Uit de mode (3): antecedenten (1)

In de roman Survivor* (1999) legt de hoofdpersoon zijn levensgetuigenis af aan de zwarte doos van een gekaapt vliegtuig dat op de automatische piloot rondvliegt. De pagina’s tellen af tot het moment dat de brandstof op is en het toestel crasht.

Die teruglopende nummering roept een gevoel van spanning en urgentie op, gevolgd door de vraag: gaat dit verhaal überhaupt nog ergens heen voordat het zometeen afgelopen is? Zoals bij veel Amerikaanse literatuur uit die tijd blijft de lezer achter met meer vragen dan antwoorden.** Die fout wil ik voorkomen.

In dit verhaal storten geen vliegtuigen neer, maar het gaat ook over een neergang – de mijne – die weliswaar trager, maar daarmee niet minder tragisch is. De val van mijn Amsterdamse herenmodevoetstuk voltrok zich in slow motion, uitgesmeerd over vele maanden, maar om echt te kunnen doorgronden hoe het allemaal zó fout heeft kunnen lopen, moeten we vele decennia terug. Generaties.

Textiel heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in mijn familie. Tot de bezetting verdiende mijn opa de kost als vertegenwoordiger van een stoffenfabrikant uit Twente, naar eigen zeggen vooral om de auto van de zaak. Gewapend met een stalenboek en een grote bek blafte hij zich overal naar binnen. Na de oorlog werd hij boekhouder, maar hij behield zijn gewoonte om uit elk lapje dat hij tegenkwam een paar vezels los te trekken en die in brand te steken. Mijn opa had een diepgewortelde liefde voor het materiaal.

Ik heb hem nooit zonder pak gezien. Toen hij nog werkte, droeg hij meestal een grijze krijtstreep, altijd drieknoops; na zijn pensioen experimenteerde hij met een breed scala aan kotstinten, variërend van leverbruin tot mosterdgeel tot greige, waardoor zijn gelaat bij schemerlicht vaalgroen uitsloeg. Die ziekelijke grondkleur compenseerde mijn opa – de blankste man die ooit leefde – met felle dassen en een fijn vertakt web van couperose dat zich vanonder zijn boord over zijn diep uitgeschoren hals en wangen uitspon.

Van mijn opa heb ik geleerd een elegante four in hand te strikken. Dankzij hem weet ik welke knoop van je jasje onder alle omstandigheden los moet blijven. Mijn opa heeft me laten zien hoe het hoort. Met de kennis van nu zou ik hem misschien bourgeois noemen, likkend naar boven en trappend naar beneden, alles om hogerop te komen. Ik begrijp best dat mijn vader daartegen in opstand kwam, maar op hem kom ik later nog uitgebreid terug.

Mijn opa, boomlang en graatmager, wist ook veel van schoenen. ‘Altijd op leren zolen naar de klant,’ snerpte hij vertrouwelijk in mijn oor – fluisteren kon hij niet – ‘dan hoort ‘ie je al van verre aankomen.’

Hij had iets fatterigs en tegelijkertijd fascistisch, met zijn kaarsrecht uitgelijnde kunstgebit en zijn wulpse pochet, maar de manier waarop mijn opa zich aan de buitenwereld presenteerde was niet toevallig. Daar had hij lang over nagedacht. Mijn opa had misschien geen goede, maar wel een dwingende smaak vol regels en do’s and don’ts waartegen eerst mijn vader en later ikzelf ieder onze eigen strijd hebben moeten voeren, met alle gevolgen van dien. Achteraf lijkt het allemaal zo onvermijdelijk.

____________________

* Chuck Palahniuk, W.W. Norton & company, New York.

** Andere ‘postmoderne’ schrijvers zoals Thomas Pynchon en David Foster Wallace hebben hier ook een handje van: een travestiet springt door een etalageraam en vanaf dat moment is er geen houden meer aan.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Het mensenpark – Michael Wolf in Hong Kong

In een van de grote afdrukken van foto’s die Michael Wolf maakte, zie je een man van de buitenkant van een balkonnetje klimmen. Het is een foto die nu in het Fotomuseum in Den Haag hangt. Het is niet duidelijk wat de man doet hoor, misschien moet hij een van de duizenden airco’s repareren, maar onwillekeurig is het ‘voltooid leven gevoel’ daar.

Wat gebeurt er precies op deze foto’s van woonblokken in Hong Kong? Het ritme van de ramen en de balkons zo klein verandert een flat in een aangenaam behangetje. Een esthetisch beeld dus. Maar de gedachte dat zich achter elk van deze piepkleine vakjes een leven schuilhoudt maakt het een krachtige metafoor voor de metropool, in dit geval de miljoenenstad Hong Kong – het knoopje in de grote ballon die China is. Deze structuur is een herhaling van verbeelde mensenlevens. Een letterkast van lief en leed.

Als je naar een flat op 23 hoog kijkt, zie je de achterkant van een leven, en ook de kant die zo weinig onderscheidend is. Deze mensen zullen hun persoonlijkheid op een andere manier moeten vormgeven dan door hoe ze wonen. Er wordt, lijkt het, ook geen moeite gedaan, dit is efficiënt wonen. Hier stel je je een inwoner van Hong Kong voor in een betegeld keukentje met TL licht, hij heeft een ooit wit hemd aan, het is warm ondanks de airco, in de hoek wat groenten op een krant voor door zijn mie vanavond.

Een mooie variant hierop in de tentoonstelling van het werk van de Duits / Amerikaanse fotojournalist/kunstenaar Wolf – die zelf in Hong Kong woont – is zijn verzameling van 100 interieurfoto’s van een woonblok. De kamers zijn 9 m², de tentoonstellingsruimte heeft exact dat oppervlak.

