Tirade dankt Maarten van der Graaff

De afgelopen vier Novemberzondagen schreef dichter Maarten van der Graaff (1987) gastblogs voor ons. Deze Vijfde Novemberzondag declameert de Tirade-redactie, bij wijze van dank én bij wijze van uitroepteken achter Van der Graaffs gastblogschap, een gedicht uit zijn C.Buddingh-Prijswinnende bundel ‘Vluchtautogedichten’ (2013):

 

Gedicht voor Laurie Steinbusch

Met een heggenschaar in mijn hand stap ik naar binnen.

Ik ben voorbereid, zou je kunnen zeggen.

Dat dit alles in Lombok, Utrecht gebeurt,

heel duidelijk en zonder adem te verspillen,

is mooi.

’s Nachts hangt een raaf in zijn vlucht verstard,

wanneer jij de ochtend ruikt is hij vrij.

 

Ik ben verliefd op jou.

De lege auto’s in de straat weten dat niet.

Alle mensen die in Utrecht met elkaar in bed liggen

hebben hiervan niet het flauwste benul.

Meestal neem ik ze het niet kwalijk.

 

De Utrechtheid van deze ruimte strekt zich

loom voor ons uit. Veelgeurig en

nutteloos en licht.

 

Maarten van der Graaff, Vluchtautogedichten (Atlas Contact, 2013;p.38).

——————————

De jongste Tirade-publicaties van Maarten van der Graaff vind je in Tirade 450 en in Tirade 454.

Volgende week: De Eerste Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

Presse-Papier

IMG_4021In een oude kartonnen doos met foto’s vond ik een presse-papier van mijn opa. Ik heb het ding een ereplaatsje  in mijn boekenkast gegeven en kan er sindsdien bijna niet langslopen zonder het op te pakken. De presse-papier stond vroeger in het secretaire waaraan mijn opa vaak zat te werken als ik op maandag bij mijn oma en opa op bezoek kwam. Oma morrelde meestal in de keuken aan iets te eten. Als opa niet met me puzzelde zat ik in de fauteuil voor het raam met de presse-papier, en liet het licht vallen op die immense kever die opgesloten zat in dat gladde materiaal dat minder koud voelde dan glas. Of was het toch een sprinkhaan? Het dier leek zich schrap te zetten, zijn lange voelsprieten naar achteren gevouwen, alsof het een reuzensprong zou maken als het hars open zou breken.

Mijn opa kocht ooit een soort gebruiksrecht, patent, op dit type snelhardende kunsthars. Kevers, bloemen, zelfs kleine visjes kon je erin conserveren. Het was lichter en goedkoper dan glas, minder breekbaar. Het was het materiaal van de toekomst, meende mijn opa, en het had een lichtgele waas die in de mode was. Hij had er diep voor in de buidel getast. Het appartement van mijn oma en opa aan de Beethovenstraat was van onder tot boven in tinten mosterd, oker of variaties daarop. Daarin kwam het gelige kunsthars goed tot zijn recht. Ze goten er foto’s in, postzegelverzamelingen. Ze maakten er handvatten van, voor kasten, wandelstokken, handtassen en paraplu’s, in verschillende kleuren, met telkens andere insecten en bloemen erin opgesloten. Elke jarige kreeg een stilleven in kunsthars cadeau. Toch zijn de producten nooit zo’n groot succes geworden als ze hadden gehoopt.

Mijn ouders kwamen lunchen en ik liet hen enthousiast de presse-papier zien terwijl ik me hardop afvroeg waaraan mijn opa eigenlijk zo plotseling was overleden. ‘Maar lieverd, je weet toch dat je opa euthanasie heeft gepleegd’, zei mijn moeder enthousiast. Alsof het nou uit was met al die gekkigheid. Ik was zo verbaasd dat mijn voorhoofd zich groefde en mijn ogen zich sloten. ‘Was opa ziek dan?’, probeerde ik de geschiedenis te herinterpreteren. Ik zag dat mijn vader een neusvleugel optrok, niet zeker of dit nou wel de bedoeling was. ‘Kanker’, zei hij aarzelend ‘Eigenlijk al zolang als jij bestond. Op het laatst was het uitgezaaid in bijna al zijn organen. Maar als jij langskwam moest het infuus eraf. Dan moesten de pleisters verstopt onder lange truien, al was het dertig graden. Hij vond zijn ziekte te moeilijk voor een kind.’

Ik herinnerde nog goed dat mijn opa en oma op visite kwamen in ons smalle huis aan de keizersgracht, kort nadat mijn zusje was geboren. De foto’s van dat bezoek heb ik teruggezocht. Hoe nieuwe informatie een beeld kan veranderen. Aan onze lange keukentafel zag ik opeens mijn doodzieke opa. Mager, asgrauw; zijn armen stevig om mij heen geslagen. Ik was bijna acht en ik wijs op de foto enthousiast naar mijn nieuwe zusje. Hij wist, en ik niet, dat het de laatste keer was dat we elkaar zouden zien.

‘Een zaag, een ander mens!’

Dichteres Annemieke Gerrist las ’s Middags zwem ik in de Noordzee, de nieuwe bundel van Wim Brands, en schreef de auteur ervan een brief. Wim Brands schreef terug. Hieronder het begin van een correspondentie.

 

Dag Wim,

Bladzijde 16 van je bundel*. Daar sta ik. Als ik om me heen kijk, zie ik een kamer die me nog onbekend is. Er zijn een paar elementen van deze kamer waarover ik heb gelezen; een vader, een moeder, een verlaten dorp, een zoon. Ik denk althans dat de kamer die je beschrijft zich in dat dorp bevindt waar je vaak over schrijft.

Ik stel me dat dorp als een verlaten dorp voor, dat tussen weilanden ligt. Met paarden die uit badkuipen drinken. Misschien wonen er meer oudere mensen dan jongere mensen, wat op een vreemde manier vaak zo is in dorpen.

In je poëzie ving ik er vaak een glimp van op. Het was er kalm, leeg en ruimtelijk. Ik vond de rust nogal bedrieglijk overkomen. Ik kon overal goed kijken, de ruimte in je gedichten is wijds. En er knaagt constant iets. Ik kan er nog niet de vinger op leggen. Misschien hoeft dat ook niet. Zoals in dit gedicht, waar je een deur hoort. En er misschien nog iemand aanwezig is, die rondloopt. Of het tocht in dit huis.

Voor mij las dit gedicht als een sleutel, naar een plek die achter de gedichten ligt. Daarom begin ik hier. Misschien leidt dit gedicht naar de plek waar je gedichten ontstaan, zodra iemand die deur opendoet. Of misschien beeld ik het me in, en komt de deur uit op een binnenplaats die betegeld is en waar roestige waslijnen hangen.

Waar is dit gedicht ontstaan?

Ik zie uit naar je antwoord.

Groeten,

Annemieke

*‘s Middags zwem ik in de Noordzee (2014).

 

—————————————————————————————————————————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

Dit gedicht is ontstaan na een opmerking die de inmiddels overleden psychiater Louis Tas tegen me maakte. Ik sprak hem ooit naar aanleiding van de heruitgave van zijn dagboek. Een bijzondere man die tot op hoge leeftijd bleef werken. Ik herinner me dat ik hem vertelde dat ik mijn ouders zo lang al niet gezien had. We waren gebrouilleerd en ik wilde het contact herstellen. Maar hoe, hoe herstel je het contact met mensen die om het minst geringe beginnen te blaffen, als agressieve kennelhonden.

Tas dacht na en terwijl hij dat deed vertelde hij me dat zijn ouders al lang dood waren en dat hij vond dat ze wel weer konden terugkomen. Zo lang had het geduurd.

Dat vond ik een mooie gedachte. Ik wilde ook dat mijn nog levende ouders weer terugkwamen.

We stonden in een VPRO-studio aan de Amsterdamse Amstel, Louis Tas en ik. Maar ik dacht aan de keuken van mijn ouders toen ik hem over hen vertelde.

In die keuken speelde hun leven zich af en het mijne toen ik nog thuiswoonde. Uitzicht op een weiland.

Ik ben geboren in een gehucht, onder de rook van Zutphen. Er woonden niet zoveel mensen, leeftijdgenoten waren er niet. Ik vond dat ook niet erg. Het bos van Voorstonden was dichtbij en in dat bos bracht ik uren door.

In mezelf pratend, sporen zoekend. Soms klonk er een zaag. Dat is trouwens een mooie opmerking van Werner Herzog in zijn onvergetelijke Over een voettocht in de kou. Ik herkende direct het gevoel: een zaag, een ander mens!

Jij bent toch ook op het platteland geboren?

vrgr

Wim

———–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel 2.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Tirade Writers Unlimited/Winternachten special 2015

Tirade 456 ligt nog maar net in boekwinkels en op leestafels of de Tirade-redactie zit al tot aan haar nek in het volgende nummer. Tirade 457 wordt de Writers Unlimited/Winternachten-special die we maken in samenwerking met – of eigenlijk gewoon: onder leiding van – schrijfster, WU-programmeur en Tirade-gastredacteur Judith Uyterlinde. In december volgt meer informatie over Tirade 457. Op de site van Writers Unlimited kun je het programma van de editie 2015 vast bekijken en/of je inschrijven voor de WU-nieuwsbrief.

 

Een vlaag van woordenliefde

Nabokov denkt na over een woord

Niet lang nadat ik een aanvankelijke woordenboekfetisj had ontwikkeld, kreeg ik les van Dr. Ischtwan Fritsche. Op mijn 12e, 13e, vond ik het belangrijk nieuwe woorden te leren. De groene Dikke van Dale, bijna even dik als hoog was daar behulpzaam bij. Achterin de Latijnse spreekwoorden die je met enige moeite – veel moeite in de praktijk – ergens eens een keer kon laten vallen. (‘Dum satur est venter, gaudet caput inde libenter’ gaat nog wel, je krijgt elke dag drie keer de kans. Maar ‘Ne sutor supra crepidam’ wordt al lastiger, rond je twaalfde.)

Maar ook de woorden: perpendicularisatie, herinner ik me als een die ik me voornam ooit eens te gebruiken. Het moet decennia later zijn geweest dat ik die kans kreeg, in een blog voor Tirade.

Ischtwan Fritsche – misschien leeft hij nog – was naar eigen zeggen in 1956 uit Hongarije weggefietst. Misschien met die zelfde van voren met cellotape vastgeplakte sandalen waarmee wij hem altijd in de winter tussen Driebergen en Doorn zagen fietsen. In Duitsland leerde hij een Duits woordenboek uit zijn hoofd. Nog weer later moet hij doorgefietst zijn naar Nederland alwaar hij een Nederlands woordenboek uit zijn hoofd zal hebben geleerd. En zo kon hij ons Duits geven op de middelbare school. Hij was zo eigenzinnig dat de meeste collega’s op school daar moeite mee hadden, een antediluviaanse hoffelijkheid (daar heb je er weer een) die op het randje van badinerend was. Als we rondgingen op ouderavonden om koffie te brengen, nam hij bij iemand die thee dronk met suiker en melk: thee met suiker en melk, bij iemand die koffie zwart dronk, vroeg hij zwarte koffie etc. Op die wijze zowel een band met de bezoekende ouder creërend, als een tongue in cheek grap met ons, want wij vonden dat bepaald hilarisch. Hij dronk alles ook netjes op. Ik hoefde geen rijtjes van hem te leren. Ik kreeg een zes op mijn rapport als ik elke week een Duits boek las en met hem besprak .

Ik lees nu een Frans woordenboek, zoiets is echt aan te bevelen. Ik kom erop doordat ik tegen mijn verwachting in opeens weer volledig bevangen ben door de woordliefde. De reden is dat ik twee boeken lees waarin heel veel mooie woorden staan: Pnin van Vladimir Nabokov, en The Peregrine van J.A. Baker. Een Engels woordenboek van kaft tot kaft lezen daarentegen is saai, je kent er toch teveel.
Maar wat een woorden in die boeken! Ik verzamel die woorden die ik mooi vind in Pnin nu, als een zelfstandig kunstwerk. Om ze met hun Webster’s Dictionary lemma af te drukken.

Neem nou: inglenooks, bathetic, loquacity, desuetude, inveigle, torpid, inflorescences,excruciating squeak, ruminant, frugal, systole, obligingly, truculently, crepitation, scintillant, porcupine, canthus, ovipositing, bauble, vagitus.

Ik bedoel maar. Geen woorden die ik in eén keer contextloos kan plaatsen. Toch roem je bijvoorbeeld Van Gogh om zijn kleurgebruik, en veel schilders doen en deden extreem hun best om unieke kleuren te vinden om iets precies weer te geven. Ik ben dan als lezer blij dat een schrijver die moeite doet. Niet dat het altijd moeilijk moet, maar het geeft een sprankelende sfeer aan het boek als de gekozen woorden alleen al mooi zijn. Wat zou Nabokov enthousiast over zoiets zijn. (Een grafische weergave van een woordveld op Synoniemennet)

Maar toch haalt niets het bij staren naar en bladeren in een grote Webster’s Dictionary.

Schermafbeelding 2014-11-27 om 11.25.57

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

All the Light

De afgelopen maanden heb ik meer recreatief gelezen dan in het hele jaar ervoor. Bijna meteen na aankomst in Suriname liep ik op Amazon tegen Anthony Doerr aan, te beginnen met zijn laatste roman All the Light We Cannot See. Alleen de titel al.

Wat een geluk, om na lange tijd een schrijver tegen te komen die me van mijn sokken blies. Ik las al zijn fictie in een paar dagen; daarna kwam ik erachter dat Doerr best een grote is, in Amerika. Gek genoeg vind ik dat dan jammer, alsof het feit dat anderen mijn mening delen afdoet aan het werk.

Lezen is wat mij betreft een solitaire bezigheid. Dat lijkt logisch, maar er zijn een hoop mensen die ervan houden gelezen boeken met vrienden en kennissen te bespreken. Ikzelf geniet van de illusie dat ik als enige About Grace beleefd heb. De andere 500.000 lezers die het prachtig vonden, moeten oprotten.

Net als al mijn generatiegenoten wereldwijd koester ik mijn uniciteit, en beschouw ik mijn interesses en bezigheden als eigen en authentiek. De laatste dagen vraag ik me af of ik misschien zo van Suriname houd omdat het maar 500.000 inwoners heeft, en buiten Nederland niemand lijkt te weten waar het ligt. Post die van Noord-Amerika naar Suriname gestuurd wordt, schijnt regelmatig per abuis naar Afrika te gaan.

Alle wegen in dit land hebben een einde. Vroeg of laat gaat het asfalt over in zand en het zand in woud of water. Dit gegeven is al voelbaar op het moment dat je in Paramaribo je erf afrijdt. Het is een gesloten wereld, een schitterend decor, en met maar heel weinig moeite kun je je de enige wanen die het allemaal meemaakt.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Rokende lectuur

‘Over het verlangen naar een sigaret’, het gedicht van Rutger Kopland. Mijn vrijdagmiddagse gezelschap in het café begon erover. Later las ik het nog eens, en zag dat het helemaal niet gaat over het verlangen naar een sigaret maar over de betekenis, of het gebrek daaraan, van wat wij belangrijk vinden en waar we naar verlangen. ‘Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer. // Het verlangen naar een sigaret is / het verlangen zelf.’ Of misschien gaat het over de onbestemdheid van onze verlangens?

