelijk. Opvallend vaak worden anussen beschreven, die bij extreme vermagering, buiktyfus en cholera schijnbaar opstaand worden omdat de bilspieren eromheen zijn weggeteerd. Ik zal je verdere aanhalingen besparen.

Er zijn momenten in Flanagans verhaal waarop de omstandigheden zo samenspannen dat een gevangene zijn handen weet te leggen op een eendenei of een extra balletje kleefrijst. Onder de open zweren en luizen zitten en in het holst van de nacht op een bed van gespleten bamboestengels tussen honderden stervende maten je gestolen rijstbal delen met een vriend lijkt, althans in de beschrijving van Flanagan, meer op vrijheid dan alles wat ik ervan denk te weten.

Vrijheid laat zich vooral voelen wanneer het tegengestelde realiteit is, of onlangs is geweest. Ademen wanneer je dacht nooit meer boven water te zullen komen. Eindelijk openbaar mogen houden van degene naar wie je zo lang hebt verlangd. Je broer een hand geven door dat eerste gat in een muur die jullie bijna dertig jaar gescheiden heeft.

Natuurlijk scherp ik mijn definitie aan vanuit de luxe van het hier en nu, maar onze westerse vrijheid lijkt vooral te bestaan in de ogen die we toedichten aan degenen die hem niet kennen.

Richard Flanagans boek is een heel mooi boek, laat daar geen twijfel over bestaan. Vreemd genoeg zijn het de passages over het leven van voor de oorlog en de spoorlijn die het sterkst indruk op me maken.

 

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Blow the horn, Stan! Blow the horn!‘ – De vierde mei

‘Je zult mij nooit ofte nimmer op de vierde mei ‘s avonds om acht uur op de Dam tussen belangrijke en minder belangrijke Nederlanders aan de voet van het Nationaal Monument aantreffen, waarvan een beeldhouwer toen het nog in de werkplaats stond tegen de maker, John Rädecker, zei: ‘Maak er geen suikerbrood van, John!’ Wel ging ik verscheidene keren naar de kleine gedenkplaats even buiten Amsterdam in de bocht van de Amstel bij Rozenoord, dat in de oorlog een fussiladeplaats was, omdat daar een man gewoon in z’n hemdsmouwen zo echt en gevoelvol de Last Post blies. En iedere keer had ik de neiging om met de tranen over mijn wangen te roepen, zoals Oliver Hardy in Saps at Sea, ‘Blow the horn, Stan! Blow the horn!’ En dan zie ik geen scènes van heldendom en moed voor me. Mannen voor een vuurpeloton die in hun laatste seconde nog iets roepen over het vaderland of de koningin. Nee, dan zie ik de leidse grachten voor me, bijna verstopt met vlotten van bij elkaar gebonden lege amerikaanse biscuitblikken met broodmagere jongetjes erop die uitgelaten door het groezelige water peddelen.’

Jan Wolkers, Zwarte Bevrijding (1995; p.21). De tekst is ook opgenomen in Wolkers’ De schuimspaan van de tijd, verzamelde essays (2001; p. 328).

In hetzelfde 1995 kwamen Laurel & Hardy opnieuw ter sprake – en opnieuw in relatie tot de dood – in een interview dat Eric van Onna Jan en Karina Wolkers afnam voor Vara TV-Magazine (nr. 44, p.6):

‘Als er een begrafenisondernemer was die doodskisten verkocht met op de binnenkant een projectiescherm met Laurel & Hardy – wat ten eeuwige dagen door zou gaan – dan stapte ik vandaag nog in die kist.’

De vierde en de vijfde mei lijken me mooie dagen om romans als Kort Amerikaans (1962) en De perzik van onsterfelijkheid (1980) te herlezen. Dat laatste boek is door Rieks Swarte onlangs bewerkt voor het toneel.

Soundtrack (alvast voor Bevrijdingsdag): Jan en Karina Wolkers zingen Strauss’s Radetzkymars.

——–

Volgende week: plestik.

Bezinningseiland 1

Alex,

Ik hoop dat je me dankbaar bent. Maar dat ben je niet. Waarschijnlijk denk je dat je het goed gespeeld hebt. Ik denk dat we het eens zijn.

Ik stel me je zo voor; in de garage van je glazen kantoor, je opmakend voor de weekendfile met die stapels onverzetbaar overwerk op de achterbank. Met een elleboog leunend op het dak van je leasebak, fronsend naar het scherm van je telefoon, verontwaardigd dat je geen bereik hebt in een parkeergarage. Het ziet er drukbezet uit, broer. Dat moet ik je nageven; je bent er altijd goed in geweest om een drukbezette indruk te wekken. Het is je beste troefkaart. Jammer dat je hem al zo vaak hebt ingezet.