De eerste keer dat ik in Hong Kong verbleef was onze kamer zelfs nog kleiner. Een twijfelaar met een halve meter ruimte aan een kant er naast. Leven doe je in de straten. Wonen in de stad betekent dat je je behoefte aan eigen ruimte ondergeschikt maakt aan de voordelen die de openbare ruimte biedt.

Treffend is de gelijkvormigheid in steeds totaal andere praktische interieurs. Dit zijn wij, de diersoort mens, hoe we het ook aankleden als we meer ruimte hebben, de elementaria zijn gelijk, dat is geloof ik de mededeling van Wolf. Levend in mensenpark ‘stad’ – waar de helft van de wereldbevolking woont – hebben we evenzeer als een Chinese boer en een boer in Bolivia de neiging in het dagelijks leven extreem gelijksoortig te zijn. We lijken vooral wel op elkaar.

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Kermis

bf2e0758-e8e1-44b1-b0dd-da8fc53146d0 2Bij het woord kermis denk ik aan twee dingen: dat ik als kleine jongen met mijn moeder in de rups ging – de geur van smeerolie en roestende baleinen, het klamme linnen dat in horten en stoten over de wagonnetjes getrokken werd – en een vechtpartij als tiener, met een tapijt van gebroken glas onder mijn voeten.

Kermissen in de provincie zijn voor kinderen en (later op de dag) voor boze puberjongens: het geluid van de boksbal die keer op keer het plafond in gebeukt wordt, het knetteren van de stroomstangen van de botsautootjes en de pompende house. De geuren die er voor mij bij horen zijn verbrande mengsmering en diesel uit brommers en aggregaten.

Vreemd genoeg verlopen evenementen in Amsterdam altijd veel relaxter dan in dorpen. Misschien is dat omdat er in de stad een groter aanbod is, waardoor boze mensen andere boze mensen kunnen opzoeken op de Dam en blije mensen naar de kleine kermis in het Westerpark kunnen.

Nadim, die nog geen enkele associatie bij kermis had, stond al dagen te trappelen. Ik was om zeven uur ‘s ochtends thuisgekomen van het Boekenbal en om half elf hield hij het écht niet meer. Zonder kater – de alcohol was nog niet uitgewerkt – liep ik met hem over het terrein, waar de suikerspinnendame net haar kraam openklapte en de eerste grote attracties warmdraaiden zonder passagiers.

We maakten een rondje en planden waar we in zouden gaan. Nadim wilde beginnen met de Cake Walk, wat in mijn toestand niet makkelijk bleek. Daarna gingen we in de spin en daarna in de rups. Het viel me op dat geen enkele exploitant oogcontact maakte. Ze leken wél erg goed te kunnen roken.

Ik had me voorgenomen niet te denken over geld en voor alle attracties die mijn jongen mee wilde maken muntjes te kopen. Binnen een kwartier was mijn portemonnee leeg. Van de prijzen herinner ik me dat het eendjeshengelen 3 euro kostte voor 3 eendjes. Dat duurde 30 seconden.

Naad kreeg een suikerspin die even groot was als zijn bovenlijf (small), en at zich er een eind doorheen voor hij misselijk werd en het ding op mij probeerde af te schuiven. Hoewel hij alle attracties nóg een keer wilde doen zei ik dat het tijd werd om naar huis te gaan, en terwijl ik mijn fiets losmaakte zag hij opeens de trampolines-met-elastieken. Kinderen schoten er de lucht in alsof ze ontvoerd werden door een vliegende schotel.

‘Pap,’ zei hij.

Ik trok mijn sleutel weer uit het slot en groef in mijn zakken naar muntjes; we hadden er precies genoeg. De attractie liep niet op een aggregaat en muziek draaiden ze niet. Ik keek hoe een bonkige man met een boksersneus mijn jongen ingespte, hem aan zijn voeten naar onder trok en losliet. Nadim vloog een paar meter omhoog en landde op de trampoline; bij de minste afzet steeg hij weer op.

‘Wooooooo,’ riep hij. ‘Dit is zoooo leuk!’

Ik keek naar het klimtuig waarin hij vastzat, met banden die zijn joggingbroek tussen zijn billen trokken. Zijn dunne benen waren tot halverwege de kuiten bloot: witte sportsokken en gympen die opeens vreselijk groot leken.

‘Joeheeeeee,’ riep Nadim.

Met alle mimiek van een gesloten brommerhelm trok de elastiekenman nog eens aan zijn benen. Ik keek naar de dame achter de kassa en van haar weer naar hem; zag een leven voor me.

Opbouwen, oliebollen, dieselwalm en house, afbouwen en weer verder. ‘s Avonds series kijken in de caravan en heel veel roken.

Na hoe lang zou immuniteit voor het plezier van anderen intreden?

_____________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Stiller

“Hij loopt veel over straat hè?” informeerde mijn moeder vroeger wel eens bij mijn studentenvrienden in de hoop dat ze iets loskreeg over mijn nieuwe leven in Amsterdam. Het klonk hoeriger dan ze vermoedelijk bedoelde, maar inderdaad, ik liep graag over straat. Nog steeds trouwens.

Volgens mijn stappenteller leg ik gemiddeld 7,2 kilometer per dag af. In Amsterdam is dat wat meer; in Austin, waar alles mijlenver uit elkaar ligt en ‘t nu al dertig graden is, wat minder. Hier neem ik de bus naar de supermarkt.

Om de lichaamsbeweging doe ik het niet. Ik loop over straat om te zingen. Binnen hou ik me in uit angst voor geluidsoverlast, maar buiten laat ik mijn schaamte varen en zing ik voluit wat in me opkomt. Met pathos. Gegeven een vlak wegdek gaat het op de fiets eigenlijk nóg lekkerder, al ben je overal zó vlug dat je niet in een enkele rit een heel album kunt afwerken. Dat vind ik een nadeel.