In het café zei ik dat Kopland de titel – hij noemde een van zijn bundels ook zo – had afgekeken van Tsjechov. die schreef immers een ‘monoloog in één bedrijf’ met die titel. Thuis nam ik de verzamelde Tsjechov uit de kast. Nou goed dan, de monoloog heet Over de schadelijkheid van tabak en gaat niet eens over roken. De spreker, ‘de man van zijn vrouw’, staat op het punt een lezing te geven over de schadelijke effecten van tabak. Hij komt alleen niet verder dan klagen over zijn vrouw, die hem heeft voorgesteld de lezing te geven. Wat betekenen zijn vrouw en dochters voor hem? ‘Mijn vrouw heeft zeven dochters… Nee, pardon, zes, geloof ik…’ Hij verlangt naar een ander leven, ver weg van zijn beklemmende gezin.

De drang naar vrijheid en onafhankelijkheid gaat ook in Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo gepaard met sigaretten. Ik begon er laatst in zonder te weten waar het boek precies over gaat. We lezen het levensverslag van een man die dat op aanraden van zijn psychiater heeft geschreven, om van zijn zeer ernstige verslaving af te komen. Alleen krijgt Zeno altijd zijn zin, zo blijkt bijvoorbeeld uit de beschrijving van een eerdere poging om te stoppen, waarbij hij wordt opgesloten in een kliniek maar weet te ontsnappen door de verpleegster dronken te voeren. Eenmaal thuis zet hij het weer op een paffen. Elke misstap, dus ook deze, beredeneert hij net zo lang tot ze rechtgebogen zijn. Ik heb het boek nog niet uit maar reken erop dat Zeno niet van het roken afkomt.

Van de week bladerde ik door het boekje Aan de laatste roker. Henny Vrienten koos er gedichten over roken voor (waaronder dat van Kopland) en Peter van Straaten zorgde voor de tekeningen. Een combinatie die nogal wat leedvermaakhumor oplevert, met rokers, stoppers en pseudostoppers als lijdend voorwerp. Ik moest erg lachen om een tekening van twee mannen die meters uit elkaar op een bankje in het park zitten: ‘Pardon, wilt u hier niet roken?’* Remco Campert citeerde er afgelopen zaterdag in de Volkskrant een fraai gedicht uit van Muus Jacobse. Het verlangen naar een sigaret is daarin heel concreet. Het gaat om de handeling en het ritueel, en die zijn zo romantisch en onbestemd als de dichter-roker ze zelf maakt: ‘… de geurende tabak / Reukoffer van onze zinnen, / Waarmee wij op ons gemak / Weer een pijplengte winnen.’

 

* Marianne Faithfull zei zondag in Carré trots dat ze al een jaar gestopt is. Ze is nu overgestapt op de ‘cigarette électronique’ en nam obstinaat een trekje van het ding.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Tendensen – bij stukjes en beetjes

Scapino – zeer kort verhaal (zkv)

Voor de schoenenzaak staat een zilveren Jaguar. Moeder en dochter lopen naar buiten. Ze dragen allebei een toren van schoenendozen. Als de moeder mij ziet grijnzen, zegt ze met een wenkbrauwbeweging richting dochter: ‘Heeft net te gekke blauwe snowboots gevonden en nu wil ze niet dat haar klasgenootjes ze ook kopen. Ik zei: dan nemen we ze toch gewoon allemaal mee? Gênant eigenlijk. Hè? Ergens?’ Achter de Jaguar vormt zich een file; fietsers proberen tussen auto’s en paaltjes door te manoeuvreren. Einde.

Tirade – verstaanbaar proza, verstaanbare poëzie.

‘Hè? Watte?!’

TIRADE – VERSTAANBAAR PROZA!, VERSTAANBARE POËZIE!!!

‘O, zeg dat dan meteen, hahaha! Nou… doe mij nog maar zo’n leuk stukje!’

Pijn – kort zeer verhaal (kzv)

Au!, zei Abel toen hij na het uitruimen van de vaatwasmachine zijn hoofd tegen de punt van een openstaand keukenkastje stootte. Hij bevoelde de zere plek tussen zijn haren en keek naar zijn vingertoppen. Ze zagen rood van het bloed. Hij waste zijn handen, sloot het keukenkastje en vervolgde de licht huishoudelijke taken waaraan hij zich had gezet. Dit waren de momenten waarop hij overwoog zijn morele bezwaren te laten varen en het ‘poetsen’ voortaan uit te besteden aan een werkster. Toen hij even later, op zijn knieën, de vloer zat te dweilen, viel er af en toe een druppel bloed van zijn gebogen hoofd op het lichtblauwe zeil. Een dramatisch gezicht, alsof hij bloed huilde. In iedere sterveling woont een kleine heilige. Einde.

‘Hoe noem je deze teksten nou?’

‘Teksten.’

‘Nee, ik bedoel: wat voor label moet ik hier nou aan hangen?’

‘Je mag er ieder label aan hangen dat je passend acht. En je mag er ook meteen een prijsstickertje overheen plakken.’

‘Hoeveel cent?’

‘Nul cent. De taal is van ons allemaal. ’

Ga ik nu nog een korte beschouwing wijden aan Michiel ten Horns (speelfilm) Aanmodderfakker (2014)? Nee, ik heb keihard gelachen – en die opmerking moet maar volstaan. Maak twintig van dit soort films per jaar en de piramide van de Nederlandse cinema heeft een basis.  ‘Gaat ie zo een ei leggen?’ zegt main character Thijs op een tuinfeest tegen zijn ex als hij haar nieuwe, veel te sympathieke vriend een stuk verderop gehurkt in ‘t gras ziet zitten. Met het memoreren van die wisecrack is het belangrijkste visuele motief van Aanmodderfakker nog even aangestipt (het ei). Let ook op stromend water  (cola over toetsenbord, overstromende afwasbak, sproeiende douchekoppen, wasmachine) en  (stam)bomen.

Veel interessanter dan sympathieke producten als Aanmodderfakker vind ik de kortfilm Geraakt die hier afgelopen vrijdag werd ingeleid door Wytske Versteeg en die je nog kunt zien via Uitzending Gemist. In een documentaire waarnaar ik hieronder link, prijst Asis Aynan Mohamed Choukri’s roman  Hongerjaren (1973) als een kunstwerk dat iets heeft kunnen veranderen in de samenleving. Het blijft hachelijk maatschappelijke betrokkenheid en écht goed filmen en schrijven. Maar ook de kortfilm van Sander Burger – Geraakt, dus – bewijst dat niet iedere poging om relevant werk te maken smalend hoeft te worden afgedaan als tendensliteratuur, goede bedoelingen cinema, vormingstheater of agitprop.

Geraakt is goed geschreven, levendig in beeld gebracht. En er wordt erg goed geacteerd door Jara Lucieer in de rol van een schooljuf die vermoedt dat één van haar leerlingen wordt geslagen door haar vader. Onvrede, woede, verontwaardiging – uitstekende drijfveren voor kunstenaars.

Tirade – een beetje uit je doppen kijken.

Soundtrack: ‘We vechten tegen de bierkaai’ (1978), een Neerlands Hoop nummer dat het hoogtepunt vormt uit Freeks huidige programma, maar dat niet op YouTube staat.

cover_liefdemetlokharen_hrVolgende week: ‘Je moet altijd bij me blijven.’ – Liefde met een lok haar, Mohammed Mrabet. Het boek wordt aanstaande vrijdag gepresenteerd in… even zoeken, hoor… in… hè, hoe heet dat leuke dorpje nou ook alweer… het ligt vlakbij Utrecht!… God, ik ben zo slecht in namen en plaatsnamen!… wacht, wacht, ik weet ‘t alweer… het wordt gepresenteerd in… in… in Amsterdam!

In dit filmpje (uit 2009) gaan Asis Aynan en Hassan Bahara naar Tanger. Ze bezoeken het graf van Mohamed Choukri (1935-2003) en worden ontvangen door Mrabet (1936).

 

Maarten van der Graaff: Het rode, het groene en het harige

Vandaag ga ik tijdens het hard/hoofd festival, titel: ‘Het Proces’, met Maud Vanhau​waert en Maartje Smits praten over pubergedichten. Maartje vertelde me in De Engelbewaarder over haar eerste gedicht. Veel concreter en vindingrijker dan mijn titelloze eersteling, een product uit de categorie weltschmerz. Ik ken het net als Maartje uit mijn hoofd. Komt ie dan he:

‘Er staat een man
alleen op de brug
en in het late licht
zie je droefheid
in zijn ogen,
een traan om de wereld
op zijn gezicht.’

Mijn moeder stuurt me per post drie schriften op. Eén met een omslag van zacht, paardachtig nephaar, één met een schoolse, dieprode kaft en één groene, met grammofoonplaten op de voorkant. Rijmen deed ik veel, lijden ook. Het is allemaal geruststellend normaal. Alsof de literatuurgeschiedenis zich in het klein moet voltrekken: romantiek (puberteit), daarna modernisme (early twenties, hier houden de schriften op). Voor het vervolg zet ik mijn kaarten in op postmodernisme (rond de vijfentwintig) en daarna iets wat ik dan maar even crisis zal noemen of ‘het domme schrijven’. Die term keert steeds terug wanneer ik met vrienden – lees Frank Keizer– over poëzie praat: het moet dommer. Ik wil lompe poëzie schrijven, registreren wat er met mij en de mensen om mij heen aan de hand is. Wij zijn de casus van iets verschrikkelijks.

‘Al wat hij aan jou verwijdert
wordt door liefdesvoodoo uit mij weggeslagen.
Leeg is het strand, leeg, van mijn leven al de dagen.’

Daar hebben we het liefdesverdriet! Die ‘hij’ is trouwens een sinistere strandwacht. Niet alles is even pathetisch, zo staat er in het rode schrift het korte gedicht ‘Sunset mythologica’: ‘Zelfs schijtend ben ik / held en vriend/ van het gevaar.’ Ik wacht op vertedering terwijl ik de schriften doorblader. De vertedering blijft uit.

Ik stuit op een regel die ik herken. ‘Rondjeslopen door dit land / bedoeld om rondjes door te lopen’, schreef mijn zeventienjarige ik. Vorig jaar zomer, op mijn vijfentwintigste, dus acht jaar later: ‘Waarom zwem ik vaardig in heerlijk doorzwembaar water / dat hier precies voor bedoeld is?’ Hallo consistentie, wat moet ik met jou?

Verderop in het harige schrift vind ik aantekeningen: ‘Waar Nietzsche eerst verlangde naar tragische helden, idealisten van de wil, ziet hij de overmens later voor zich als een Cesare Borgia, een krachtpatser van de ondeugd.’ Verklaring: ik las de Nietzschebiografie van Safranski en daarna Aldus sprak Zarathoestra. Dat weet ik nog goed. Zarathoestra las ik in hotel Van Ham in Breda.

Het is die hoge kamer met het kleine balkon. Er zijn drie bedden. Ik lig met dat boek voor iedereen en niemand in één van die bedden, in de ouderwetse kamer en voel me belangrijk. In de andere bedden liggen Arjen en Léjon. Overdag gaan we naar het park en ’s avonds naar de kroeg.

Nietzsche lezen was distinctiedrift. Wat voelde ik mij verheven boven mijn familie en klasgenoten. Onderaan de bladzijde is een zin met dikke strepen gemarkeerd: ‘De mensen van de pleziertjes omsingelden hem.’

In Amersfoort staat een kunsthal leeg. Via Bert, een vriend, leerde ik Christiaan Schuinder, Laura van der Zee en Marijn Abelman kennen. Zij vullen deze plaats, die is achtergelaten door projectontwikkelaars, de politiek, met exposities en noemen zichzelf De Kaping. Dit voorjaar organiseren Bert, ik en een hele groep dichters en kunstenaars in deze hal het evenement Disclaimer, onder het motto ‘uw persoonsgegevens worden uitsluitend gebruikt voor poëtische doeleinden’.  Het wordt een installatie vol corporate rompslomp, big data en gepersonaliseerde marketing. En dit allemaal tijdens de maand van de bureaucratie (5 januari 09:05 – 6 februari 16:52).

Ik ben in het nieuwe Tivoli, dat me om een of andere reden aan een vliegveld doet denken. Bonny Prince Billy staat op het podium te zingen. Hij gebaart als een veldprediker, gaat jolig door de knieën en haalt blaffend uit. Uit zijn linkerbroekzak steekt een balpen.

Hier zingt Bonny in de Doopsgezinde kerk te Utrecht.

De synthetische schrijver

Ik las van de week een artikel in de Correspondent over het gevaar van kunstmatige intelligentie.  Als je intelligente computers (te veel) ruimte geeft, kunnen ze de mensheid vernietigen met een simpele opdracht als: win een schaakspel. Dat klonk me behoorlijk Frankenstein in de oren. Mijn interesse was gewekt.

Ik vraag me sindsdien af of er al synthetische literatuur bestaat. Want als computers de mensheid gaan uitschakelen, dan liever voor een boek dan voor een potje schaken, als je het mij vraagt. (Wel hopen dat op zijn minst één iemand lang genoeg leeft om het te lezen). En daarom zit ik de afgelopen dagen op het wereldwijde web te zoeken. Is kunstmatige intelligentie al slim genoeg om een boek te schrijven? De synthetische schrijver. Ik wil hem lezen. Maar ik heb nog geen overtuigend voorbeeld kunnen vinden van kunstmatige fictie. Althans geen voorbeeld dat verder gaat dan een theoretisch experiment, of een gimmick. Zoals de immortal prose generator, die teksten “genereert”* die bestaan uit Shakespeare-elementen, zoals deze (let op: er zit twee keer hetzelfde element in, is dat toeval of een bewust toegepast stijlmiddel?):

Now thou art gone, the very stream of his life is troubled by hot blood. Hark, the clown pierced a sigh so piteous and profound. I pray thee, this babble hath had no notice of mine eye-balls. ‘Tis now struck twelve; every unworthy thing doth lack a cover. ‘Tis now struck twelve; this hand of yours mocks the fruit to that great feast. O spite! the son of a dear father murder’d doth lack me. 

Ook bestaat een aantal generatoren van poëzie. Maar die hebben veelal gewoon één (of meerdere) verschijningsvormen gedefinieerd (bijv. zin van vier woorden, zin van twee woorden, uitroep (alas! hark!, beware!), zin van vier woorden, drie zinnen van drie woorden), en vullen die in aan de hand van lijsten van (in betekenis verwante) zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, etc. Bijvoorbeeld deze (afkomstig van: http://thinkzone.wlonk.com/PoemGen/PoemGen.htm):

Sharks grow!
Misty, small seashells calmly fight a sunny, warm sailor.
Never love a wind.
Warm, misty whales swiftly love a big, clear tuna.
Old, rainy pirates swiftly lead a stormy, lively seashell.

Het is een soort gedicht ja, maar poëzie zou ik het niet willen noemen. De wetenschap dat het gedicht volgens een vaststaand stramien is geproduceerd, maakt het eigenlijk bij voorbaat geen poëzie. Want de oneindige variatie in vorm is  juist een van de weinige vaststaande eigenschappen van literatuur. Dan heb ik misschien nog liever Google-poëzie, die in zekere zin willekeurig is, maar wel oneindig in variatie.