Ik geloof dat je nog niet goed beseft hoe lang die uitvoeringen van ma’s dameskoor duren. Maar daar zul je snel genoeg achterkomen. Wat hadden we ook alweer afgesproken? In ruil voor dit verslag ga jij naar de eerstvolgende drie optredens? Of waren het er vier? Inclusief ophalen, eten en na afloop weer thuisbrengen. Gelukkig heb je een comfortabele auto.

Ik zit aan mijn tweede sloot spoorwegkoffie. In een stiltecoupé naar het noorden. Wist je dat het drie uur reizen is naar de boot? Vast. Wanneer heb jij voor het laatst voor een wiebelend treintoilet staan mikken, Alex? Laten we het daarover hebben de volgende keer dat we elkaar zien. (Op ma’s verjaardag. Jij bent verantwoordelijk voor het cadeau. Had ik dat al gezegd?)

Tegenover me probeert een uitgebluste moeder haar hysterische peuter op zijn plek te houden. Ze heeft een rugtas vol afleiding bij zich, maar het wil niet helpen.

‘Het is een sst-coupé, Jort,’ zegt ze. ‘Waarom luister je niet naar mama?’

Jort is drie. Hij heeft al twee keer naar me geschopt. De eerste keer vloog zijn schoentje rakelings langs mijn beker. De tweede keer was raak. Nu heb ik een koffiekruis. Vertel ma later maar dat je het hilarisch vond.

Ze belde gisteren. Of we er wel aan dachten een extra trui in te pakken. Er liggen wat collega’s van de spoelkeuken met griep op bed dus nu denkt ma weer dat er super-ebola op komst is. Een extra trui zal ons beschermen.

‘En zeg tegen Alex dat hij zich goed insmeert,’ zei ze nog. ‘Ik kreeg hem niet te pakken, maar jullie krijgen altijd zo’n grijze huid van de kou. En de nachten zijn koud op zo’n waddeneiland. Kouder dan in de stad.’

‘Het is maar een weekend, ma. En we gaan niet op poolexpeditie.’

Ik kon horen dat ze de bestekla dichtsloeg.

‘Je moet niet spotten met je gezondheid.’

‘Ma, ik spot niet..’

‘Raphael de Klerk!’ (Je weet hoe ze dan klinkt, Alex. Alsof de verbinding bevriest, kristallen in je trommelvliezen.) ‘Raphael de Klerk, laat me mezelf niet hoeven herhalen!’

Dus je hebt een extra trui mee, Alex. Dan weet je dat. En genoeg crème om jezelf te frituren.

‘..dus je mag blij zijn dat ik nog weleens een puzzeltje maak. Wie had dat gedacht hè? Ik heb nog nooit iets gewonnen, wist je dat? Ja, die kruimeldief bij de Paasbingo. Maar die ging al na twee keer stuk, dus dat telt niet.’

‘Ma, ik moet nog een hoop doen, dus ik ga zo..’

‘Maar ik ben blij dat jullie eindelijk gaan! Jullie hebben het al zo vaak uitgesteld. Krijgen jullie eens iets leuks van je moeder.. Een Bezinningsweekend in een strandhotel! Ze hebben vast nuttige tips, denk je niet? Jullie leven allebei zo gehaast, zo afgeleid. Alex zit altijd in die telefoon, behalve als ik bel..’

‘Ma! Ik moet nu echt..’

‘En jíj! Misschien kun jij je eens gaan bezinnen op je toekomst. Je kunt niet eeuwig in dat hotel blijven werken. En dat boek van je.. Er zit geen toekomst in boeken, jongen. Ik las laatst dat er steeds minder gelezen wordt. De literatuur schijnt dood te zijn, wist je dat niet?’

Een uur, Alex. Het duurde een uur. Ik hoop dat het koor aan toegiften doet.

***

Ik moest overstappen in Akkrum. Of nee: wé moesten overstappen in Akkrum. Als ma er ooit naar vraagt: er was niks te zien in Akkrum.

We hebben koffie gedronken op het terras van de rederij. In de kou, omdat ik zo nodig moest roken ja. Zelf deed je niet mee, je bent volgens ma gestopt in 2013, ergens tussen Sinterklaas en Kerst. (Maak je aantekeningen?)