Soms, bij agressieve voorbijgangers, fluit ik voor de veiligheid een deel van de melodie, maar over het algemeen zing ik dwars door eventuele ergernissen heen. Ik schaam me niet voor die paar valse noten en al helemaal niet voor mijn zonnige aard.

In Austin ligt dat anders.

Hier ben ik stiller. Er zijn te veel sociale valkuilen, te veel fouten om te maken. Laatst op een karaokefeestje bij vrienden durfde ik niet mee te doen, puur omdat alle aanwezigen een veel directere band met de muziek leken te hebben: de country, de folk, iedereen is hier een beetje Johnny Cash. Dan hang je er als Zaankanter toch een beetje bij.

In Nederland kan ik me best een paar regels onzin-Engels veroorloven, maar hier hebben ze dat meteen door. Dat betekent sowieso dat alle nummers uit mijn basisschooltijd – Hopelessly Devoted to You, Bowie, Blondie, Off the Wall en al die andere liedjes die ik destijds als louter fonetisch gewauwel heb onthouden – afvallen voor openbaar straatgebruik, want aan zo’n diepe geheugengroef valt onmogelijk te ontkomen.

Ook als je de tekst wel kent, moet je oppassen met wat je zingt. Het nummer My Dick van Mickey Avalon (2006) bijvoorbeeld, heeft een heerlijke hook waar ik geen genoeg van kan krijgen. Ik ken de tekst uit m’n hoofd en zou ‘m in Amsterdam zonder enige gêne over de gracht schallen, maar hier kijk ik wel uit. Hier betekent het ook echt iets.

Mijn meest recente angst is cultural (mis-)appropriation, ik ben er al eens eerder over begonnen: het toe-eigenen van elementen uit de ene cultuur door de andere cultuur tot ongenoegen van die ene cultuur. Laatst lag Bruno Mars onder vuur omdat hij zwarte muziek maakt terwijl hij zelf Filipijns/Porto Ricaans/Joods is. In dat geval kan ik m’n bek hier al helemaal niet meer opentrekken. Ik ken bijna alleen maar zwarte muziek.

Misschien ligt het aan mij en voel ik me nog te veel een outsider. Misschien ervaar ik onbehagen dat er niet is. Austin is ruimdenkend. Ik leef hier in een multiculturele bubbel vol hoogopgeleid begrip voor onderlinge gevoeligheden en individuele eigenaardigheden. En toch ben ik stiller. Of misschien juist daarom.

________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Gay cinema en kitsch

Na het zien van de film Call me by your name was ik onder de indruk. Meer nog dan het weergeven van een ontkiemende liefde tussen twee jonge mannen met een leeftijd- en machtverschil laat die film zien hoe prachtig de Noord-Italiaanse zomer kan zijn. Misschien zelfs wel mooier dan ik zelf ooit heb meegemaakt, al kan dat ook door het verhaal komen, en daardoor al te veel neigend naar hyperrealisme. Het lijkt alsof de regisseur er onder invloed van Instagram een filter overheen heeft geplakt. Het blauw van de hemel is het allerallerblauwst, het zonlicht is door stof gefilterd en alle personages komen in een omhulsel van gruis, transpiratie en korte nachten. Zo veel pijn aan mijn ogen had de zomer nu ook weer niet gedaan.

Op social media zoals Instagram wordt er een afspiegeling van de werkelijkheid gegeven met een patina van het-leven-is-fantastisch. Het is alsof je naar iemand kijkt door een dubbel filter: de best-of van gebeurtenissen, gezien door een laagje Photoshop. Een opgepoetst simulacrum dus, net als deze film.

Het is die saus die Call me by your name soms doet overhellen naar kitsch. De overdadig gekleurde weergave staat wat mij betreft op gespannen voet met het verhaal, dat eigenlijk heel klein is: een zoon verliefd op een student van zijn vader, meer is er niet nodig. Soms blijft het evenwicht tussen beeld en verhaal (de soundtrack daargelaten) bewaard, soms schiet het over de rand en prentendeert de film meer te zijn dan hij is. Ondanks die bijsmaak bleef Call me by you name mij boeien – wat uiteindelijk alles te maken heeft met mijn natuurlijke verwantschap met het thema homoseksualiteit.

Het valt me überhaupt op dat de gay cinema steeds meer in de belangstelling staat. Vorig jaar was er natuurlijk Moonlight, dat helemaal werd omarmd door het grote publiek. En voorafgaande aan Call me by your name werd ik even bij de lurven gegrepen door de filmtrailer van God’s own country. Daar moest ik naartoe: eenzame Engelse boerenzoon krijgt hulp van een Roemeense knecht. Wordt het Brokeback Mountain tussen de koeien, een noordelijke variant van Italiaanse zomerliefde of een geëngageerd drama als Moonlight? Ik heb de recensies vooralsnog links laten liggen, en besloten zelf te gaan kijken het uitloopt op gay cult, kitsch of critique.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Voor mijn moeder, voor haar 85e verjaardag

Een gedicht van de grote Czesław Miłosz, geschreven in Rome in 1986 en vertaald door de grote Gerard Rasch.

 

OUDE VROUWEN

Reumatisch gekromd, in het zwart, op benen van stro,
schuifelen ze met hun stok naar het altaar, waar Pantocrator
in een dageraad van gulden stralen twee vingers optilt.
Het machtige, helderende gelaat van de Alvermogende,
in wie alles geschapen is wat bestaat, in de hemel en op de aarde,
aan wie het atoom en de maat van de melkweg zijn onderworpen,
stijgt op boven zijn dienstmaagden, de hoofden bedekt met een doek,
wanneer ze in hun verwelkte lippen zijn lichaam ontvangen.