Het definiëren van literatuur is een -understatement- lastige aangelegenheid. Er bestaan alleen opvattingen over. Het enige dat vaststaat, zo  leerde ik ooit in een grijs verleden waarin ik Nederlands studeerde, is dat literatuur dat is wat de experts literatuur noemen. Als we dat gegeven ombouwen in een computationeel model, dan moet dat er ongeveer zo uitzien:

1 Vul een database met meesterwerken uit de canon van de wereldliteratuur. (Of de Nederlandse, om te beginnen.) Begin met de kale teksten uit een boek of duizend (eigenlijk natuurlijk zoveel mogelijk boeken). We beginnen met proza wat mij betreft.
2 Laat daar een simpel patroonzoekend mechanisme op los, dat de teksten op kleinere en grotere patronen doorzoekt, bijvoorbeeld frequentie van woordkeuze, frequenties van combinaties van woordkeuze, herhalingen, verschijning en verdwijning van personages.
2b Koppel er een goede thesaurus aan zodat in de gevonden patronen ook enige synonymie, of misschien zelfs een soort betekenisvelden kunnen worden herkend.
3 Genereer, op basis van de gevonden patronen, nieuw proza.

Ik ben helaas geen programmeur, en heb dus niet het flauwste benul van hoeveel rekenkracht dit experiment zou kosten. Gevoelsmatig zeg ik dat het een redelijk simpel project moet zijn. Immers de analyse van big data is een tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld. Misschien kan het IT-mannetje van Tirade dit wel? En zelfs al zóu het een hoop rekenkracht kosten, dan nog moet er toch wel ergens wat serverruimte beschikbaar kunnen worden gesteld om een stukje proza te genereren. Voelt een universiteit zich geroepen? Misschien wil Google bijdragen aan de wereldliteratuur? Of is er een uitgever die wil investeren?

Aldus. Hark, hark! Lieve wetenschap, lief literair veld, ik smeek u: ontwikkel een synthetische schrijver. Ik huiver en popel om zijn werk te lezen. Ik krijg visioenen van woeste, haast onbegrijpelijke teksten. Of juist van extreme middelmatigheid. Even kraakhelder geschreven, als duister en vaag. Produceert de virtuele schrijver een stream of consciousness? Dat zou griezelig zijn. Of wordt het een nieuwe openbaring? Een waarschuwing? Een nieuwe ontdekking van de hemel? Ik kan niet wachten.

 

*Al is het aantal uitkomsten eindig.

Dubbeldenken

Vandaag, om 22.59 uur, zendt NPO2 ‘Geraakt’ uit, een kortfilm van Sander Burger. Afgelopen dinsdag ging de film in première in De Balie (Amsterdam). Geraakt‘ werd ingeleid door romancière, essayiste en wetenschapster Wytske Versteeg.Hieronder vind je – met dank aan de auteur – de integrale tekst van haar lezing. Film en essay zijn tot stand gekomen binnen de context van de Human-serie ‘Duivelse Dilemma’s.’

Door Wytske Versteeg

Tegenover mij in de trein zit een dik jongetje, hooguit een jaar of tien, misschien nog jonger. De hele reis staart hij naar de grond en ik denk dat er misschien iets met hem aan de hand is, want er is iets vreemds in de manier waarop hij kijkt. Niet kijkt, beter gezegd.

Naast hem zit een meisje, jonge vrouw. Zijn oudere zus, denk ik. Ze praat tegen hem, snauwt, beter gezegd. Dat is niet per se gek, dat is wat zussen doen. Waarom hij daar zo zit. Of hij een idioot is. Nou? Is hij een idioot?

Wanneer hij antwoordt is zijn stem zo hoog dat ik hem niet eens kan verstaan. Eén keer pakt hij een Mars uit zijn jaszak, en wil hem openmaken. Nee, dat is een goed plan vlak voor het avondeten, vetzak.

Dan begint hij te huilen. Is hij een jankebalk? Nou?

Hij zet zijn bril af, veegt zijn tranen weg. Hij heeft geen geluid gemaakt.

Ik denk, ik moet iets doen. Ik moet iets zeggen tegen haar, dat dit te ver gaat. Maar ik weet niet zo goed wat of hoe, ik ben niet de meest assertieve persoon. Terwijl ik nog nadenk over wat ik zou moeten doen staan de vrouw en de jongen tegenover mij al op om uit te stappen. Dan zegt hij mama tegen haar. Dat maakt alles veel erger.

*

Wanneer grijp je in?

Wanneer bemoei je je met andermans zaken?

We kennen allemaal de verhalen van mensen die met een acute noodsituatie worden geconfronteerd en dan niets doen. De menigte die apathisch en zonder ook maar een vin te bewegen blijft toekijken hoe iemand verdrinkt of doodgeslagen wordt. We noemen dat het omstanderseffect; hoe meer mensen er staan te kijken, des te kleiner de kans dat iemand zal ingrijpen.

Om wél in te grijpen moeten we een situatie eerst opmerken als een geval van nood, een waarbij ingrijpen noodzakelijk is. Bij een onderzoek werd aan studenten gevraagd om een formulier in te vullen. Terwijl ze daarmee bezig waren pompten onderzoekers rook naar binnen in de kamer waar de studenten zaten. Wie alleen in de kamer zat merkte de rook eerder op dan wie in een groep aan het formulier werkte, en was ook sneller geneigd de rook te rapporteren. Van de acht groepen in het experiment zeiden er vijf helemaal nooit iets over de rook – en we hebben het nu over rook die zo dicht was dat het zicht erdoor belemmerd werd, en ogen geïrriteerd raakten.

Als we het al moeilijk hebben met het opmerken van zoiets eenduidigs als rook in de kamer, dan is het goed bezien een wonder dat vermoedens van kindermishandeling ooit worden gemeld. Ook daar heeft immers vaak een hele groep mensen in theorie de mogelijkheid om blauwe plekken of afwijkend gedrag op te merken en daarop te reageren. De niet-mishandelende ouder, de buren, vrienden van de familie, de docent lichamelijke opvoeding; er is altijd wel iemand te bedenken die dichter in de buurt staat. Die, als er echt iets aan de hand was, toch zeker al iets gedaan zou hebben.

En dan is er nog een complicatie, want de betekenis van het woord kindermishandeling staat bepaald niet vast. U herinnert zich vast nog de discussie over de pedagogische tik en onlangs werd er in de Volkskrant beargumenteerd dat ook in de hoek zetten niet zo onschuldig is als we graag denken. Triviale discussies misschien, maar in de jaren 1970 werd seksueel contact tussen volwassenen en kinderen nog verdedigd als normaal en zelfs bevordelijk voor het kind, een situatie die nu moeilijk voorstelbaar is. De onderliggende vraag is in alle gevallen dezelfde: wat vinden wij, met z’n allen, normaal?

*

Ieder volwassen mens heeft in principe zeggenschap over zichzelf en over zijn eigen gevoelens. Als ik zeg dat ik het eten niet lekker vind kunt u zeggen dat u datzelfde eten wel lekker vindt (uw eigen mening) of zelfs, eventueel, dat het eten lekker is (een objectieve claim). Maar u kunt niet zeggen, of niet zonder dat u de kans loopt om mij te beledigen, dat ik dat eten wel degelijk lekker vind. Daarmee overschrijdt u een grens, claimt u kennis die primair aan mij toebehoort; dat soort gedrag zou vreemd op ons overkomen.

Maar zou ik een kind zijn en was u mijn vader of moeder, dan kunt u die kennis wel degelijk claimen. Sterker nog, een groot deel van de opvoeding draait precies daarom, en om de onderhandeling daarover: jij lust dit wél. Jij bent wél chagrijnig.

Er is wel eens gesteld dat een van de dingen die kindermishandeling zo schadelijk maakt, de noodzaak is tot dubbeldenken; het accepteren van twee tegenstrijdige waarheden tegelijkertijd. Misschien wordt ieder kind weleens gevraagd te dubbeldenken, als wij bijvoorbeeld zeggen dat ze best van spruitjes houden. Maar kinderen in een situatie van mishandeling moeten voortdurend dubbeldenken, omdat de ouder die voor hen zorgt, aan wie ze loyaal zijn en van wie ze houden tegelijkertijd gevaarlijk is, en onvoorspelbaar. Voeg daarbij het feit dat we aan kinderen sowieso weinig kennis toedichten over zichzelf, of geen kennis die niet door een volwassene kan worden overruled en u begrijpt hoe verwarrend de situatie is. Geen wonder dat er enerzijds valse beschuldigingen van mishandeling worden geuit, bijvoorbeeld tijdens echtscheidingsconflicten, terwijl anderzijds veel situaties van werkelijke mishandeling helemaal nooit naar buiten komen.

Als getuigen van mishandeling zijn we ook gedwongen tot dubbeldenken, en keer op keer blijkt dat we daar niet zo goed in zijn. We denken nu eenmaal graag in termen van daders en slachtoffers, waarbij we de dader bij voorkeur een verdorven en diepzwarte persoonlijkheid toedichten. Dat lost de noodzaak tot dubbeldenken op, want van iemand die nu eenmaal slecht is valt ook te verwachten dat hij zijn kind slaat, daar is niets tegenstrijdigs aan. Natuurlijk weten we wel dat de werkelijkheid vaak ingewikkelder ligt, maar we willen dat liever niet voelen. Die neiging om te simplificeren is gevaarlijk, en schadelijk ook voor het slachtoffer, dat dikwijls des te machtelozer wordt naarmate we de dader zwarter afschilderen. Elke loyaliteit jegens de dader wordt dan immers een – nog grotere – reden tot schuldgevoel en er blijft geen ruimte over voor de kluwen aan verwarrende en dikwijls ambigue gevoelens die gepaard gaan met mishandeling in een familiesituatie.

Tegenover ons beeld van de inktzwarte dader staat dat van een lelieblank slachtoffer, en ook dat is niet zonder risico. Er is in onze samenleving veel aandacht voor het verhaal van het slachtoffer, er wordt wel eens gesproken over een slachtoffercultuur. Maar binnen dat verhaal is er maar weinig ruimte voor variatie, en dikwijls wordt van het slachtoffer ook een soort heldendom verwacht; het slachtoffer moet iemand zijn van wie we kunnen houden. In werkelijkheid is dat vaak niet het geval. Het jongetje dat ik in de trein tegenkwam was geen schattig meisje, zoals we dat straks in de film zullen zien. In het Engels hebben ze daar een woord voor: hij was niet loveable. Ongetwijfeld wordt hij niet op feestjes gevraagd en trekt hij niet de aandacht van de omgeving – laat staan dat hij de steun krijgt die hij nodig heeft.

*

it takes a villageMishandeling en misbruik hebben niet op iedereen hetzelfde effect. Vergelijkbare situaties zijn voor sommige kinderen veel schadelijker dan voor andere en er bestaan mensen die in alle opzichten relatief succesvol uit zelfs de meest problematische jeugd tevoorschijn komen. Veerkracht, noemen we dat.

Zodra we een vermoeden van kindermishandeling melden, wordt het primair een zaak van professionals en van de protocollen die daarbij horen. Een protocol geeft richting in het woud van duivelse dilemma’s rondom kindermishandeling; het is bedacht ter bescherming van kinderen die toch al kwetsbaar zijn. Maar een protocol is er ook, en uiteindelijk misschien nog wel meer, voor de omstanders. Wie volgens het protocol gehandeld heeft, heeft altijd iets om op te wijzen, heeft altijd een rechtvaardiging; het was misschien uiteindelijk niet juist, maar wel volgens het protocol.

Als samenleving besteden we de jeugdzorg graag uit aan een onderbetaalde instantie, één waar we graag op mopperen, vlak nadat er weer een groot gezinsdrama heeft plaatsgevonden. Dan volgt er een onderzoek, dan zeggen we dat dit nooit meer gebeuren mag. In de nasleep van die verontwaardiging wordt het protocol steeds belangrijker, de vraag of alle regels wel gevolgd zijn. Tegelijkertijd is onze aandachtsspanne kort, en heeft jeugdzorg zelden de prioriteit wanneer de budgetten verdeeld worden.

We praten vanavond over één, enkel dilemma; melden of niet melden. Achter die vraag schuilt een andere: in hoeverre is een geval van kindermishandeling ónze verantwoordelijkheid?

Er zijn namelijk uiteenlopende antwoorden op de vraag wat iemand veerkrachtig maakt, maar een van de factoren is de nabijheid van betrouwbare volwassenen op wie een kind wél kan rekenen, volwassenen om mee te praten, te lachen, om een andere situatie te leren kennen dan thuis. Er is, daadwerkelijk, een dorp voor nodig om een kind op te voeden. Het is gemakkelijk om op een instantie te mopperen, maar de werkelijke vraag is een andere, een die we minder graag stellen; zijn we zelf wel in de buurt wanneer dat nodig is, zijn we op het dorpsplein aanwezig?

*

Ik kijk naar hen, vanuit de trein, de moeder en haar zoon. Op het perron sjokt hij achter haar aan. Ik ken die houding van gestolde eenzaamheid, van spieren die zich permanent verdedigen. Het is een houding die niemand, zeker geen kind zou moeten hebben, een houding ver voorbij verdriet.

Mijn trein rijdt verder en de jongen verdwijnt uit het zicht. Ik weet niet wie hij is, maar ik weet dat hij het niet zal redden, dat hij hier nooit tegen op kan.

Ik weet nog steeds niet hoe anders, maar ik weet wel dat ik gefaald heb. Ik had iets moeten doen.

——-

wytske-versteeg-eline-spekWytske Versteeg (1983) studeerde in 2005 cum laude af in de politicologie en werkt momenteel aan een promotieonderzoek op het gebied van wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Twente. Behalve de romans De wezenlozen (2012) en Boy (2013) publiceerde Versteeg het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008), dat onder andere gebaseerd is op haar ervaringen als vrijwilliger in een crisisopvang. Dit is geen dakloze mengt filosofische literatuur met journalistieke observaties en de ervaringen van daklozen zelf en werd genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs Groot.  Versteeg won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar won zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 455, staat een kortverhaal van Wytske Versteeg, Overgave. Ze werkt aan haar derde roman.

In december 2014 is Wytske Versteeg Tirade‘s Zondagse Gastblogster.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

Enerzijds – Tirade 456 is bezorgd!

Zojuist kwam een fikse stoet gepantserde waardetransportwagentjes de Herengracht op rijden om halt te houden voor het hoofdkwartier van het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot. Wat droegen de dames en heren van Brinks naar binnen? De eerste felbegeerde exemplaren van Tirade‘s herfstnummer: Tirade 456.

In de loop van de komende week is het nieuwe nummer te koop in iedere zichzelf respecterende boekhandel. Maarrr… je kunt het nu al bestellen in de internet-webwinkel. Hiernaast zie je het voorplat van Tirade 456.

‘Wat mooi!’

‘Wat ongelooflijk súperprachtig.’

‘En dat zijn wat mij betreft dan nog gevoelsarme understatements… Ik moet bijna huilen van ontroering zo mooi vind ik het! Van deze Tirade ga ik minstens twintig losse nummers bijkopen, denk ik!’

llustratie: Suzanne van der Aa. Ontwerp: Emiel Efdée.

Voor de inhoudsopgave (met een overzicht van alle auteurs én vertalers): klik hier. Voor het achterplat: daar.

Tirade – monterrr.

Soundtrack: Singing Whistling in the rain.

De Bijlmer – de wereld

Volgend jaar bestaat Uitgeverij van Oorschot 70 jaar. Met Karel van het Reve en Jacques de Kadt deelde de oprichter Geert van Oorschot een maatschappelijke en politieke betrokkenheid, die zich vertaalde in de publicaties van de uitgeverij. Toen ik deze week in de Bijlmer was bij ‘Bijlmer Boekt’ realiseerde ik me bijna met een schok hoe verfrissend geëngageerde literatuur eigenlijk is. Hannah van Munster presenteerde er kort haar nieuwe roman, Onder de dreven, een schitterende boek.