De veerdienst is een uur geleden afgemeerd. Het vaste land ligt achter ons. Na een half uur te zijn weggeblazen door de februariwind op het dek (samen met een idioot in een Batman t-shirt die bijna over de reling viel toen hij een selfie probeerde te maken) heb ik me teruggetrokken in de restauratie op het benedendek.

Vanaf waar ik zit, kijk ik uit op het buffet. De kroketten vinden gretig aftrek. Er is een aanbieding. Ik probeer te raden wie er nog meer op weg zijn om zich een weekend te bezinnen. Ik merk dat ik op zoek ben naar vermoeide gezichten, maar zo groot kan dat strandhotel niet zijn.

Iedereen is praktisch gekleed. Dat wil zeggen; de stevige zolen en comfortabele broeken zijn niet van de lucht. En dikke truien natuurlijk. Alle mannen zijn kalend. De vrouwen zien eruit alsof ze overal en te alle tijde een pakje zakdoeken, een strip paracetamol en een leesbril vandaan kunnen toveren. Wandelende nachtkastjes.

Batman bestelt twee kroketten. Zonder brood. Selfies maken maakt hongerig.

Het is geen spannend leesvoer, ik weet het. Maar het zijn de details die straks het verhaal maken, Alex. Ik hoop dat je ze goed in je opneemt. Ik ben benieuwd waar we ons over zullen bezinnen dit weekend. Maar maak je geen zorgen, ik verzin vast iets leuks. We zullen zien of je me na dit weekend nog steeds niet dankbaar bent.

Er klinken opgewekte gilletjes als de scheepshoorn gaat. Batman heeft zijn kroketten op. Er zitten kruimels op zijn shirt. We gaan het dek weer op.

Het eiland is in zicht.

———

Daphne Huisden auteursportretDaphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan haar derde roman.

Portret: Salih Kilic.

Volgende week: Bezinningseiland 2.

Op zoek naar een onderwerp

De Groene Amsterdammer had eens een reclamefilm, die onder andere in de bioscopen te zien was. Een man met een enorme bril en mocassins zonder sokken drinkt een espresso in een grootstedelijke koffiebar. Ecce homo. Jazzmuziek. Hij kijkt wat verweesd uit zijn ogen. Er mist iets: een onderwerp.

Ik ben die man, althans op het moment. De zin en noodzaak om elke week een blog te schrijven voor deze site is een beetje aan het afvlakken – zoals dat gaat, zeg maar. Zelfs een degelijk tijdschrift brengt mij even niet op het spoor van iets interessants. Komt vast wel weer, maar nu even niet.

Kijk, volgens mij kan ik maar beter geen stukkie tikken als ik toch niets te melden heb. Als ik de lezers er immers toch geen dienst mee bewijs kan ik maar beter zwijgen. Mijn blog van twee weken terug is een goed voorbeeld, daarin vertel ik werkelijk niets. De vertalingen van een stukje Beckett op een rijtje zijn op zichzelf, als ik er verder niets over vertel, helemaal niet boeiend. Een week eerder, in de paastijd, schreef ik over de Johannes Passion van Bach. Helaas voordat ik het boekje Zijn bliksem, zijn donder van Martin van Amerongen had gelezen, dat mij weer op andere ideeën bracht.*

Toch zit er nog van alles in het vat. Er moet nog eens een vette aanklacht tegen Maarten van Rossem en zijn blaadje geschreven worden.** Er zit nog wel wat in mijn pen over homerische vergelijkingen in levend gebruik, over de directe relatie tussen Pindarus en het Holland Heineken House. Een smerig stukje tegen de drukte in het Rijks en het onmetelijke ego van de museumdirecteur.  Ik moet ook nog pianospelen, mijn zomers nog tellen en mijn winters nog sneeuwen. Ik vergeet bijna dat stuk in wording over Parijs 7 januari 2015. En dan heb ik het nog niet gehad over al het leesvoer nog heel veel bij mij teweeg gaat brengen. Al was het maar omdat er thuis stapels boeken wachten – ik kijk er letterlijk tegenaan. Onder meer: Hans Boland – De zachte held, Stephan Enter – Compassie, (meer) Tolstoj, (minder) Dostojevski, Pierre Bergounioux etc. etc.

Een onderwerp zal mij wel vinden, daar ben ik van overtuigd. Tot die tijd houd ik me maar bezig met andere dingen.

* En diens pamfletteske Rook doet leven, maar over literatuur en roken schreef ik al een keer.
** En wel helemaal na dat ongelooflijke kutstuk over Ronald Havenaars Babyboomboek.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds twee jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.