De spiegel, mascara, poeder en karmijnen stiften
lokten elk van hen, en ze verkleedden zich
als zichzelf, het licht van de ogen werd sterker,
de wenkbrauwboog ronder, het rood van de lippen intenser.
Ze openden zich liefhebbend in het groen langs de rivier,
droegen in hun binnenste de volle pracht van de geliefde,
onze moeders die wij nimmer terugbetaalden,
omdat wij moesten varen, over continenten trekken,
schuldig en uitziend naar hun vergeving.

Hij, die al eeuwen lijdt, laat ze tot zich komen,
eendagsvliegen, van kou verzwakte vlinders,
zij die baarden, hun schoot nu door een litteken gesloten.
Hij tilt ze naar zijn menselijke Theotokos,
opdat lachwekkendheid en pijn in waardigheid veranderen
en pas zo, zonder kleur en zonder charme,
onze onvolmaakte aardse liefde haar vervulling vindt.

Rome, 1986
—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Minder schrijven

Door een facebookherinnering besefte ik dat het alweer vier jaar geleden is dat we uit Suriname vertrokken.

Ook in Paramaribo blogde ik op deze plek, en omdat er even geen boek was om aan te werken was mijn schrijverzijn beperkt tot dat ene wekelijkse stukje.

Schrijven doe je ook door niet te schrijven, zeiden ze op de Schrijversvakschool.

Ik doe dat zelden – niet schrijven – en als we op vakantie zijn dan voel ik de schrijfzucht na een dag of tien bijna fysiek aan me trekken. Het kan dan lekker voelen om nog eventjes te wachten, tegen te hangen; de druk op te laten bouwen.

In Suriname zoog ik me tot barstens toe vol. Ik keek, rook, proefde en luisterde. Ik las veel tijdens de rustige (warme) uren in mijn hangmat onder ons huis. Door kleine hoeveelheid tekst die ik elke week hoefde op te hoesten leken mijn beelden sterker, dieper te worden.

Is het zo dat minder schrijftijd zich vertaalt in meer geladen tekst? Ik wed van wel. Stukjes van mijn Surinameblogs komen nog regelmatig bij me terug.

Electriciteitsdraden die als smeltend trekdrop tussen hun palen hangen; de maan, die door de drop aan brede repen wordt gesneden.

Een autowrak op het braakliggende perceel naast ons huis, dat op gasbetonnen blokken in slaap gevallen is. De schaduw van de amandelboom valt op de roestgaten in het chassis, die daardoor de kleur van gestold bloed krijgen en vloeken, wringen, knetterend contrasteren met de sprinkhaangroenheid van het hoge gras.

Alle wegen in dit land hebben een einde. Vroeg of laat gaat het asfalt over in zand en het zand in woud of water. Dit gegeven is al voelbaar op het moment dat je in Paramaribo je erf af rijdt. Het is een gesloten wereld, een schitterend decor, en met maar heel weinig moeite kun je je de enige wanen die het allemaal meemaakt.

Tegen de tijd dat de schoorstenen van Suralco opdoemden leek het – hoewel half acht – de diepste uren van de nacht. Een post-apocalyptisch roestbruin organisme, vastgezogen aan de rode aarde op de grens van oerbos en savanne: gele lampen, witte rook, raderen zo groot als wagenwielen. Nog vijfenveertig minuten en we zouden thuis zijn.

Misschien schrijf ik hier in Nederland te veel. Misschien moet ik van vijf bladzijden per week naar één.

Het kan ook zijn dat ik nodig weer naar Suriname moet.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Kapot

slaapmasker

Verkwikt opstaan, bestaat dat eigenlijk wel? De laatste tijd stel ik me die vraag steeds vaker. En vroeger, want uitslapen is er tegenwoordig ook al niet meer bij. Hoe laat ik ook naar bed ga; iedere ochtend klokslag half zeven word ik wakker, kapot van de dag die nog moet komen.

De Romeinse keizer Hadrianus (76-138) schreef – in de verbeelding van Marguerite Yourcenar* (1903-1987) – ontroerend over ouderdom, over het verval van zijn lichaam en de schoonheid van zijn tragisch vroeg gestorven lieveling Antonoös. Ik las het toen ik twintig was, veel te jong om het werkelijk te begrijpen. Nu ik de vijftig nader, zou ik er eigenlijk opnieuw in moeten beginnen, maar ik kan er de kracht niet meer voor opbrengen.

Waar Hadrianus op latere leeftijd steeds melancholieker werd en diep nadacht over zijn plek in de eeuwigheid, voel ik het vooral in mijn kuiten. Met evenwicht heeft het gelukkig (nog) niets te maken: ik sta niet zozeer wankel als wel onvast op m’n benen – het graduele verschil tussen omvallen en in elkaar zakken. Het is meer een gevoel van algehele slapte onder de knieën, grenzend aan gevoelloosheid.

Mijn vermoeidheid is tweeledig. Aan de ene kant verlang ik vanaf het moment dat de wekker gaat terug naar mijn bed; aan de andere kant word ik nooit helemaal wakker. Zelfs als ik zonder te knipperen recht in de douchekop staar, raak ik dat korsterige slaapvlies over mijn ogen de rest van de dag niet meer kwijt.

Al mijn hele leven heb ik moeite met opstaan, maar de laatste tijd vraag ik me hardop af of het ook echt noodzakelijk is, of het niet beter is om gewoon te blijven liggen. Sommige schrijvers hebben ontmoetingen nodig als grondstof voor hun verhalen, of ze doen een sociaal experiment als basis voor een nieuw boek. Weer anderen gaan naar de kroeg om gesprekken af te luisteren. Ik niet. Ik hoef niet zo nodig de straat op, ik heb een levendige binnenwereld.