Zij maakte deel uit van een literair variétéprogramma dat al enige jaren onder de titel Bijlmer Boekt in het Bijlmerparktheater plaatsvindt. Een heel gevarieerd en geëngageerd programma. Simone Zeefuik vond ik bijvoorbeeld interessant. Maar haar teksten had ik nog nooit eerder gezien of gehoord. Een vrouw die veel verschillende dingen doet, waaronder dit: “An Orange Blues” is the choreopoem centred around the anecdotes of 17 men who’re trying to survive an undocumented existence in the Netherlands. How does this influence their concepts of ‘home’, ‘identity’, ‘family’ and ‘normal’? What’s are the safest places to keep memories, hide fears and grow dreams?’ Grappig was dat ze een bepaald soort hum hum deed, nadruk op tweede hum, die een enorm effect op de aanwezigen had: een uiting van semistreng misnoegen dat ook komisch bedoeld is en tot het typisch Bijlmerjargon zou behoren. Ik begrijp nog niet zo goed wat Simone Zeefuik allemaal wil en kan, maar ik voel me erdoor aangesproken. Misschien ook door het intrinsieke verwijt in veel van haar tekst. Raciale kwesties waarvan ik denk dat ze mij niet aangaan, maar is dat zo? Op haar blog – in het Engels, vind je veel stukken over Afrika, en enig misnoegen over de onbekendheid van ‘De Nederlander’ met dat continent. ‘De Nederlander’ ziet het meestal fout.’ Maar wie is die ‘de Nederlander toch’? Ik voel me erop aangesproken en het gaat toch niet over mij. Zou dat racisme zijn?

Een bijzondere combinatie van ongemakkelijkheid en breeduit lachen was het optreden van Kabier Noor Mohamed, ‘hij leeft van crisis naar crisis en het enige wat hem overeind houdt is het levenslied, zoals een aankondiging op een youtubefilmpje luidt. Een Hindoestaanse man met een Amsterdams accent, een groot drank- en drugsprobleem, waarmee hij koketteert, en een repertoire van chansons op eigen tekst en Hazesliederen. Foute grapjes tussendoor die net niet leuk zijn, typisch Hazes dus ook in zijn ongemakelijkheid, maar de tragiek van de man ligt open al lijkt hij nog niet te weten dat de echte tragiek nog komt. Hij deed onder meer, een ‘Zwart kerstfeest.’ Leuk? Ik weet het niet. Relevant wel.

En een conference van Nathalie Baartman die op haar beurt liet weten excentrisch te zijn door haar Twentse achtergrond. ‘Op haar zeventiende verhuist ze naar Nijmegen om psychologie, filosofie en ontwikkelingsstudies te studeren. Vanuit haar idealistische wereldbeeld is ze voornamelijk geïnteresseerd in de fundamentele fout van de mensheid die zoveel ellende in de wereld veroorzaakt.’ Indrukwekkend was haar vertolking van een Servisch strijdlied, vanuit het niets, snoeihard, echt geweldig. ik vond het helaas niet op internet. De programmering was dus gevarieerd maar eenduidig in engagement: Said El Hadji over het Mandelamonument, Joke van Leeuwen zong de blues en deed een aantal gedichten in die vreemde hees-kinderlijke stem die eerst irriteert en je daarna  volledig meeneemt.

Ik houd niet zo van literaire avonden, en ben niet zo’n fan van de presentatie van Christine Otten. Maar de volgende keer ga ik weer naar Bijlmer Boekt.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De weg naar huis

DSC_0707Aan het eind van de middag betaalde ik de jongen met de scheve lach voor het letten op onze auto, waarna ik zijn erf af reed om mijn gezin en onze bagage op te pikken bij de kade. Toen ik aankwam zwaaiden Birre en Nadim net de bootsman uit die – in zijn eentje – begon aan de drie uur stroomopwaarts, terug naar zijn dorp bij de soela.

We laadden alles in, maar keken niet echt naar wat we deden; de rivier leek een hogere zwaartekracht te hebben dan de weg terug naar huis. Birre kocht water onder de rode luifel van supermarkt Han Fo, en een pakje met een trosje druiven erop voor Nadim, dat Grape Drink heette. Ik wilde zeggen dat daar geen druppel druif in zat, maar vroeg me net op tijd af wie het iets zou kunnen schelen.

De weg van Atjoni naar Paramaribo bleek op ons na verlaten. Ik hield de naald tegen de tachtig, zakte onderuit in mijn stoel en probeerde uit te rekenen hoe laat we in de stad zouden zijn. Of ik dan nog ergens telo zou kunnen eten.

Als het donker zich om je rijdende auto sluit en de weg verlaten genoeg is, wordt het snel aannemelijk dat je gezin het laatste op aarde is, rijdend op de laatste liters brandstof. Dat je op weg bent naar iets waarvan je weet dat het niet meer bestaat. Rijden tot je aankomt of totdat de benzine op is; het uitstellen van de onvermijdelijke stilstand.

Nog voor Brownsberg werd het licht uit de hemel getrokken. Omdat de schemering hier in Suriname zo’n accuut iets is, heeft het erg Nadims aandacht. Zo kan hij in het halve uur tussen licht en donker wel tien keer vragen of het dan nu schemering is. Ik keek achterom, zag dat zijn koppie voorover hing, zijn armen met de polsen naar boven langs zijn zij in de universele houding van het slapende kind

‘Birre,’ zei ik. ‘Man down.’

Ze keek achterom en glimlachte hoorbaar: ontsluitende lippen, wangen die loskomen van kiezen, een korte uitademing door de neus. Daarna leunde ze voorover om Al Green aan te zetten. The Reverend zong dat hij zo genoeg had van het alleenzijn. Zo vreselijk genoeg.

Na een half uur stopte ik de auto om in de berm te plassen. Ik vroeg me af waarom ik in de berm plaste als ik me op een verlaten weg bevond, tweehonderdvijftig kilometer van de dichtstbijzijnde stad. Op het warme wegdek verdampte mijn urine onmiddelijk tot een van de vele dierlijke geuren die bij oerwoud horen. Als een trage motor kwamen de cicaden op gang. 

Tegen de tijd dat de schoorstenen van Suralco opdoemden leek het – hoewel half acht – de diepste uren van de nacht. Een post-apocalyptisch roestbruin organisme, vastgezogen aan de rode aarde op de grens van oerbos en savanne: gele lampen, witte rook, raderen zo groot als wagenwielen. Nog vijfenveertig minuten en we zouden thuis zijn.

Meneer Green zong mijn lievelingsnummer, Your Love is Like the Morning Sun, en zoals elke dag sinds onze aankomst werd ik vol getroffen door het besef van mijn rijkdom. Door het simpele feit dat ik hier, nu, ben.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Grey Gardens

Een overwoekerd landhuis, een tuin die nog het meest lijkt op de jungle van Sumatra, tientallen schurftige katten en twee kiftende dames. Meer is niet nodig om een documentaire op poten te zetten. Grey Gardens (1975) laat hen zien: Edith en Edie Bouvier Beale, moeder en dochter in hun zwaar verwaarloosde buitenhuis van 28 kamers in het luxueuze East Hampton. En dat terwijl moeder vroeger een glamoureuze zangeres was, en dochter een socialite. ‘It’s very difficult to keep the line between the past and the present,’ zegt Edie aan het begin van de documentaire, zonder enige ironie.

Het zijn niet zomaar moeder en dochter in deze film, Edith was de tante en Edie de volle nicht van Jacqueline Kennedy (geb. Bouvier). Hoe konden ze dan zo afglijden, van puissant rijk tot twee rare vrouwen met alleen een enorm huis als bezit? Dat is een ingewikkeld verhaal waar geen duidelijke versie van bestaat. Het enige wat vaststaat is dat het huwelijk van Edith al snel op de klippen is gelopen, waarna het allemaal bergafwaarts is gegaan. De toestand waarin ze leefden was zelfs zo slecht – geen water, zwaar vervuild – dat de Kennedy’s begin jaren zeventig te hulp schoten om orde op zaken te stellen. De documentaire laat zien dat het niet heeft mogen baten.

Hoe het zo gekomen is doet er eigenlijk niet toe. In Grey Gardens, ook de naam van het landgoed, komen zonder filter de dagelijkse beslommeringen van moeder en dochter in beeld. Genadeloos laat de documentaire zien hoe zij ruziën over het verleden, want dat blijft hun een doorn in het oog. Wie heeft er gelijk? Edie, die haar moeder de schuld geeft van de hele situatie? Of Edith, die de omstandigheden en familie verantwoordelijk houdt? Het levert een stuitend dagelijks ritueel op van herinneringen ophalen, bekvechten, maar tegelijkertijd ook van zingen en verzoenen. Niemand heeft gelijk als het om het verleden gaat. Ze zitten nu eenmaal met elkaar opgescheept en kunnen niet met én niet zonder elkaar.

Edie in betere tijden
Edie in betere tijden

Een van de tragedies in de film is de positie van Edie, de dochter, die naar de pijpen van haar moeder danst en geen kant op kan. Terwijl haar moeder in bed ligt als een ouwe taart gehoorzaamt zij haar bevelen. Edith kan geen moment alleen gelaten worden, want dan begint ze alweer om haar dochter te kermen. Edie komt in de documentaire één keer van het landgoed af, wanneer ze heel kort, nog geen honderd meter verder, op het strand ligt. Ze herhaalt een paar keer dat ze weg zal gaan, dat ze nooit heeft kunnen trouwen omdat ze altijd voor haar moeder moest zorgen, en geeft haar moeder kortom de schuld van alles. Maar ze vertrekt niet.

Wat is er van hen geworden? Is er een leven na Grey Gardens? Edith sterft in 1977, waarna Edie in het huis blijft wonen. Zij staat een tijdje op de planken als cabaretière in New York, maar is volstrekt niet succesvol. Eind jaren zeventig verkoopt ze Grey Gardens, tegen de opdracht van haar moeder in. Ze woonde her en der, onder meer in New York, maar eindigt in Florida, waar ze leefde als kluizenaar, schrijvend aan gedichten en corresponderend met vrienden en fans tot haar dood in 2002. Haar dode lichaam werd pas na vijf dagen ontdekt.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Donor

Ondanks haar eigen idyllische kinder- en jeugdjaren heeft mijn vriendin nooit de behoefte gevoeld zelf een kind (m/v) op de wereld te zetten. Bij mij thuis is neuken een zuiver amoureus-recreatieve activiteit. Vraag je mijn vriendin of ze kinderen heeft, dan antwoordt ze blij: nee, ik ben kindvrij. Ze mist het kinderwens-gen. Ik heb dat altijd erg aantrekkelijk gevonden, sexy is het betere woord. Mijn vriendin is, hoewel ze eruit ziet als 25, inmiddels 39, dus dat haar biologische eierwekker alsnog zal afgaan lijkt me zeer onwaarschijnlijk.

‘Maar hoe zit dat dan bij jou,’ vraagt Lieke. We zitten in De Balie (de melanzane voor haar, De Balieburger voor mij) en omdat we allebei op vrouwen vallen, is dat de hele avond al ons belangrijkste gespreksonderwerp.

‘Bij mij is het minder categorisch. Tot 2005, 2006 wist ik altijd zeker dat ik geen kinderen wilde, sindsdien realiseer ik me dat je zonder kinderen ook wel iets mist. Maar er is geen drama hoor: mocht ik kinderen willen met een andere vrouw, dan vindt mijn vriendin dat oké.’

‘Tof!’

‘Ja. En ook gewoon fair, toch?’

‘Nou,’ roept Lieke na een korte stilte door de zaal, ‘Misschien doe ik nog wel eens een beroep op je als zaaddonor! ’

Tirade –  snel, ongeremd.

———–

Volgende week: twee ZKV’s. Cinema. En meer.

Één dezer dagen: het voorrrplat van Tirade 456. En soon: dit is Tirade‘s Zondagse Gastblogger in December 2014…

Gastblog: Maarten van der Graaff

‘Poets should get back to saying crazy shit / All of the time’ – Dorothea Lasky

‘I want to make the world more interesting than my problems. Therefore I have to make my problems social.’ – Chris Kraus

Deze citaten komen in mijn tweede bundel te staan. Motto’s, ik ben er niet gek op. Ze zijn vaak zo didactisch en opschepperig. Alsof iemand staand, met één voet al te sierlijk op de kruk geplaatst, vol op een orgel staat te rammen. Maar ik kan deze motto’s niet weerstaan, ze lijken precies te zeggen wat ik bedoel.

Op facebook postte Niña Weijers deze vraag:

‘Na een opmerking van Maarten van der Graaff bleef deze vraag me bezighouden: worden mannelijke schrijvers in blurbs wel eens vergeleken met vrouwelijke?’

Ik maakte die opmerking n.a.v. deze blurb op de Nederlandse vertaling van de nieuwe Ben Lerner.


Een jonge Karl Ove Knausgård! Waarom geen jonge Chris Kraus, vroeg ik me af. Dat lijkt me namelijk wel een vergelijking die hout snijdt. Een vergelijking die in een ander artikel uit de Times overigens wel wordt gemaakt.

In hetzelfde stuk merkt Hari Kunzru over Knausgård-Lerner het volgende op:

‘In “Leaving the Atocha Station,” this anxiety was comically excessive, and Lerner’s alter ego seemed to stand in a long line of literary schlemiels, the genealogy of Philip Roth and Gary Shteyngart. “10:04” is an attempt to break out of this tradition of well-armored self-deprecation into — what, exactly? This is no kamikaze attempt at truthfulness or self-disclosure in the vein of Karl Ove Knausgaard. Lerner’s position is always hedged. ‘

Knaus is bekender dan Kraus, dat snap ik ook wel, beter blurbmateriaal dus, maar is dat niet dezelfde vraag? Even de traditie omspitten:

‘Willem Frederik Hermans is een schrijver van het kaliber Anna Blaman.’

‘Daniël Rovers heeft goed naar de vreemde, vormbewuste zinnen van Marie Kessels gekeken.’

‘Anton Valens is een soort melige Marja Brouwers.’

‘Van de generatie van Doeschka Meijsing hebben we eigenlijk alleen Willem-Jan Otten, Matsier en Van der Heijden nog.’

‘Na Charlotte Mutsaers heeft Nederland er eindelijk weer een schrijver bij. Haar naam is Niña Weijers.’

Ik liep een paar dag geleden over een verlaten spoor 7 in de richting van de Van Sijpesteijnkade, toen achter mij iemand blafte of ik wist waar en wanneer die godverdomse nachttrein naar Amsterdam vertrok. Het was Pierre Bokma. Dit is Pierre Bokma, dacht ik, keek in zijn grimmig zoekende ogen en zei dat ik het niet wist. Godverdegodverdedomme, zei Pierre Bokma en beende een roltrap op.

Wanneer ik plotseling, in een omgeving waar ik er onmogelijk op voorbereid kan zijn, een bekende Nederlander tegenkom, is het alsof er een fout in de Matrix optreedt. Ik ga hier slecht mee om. Ooit zag ik in het Guggenheim Gerard Cox en Joke Bruijs naar Picasso’s kijken en was de hele verdere dag nerveus.

Toen Pierre Bokma was weggehold filmde ik een lege colabeker, die aan de voet van de roltrap lag en door het mechaniek voortdurend, hypnotiserend werd rondgedraaid. Ik doe dit soort kunstacademiedingen wanneer ik veel heb gedronken. Dit stukje moest eindigen met dat filmpje, maar ik zie het niet meer bij de video’s op mijn Sony staan.

0 tips voor een vervullend leven

Tip 1: Herkenning

Heeft u dat nou ook? Dat alles zo herkenbaar is? Elke dag als ik thuis kom, en mijn kat me angstig aankijkt, laat ik me op de bank zakken en denk ik: dit is echt thuiskomen voor mij. Onderzoek* heeft aangetoond dat vrijwel honderd procent van de mensen zich herkent in herkenbare situaties. Ik zou dat graag het teletubby-effect willen noemen. Want nog een keer is zoveel lekkerder dan voor het eerst. O, het warme bad van herkenning, van weten waar je aan toe bent, van bevestigd krijgen wat je al weet. Geen onzekerheid, geen verrassingen. Tegen die heerlijkheid is geen mens opgewassen.

Als je maar lang genoeg wacht, wordt alles herkenbaar. Het been-there-done-that-gevoel moet zo tegen de negentig toch de overhand krijgen, lijkt me. Maar veel mensen (U ook? U ook?) willen niet wachten tot hun negentigste voor ze een beetje comfortabel kunnen achteroverleunen in de rolstoel des levens. We willen beslagen ten ijs komen. We willen weten wat we niet weten. We willen herkennen wat we niet kennen. Alles als we ons maar niet onzeker hoeven te voelen. Als ik er zo over nadenk is het egoïstisch eigenlijk, om een ander niet mee te laten meeprofiteren van dat hetgeen jij door schade en schande hebt geleerd? Vind u dat ook niet? Gruwelijk gewoon. Gelukkig biedt het internet hoop.

7 tips voor goed slapen
8 irritante dingen die alle mannen doen tijdens de seks
9 tips om gelukkig te worden
10 manieren om uit de gevangenis te breken
11 dingen waar je je schuldig over kunt voelen als moeder
12 verschillen tussen mannen en vrouwen (in het Italiaans)
13 tips tegen depressie
(sprongetje)
21 tips om muggen te weren
(ik zet mijn verdubbelaar in)
42 manieren om liefde en respect te krijgen
(nog een keer! Min één)
83 redenen om van Warren Buffet te houden

Tip -1. Vervreemding

Laatst kwam ik thuis. Mijn huiskamer was koud en leeg, op een kat na die op me afliep met doodsangst in de ogen. Ik liet me op de bank zakken en dacht: is dit alles? Onderzoek heeft aangetoond* dat eigenlijk niemand een idee heeft waar we nou helemaal mee bezig zijn. Al heb ik geen idee of dat waar is. Of wat waar is? Of waar wat is? Daarom ploeteren we lekker voort door het absurd universum. En laten we ons meesleuren door die grauwe sloot des levens, waarin, op de groezelige bodem, gek genoeg een hoop rolstoelen liggen.

Hoe ouder we worden hoe vreemder alles wordt. De onbegrijpelijkheid van het leven neemt ondraaglijke vormen aan soms. Bijvoobeeld als je leest dat er een zeekat is die zijn houding aanpast aan de richting van de strepen op het behang van de kamer waarin zijn aquarium staat. Dat krantenknipsel uit 2011 vond ik opgevouwen in mijn collected stories bundel van Lydia Davis.

What she knew.
People did not know what she knew, that she was not really a woman but a man, often a fat man, but more often, probably, an old man. The fact that she was an old man made it hard for her to be a young woman. It was hard for her to talk to a young man, for instance, though the young man was clearly interested in her. She had to ask herself, Why is this young man flirting with this old man?
Lydia Davis (uit: Break it Down)

Is mijn kat eigenlijk ook een meester van camouflage, vroeg ik me daarna af. Alie, zeg het me, probeerde ik. Je bent geen zeekat, maar toch, zou je je streepjes aanpassen aan het behang als ik behang had? En geldt het alleen voor streepjes, of ook bij ballonnetjesbehang? Het meest onuitstaanbare is dat ik het idee heb dat ze wel probeert te antwoorden maar dat ik haar niet versta. Zij mij wel. Om me duidelijk te maken dat ze me geestelijk de baas is, groet ze me elke ochtend met een duidelijk verstaanbaar hallo.

Kijk svp). “Ik heb last van optimistische buien. Dan zie ik het ineens weer helemaal zitten. Dan zie ik het ineens allemaal goed komen. Dan heb ik er ineens weer zin in. Dan heb ik zó’n vertrouwen. Dan denk ik ja het kan, ja ik wil, ja we zullen. Dan wil ik het uitschreeuwen, dan wil ik het van de daken schreeuwen. (…) En mijn eigen vrienden zullen zich van me vervreemd voelen. Ze zullen zich van me afwenden. Ze zullen hun hoofden schudden en zich omdraaien. En ze zullen in het café afspreken, zonder mij. En napraten over hoe idioot ik doe. En ze zullen het eens zijn: die is niet normaal, daar heb je niets aan. En ze zullen me vergeten. Dus als ik weer zo’n bui op voel komen dan zet ik mijn telefoon uit. Dan doe ik de gordijnen dicht en hou ik me vast aan het matras. En wacht ik tot het over is.” (uit aflevering 2: Zelfhaat).

* Voetnoot <#// error_ z3235:ben>je>stapel?\\#>. Onderzoek, welk onderzoek? Kan wetenschap eigenlijk iets aantonen? Daar had natuurlijk moeten staan: wetenschap heeft nog niet weerlegd dat. Het schijnt trouwens dat onder vrouwen die Mies heten vaker depressie wordt vastgesteld (uit: de niet weerlegde correlaties van misdadiger Diederik S.)

De genadige hardhandigheid van Flannery O’Connor

Vandaag, om 22.59 uur, zendt NPO2 ‘De verloren zoon’ uit, de nieuwe kortfilm van Jaap van Heusden. Afgelopen woensdag ging de film in première in De Balie (Amsterdam). De verloren zoon werd ingeleid door schrijfster Maria Stahlie. Hieronder vind je – met dank aan de auteur – de integrale tekst van haar lezing.

 

Flannery O’Connor, de Amerikaanse schrijfster van wie de niet minder dan stoutmoedig te noemen filmer Jaap van Heusden een verhaal heeft bewerkt en verfilmd, stelde in een van haar spaarzame lezingen dat het publiek van alle kunstenaars de verhalenverteller het meest als zijn gelijke beschouwt. Ze zei: ‘Schilders en componisten hebben minder te maken met deze democratisering omdat ze zich wijden aan zaken waarvan de meeste mensen niet zoveel weten. Maar de verhalenverteller schrijft over het leven en daarom schat iedereen met een leven zichzelf instinctief in als een evidente verhalenautoriteit.’

Het lijkt voor lezers de normaalste zaak van de wereld dat een boek hen ter meting, ter weging wordt aangeboden: komt het boek tegemoet aan wat zij in een verhaal zoeken dan wordt het als superieur beoordeeld, maar als het boek hun gevoelige snaar niet voldoende weet te beroeren dan is het gewogen en te licht bevonden. De waarheid wil echter dat lezen een mateloos riskantere onderneming is. Bij iedere ontmoeting tussen een lezer en een boek is het maar zeer de vraag wie er door wie gemeten wordt. Het is allesbehalve denkbeeldig dat je als lezer geen partij bent voor een boek en dat je als lichtgewicht opzij wordt gezet.

Nooit ben ik (als mens, als lezer, als schrijver) zo intimiderend de maat genomen als door de onafhankelijke, compromisloze, authentieke, barbaars-komische, scherpzinnige, schokkende, optillende en gewelddadig-liefdevolle verhalen van Flannery O’Connor.

FlanneryOConnor zwFlannery O’Connor (1925-1964) groeide op in Georgia – in het hart van het diepe Zuiden van de Verenigde Staten -, ging als studente naar Iowa en naar New York, publiceerde als 24-jarige haar eerste roman, Wise Blood, en kreeg op haar 25e de ziekte waaraan haar vader in 1941 was overleden (een auto-immuunziekte).

Haar gebroken gezondheid dwong haar terug te keren naar haar geboortestreek waar zij, in het kader van de secure verzorging die ze nodig had, samen met haar moeder op een boerderij ging wonen. Letterlijk en figuurlijk beperkt in haar bewegingsvrijheid, zorgde een weldoordacht, glashelder geloof – ze behoorde met een bezielde overtuiging tot de Rooms-Katholieke Kerk -, in combinatie met onverschrokkenheid en humor ervoor dat ze van de nood een deugd maakte: ze leerde de afzondering en overzichtelijkheid van haar bestaan te zien als de ideale voorwaarde om op het scherpst van de snede werken van de verbeelding te kunnen schrijven.

In de resterende veertien jaar van haar korte leven, ze werd niet ouder dan 39 jaar, schreef ze een twintigtal verhalen – gebundeld in A Good Man Is Hard To Find en Everything That Rises Must Converge – en de roman The Violent Bear It Away… en tussen de bedrijven van het schrijven door ontving ze allerhande bezoekers, correspondeerde ze geducht over de luchtigste en essentieelste zaken, en gaf ze haar moeder – met wie ze een warme, ontspannen verstandhouding had – niet-aflatende kopzorgen over de bloemen-etende, explosief groeiende pauwenkolonie die ze er uit een aloude voorliefde voor pluimvee op nahield.

Hoe is het mogelijk dat iemand zo jong, zo ziek en zo ver weggestopt in een achtergebleven gebied mij met haar excessieve verhalen keer op keer in de waagschaal smijt en te licht bevindt?

Voor Flannery O’Connor bezit een kort verhaal een even groot volume aan betekenis als een roman. Beide genres moeten, ongeacht het aantal pagina’s, ‘long in depth’ zijn, een klare diepgang bezitten, zodat onthuld kan worden dat in de zintuiglijke wereld de waarheid besloten ligt dat het bestaan een eeuwig mysterie is. De diepere lagen van een waarachtig, uit zintuiglijk waarneembare details opgebouwd verhaal, moet men niet proberen te interpreteren of vast te pinnen door er psychologische of morele etiketten op te plakken… die diepere lagen kan men, in hun organische volledigheid, ondergaan, ervaren en zo’n ervaring kan, als er een beetje geluk op rust, uitdijen en uitdijen in de geest van een lezer.

Haar verhalen spelen zich zonder uitzondering af in de wereld die ze vanaf haar geboorte kende: het ‘Christ-haunted’ Diepe Zuiden van Amerika waar mensen vaak een leven leiden waarin fundamentalistisch verwrongen protestantisme, racisme en bekrompenheid een verbinding aangaan met armoede en ongeschooldheid. Veel personages die ze opvoert (onder meer een door de erfzonde belaagde jongen die de Kerk zonder Christus predikt; een ontsnapte misdadiger die uit overtuiging ‘verdorvenheid’ tot zijn tweede natuur heeft gemaakt en gewoontegetrouw een heel gezin plus grootmoeder uitmoordt…) verschillen in hun geregeld groteske verschijningsvorm en extreme gedragingen op het eerste gezicht hemelsbreed van moderne, wereldwijze mensen.

Je hoeft echter geen zwaargewicht-lezer te zijn om al snel te beseffen dat de hoofdpersonen van deze woeste maar tegelijkertijd feestelijk-humoristische verhalen ons – wereldwijze mensen – onze eigen armzaligheid tonen, een armzaligheid die mogelijk aan het zicht wordt onttrokken door onze economische en culturele status maar die, door toedoen van de lauwheid van onze liefde en de apathie van onze zelfgenoegzaamheid, niet zomaar tot het verleden zal behoren. Toch is het allesbehalve het einddoel van de verhalen van Flannery O’Connor om ons in onze hoogmoed en povere kleingeestigheid te kijk te zetten. Zelf verwoordde de schrijfster haar centrale onderwerp als volgt: ‘Het gaat in mijn verhalen steeds opnieuw om genade die ten deel valt aan mensen die erg onwillig zijn om die genade zijn transformerende uitwerking te laten hebben… onwillig omdat er eerst diepe wonden geslagen moeten worden voordat een mens wezenlijk kan veranderen.’

De werking van genade, daar gaat het om in de verhalen van Flannery O’Connor. Om ten overstaan van hedendaagse lezers – vaak rationele atheïsten – én ten overstaan van zichzelf zoiets ongrijpbaars als genade een granieten werkelijkheidsgehalte te geven, maakte haar verbeelding keer op keer gebruik van personages die de schok van een frontale aanval te verduren kregen. Die schok moest voor een lezer evenveel impact bezitten als voor het geteisterde personage. ‘Zoals alleen een diamant een diamant kan snijden, zo kan alleen een verwoestende klap versteende harten splijten.’

Het is me een raadsel dat de strategie van de genadige hardhandigheid niet heeft kunnen voorkomen dat er nog heel wat lezers zijn geweest die haar houding ten opzichte van haar verhaalfiguren laakten als koud, wreed en cynisch. Het is waar dat de liefde voor de vaak weinig bevoorrechte mannen, vrouwen en kinderen in haar boeken verschoond was van voor de hand liggende compassie, maar dit betekende niet dat ze haar groteske en perverse personages neerbuigend behandelde of bespotte. Sterker nog, zij verontrust ons, haar lezers, door de personages die wij voor bijgelovige ‘freaks’ verslijten te tonen als ‘geweldenaars’, als dragers van het vuur dat ‘the violence of love’ kenmerkt. Haar eigen ‘violent love’ voor de onbevoorrechte mensen over wie ze schreef werd gevoed door een hoge ernst en was verweven met een niet-zachtzinnige eerbied voor hun aangeboren eigenheid. Het was een gestaalde liefde. In een brief aan een vriendin schreef ze: ‘Was liefde maar een stok… dan kon je er tenminste flink mee om je heen meppen.’

Flannery coverSchokkend, hardhandig, excessief… dat is ook het verhaal dat Jaap van Heusden heeft uitgekozen om tot een film te bewerken. The Lame Shall Enter First, zo heet het verhaal, en het gaat over de alleenstaande vader Sheppard die een jaar daarvoor zijn vrouw is verloren, zijn tienjarige zoon Norton die gebukt gaat onder het verdriet om de dood van zijn moeder, en de 14-jarige, hoogbegaafde delinquent Rufus die volgens zijn eigen fundamentalistische geloof verdoemd is omdat hij in de greep is van de duivel. Sheppard (een veertigjarige seculiere rationalist die zichzelf inschat als een waarachtige weldoener) besluit de straatjongen in huis te nemen. Hij denkt daarmee twee vliegen in één klap te slaan: hij wil zijn zoon, die hij zelfzucht verwijt omdat hij zich verliest in rouw, een les in onbaatzuchtigheid leren én hij wil Rufus kleden, voeden en verlossen van zijn bekrompen geloof zodat hij – met al zijn intelligentie – in zíjn, Sheppards, rationele en filantropische voetsporen kan treden. Sheppard merkt al snel dat hij zich verschrikkelijk heeft verkeken op zijn liefdadigheidsproject en dat Rufus volkomen ongevoelig is voor de daden en de wijsheden van zijn weldoener. Wat volgt is een mentaal gevecht op leven en dood waarbij Sheppard er – tegen al zijn verwachtingen in – langzaam van doordrongen raakt dat hij geen partij is voor de fundamentalistische straatvechter die Rufus is. De verbijsterende ontknoping, de genadeklap die Flannery O’Connor voor Sheppard in petto heeft, zal ik hier niet beschrijven, maar de hardhandigheid ervan doet een lezer naar adem snakken. En naar adem snakkend weet diezelfde lezer dat rationele overpeinzingen over wat Sheppard in het centrale uur van zijn leven overkomt, niet opwegen tegen het genadige geweld dat al zijn waarheden in één klap binnenstebuiten keert.