Het mooie van het schrijverschap is dat je het ook liggend kunt doen.

_______________________

Disclaimer: De afgelopen week stond Austin op z’n kop vanwege het festival South by South West (SXSW), met meer dan een half miljoen bezoekers en duizenden artiesten. Dat kan ook te maken hebben met mijn vermoeidheid. De hele stad zit er doorheen. 

* Herinneringen van Hadrianus, vertaald door Jenny Tuin, Athenaeum – Polak & Van Gennip, 1998.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Mijn vliegschuld

Ik las net deze column van Maartje Smits, over hoe om groen en ecologisch willen zijn een schuldgevoel in de hand werkt. We slagen er niet in onze hedendaagse, hedonistische levensstijl te combineren met de verantwoordelijkheden die we dragen voor de planeet, die in de toekomst ook nog leefbaar moet zijn. Maartje geeft toe dat ze boter op haar hoofd heeft, met een vliegvakantie naar Griekenland, die ze probeert te compenseren door te verblijven in een eco-lodge, die een kat in de zak blijkt te zijn.

Afgelopen weekend vloog ik van en naar Berlijn. Vroeger was het uit den boze, maar de vlieg-vechtmaatschappijen maken het tegenwoordig mogelijk. Voor een appel en een ei kan je misschien niet je benen kwijt, maar je zit wel binnen een paar uur in een andere wereld. In Berlijn verplaatste ik me met het ov, het huis waarin ik sliep was uitgerust met drie houtkachels plus cv, maar ik was wél aan het foodsharen met de buren: kortom, van echte compensatie was geen sprake.

Tegen de uitstoot van die vliegreis is geen kruit gewassen. Tijdens de vlucht overviel het me: een heel kort gevoel van angst. Niet voor het vliegen (dat vind ik fantastisch), maar voor de dijkdoorbraak, de droogtemigranten etc., kortom, de afgrondelijke gevolgen van ons gedrag. De angst sloeg meteen om in een zeer gelaten schuldbewustzijn. Zoiets als: ja dat is allemaal heel erg, maar après moi la déluge, hoor. Het zullen immers niet míjn kinderen zijn die straks met de gebakken peren zitten. Je kunt de goede zaak met nog zo veel geld stutten (vliegtickets duurder), of Groenlinks stemmen (tja) – dat gaat de wereld niet redden.

Ik moest maar stoppen met vliegen! Het is me een steek door het hart, maar het zal het proberen waard zijn. Dat vliegtuig vertrekt niet van Schiphol als we besluiten er niet meer op te stappen; gelukkig zijn er steeds meer mensen geneigd dat niet te doen. En een mannetje of 250 minder zal uiteindelijk een gemiddelde Europese lijnvlucht minder betekenen. Een kort rekenvoorbeeldje leert dat als die allemaal met de trein voor twee dagen naar Berlijn zouden gaan de CO2-uitstoot van die trip ongeveer 77% lager uitvalt (en dan hebben we het over een verschil van tienduizenden kilo’s).

Helaas blijkt de trein naar Berlijn een probleem. Op een weekend is twee keer zeven uur reizen niet wenselijk, laat staan een negen uur durende busreis. En dat is alleen als je geluk hebt, want in het gunstigste geval – begrijp ik uit ervaring van anderen – sta je twee uur op een tochtig perron in Bad Bentheim of Bremen, of je wordt midden in de nacht de bus uit gejaagd voor de controle in Hamburg – en reken maar dat de Duitsers grondig te werk gaan.

Stoppen met vliegen betekent op den duur meer en betere treinen. Dat vereist nog veel aanpassingen, want de hogesnelheidslijnen in Europa zijn bij lange na niet wat ze zouden kunnen zijn. Verbetering is nu al te zien: de directe Eurostar tussen Londen en Amsterdam (drieënhalf uur*) komt in april, en zou voor ongeveer hetzelfde geld moeten zijn als een vlucht. De verbeterde dienst van en naar Berlijn schijnt ook al in het vat te zitten. Het kan dus wél. Laten we hopen dat de treinen naar Parijs en Berlijn snel volgen – en misschien mogen er ook wat nachttreinen terug?

 

 

* Tot er een internationale reisplanner voor alles is zoek ik het vervoer van deur tot deur zelf bij elkaar. In het geval van Amsterdam-Londen zal de trein qua tijd echt lonen. Ik reken, zeer optimitsitsch, voor een vlucht: naar Schiphol 20 min (maar wie woont er op Centraal?), aldaar 90 min (paspoortcontrole, wachten, speling en taxi’en), vliegen 60 min, op Heathrow 30 min (dat paspoort…), subway naar het centrum 60 min, dan kom je op meer dan vier uur en ben je gegarandeerd nóg niet waar je wezen moet.

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Het hoofdkussenboek van hofdame Sei Shōnagon

Wat is er aan werklui nodig om deze scène te realiseren:

‘Een ware schoonheid, in een purperrood, enigszins verdoft gewaad, met daaroverheen oranjegeel brokaat of een flinterdun jakje, is nog maar net op, want vannacht heeft ze door het razen van de wind geen oog dicht gedaan. Op haar knieën glijdt ze een eindje vanuit haar kamer naar de veranda toe; haar lange haren, die over haar schouders vallen, zijn in de war en bollen zachtjes op door de wind – een schitterend tafereel. Diep bewogen bekijkt ze de ravage in de tuin en prevelt: “Geen wonder / dat de wind in de bergen…”, waaruit mag blijken hoe fijngevoelig ze wel is.’