In de tijd dat de verhalen en romans van Flannery O’Connor verschenen – zo’n vijftig à zestig jaar geleden – bestond het leeuwendeel van het leespubliek al uit mensen die waren gevormd door seculiere, humanistische, rationele idealen. Het was in die omstandigheden niet verwonderlijk dat haar verhalen veelal grondig werden misverstaan. Wat men zag was een schrijfster die een groot, satirisch vermogen bezat om de groteske atmosfeer van het ‘Christ haunted’ Diepe Zuiden van Amerika op papier tot leven te wekken. Wat men niet zag – of niet wilde zien – was dat het mens- en het wereldbeeld van Flannery O’Connor hemelsbreed verschilden van hun eigen diepste overtuigingen. Nu, in 2014, staat de mondiale culturele elite zo mogelijk nog verder af van de Christelijke traditie waaraan Flannery O’Connor haar verstand en hart verpandde. Het getuigt in mijn ogen van niet minder dan onverschrokkenheid dat een filmer als Jaap van Heusden het aandurft een verhaal als The Lame Shall Enter First over te hevelen naar het hedendaagse, voorbeeldig-seculiere Nederland.

Tot slot, nu Jaaps film deel uitmaakt van een serie die Duivelse Dilemma’s is genoemd, én omdat de duivel in The Lame Shall Enter First een centrale rol speelt, wil ik hier graag een citaat geven uit een van de brieven van Flannery O’Connor waarin zij spreekt over de duivel. Een collega-schrijver beweerde dat zij schreef met de pen van de duivel en daarmee is ze het niet eens. Ze schrijft: ‘De reden waarom we het hier nooit over eens zullen worden is de volgende: er is een verschil tussen onze twee duivels. Mijn Duivel heeft een naam, een geschiedenis en een welomschreven missie. Zijn naam is Lucifer, hij is een gevallen engel, zijn zonde is hoogmoed en zijn oogmerk is de vernietiging van Gods plan. Ik heb het sterke vermoeden dat jouw Duivel Gods gelijke is en niet een van zijn schepselen; dat hoogmoed zijn deugd is, niet zijn zonde; en dat zijn missie niet neerkomt op de vernietiging van Gods plan omdat er helemaal geen plan van God ís dat vernietigd hoeft te worden. Mijn Duivel is objectief en de jouwe is subjectief.’

Voor de meesten van ons, zo vermoed ik, zal het geen duivels dilemma zijn om uit te maken welke van de twee door Flannery O’Connor beschreven duivels die van ons is. Het is de vraag of onze hoogmoed getuigt van naïviteit of van gezond verstand.

———-

Marie Stahlie portret bankMaria Stahlie (1955) is schrijfster. Zij debuteerde in 1987 en ontving verschillende prijzen voor haar werk. Onlangs presenteerde zij haar veertiende boek, de roman Egidius, die in De Morgen al werd onthaald op een juichende recensie (5 sterren) door Fleur Speet. Toef Jaeger interviewde de auteur voor NRC.

Portret Maria Stahlie (copy, paste): NRC.

 

 

Vragen

are-they-human-questionsFerdinand von Schirach is een Berlijns strafpleiter die boeken is gaan schrijven. In vertaling komen ze uit bij De Arbeiderspers. Er is iets zeer aantrekkelijks aan juristen die schrijven. Omdat ze zulke goede vragen stellen. Niet  Geert-Jan Knoops, niet Bram Moskovicz, zij missen de afstand en ze zijn te zeer gevleid door media-aandacht, zo lijkt het. Von Schirach’s debuut Misdaden is een heel fraaie verhalenbundel met als uitgangspunt zijn eigen juridische praktijk. Het gaat over mensen en de achterliggende verhalen waardoor zij tot hun daden kwamen.  Een recente verzameling van artikelen die Von Schirach schreef voor ‘Der Spiegel’ komt misschien niet in vertaling, omdat ‘essays’ niet verkopen en wellicht omdat het allemaal een beetje te Duits is. Maar er zijn goede redenen om het boekje Die Würde ist antastbar  te lezen. Eén ervan is de verstandige voortdurende bevraging van de contemporaine rechtspraktijk, bijvoorbeeld vragen rond de openbaarheid, of meer de media-gestuurdheid van het rechtsproces. Hij schrijft daar in deze bundel een aantal mooie stukken over. Hij stelt vragen. Vragen krijgt Von Schirach zelf ook over zijn grootvader, Baldur von Schirach. Zonder meer het mooiste stuk in  deze bundel heet ‘Du bist wer du bist. Warum ich keine Antworten auf die Fragen nach meinem Großvater geben kann’.

what-does-that-man-questions-503x600Nog niet eerder heb ik iemand zich in een kleine 10 pagina’s zo soeverein zien verhouden tot zijn zeer nabije banden met het besmette Duitse verleden.

Een andere bijdrage bestaat uit louter vragen, onder de titel ‘Begrijpt u alles nog?’ . Ik vertaal er een paar en voeg er een paar van mij aan toe. Vragen is een vruchtbare bezigheid.

Zijn er in andere landen ook zoveel windmolens? Vormt het landschap de mens echt? Is het verstandig thans schulden te maken? Kunnen de Chinezen Europa kopen? Gelooft u dat volksvertegenwoordigers alles lezen waarover ze besluiten? Denkt u vaak na over eenzaamheid? Stuurt Rutte wel eens een SMS’je dat de melk en het brood op is? En aan wie? Heeft u op een vliegveld wel eens met de gedachte gespeeld uw bagage onbeheerd achter te if-god-loves-me-questions-386x600laten? Houdt u het voor mogelijk dat er een burgeroorlog komt? Zou het u aangenamer zijn als uw huis wel een kelder had? Hamstert u al? Waarom verdienen eenvoudige ambtenaren zoveel geld? Weet u eigenlijk wel hoeveel? Kent u een beleidsmedewerker? Bestaat er zoiets als het humeur van een land, een volk? Verontrust de gedachte u dat Linda de Mol soms ook niet lacht? Weet u wie de baas van Amazon is? Wist u dat Jeff Bezos waarschijnlijk de enige bezitter van 27 miljard is die voor zover bekend niet aan goede doelen doet? Zou u graag Belg zijn?  Vindt u het beangstigend dat de mensheid insolvent is, terwijl het 50.000 miljard aan schulden heeft? Bij wie heeft het die schulden? Er is een Wet van Behoud van massa? Is er geen Wet van behoud van waarde? Weet u wat de Gulden Snede is? Hoe precies weet u het? Herinnert u zich nog een vakantie in de lagere school jaren? Gaat het goed met u?

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Terugkomen

Ik heb altijd geschreven. Pas nu ik er – sinds een jaar of vier – dagelijks mee bezig ben, besef ik dat de verhalen die ik als kind in een schriftje krabbelde en de gedichten die ik als puber maakte geen gekke probeersels waren, maar het eerste vuren van synapsen; het begin van leven.

Als twintiger schreef ik twee boeken die ik nooit ergens zou durven aanbieden. Na thuiskomst uit het café waar ik werkte tikte ik nachtenlang bij het schijnsel van de oranje letters op het schermpje van mijn tweedehands desktop.

Ik rookte Bastos, toen. Liet de manchetten van mijn overhemd openhangen, waardoor de knopen tegen het tafelblad tikten bij het beginnen van een zin.

Vaak benauwt het me dat ik pas op mijn 38e debuteerde. Een verschrikkelijke haast bevangt me dan: maken, maken, máken voordat het te laat is, want het moet er allemaal nog uit. Op die manier kwam ook mijn laatste manuscript tot stand. Zoveel haast had ik ermee, dat ik niet zag dat het boek een hart miste.

Gelukkig weet een goede redacteur zoals een goede arts dat slecht nieuws het best direct gebracht kan worden.

Ik was terug bij af, en hield me voor dat deze tegenslag onderdeel was van mijn leerproces.

Na zes weken nauwelijks gewerkt te hebben, keerde ik gisterenavond terug bij mijn toetsenbord. De afzettingen van dode huid en gemorste koffie tussen de knopjes kwamen me vreemd voor, als achtergelaten door iemand die het apparaat voor me in gebruik had. Een accountmanager misschien, die er targets mee bewaakte en korte verhaspelde mailtjes op tikte. Onder de functietoetsen vermoedde ik shortcuts naar youtubefilmpjes over auto’s en sites die Brazzers of Analteens heetten.

‘Hier ben ik weer,’ fluisterde ik tegen letters en getallen, komma, puntkomma; punt. ‘Ik ben terug.’

Terwijl een kleuter met oranje en gele Ecoline losging in de hemel boven Paramaribo, startte ik Word op. Ik probeerde niet naar de cursor te staren, maar nog even te genieten van de oneindige mogelijkheden.

Misschien, dacht ik, houd ik wel evenveel van een afgerond verhaal als van die eerste lege bladzijde. Van dit korte moment voordat je woord voor woord een leven vast begint te leggen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Brieven

De romantiek van de brief is dezelfde als die van de bakelieten telefoon. Als kind van de tijd van mobieltjes en internet heb ik beide niet zo bewust meegemaakt. Misschien is mijn belangstelling voor brieven daardoor des te groter.

Wat vind ik de mooiste brief? Er zijn passages uit Seneca’s brieven aan Lucilius die me soms te binnen schieten – laatst werd ik er weer aan herinnerd. De brieven van August Willemsen (Braziliaanse brieven) zijn weergaloos en hyperzelfbewust: ‘(Deze bezinning op mijn schrijverij komt in feite neer op metaliteratuur over een eigen egodocument, wat je een kwadratuur van de masturbatie zou kunnen noemen, als ik me daar bij iets kon voorstellen.)’ Ik denk ook aan het voorwoord van Dostojevski’s De broers Karamazov, voor zover dat een brief aan de lezer is. Hij zegt daarin dat hij onzeker is over wat hij heeft geschreven, dat het de lezer misschien allemaal onbenullig voor zal komen, maar dat het niet anders geschreven had kunnen worden: de lezer zal het er maar mee moeten doen. Of misschien de brief die Malcolm Lowry aan zijn uitgever schreef om de afwijzing van Under the Vulcano te weerleggen, wat honderd kantjes redeneren opleverde – zo scherp dat het boek uiteindelijk gepubliceerd werd.

Op een boekenmarkt vond ik eens een boekje van de genoemde Van der Heijden, dat ik niet kende. Toen ik het doorbladerde – het koste maar een paar euro – viel er een papier uit. Ik herkende het handschrift, het was een brief van de schrijver zelf. ‘Kijk, een brief! Het is zijn handschrift!’ riep ik naar een vriend die met mij mee was. Voor ik het wist kwam de boekhandelaar op mij af en nam het boekje meteen van mij over. ‘Dat is dan tachtig euro,’ zei hij zonder een krimp te geven. Ik wist dat ik een fout had gemaakt, maar bedacht dat het altijd nog goedkoper was zelf een brief naar zijn Amsterdamse adres te sturen en te hopen op antwoord. Dat heb ik nooit gedaan.

Gisteren kreeg ik een mapje voor mijn neus met brieven aan mijn oma. Er waren ook brieven bij van de man die binnen de familie bekend staat als ‘opa van de bootjes’. Hij stuurde regelmatig korte briefjes, schreef niet onverdienstelijk en met humor. Tegen sinterklaastijd een keer begin jaren zestig schreef hij bijvoorbeeld: ‘Ik wens jullie een prettige Sint Nicolaasavond met veel cadeaus en vele soorten lekkers oa.: boterletter – speculaas – marsepein – chocolade – taaitaai – sprits – borstplaat – suikerbonen, afijn, teveel om op te noemen. (…) maar meisje denk om je lijn, want van al die zoetigheid, word je zoo vet als een beer!’ En begin jaren zeventig: ‘ik heb een goede verjaardag gehad met veel sigaren en veel bloemen en veel gasten en je moeder heeft je zeker wel verteld dat mijn dochter uit Engeland is overgekomen om mijn 90ste verjaardag mede te vieren!’

Ik ben blij dat zulke brieven bewaard zijn, ook al staan er dingen in die het geneuzel van een telefoongesprek niet overstijgen. Het heeft tenminste een vorm, een vaste vorm. Die krijgen we niet meer terug met alle vluchtige berichtjes die we elkaar tegenwoordig sturen en niet bewaren.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

‘Waist nog wel?’ – Nanne Tepper, 1962-2012

Tepper portretVandaag precies twee jaar geleden maakte Nanne Tepper een einde aan zijn leven. Zijn inzet als schrijver, dat wat je zijn poëtica moet noemen, was de ‘grandeur van de teloorgang’, en preciezer gezegd: hoe je die grootsheid voelbaar kunt maken in een verhaal. In zijn werk overheerst de nostalgie naar een verleden dat vooral zo paradijselijk is omdat het buiten het bereik van gezond verstand valt. Wat heb je ook aan gezondheid? Weliswaar raakt het heden verstikt door dat zwelgen in hoe het ooit was, maar dat hoeft niet onprettig te zijn.

Iedereen beseft wel dat je het verleden niet kunt herhalen. Gedane zaken nemen geen keer. Bullshit, vindt aankomend schrijver Hille Veen in De avonturen van Hillebillie Veen, kijk maar naar mijn manuscript! Daarin ligt mijn jeugd in Veendam en de liefde voor mijn nimfijn Yvonne opgebaard. Als zij het leest zal ze niet anders willen dan het vuur van onze liefde opnieuw opstoken. Hilles vriend repliceert: ‘Da’s wat anders mienjong… “waist nog wel” is iets anders den “wilst nog wel”.’

Nanne Tepper was de auteur van De eeuwige jachtvelden, De vaders van de gedachte en De avonturen van Hillebillie Veen, romans waarvan de kwaliteit per titel exponentieel minder werd. Dat is vooral te wijten aan zijn waanzinnig goede debuut, over de Oost-Groningse doktersfamilie Prins en de liefde tussen broer Victor en zus Lisa, een roman die tot de beste vijf Nederlandstalige romans van de vorige eeuw behoort.

In De eeuwige jachtvelden gunde Nanne Tepper zijn held Victor de zoete teloorgang – via Oude Huizen naar Groningen, Amsterdam, Parijs en terug naar huis – die hemzelf in zijn leven niet gegeven was. Aan het einde van het boek zijn Victor en Lisa voor even weer herenigd in het paradijselijke Groningse gehucht van hun jeugd. ‘Het klinkt in zijn hoofd en het is schril en lelijk, als een gevecht… Pathos, in muziek volledig acceptabel.’

In alles wat na zijn dood over Nanne Tepper geschreven is, teksten waarin herinneringen werden bovengehaald, brievenboeken aangekondigd, een eerdere poging tot zelfdoding gereconstrueerd, bleef onduidelijk waarom zijn spreekwoordelijke ganzeveer opdroogde, hoe hij in de versukkeling raakte, waarom hij op het einde van zijn leven alleen nog maar de auteur was van sardonische Engelstalige comments op obscure Amerikaanse muzieksites. Hoe en waar je ook leest, nergens een duidelijke oorzaak of verklaring. En natuurlijk is zo’n verklaring er uiteindelijk ook niet. Wat evengoed geldt voor dat raadselachtig goede debuut van destijds. Hoe is dat er ooit gekomen?