Voor haar prachtige kleren zijn mensen nodig die de verfstof maken, die de stoffen verven, in oranjegeel en purperrood. Haar gewaden moeten geweven worden. Haar kamer is door deskundige timmerlieden gemaakt, evenals haar veranda, ze zullen worden schoongehouden door meisjes met bezems. De ravage in de tuin wordt straks opgeknapt door een legertje tuinlieden. Haar haar wordt op zeker moment gecoiffeerd. We spreken nu nog niet over de lui in de keukens die maaltijden moeten toebereiden die aan haar smaak voldoen, de vissers en de boeren die de ingrediënten verzorgen.

In Het hoofdkussenboek van hofdame Sei Shōnagon…

Ik nodig u uit de rest van het stukje hier te lezen.

 

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Zeven jaar

hangmat2 kopie 2Vannacht droomde ik dat ik in mijn buurt liep en je van achter zag. Ik herkende je meteen.

Gijs, wilde ik zeggen, maar ik deed het niet. Mijn hand verlangde naar je schouder, maar ik hield mijn handen thuis.

Ik wilde je meenemen naar B en voorstellen aan onze dochter, onze zoon. Maar Nadim zou je kennen van je foto en zeggen wat hij altijd zegt: Ome Gijs, die is toch dood? 

Ik wilde je niet kwetsen. Je leek gelukkig, in de lente op een stoepje op de gracht.

Ik sloeg af en liep om zodat ik je tegemoet kon komen, wetend dat het me in de problemen zou brengen. Ik liep je tegemoet en het was alsof we de enigen waren, al zag het zwart van de mensen.

Ik lachte naar je. Je knikte vriendelijk, zei: ‘Goeiedag.’

‘Dag Gijs.’

Je stopte. ‘Ken ik u?’

Mijn woorden liepen vast. Er is te veel gebeurd sinds we vrienden werden en te veel gebeurd sinds je er niet meer bent. Ik wilde je omhelzen, maar je herkende me niet. Ik wilde mezelf niet kwetsen.

‘Nee, vriend,’ zei ik, hopend dat je mijn verdriet niet zag. Hopend dat je niet zou zien hoeveel ik nog van je houd. ‘Geniet maar van je wandeling.’

Tot ik wakker werd keek ik je na.

_____________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Uit de mode (2): verantwoording

De waarheid is dat ik zelf ook niet precies weet waar het is misgegaan, wat het beslissende knakmoment is geweest in mijn kortstondige loopbaan als herenmodeontwerper voor de grachtengordel, nu ruim tien jaar geleden. Wat ik wel weet, is dat de schuld noch volledig bij mij ligt, noch volledig bij A., mijn gewezen compagnon, hoewel ik nog altijd geld van hem krijg.

Een politierapport is nooit meer dan een samenvatting van de laatste noodlottige schakels in een lange keten aan onderling gerelateerde incidenten; per definitie onvolledig. Daarom schrijf ik dit verslag als een noodzakelijke aanvulling op het officiële dossier. Ik zie het als een losbladig systeem van ruwe data dat mijn neergang in de mannencouture van context voorziet en hopelijk inzichtelijk maakt, al was het maar voor mezelf. Tegelijkertijd wil ik niemand naar conclusies leiden die mij persoonlijk het beste uitkomen. Deze serie is dus niet zozeer een connection of dots, als wel een collection of dots waar de lezer zelf mee aan de slag kan.

Om het overzicht te bewaren, gebruiken speurneuzen in films en politieseries vaak prikborden of zelfs hele muren vol omcirkelde foto’s, tijdlijnen en krantenknipsels, soms verbonden door verschillende kleuren breiwol om eventuele dwarsverbanden te visualiseren. Ik heb die methode ook geprobeerd, maar vrijwel direct weer laten varen: de kluwen werd al snel onontwarbaar, mede vanwege het internationale karakter van de zaak.

Het echte leven is ingewikkelder dan Hollywood. In het echte leven, en zeker in de aanloop naar mijn fysieke verwijdering uit ons bedrijfspand aan de gracht, wisselen de betrokkenen voortdurend van rol: het ene moment zijn we dader, dan weer slachtoffer of nietsvermoedende omstander.

Net zoals in de wereldliteratuur zijn het uiteindelijk niet de gebeurtenissen die het verhaal drijven; ook hier is het plot secundair. Het werkelijke drama voltrekt zich binnen en tussen de spelers, op loze momenten tijdens het afspelden van een broekspijp of het wisselen van de etalage. De onvermijdelijkheid van deze tragedie zat vanaf het allereerste begin in onze persoonlijkheden ingeweven.

Ik zal met mezelf beginnen.

___________________

Uit de Mode zal de komende tijd als onregelmatig feuilleton op dit blog verschijnen.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Dat toont-je

Was ik maar Duitser, denk ik soms als ik weer een mailtje open. Zo eentje die ‘Liebe Leser und Leserinnen’ zegt en je met ‘Sie’ blijft aanspreken ook al ligt u al praktisch met elkaar in bed.

Noem mij gevoelig, maar ik moet dit even kwijt.

Voorbeeld. Je stuurt een mailtje met ‘Geachte heer Dinges, hartelijk dank voor uw bericht etc.’ en wat krijg je terug? ‘Beste Marko van der Wal.’ Dat is nog een milde variant van tanende omgansvormen: meestal is die achternaam helemaal uit beeld verdwenen. Daar kan je ook weinig meer aan doen, denk ik dan, die gevallen zijn talloos en reddeloos verloren. Maar zij die schrijven ‘Beste [voornaam] [achternaam],’ dat zijn pas echt psychopaten! Dan heb je blijkbaar wel nagedacht over een vorm van beleefdheid (al zou ik niet weten welke) en vervolgens besloten een gammele middenweg te bewandelen. Mijn (bijna) hele naam opschrijven in plaats van ‘heer Van der Wal’, alsof u mijn moeder bent die vermanend naar mij roept, maar er dan wel ‘Beste’ voor kwakken. U doet zo hard uw best afstand te scheppen en tegelijkertijd informeel over te komen dat ik mij afvraag wat u zich in vredesnaam in het hoofd haalt. Een zakelijk vraag stellen én de mogelijkheid open laten vanavond gezellig een drankje te gaan drinken, of juist andersom? En wílt u eigenlijk wel antwoord? Een autist zou helemaal van de rel raken van zo’n (on)verborgen agenda – wees gewoon duidelijk en zeg u, u u!, tot u erbij neervalt desnoods.

Het kan nog een stapje erger, maar dat hoef ik u niet te vertellen.* Een enkele keer krijg je een onthoofd mailtje binnnen, daar staat helemaal geen aanhef meer boven. We hadden nog geen telefoonnummers uitgewisseld toch, of waren we al ‘leuk’ aan het app’en geslagen soms? En dan dat toontje – alsof dit allemaal nog geen deel uitmaakte van uw toontje – dat vervolgens de kop opsteekt. Het lijkt net alsof er iemand in kapitalen tegen u aan staat te blaffen. En dan wél afsluiten met ‘Groetjes, Remco’ of zo. Kijk, dat schept enige mogelijkheden. Daar is een mooi kinderachtig trucje voor (heb ik niet van mezelf). Dan stuurt u terug: ‘Geachte heer Remco, bent U geboren zonder achternaam etc. etc.’ om te laten merken dat u in amicale worggrepen geen trek heeft, en dat het de mens siert in contacten als deze een gepaste afstand in acht te nemen aangezien u geen vrienden, collega’s of anderszins vertrouwden bent.

Want stelt u zich maar even voor dat u dat wel was, vertrouwd/bekend met iedereen die u aanmailde. Klinkt gemoedelijk, maar in feite is het de hel op aarde. Dat zou betekenen dat ze ook allemaal op een gewenst moment, als het hun goed uitkomt, een beroep op u kunnen doen, onder het mom ‘dat wij elkaar toch kennen’. Nee zeggen is altijd een optie, natuurlijk, maar los daarvan voorspel ik: u wordt gillend gek, en die ander trouwens ook. ‘Dat we elkaar nog maar lang bespaard mogen blijven,’ zei Reve, en daar had hij wél gelijk in.

Gelukkig mag ik het dit weekend weer eens ondervinden, de Germaanse formaliteit: lekker Sie-en tot Je een ons weegt.

 

* ‘Lieve’ bijvoorbeeld in het tweede mailtje dat u krijgt – dan sterft er toch langzaam een stukje beschaving af.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Koba, waarom moet ik sterven van jou?

Rykov en Boecharin op weg naar hun proces, 1938

In Stalin’s bureau werd na zijn dood een briefje gevonden met de tekst ‘Koba, waarom moet ik sterven van jou?’ een brief van zijn vroegere vriend Boecharin, die hij ten val bracht.

Oktober 2017 overleed Coen Stork, de diplomaat over wie Peter Henk Steenhuis De rode ambassadeur: de twintigste eeuw door de ogen van Coen Stork schreef. Ik bezocht hem een paar keer omdat hij bij de uitgeverij om de hoek woonde, vaak langs liep en we ook bij een presentatie weleens aan de praat waren geraakt. Hij liet graag zijn indrukwekkende verzameling boeken zien, gerangschikt per land en dan chronologisch, en zijn prachtige verzameling schilderijen van Floris Arntzenius. Stork sprak altijd nog met enige trots over zijn aanwezigheid bij het Rivoniaproces, de rechtszaak tegen ANC-leden onder wie Mandela waar Stork als waarnemer aanwezig was. En er ook steeds echt was: wat zo belangrijk gevonden werd dat Mandela hem er later in een brief uitgebreid voor heeft bedankt.

Daaraan moest ik denken toen ik dezer dagen Eastern Approaches van Fitzroy Maclean las. Maclean is een jong diplomaat in Parijs in de dertiger jaren als hij besluit dat het allemaal wat te mooi en makkelijk is, de wandelingetjes langs de Seine, de mooie ontvangsten, diners, de modieuze collega’s. Hij wil wat meemaken. En solliciteert tot ieders verbijstering naar de post in Moskou, waar ze de kandidaten tot dan toe met tractors heen moesten slepen.

Fitzroy Maclean wil Centraal-Azië zien, en dat lukt hem ook – midden in de roerselen van de Nieuwe Economische Politiek en de diepe angst die dan heerst voor buitenlanders – reist hij gewoon met wat mazzel en een een omweg naar waar hij komen wil. Terug in Moskou valt hij midden in de Grote Zuiveringen, de derde reeks van showprocessen tegen hoge communisten. Stalin is zich aan het ontdoen van zijn kameraden van het eerste uur. Maclean neemt hier de tijd voor, het proces wordt minutieus omschreven en dat is huiveringwekkende getuigenisliteratuur.

Een geweldig drama is de clash tussen aanklager Vyshinski en econoom Boecharin. Vyshinski het vuige instrument (geef mij een man en ik lever u de misdaad), de man die doet wat er van hem verwacht wordt, en Boecharin tot het einde toe intellectueel, en in de wetenschap van de hopeloosheid van zijn zaak steeds oprecht blijvend en strijdend althans tegen de leugens waar nog tegen te strijden viel. Karel van het Reve heeft overigens niet zoveel goede woorden over voor Boecharin (koekje van eigen deeg)  maar geeft elders ook toe dat hij zelf aanvankelijk deze schijnprocessen heeft toegejuicht.

Dit soort ooggetuigenverslagen zijn een uitgesteld soort rechtvaardigheid: we kunnen nu beter weten wat voor man Boecharin was. De 40 pagina’s die Maclean aan het proces wijdt zijn huiveringwekkende literatuur. Door Macleans aanwezigheid blijft ook vandaag, 80 jaar later de leugenachtigheid van Vyshinski in schril contrast staan met de althans in het proces indrukwekkende opstelling van Boecharin.