Waarschijnlijk de kernzin in zijn oeuvre, halverwege De eeuwige jachtvelden: ‘Maar wat viel er meer met het leven te beginnen dan het te romantiseren?’ Nanne Tepper bouwde in zijn boeken aan een eigen familie, een eigen thuis zoals ooit J.D. Salinger, die andere voortijdig gestopte schrijver, dat deed.Niet om het verlangen te stillen in oosterse berusting, maar om het, op nabokoviaanse wijze, volledig bot te vieren.

Kees ’t Hart heeft geschreven dat Nanne Tepper zichzelf ‘ten koste van alles’ in een staat van het ‘gelukkige schrijverschap’ kon brengen. Dat is een mooie en ook wel troostende diagnose achteraf.

Zijn dialogen zijn gemaakt voor de bühne, zijn metaforen sprankelen, hij had het goocheme van een aforist. Bijvoorbeeld deze: ‘De hemel boven Oost-Groningen: het plafond van zijn jeugd en misschien ook van zijn kunnen.’ Of hier, over Amsterdam: ‘Van dit krenterig decor werd je losjes en lacherig. Hier was de Hollandse ironie geboren.’

De mooiste zin uit het oeuvre is wat mij betreft een onopvallende. Hij heeft een rustig jambische gang en versnelt haast ongemerkt bij de adjectieven op het einde: ‘Haar kamertje was verduisterd, maar boven haar bed stak een geruststellend, onhoorbaar zoemend, lichtgroen lampje in het stopcontact.’ Oké, dat zal wel sentimenteel klinken, zo met die twee verkleinwoorden erin. Maar wat moet je anders als je ooit ook zelf zo’n groen lampje in het stopcontact in de kamer van jou en van je zus hebt gehad?

Het laatste hoofdstuk van De eeuwige jachtvelden is een naar verluidt faulkneriaanse (maar ik heb Faulkner nooit gelezen) innerlijke monoloog van de overleden Directeur van de plaatselijke bank. Hij beschrijft de dag van zijn eigen begrafenis en ziet vanuit het zolderraam hoe Lisa en Victor allebei gekomen zijn om hem de laatste eer te bewijzen. De slotregels van het boek luiden:

‘En ik hang voor dat dakraam en zie de avond over de velden en de zon die achter de einder dooft en er spoelt iets warms door dat wat van mij over is en dood zal ik wel niet meer gaan en als ik door het dakraam vloei en de avonden van altijd ruik, zie ik in mijn hoofd mijn oude vriend Zonnebloem die mij bij een elleboog pakt en zegt: “Mien beste kerel, waist nog wel…”’

Het is bijna twintig jaar geleden dat De eeuwige jachtvelden verscheen. Misselijkmakend toch, dat zoveel tijd zo ongemerkt voorbij kan gaan?

————

Daniël Rovers (1975) schreef de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt, de romans Elf en Walter en een bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning.  In Tirade 450 publiceerde Rovers een ‘tirade tegen zichzelf’ en in Tirade 453 het verhaal The Killing Fields. In het komende nummer van Tirade, Tirade 456, vind je een essay van Daniël Rovers over Jeroen Mettes en diens N30.

Foto Nanne Tepper: dbnl.

Anderzijds

De afgelopen dagen zijn we overspoeld door mails, brieven, kaarten en briefkaarten van mensen die schreven: ja, nu hebben jullie wel bekendgemaakt wie er allemaal bijdragen aan de komende Tirade, Tirade 456, maar hoe, in godsnaam, ziet het achterplat van dat nummer eruit? Nou. Hé. Kijk eens rechts van dit stukje… zo dus!

Ontwerp: Emiel Efdée, illustratie: Suzanne van der Aa.

Tip: leer de ISBN code van dit nummer vast uit je hoofd, dan maak je straks helemaal de blits bij de aankomend boekverkoopster (m/v) van jouw favoriete zelfstandige boekhandel door de hele rits (dertien cijfers!) zonder spieken – en in de juiste volgorde – op te dreunen.  Wat ook kan: abonnementje regelen.

Over een dikke twee weken verwachten we Tirade 456 van de drukkerrr.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij van Oorschot.

Binnenkort (hoei!): het voorplat.

Tirade – anderzijds, enerzijds.

Maarten van der Graaff – Lijst met openbaarmakingen

Lijst met openbaarmakingen

Fuck de avant-garde, zeg ik met Cathy Park Hong.
Ik maak openbaar dat ik in bed wil blijven
omdat ik gek word van alles om mij heen.

Ik maak openbaar dat ik in de polders van Zuid-Holland rondliep
en mij voorstelde dat ik overwoekerd werd door levensvormen
ouder dan de mens, ouder dan mijn eenzaamheid of die van jou.

Mijn fascisme is dat ik niet weet hoe ik moet schrijven over gemeenschap.
Ik maak openbaar dat Cathy Hong de poëzie gesegregeerd noemt
en dat ik niet weet hoe ik schrijven moet.
Dat ik hier verslag van doe.

Ik maak openbaar dat het 2014 is:
opnieuw verlang ik naar een toondoof plantenleven,
maar ook dit is onmacht.

Fuck de avant-garde, zeg ik met Cahty Park Hong
en verlang naar het klemmen van mijn kaken,
een voorbode van paniek.

Het is 2014 en ik maak openbaar
dat mijn kaken klemmen.
Ik doe het dode werk van een dode plant.

Halve seconde geluk – Marc Poorter

In mijn jeugd hielden de ruzies tussen mijn ongelovige vader en diepgelovige moeder mij nachtenlang uit mijn slaap. Tijdens die ruzies moest ik in mijn kamer blijven. Ik hoorde het servies tegen de muren van de huiskamer slaan en ik bad tot de God van mijn moeder in de hoop dat Hij zijn engelen zou sturen om de ruzies op te heffen. Maar helaas, de engelen hadden geen zin in een huisbezoek en het geschreeuw van mijn vader hield aan tot hij uiteindelijk diep in de nacht naar zijn slaapkamer ging en dronken en uitgeput op zijn bed in slaap viel. De volgende morgen zag ik de krassen op het behang van de stukgeslagen kop en schotels, de bladzijden die uit de bijbel waren gescheurd, de bloedvlekken op de salontafel, de huilogen van mijn moeder en de onhandige gebaren van mijn vader die vol berouw mijn moeder probeerde te omarmen. Ik rook het verschaalde bier, het angstzweet van mijn moeder en de ijzeren geur van bloed. 

Van al die jaren dat de strijd duurde, en mijn vader uiteindelijk capituleerde door zich te laten dopen, waarmee hij met zijn onderdompeling de agressiviteit van zich afspoelde, kan ik mij één avond herinneren dat alles goed was. Mijn vader en ik stonden voor het huiskamerraam en we keken naar de sneeuw die in korte tijd alles in de straat bedekte. Het sneeuwde zo hevig dat het leek of er een muur voor ons raam werd opgetrokken. Mijn moeder kwam de huiskamer binnen met een pot thee en een zakje met cakejes die ze die dag op de markt had gekocht. Ze schonk de thee in en kwam daarna naast ons staan. We keken naar de auto’s in de straat die vast kwamen te staan in de hopen sneeuw langs de stoeprand. Mijn vader stond in zijn geruite pyjama in het midden en opeens voelde ik zijn arm om mijn schouders. Ik keek opzij en zag dat hij zijn andere arm om de schouders van mijn moeder hield. Zo stonden we een tijdje naar buiten te kijken, zwijgend, dicht tegen elkaar aan. Op dat moment voelde ik geluk zoals ik dat nog nooit ervaren had. Wij drieën in de warme huiskamer, de thee en cakejes wachtten, en buiten veranderde alles in een sprookje. Ik hield op dat moment ongelofelijk veel van mijn ouders. 

Die avond maakte ik een foto van de besneeuwde straat. Ik had een eenvoudige kleinbeeldcamera waarmee ik op de gok het diafragma en de sluitertijd moest instellen. Om zonder trillingen een lange sluitertijd te kunnen gebruiken steunde ik de camera op de vensterbank en hield de sluiter vijf seconden ingedrukt. Daarna dronk ik mijn thee, at het cakeje en ging naar mijn kamer. Het was die nacht niet nodig om de engelen te roepen.  

Een paar weken later bouwde ik mijn kamer om tot doka. Ik dekte de kieren die licht konden doorlaten af met dekens, installeerde de vergroter op mijn bureau en goot de chemicaliën in plastic bakken. 

Soms, als ik een pak fotopapier had opengemaakt, opende mijn moeder de kamerdeur om te vragen of ik iets wilde drinken, of om te zeggen dat het tijd was om naar bed te gaan. Snel dekte ik het fotopapier af alsof ik een geheim verborg, maar het ganglicht had het fotopapier al bezoedeld met strooilicht. Ik heb in mijn doos met herinneringen nog foto’s liggen die langs de randen geel zijn van het licht dat een fractie eerder dan de stem van mijn moeder de kamer binnenkwam. ‘Maak je het niet te laat, mijn lieve jongen?’  

Onder het gele licht van de dokalamp schoof ik de foto van de besneeuwde straat in de vergroter. Ik beoordeelde de foto als overbelicht, want het licht van de lantarenpaal in de straat kleurde alles op het negatief wit, alleen de school aan de overkant en de flats daarnaast waren in grijstinten zichtbaar. Toen ik de foto heel kort belichtte – niet langer dan een halve seconde, kon ik het licht van de lantarenpaal beteugelen. Het werd een foto van een witte bol met daarom heen in vage tinten de sneeuw op de stoep en op de auto’s. Op de achtergrond was alles donker, de school aan de overkant bestond op de foto niet. Het was geen foto van de werkelijkheid, maar een in een ogenblik vastgelegd beeld van geluk.

A home at the end of the world

DSC_0339Morgen zijn we zeven weken in Suriname. Met elke dag die voorbijgaat ben ik hier meer thuis. Als je gevoelig bent voor het soort schoonheid dat dit land bezit dan raakt het je ook hard.

Ik heb het niet alleen over de natuur. Mocht je wat later op de avond ontdekken dat de fles rum in je koelkast leeg is en naar de winkel op de hoek sloffen, dan kun je een aantal minuten staan staren naar de electriciteitsdraden die als smeltend trekdrop tussen hun palen hangen; naar de maan, die door de drop aan brede repen wordt gesneden.

Daarna kijk je naar het autowrak op het braakliggende perceel, dat op gasbetonnen blokken in slaap gevallen is. De schaduw van de amandelboom valt op de roestgaten in het chassis, die daardoor de kleur van gestold bloed krijgen en vloeken, wringen, knetterend contrasteren met de sprinkhaangroenheid van het hoge gras.

De honden trekken je aandacht, die door de straten draven alsof ze een lijst met taken moeten afvinken voordat het tijd is om met de autoalarmen mee te joelen in de nacht. De koelte van de avond maakt ze monter, de zzp-ers onder de nachtdieren. Ze zouden fluiten als ze lippen hadden. Colaatjes bestellen.

Een oude man en zijn neef of zoon of jongere vriend, die altijd – nacht en dag – naast de ingang van de winkel een plastic stoel delen. Ik heb ze nooit zien eten of drinken. Soms staat de een tegen het rolluik geleund, soms de ander.

In de winkel, achter de kassa, vind je de Chinese caissière die accentloos Nederlands spreekt. Haar grootmoeder speelt met haar kind in de gang waar ook de instantkoffie staat. Een meisje van een jaar of twee met witte kniesokjes, een roze truitje en een wijnvlek boven haar wenkbrauw. Je blikt op je pols omdat je hier geen horloge meer draagt; kijkt naar de televisie aan de wand boven de koelkasten en ziet dat het half elf is.

‘Moet ze niet naar bed?’ vraag je aan oma.

Maar oma straalt en haalt haar schouder op.

Je legt je handen met de palmen op elkaar en houdt ze tegen je wang, knikt in de richting van het kind.

Weer haalt oma haar schouder op. Ik begrijp je wel, maar ze wil gewoon niet slapen. 

Met de fles in je hand wandel je terug. Buren flaneren langs het autowrak, groeten en vragen hoe het gaat. Na een praatje loop je verder tot waar je huis staat, naar het stalen hek dat je erf afscheidt van de straat. De greep van het poortje voelt warm aan, de verf droog als krijt onder je vingers.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Amadeus

F. Murray Abraham als Salieri in Amadeus

Bijna tien jaar geleden zag ik het toneelstuk Amadeus. Toen was ik behalve door de muziek van Mozart vooral gegrepen door het personage, vertolkt door Marc-Marie Huijbregts. Zijn gekte stak irritant en sympathiek tegelijk af bij de ernstige Salieri, gespeeld door Jeroen Krabbé. Ik keek naar twee tegenstrevers, het genie en de mislukkeling, maar ik had weinig aandacht voor Salieri’s actieve vechthouding.

Eergisteren keek ik weer naar Amadeus, nu de film naar het toneelstuk van Peter Shaffer. Het was de zoveelste keer, maar ik kijk niet meer om iets te weten te komen over de persoon Mozart. Het drama van de film is de tragedie van de figuur Salieri. Niet van de échte Salieri, het is tenslotte maar een verhaal, geen documentaire. Gelukkig niet, want zo’n lange film (drie uur) over een tweederangs componist zie ik niet zitten.

Salieri’s misère bestaat uit het feit dat hij zich altijd vroom en kuis heeft gedragen om de goddelijke gift van de muziek te mogen ontvangen, die in zijn geval ontoereikend blijkt. Zijn melodietjes overstijgen de lulligheid van de ander doorsneecomponisten in Wenen niet. Opera’s van zijn hand doen het goed maar zijn allemaal van hetzelfde laken een pak – met een klapper aan het eind zodat het publiek weet wanneer het moet klappen.

En dan komt Mozart, die al van jongs af aan het mooiste van het moment voortbrengt, terwijl hij zelf leeft als een gesjeesde circusbaas. Hoe heeft god, Salieri’s god, ooit zo’n vulgair schepsel kunnen kiezen tot zijn instrument? Hij durft zelfs een opera over een harem te schrijven, nota bene in het Duits (Die Entführung aus dem Serail), of een op basis van een verboden toneelstuk (Le nozze di Figaro). Toch weet hij godgegeven muziek te componeren. Vanaf het moment dat Salieri dat beseft is hij in gevecht, niet met Mozart maar met god. Alleen moet Mozart in zijn ogen wel dood, iets waarvoor hij overigens de kans niet krijgt.

Salieri valt van zijn geloof in een prachtige scène waarin Frau Mozart hem een map originele, met de hand geschreven composities komt laten zien. Ter plekke hoort hij verschillende hoogtepunten uit het oeuvre en moet hij erkennen dat Mozart is gekozen als groter talent, terwijl hij de middelmatigheid niet overstijgt. In zijn ogen is dat oneerlijk omdat hij zich veel meer in heeft ingespannen om het geloof na te leven. Alsof dat nog niet genoeg is blijkt Frau Mozart net zo schmutzig te zijn als haar man, wanneer zijn ’s avond Salieri komt verleiden, zo ver is zij bereid te gaan voor haar man. De toonkunst gedijt blijkbaar bij het laagbijdevloerse.

Amadeus gaat niet over Mozart. De film gaat over een man die ten onder gaat aan zijn liefde voor god. Pas nu, na de zoveelste keer, viel bij mij het kwartje: de titel. De film heet Amadeus, oftewel ‘liefde voor god’ (amare + deus), en heeft niet dezelfde nietszeggende titel als het toneelwerkje ‘Mozart en Salieri’, dat Poesjkin over dezelfde mythe schreef. De echte Salieri heeft Mozart niet vermoord.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

This country wasn’t founded by tree-huggers.’ – Saint Vincent (2014)

Mijn nieuwe boekje, Elders (novelle), kwam van de drukker. Met een omvang van een kleine tachtig pagina’s leek een presentatie me niet echt gerechtvaardigd, maar om de Onbewogen Beweger te bedanken voor zijn/haar Goddelijke inblazingen (in-spi-ra-tie), woonde ik gisterenavond een trompetconcert bij van Ibrahim Maalouf. Een lekkere, gelikte show; weinig echte jazz solo’s, verder een prima avond.

Maar waar hadden we het ook alweer over? Nergens over! Dit stukje moest nog een aanvang nemen. Gaan we.

Film: St. Vincent (2014).

Regie(speelfilmdebuut): Theodore Melfi.

Genre: sentimentele komedie.

Verhaal: Vin, Vincent, krijgt nieuwe buren. Een alleenstaande moeder en haar adoptiefzoon, Oliver. Moeder werkt in het ziekenhuis, dringt haar zoontje op aan Vin. Vin leert Oliver te leven en van zich af te bijten – hij neemt hem mee naar de paardenrennen en naar kroegen. Dan krijgt Vin een hersenbloeding, verliest zijn dementerende vrouw én bevalt zijn vaste prostituee van een meisje. Daarna leeft iedereen nog lang en gelukkig.

Zoals de meeste Europeanen en Amerikanen heb ik inmiddels een handvol films gezien waarin Bill Murray speelt – Ghostbusters (1984), Lost in Translation (2003), Broken Flowers (2005) en de relatieve Geheimtipp, Coffee and Cigarettes (2003) van Jim Jarmusch – en eerlijk gezegd veel ik hem alleen van harte in de films van Wes Anderson omdat zijn (Bills) acteren daarin ondergeschikt is aan de essenties van Wes. Murrays deadpan is de acteursvariant van het minimalisme in de letteren – en maakt, paradoxaal genoeg, vaak een pretentieuze en ijdele indruk.

Omdat Murray de acteur zoveel goodwill heeft, kan de regisseur van SV hem als volgt introduceren: Vincent (Murray) ligt in bed te roken. Onderwijl wordt hij geneukt door een zwangere, Oost-Europese prostituee die zegt dat ie maar es moet komen. Er zijn gemakzuchtiger manieren om sympathie voor je protagonist te wekken.

De handeling van St. Vincent komt op gang zodra Vincent op zijn buurjongetje Oliver moet passen. Het jochie wordt gepest – op school, op straat – en Murray leidt hem op in de geest van De Directeur uit Nanne Teppers De eeuwige jachtvelden (1995): ‘Een vent mot eelt kweken, en vechten leren as hij omhoog wil, want eenmaal boven laten ze de honden op je los en dan mot je weten waarom ze dat doen en dat lukt niet as je slaapwandelend boven bent gekomen.’ (p.33).

Nou ja, zie ook de titel van deze blogpost.

In de mooiste sequentie van SV rennen Vin en Oliver in slow motion – het ventje een plastic zak vol gewonnen papiergeld in de knuist – over de parkeerplaats van de paardenrennen naar Vin’s cadillac. Lekkere soundtrack eronder. De scène is nonchalanter gekaderd dan Wes Anderson zou hebben gedaan, maar hij werkt beslist.

Ook mooi: als Vincent Oliver ontzet van een groepje klasgenoten – de grootste pestkop wordt later Olivers beste vriend – grijpt hij een skateboard dat hij met een schreeuw doormidden breekt op zijn bovenbeen, de twee helften gooit hij achter de boefjes aan.

Oliver zit in een klas, op een school, waar alle (on)geloven verenigd en welkom zijn. Shine like the sun, staat er naast een lief zonnetje boven het schoolbord – en waar je je licht vandaan haalt doet er dus niet toe. Olivers onderwijzer – heel fijn gespeeld door Chris O’ Dowd – is katholiek, de ironische en tegelijk liefdevolle manier waarop hij zijn leerlingen bejegent, vormt wat mij betreft het eigenlijke hart van SV .

In het kader van hun levensbeschouwelijke vorming krijgen Oliver en zijn klasgenoten allemaal de opdracht om iemand uit hun omgeving voor te dragen als hedendaagse heilige. Hun keuze moeten ze toelichten op een podium in de aula van de school. Oliver blijkt zich te hebben verdiept in het leven van Vincent. Oliver stelt: een heilige is iemand die offers brengt voor anderen. En Vincent heeft gediend in Vietnam, hij zorgde acht jaar voor zijn dementerende vrouw en hij gedroeg zich als mentor en vriend voor Oliver.

VincentAan het slot van de film zitten de belangrijkste personages uit SV met elkaar aan tafel. Een soort van gezin dat is samengesteld uit een obese zuster en haar geadopteerde wijsneus, een Oost-Europese prostituee en haar baby en een Vietnam veteraan die herstelt van een hersenbloeding. Dat is het materiaal waarvan de heilige boeken helden maken.

Af en toe vang je een glimp op van het personage dat Vincent had kunnen zijn bij een minder kluchtige, minder conventionele benadering. De getraumatiseerde Vietnam veteraan die rouwt om zijn stervende vrouw en zijn verdriet verdooft door te drinken, te gokken en ruzie te zoeken. In een aantal sequenties draagt Vin een broek van camouflagestof: de oorlog hangt nog steeds om hem heen.

In deze vorm levert de film behalve een flink aantal grinnikjes en glimlachen, maar één interessant inzicht op. Zonder de opdracht van Olivers katholieke onderwijzer hadden de personages uit SV zich niet met elkaar verzoend. De film blaast zo oude waarden (naastenliefde, liefdadigheid) nieuw leven in en toont dat de kunst een onderafdeling van de theologie is. De hemel voelt zich blijkbaar nog altijd thuis op aarde. Wat zegt Oliver ook alweer tijdens zijn spreekbeurt over Heiligen? Uit wat voor hout zijn zij gesneden? Uit duurzaam hout:

‘Saints never give up.’

Eindoordeel St. Vincent: twee in de rijwind van je cadillac (cabrio, woodie) wapperende bandana’s. (2/5).

——

Volgende week: Daniël Rovers over Nanne Teppers De eeuwige jachtvelden (1995).

Coming soon: Jaap van Heusden verfilmt The Lame Shall Enter First van Flannery O’Connor.

Maarten van der Graaff – Let’s get unconscious

Ik loop naar de trein en rechts van me verschijnt een man in fluorescerende overall die een groot ijzeren ding draagt. Hij draagt het met veel zorg. Het ijzeren ding ziet er uit als een pijp, maar heeft een brede rand, waardoor het een grote ijzeren hoed lijkt. Ik kan me niet voorstellen waar het ding voor is. De man nadert een opening tussen twee hekken, die een beetje slap uit hun betonnen verankeringen hangen. De opening is net niet groot genoeg. Hij moet zijn rechterschouder tegen het hek drukken om erdoor te kunnen. Mijn hand beweegt: ik wil het hek opzij duwen. Ik schrik van deze beweging, trek mijn hand terug en loop door richting trein. Mag ik hem wel helpen? Is het geen belediging om een paar seconden lang werk te doen dat je niet eens begrijpt en dat je nooit zal hoeven doen? Ik weet niet wat ik precies heb gezien, wat er voor werk om mij heen wordt verricht. Het is fysiek inspannend, verder kom ik niet.

Lieke zegt dat ze meer popcultuur op de Tiradeblog wil. ‘Ze zullen me ook eens voor de serieuze essayistiek vragen,’ typ ik in de het venster van de facebookchat en beloof iets met een oude Madonnavideo te doen.

Wat hebben Madonna, de man met de ijzeren hoed en ik gemeen? Niemand kan een betere euroknaller kopen dan de anderen. De euroknaller maakt ons gelijk. Ik jat dit van Andy Warhol (in The philosophy of Andy Warhol gebruikt hij het kopen van een hotdog in Central Park als voorbeeld).

In dat boek verzucht Warhol – of eigenlijk zijn ghostwriter– dat de president zoveel publiciteitspotentieel heeft dat nooit wordt benut. Hij vindt dat de president eens een lijst zou moeten maken met allerlei taken waarvoor mensen zich schamen, om vervolgens juist deze dingen op televisie te doen. We zien de president de openbare toiletten van ‘the Capitol’ schoonmaken en uitroepen: ‘Why not? Somebody’s got to do it!’
Dit zou de mensen die dit mooie werk gewoonlijk doen een hart onder de riem steken.
Ik wil een video met Madonna maken waarin ze langzaam, met haar armen om een ijzeren hoed geslagen, tussen twee hekken doorloopt. 

‘The city had converted and elevated length of abandoned railway spur into an aerial greenway and the agent and I were walking south along it in the unseasonable warmth after an outrageously expensive celebratory meal in Chelsea that included baby octopuses the chef literally massaged to death.’

Deze sinistere culinaire uitspatting is het begin van 10:04 van Ben Lerner. Wat een goede openingszin en hoe David Foster Wallace-achtig is dat ‘literally massaged to death’. 10:04 bevat hele banale meta-fictie, die me verblufte (terwijl ik toch pas I love Dick van Chris Kraus las, een fantastisch boek dat ook bol staat van dit soort platte, onbeholpen metafictie). Ga Chris Kraus lezen. Maar eerst: banale metafictie in 10:04, een opsomming:

1. Je leest over een auteur die worstelt met een manuscript over literaire fraude en uiteindelijk besluit het boek te schrijven dat je nu leest.

2. In de New Yorker verscheen een verhaal van Ben Lerner. De auteur die de hoofdpersoon van Lerners boek is publiceerde dit verhaal in de New Yorker. Dit verhaal leverde beide auteurs ‘a strong six figure’ deal op voor een tweede boek.

3. De lezer wordt met enige regelmaat aangesproken als ‘jij’ of zelfs als ‘lezer’.

4. De beschrijvingen van de strubbelingen van de schrijver met zijn roman vormen een essay over Walt Whitman, catastrofe en gemeenschap. Ben Lerner is een meester van het plotselinge essay (begint en eindigt in media res en doemt opeens op).

5. In de roman wordt expliciet naar collectiviteit gezocht.

6. De roman eindigt met dichtregels van Whitman, maar zoals men dichtregels citeert in proza. Met een / dus.

Die dichtregels luiden: ‘I know it’s hard to understand / I am with you, and I know how it is.’
Op de Brooklyn Bridge staan en plotseling menigten kunnen bevatten. Iemand moet het doen.

Of is al die ingenieuze banaliteit een vorm van cynisme en wil Lerner ontsnappen aan zijn eigen vragen? Dat wordt hier bediscussieerd.

Nog enkele mededelingen:

Hier staan plaatjes van mensen die tatoeages hebben van Whitmanregels.
Laten we onze lichamen bekrassen en met elkaar praten.

– Iedereen moet Chris Kraus lezen. De hoofdfiguren van Lerner lijken op die van Kraus, maar zijn ook onuitstaanbare kerels. Leg Catt Dunlop – kunstcritica en vastgoedhandelaar – uit Summer of hate daar eens naast.

Dit is de videoclip van ‘Bedtime story’ van Madonna. Het is 1994 en ze zingt: ‘today is the last day I’m using words’. Ik kijk naar de clip, denk aan Micha Klein en laat de video aan Laurie zien. Ze ontdekt dat er een ijzeren hoed in voorkomt. 

De astronaut

Ik kuste eens een astronaut. Ik kwam hem tegen op een Braziliaans feest in het Bimhuis, maar Braziliaan was hij niet.
‘Als je onze aarde eenmaal vanuit de ruimte hebt gezien´, zei hij ´dan weet je dat we allemaal wereldburgers zijn.’ Earth dwellers, ik geloof dat hij het zo zei.

(Luistersuggestie)

Mijn mondhoek krulde zich als vanzelf omhoog toen ik hem zag. Hij stond voor het podium, waarop een bossanovaband speelde, en hij onderdrukte een soepele dansbeweging in zijn heupen. Op zijn getuite lippen leunde een zware snor. De zilveren accenten in zijn glanzende witte pak accentueerden zijn brede schouders.

Er stond een Amerikaans vlaggetje op zijn bovenarm.
‘Dus je bent geen kosmonaut?’, vroeg ik, en ik probeerde die roofdierenblik te onderdrukken, waar mannen als hij ongetwijfeld de hele dag mee lastiggevallen worden.
‘Dat hangt ervan af wie me inhuurt’, zei hij, tot mijn genoegen. Want een man zonder principes is een man naar mijn hart.
Van onder zijn opengeritste kraag kroop donker borsthaar vandaan, zag ik, toen ik zijn hand pakte en hem in een pirouette mijn kant op trok. Op de bossanovaversie van fly me to the moon zwierde ik hem over de dansvloer, terwijl de losgekoppelde zuurstofslangen van zijn pak om ons heen zwaaiden.
‘Voor iemand die de hemel bereist, lijk je vrij down to earth’, fluisterde ik in zijn oor.
‘Je moet kalm blijven in hectische situaties’, beaamde hij.

En het is inderdaad niet niks, opstijgen met zo’n raket, maakte ik op uit zijn omschrijving van zijn werk, toen we geleund tegen de bar een caipirinha dronken. Hij tuitte zijn besnorde lippen op een prettig soort bimbomanier, als hij uit het rietje dronk.
‘Als je snel in paniek raakt, ben je niet de juiste man voor deze baan’, zei hij. ‘Kijk, een shuttle is een ander verhaal. Dat is een soort bus, die rustig heen en weer rijdt. Langzaam, relaxed. Maar een raket, dat is schudden. En hij is ook kapot na één keer gebruik. Het is een hoop verspilling’, besloot hij.
‘Een hoop geld naar de maan?’, vroeg ik.
Maar daar wilde hij geen uitspraak over doen.

‘Wil je je helm voor me opzetten?’, vroeg ik. Die is hij toen uit de garderobe gaan halen. En al leverde dat vervolgens wat afstandelijkheid tussen ons op, vanachter het polymere glas schitterden zijn donkere ogen alleen maar mysterieuzer, terwijl we nu een samba dansten. En het maakte me hongeriger naar mijn prooi, dus ik stelde hem voor naar mijn huis te verplaatsen.

Ik heb geen achterop op mijn fiets. Dat is al vaker een probleem gebleken, maar deze keer in het bijzonder want het leek haast een eeuwigheid te duren, dat hij in zijn maanwagen achter me aan hobbelde over de Piet Heinkade. Ik ben een geduldig type, te geduldig vind ik soms, maar op een gegeven moment werd het zelfs mij te gortig, en ben ik toch maar doorgefietst naar huis.

Dat neem ik mezelf nog altijd kwalijk.

‘Waar was je nou opeens?’, sms’te hij even later. Verstuurd via de Hubble-telescoop, stond daaronder. Hij moest helemaal terug naar de andere kant van de stad, sms’te hij, en daarmee heb ik mijn kans op een kijkje door zijn telescoop verkeken.

Ik lees nog wel eens in de krant dat hij weer veilig is geland in Baikanoer. Dan denk ik aan zijn zwarte snor en overvalt me een galactisch soort weemoed die ik voorheen nooit had gekend.