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Planned obsolescence

Sinds een paar jaar mag ik alleen maar spullen kopen die heel lang meegaan. Dit is, naast het voornemen om maximaal twee kinderen op de wereld te zetten, mijn kleine bijdrage aan een vorm van toekomst voor ons allemaal. Ik slaap er niet beter door, maar voel me wel vaak superieur.

Gisteren fietste ik langs de Action op de Kinkerstraat en wist me ver verheven boven het volk dat er met overvolle tassen naar buiten kwam.

Ik parkeerde mijn fiets bij de meesterslijper en kocht er een gietijzeren theepot die Nadims kleinkinderen nog zullen gebruiken om elkaar de hersens mee in te slaan. Het was een goede aanschaf, en al zal ik er de rest van de maand geen thee meer door kunnen kopen: het gaat juist om de lange termijn, om leven naar wat duurzaam is, niet naar wat je vandaag nog graag wilt hebben.

Mijn besluit om alleen maar goed gemaakte dingen te kopen nam ik in Suriname, waar op elke straathoek een Chinese winkel zit die uitsluitend rejects van de Action voert. In Paramaribo kwam ik er ook achter dat er zoiets als een plastic kaasrasp bestaat; zulke na kort gebruik gebroken, gescheurde of gebarsten spullen vind je in alle greppels van de stad, op braakliggende terreinen en drijvend in de Surinamerivier.

Dat we teveel consumeren is één ding, maar wat me gek kan maken is dat we shit produceren waarvan we wéten dat het onmiddellijk stuk zal gaan.

Mijn theorie over hoe zoiets als de Action kan bestaan: mensen ervaren koopkracht omdat ze er veel kunnen aanschaffen. Kennelijk is dat vaak belangrijker dan of de dingen die ze kopen echte waarde hebben, i.e. dat producten kunnen wat hun naam suggereert (zo zou een kaasrasp ten minste tien jaar bestand moeten zijn tegen elke vorm van kaas).

Wie dat soort spullen koopt gelooft niet in morgen. Niet echt. Ik heb op deze plek al eerder gepleit voor een keurmerk voor producten die doen wat we van ze mogen verwachten.

Planned obsolescence zou strafbaar moeten worden gesteld en klanten van de Action moeten weten dat ze geplayd worden.

Jesse. Nogmaals. Bel me. Je hebt me nodig.

 

* Het slapende hondje op de foto komt niet in dit verhaal voor en heeft niets met de Action te maken. Je zou je wel kunnen indenken hoe blij hij – gezien zijn geringe koopkracht – met de Action zou zijn.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Beslagen ten ijs

Ik parafraseer, maar in de documentaire Public Speaking zegt Fran Lebowitz over haar auto: ‘It’s such a subtle shade of pearl gray, straight men think it’s white.’ Hetzelfde geldt voor schaatsen: er bestaat een manier om het gay te doen, maar het verschil zit ‘m in de details.

Mijn geaardheid heeft me er nooit van weerhouden de ijzers onder te binden. Het vergt alleen wat meer voorbereiding. Materiaal, kleding, maar ook bijvoorbeeld huidverzorging moeten optimaal bijdragen aan zowel de ijspret als het totaalplaatje: welk statement wil je maken? Persoonlijk gebruik ik een vrij vettige lippenbalsem van Everon die een geraffineerd glitterlaagje achterlaat, maar er bestaan ook uitbundigere varianten. Let wel op dat je lippenbalsem niet op waterbasis is, want water bevriest.

Op televisie komt het mooiste moment altijd na de finish, wanneer de schaatsers hun pak openritsen om hun dampende lijven af te koelen. Toch adviseer ik tegen een schaatspak voor de gewone homorecreant. Het is relatief duur in aanschaf en ‘t staat overijverig, helemaal met zo’n hoofdkapje. Als nauwsluitend echt zo belangrijk is, draag dan een oud fetisjpak.

Mijn eigen outfit bestaat uit lang thermo-ondergoed onder een oude spijkerboek en een grof gebreide schaatstrui in regenboogkleuren. Misschien een beetje slobberig, maar wél helemaal the boy next door, en wat mijn silhouet ontbeert aan aerodynamica compenseer ik met mijn techniek: diep zitten met mijn handen op m’n rug, dat heb ik altijd goed gekund.

Mijn vriendjes hadden Vikings, maar die naam associeerde ik zelfs als kind al te veel met bebloede bijlen en baarden. Ik zocht beschaving op het ijs. Sinds mijn dertiende rijd ik nog altijd op dezelfde hoge Ballangruds met echt leren beschermhoesjes en elegant stikwerk op de schoen. Vintage. Voelt vertrouwd, net als op hakken lopen.

Zodra de zon even weg is, kan het gemeen koud zijn op het ijs. Draag daarom altijd iets op je hoofd. Een muts is lekker warm, maar naderhand hangt je haar er de hele avond plat en moegestreden bij. Bij droog weer geef ik zelf de voorkeur aan een brede hoofdband die de oren volledig bedekt maar het haar vrijlaat, zodat het z’n volume behoudt. Spuit je kapsel voor langere tochten over open ijsvlaktes van tevoren goed vast, dat heeft ook een isolerend effect.

Je moet je erop kleden, maar uiteindelijk is schaatsen – écht schaatsen – geen kwestie van wat je draagt, maar van lange halen en goed door blijven glijden. Ik zou het dolgraag hebben voorgedaan aan een beginnersklasje op de Keizersgracht, maar ik zit in Texas. Hier dooit het.

_________________________

Arjen van Lith debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten