Scheur

scheur

Eerder op dit blog besteedde ik uitvoerig aandacht aan onze badkamer in Amsterdam, maar daarbij heb ik onbewust of misschien uit schaamte één tekenend detail onderbelicht gelaten: sinds onze intrek elf jaar geleden zit er een barst in de wc-bril, ooit veroorzaakt door de vorige bewoners. Ik heb sterke vermoedens over de exacte dader, maar dat doet er nu niet toe. Mij gaat het vooral om de progressie van die barst.

Het begon klein. Een haarscheurtje aan de linkerkant, rechts als je staat. Weinig meer dan een grillig potloodstreepje. Als de bril omhoog stond, was er aan de onderkant nog niets te zien. Ook merkte je toen nog niks als je erop zat. Je kon je gewicht nog normaal, gelijkelijk over de hele bril verdelen.

In die eerste jaren merkte ik dat het haarscheurtje niet zozeer breder, dan wel zwarter werd. Geprononceerder. Schoonmaken werd een dilemma: met elke stevige schrobbeurt liep ik het risico de breuklijn nodeloos te verdiepen. Het veiligste bleek om dagelijks een desinfecterend reinigingsdoekje voorzichtig – als een plumeau – een paar keer over de lengterichting van de scheur te wuiven. Zo kreeg die niet de druk, maar wel het hygiënische reinigingsvocht te verwerken.

Traag maar gestaag trok de scheur verder door onze bril. Naarmate hij lager langs de zijkanten naar beneden liep, werd het probleem steeds moeilijker te ontkennen. Het potloodstreepje werd 3D. Ook ontstond er steeds meer speling tussen de breukdelen: iedere gewichtsverplaatsing op de bril verergerde de frictie en bespoedigde het verval. Ik weeg relatief weinig, dus misschien is de term ‘kritieke massa’ hier niet helemaal op z’n plaats, maar elk afbraakproces kent een moment waarop de integriteit van het materiaal zich de facto overgeeft aan de slopende krachten van buitenaf. Ik kan mijn vinger er niet precies op leggen, maar het moet ergens in de zomer van 2015 zijn geweest dat onze wc-bril definitief capituleerde, al was de breuk toen nog niet door-en-door.

Echt fysiek ongemak kwam sluipenderwijs. In eerste instantie had ik nergens last van, afgezien van een vaag besef van verlies, de realisatie dat gedachteloos alles laten lopen er voortaan niet meer in zat. Om de zwakke kant van de bril te ontlasten, ging ik scheef op de rechterhelft zitten en liet mijn linkerbil gedurende het hele toiletbezoek als het ware zweven boven de breuk. Desondanks bleven bij het opstaan steeds vaker wat dij- of bilhaartjes in de scheur steken. Naarmate de breuk zich verder verwijdde nam het risico op serieuzere verwondingen evenredig toe; de scheur was nu breed genoeg om zich klemvast te kunnen bijten in een nietsvermoedende huidplooi van de visite.

Sinds twee weken is de doorklieving compleet. Bij terugkomst in Amsterdam lagen beide breukdelen gescheiden tegen elkaar aan. Als je erop ging zitten, maakten ze een knarsend geluid tegen het porselein van de pot. Vermoedelijk is onze huurder in alle onschuld met zijn volle gewicht op de wc geploft, maar ik wil hem nergens de schuld van geven. Het kan ook zijn dat de bril met een droge tik in de stilte van de badkamer is bezweken aan zijn eigen materiaalmoeheid.

Het voordeel van een Spartaanse inborst is dat je zonder chagrijn met langlopende ontberingen kunt leven. Tot eergisteren is de scheur bijna twaalf jaar lang een deel van mijn leven geweest. Een ander voordeel is dat de lat voor de ervaring van luxe voordelig laag ligt, dat je intens kunt genieten van doordeweeks geluk dat niemand je ooit kan afpakken. Frisgewassen lakens. Een warme handdoek na het douchen, licht geroosterd over de radiator. Het nieuwe jaar in met een nieuwe wc-bril en – ik was bijna vergeten hoe het voelde – het onbetaalbare genot van zorgeloze ontspanning op het toilet.

______________________

Arjen van Lith is schrijver, journalist en zitplasser. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een brievenbundel en een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Noord-Korea. Wie wind zaait…

Dit voorjaar verschijnt Casper van der Veens De Kim-dynastie. Geschiedenis van Noord-Korea. Ik zit er midden in. In dit stadium van meelezen met een boek verzamel ik van alles wat ik tegenkom, foto’s boeken met propagandaposters, documentaires, ik koop Amerikaanse, Engelse en Duitse boeken over het onderwerp.

Er staat veel opmerkelijks in dit boek, veel wat ik niet wist. Van der Veen, Noord-Koreadeskundige werkzaam voor NRC,  meldt onder meer dat Noord-Korea sinds 1945 de facto een monarchie is: erfelijke troonopvolging immers. En met een steeds rigider despotisme. Een vorm van despotisme waar Mao en Stalin zelfs nooit aan gedacht hebben. De kunst bij het nadenken over een land als dit is niet zozeer de woede blijven voelen jegens deze dictators – een woede die alleszins gerechtvaardigd is – als wel je een voorstelling trachten te maken van de twijfel die wellicht soms rijst in intelligente Noord-Koreaanse hoofden. Wat weet men? En wat weet men niet? Van der Veen toont beargumenteerd aan dat het kernprogramma,  al begonnen rond 1956, een van de sterkste troeven maar ook een noodzakelijkheid is in de mogelijkheid het volk te laten blijven geloven dat de huidige repressieve staatsvorm de enige mogelijke voor Noord-Korea is. Despoten hebben vijanden nodig, anders implodeert de haat. Waar ik nog weinig over tegenkomen is welke rijkdommen de Kim’s precies verworven hebben? Van vergelijkbare (en bevriende) gekken als de Ceaușescu’s en Khadafi weten we hoe extreem die waren. Maar de Kims? Wat deden die terwijl de bevolking op 240 gram rijst per dag zat in de jaren 1994-1998? Een van de meer dan twaalf residenties van deze Kim, de Ryongsong-Mansion licht alvast een tipje van deze sluier op. ‘Besides large houses and well-tended gardens there are man-made lakes and various recreational facilities. Witnesses have reported luxurious interiors with ornate furnishings, deep plush carpets and fancy chandeliers.

Schermafbeelding 2017-12-21 om 13.33.40Propaganda blijft een schitterend fenomeen om de realiteit van een land mee te bestuderen, een geweldig fotonegatief van de werkelijkheid, gratis en voor niets uitgevent door dit soort dictaturen. Kijk eens hoe het niet is!

In Huis Marseille is een fraaie tentoonstelling van de foto’s die Eddo Hartmann maakte in zijn drie reizen naar Noord Korea. Een van zijn geweldige foto’s mag op het omslag van Van der Veens boek. Het verschijnt in april, tenzij Grote Leider Kim Jong-un besluit dat het eerder moet.

 

 

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Middelen

Ondanks de vrienden die meerjarenplannen voor hun leven hebben en daar echt tevreden over lijken, geloof ik eigenlijk alleen maar in het nu.

De toekomst (alles wat meer dan drie maanden vóór me ligt) is me ongeveer zo reëel als die lege straat in een verkeersspiegel: ik accepteer de theorie, maar zou nooit zomaar de hoek om zeilen zonder met eigen ogen te hebben gezien dat het kan.

Een fijn gevolg van zo in het leven staan is dat ik niet veel zou veranderen als vandaag mijn laatste week aanbrak. De dingen die ik doe en de mensen met wie ik te maken heb zouden ook dan beslag op me mogen leggen.

Je mag dus zeggen dat ik een lage verwachting van het leven heb of heel gelukkig ben.

Iedereen zou zich regelmatig moeten afvragen wat hij zou veranderen als er niet veel tijd meer was. Je hoeft het niet te serieus te nemen, maar de gedachte werkt als een vergrootglas voor wat er wringt of slecht loopt in je heden.

Iets wat ik vrijwel dagelijks doe en niet meer zou doen als mijn tijd opraakte is drinken. Het lijkt me zo zonde om in die laatste dagen niet alles volledig mee te krijgen.

Wie wil er bier drinken als hij een middag met zijn dochter in de zandbak kan?

Ik, vreemd genoeg. Heel regelmatig, zelfs.

Mijn dagen zijn per definitie geteld. Omdat ik op een gegeven moment de pijp uit moet, maar vooral omdat mijn kinderen ouder worden.

Nog een paar jaar en ze zullen niet meer bij me in bed kruipen met hun hete teentjes en vingers, hun piekhaar, snot en speeksel, hun slopende en verslavende cocktail van slaapgebrek en geluk.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Brief aan mijn kapper (42)

Beste kapper,

’s Nachts, als ik niet slapen kan van de jetlag en M. niet wakker wordt van de jetlag, gebruik ik die zwevende uren om te zwelgen in zelfmedelijden zonder dat iemand het ziet. In stilte, want de muren hebben oren, huil ik om de dierbaren die me zijn ontvallen. Ik snik zachtjes om vriendschappen die zijn stukgelopen, ik snotter om gestorven huisdieren en ik ween – niemand kan dat helemaal zonder geluid – om mijn haar, dat bij gebrek aan nageslacht de grootste bron van zorg in mijn leven is.

Op mijn telefoon staat een oude klassenfoto van 4vwo. Je herkent me meteen; ik ben die dunne jongen met die gele zomerjas en die golvende blonde oerbos. Vanwege een pukkel op mijn rechterwang had ik mijn gezicht een beetje weggedraaid van de camera. In die tijd dacht ik dat een gave huid het hoogst haalbare in het leven was. Onzin natuurlijk. Het hoogst haalbare in het leven is sterven met je eigen tanden en een kop vol haar.

Ik merk dat ik mensen steeds minder beoordeel op hun persoonlijke kwaliteiten en steeds meer op hun haar. Het doet me niks dat vriend E. is gepromoveerd tot oligarch van een internetconglomeraat; ik bewonder hem om zijn zilvergrijze miljonairscoupe. Collega G. pent meesterwerk na meesterwerk neer, maar hij ontroert me het meest met zijn krullen. Mijn eigen M. beneemt me nog altijd de adem met een donkerbruine lok over één oog. Dat ‘ie verder ook super is, neem ik op de koop toe.

Natuurlijk heb ik ook vrienden die in de loop van onze omgang langzaam kaal zijn geworden. Sommigen zelfs nog kaler dan ik. Het is absoluut niet zo dat ik daardoor minder van ze ben gaan houden, maar ik zie ze wel minder vaak.

Omgekeerd mijd ik kale vreemden. Ik realiseer me dat ik daarmee onze pogingen om een betekenisvol sociaal leven in Amerika op te bouwen ernstig hinder, maar ik ben er nog niet klaar voor om me in die demografie te begeven. Gelukkig is Amerika veel behaarder dan Europa, ook tot op hogere leeftijd. Misschien komt het doordat het leven hier veel harder is, dat je die beschutting echt nodig hebt.

Het helpt ook niet dat we in Austin recht tegenover een ontharingskliniek wonen. Mijn eigen problematiek heeft daar verder niets mee te maken, maar het komen en gaan van de klanten brengt mijn gedachten onherroepelijk weer terug op haar, zichtbaar of niet. Je vraagt je toch af of een vrouw in een pick-up truck meer heeft weg te laseren dan iemand in een Prius.

Ook in de Amerikaanse politiek blijft haar me bezighouden. Dat van Trump probeer ik actief te vermijden, maar ik speur nachtenlang het internet af naar foto’s van special counsel Robert S. Mueller III – zijn naam evenaart zijn zijscheiding – liefst in zo hoog mogelijke resolutie zodat ik elk afzonderlijk detail kan bestuderen. Zie de foto hierboven: met deze onverzettelijke haarlijn is het onderzoek naar Russisch verkiezingsgesjoemel in de best mogelijke handen.

Tot slot moet ik u een bekentenis doen. In Austin ben ik een paar keer vreemdgegaan bij Finley’s Barber Shop op 3rd Street, waar ik voor het Premier Haircut Package, inclusief nekmassage, heb gekozen. Daar staat normaal drie kwartier voor, maar ik stond na twintig minuten alweer buiten. Meer was er niet te doen. Ik bedoel, er was domweg te weinig werkmateriaal voorhanden om de geboekte tijd mee te vullen. Knippen, bedacht ik me, is ook luisteren, en niemand doet dat beter dan u, beste kapper. Daarom blijf ik terugkomen. Daarom blijf ik u schrijven. Omdat ik u betaal voor uw begrip.

_________________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Acteren, een vak apart

Laat ik om te beginnen duidelijk maken dat ik niets tegen Thomas Acda heb. Ik zing heel wat liedjes van De Munnik en hem woord voor woord mee. Hij is het type BN-er dat, geloof ik, wat meer dan de gemiddelde moeite heeft met zijn bekendheid. Als je hem rond ziet lopen doet ‘ie altijd zo zijn best er niet te zijn, dat ook de mensen met wie hij is hem wel eens kwijt zijn. Maar mijn probleem betreft dit affiche. Laten we zegen dat Acda als acteur ‘bijvangst’ is. Categorie Theo Maassen, die eigenlijk iets anders goed kon, en toen ook wel redelijk bleek te acteren. Zijn rol in Alles is liefde is evenwel mooi.

Volgens mij toont dit affiche net die éne foto van Acda als Tevye op een moment dat hij heel slecht acteert.

Of eigenlijk zie ik iemand die denkt ‘ik druk nu met een glimlach enig genoegen en een beetje melancholie uit.’ Met andere woorden we zien hier een acteur acteren en geen Tevye. Nu is niet iedereen een Gijs Scholten van Asschat, of een Pierre Bokma, een Jacob Derwig. En niet iedereen heeft zich de Stanislavskimethode eigen gemaakt. Die is zwaar uit de tijd.

Acda kan er natuurlijk niets aan doen dat de mensen die fotografeerden en de poster ontwierpen voor juist dit ene vastgelegde moment kozen waarop we door Tevye heen gewoon naar Thomas Acda kijken, die beroerd aan het acteren is. En niet op een mooi transparante wijze zoals goede acteurs dat ook kunnen. Deze poster vervult mij dan ook met een vreemd soort schaamte, die je inderdaad plaatsvervangend zou kunnen noemen. Wat moet die Thomas ervan balen dat ze nou net een foto namen waarop je eigenlijk door zijn personage heen kijkt naar zijn, ja naar zijn boodschapenlijstje, of de vervelende blaar op zijn linker kleine teen. Of naar iets anders dat zeer Acdaiaans is, en niks met Solomon Naumovich Rabinovich te maken heeft, die het personage bedacht en invulling gaf. Kan zoiets eigenlijk? Aan een foto zien dat iemand slecht acteert? Ik had het nooit eerder gezien, denk ik.

En wat stom dat ze juist hier een affiche van maken. Het zal het succes van de mjoesikol overigens vast niet in de weg staan.

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Geen winter meer

In de diepte van de ochtend ging het leeslampje boven Nadims bed aan. Ik zag het schijnsel door het matglas in zijn deur, hoorde zijn blote voeten de treetjes van het stapelbed afdalen en bad dat hij Ada niet wakker zou maken. Nadim denkt dat hij sluipt als hij zijn voeten hoger optilt dan normaal.

Onze zoon klompte naar de voorkant van het huis, waar de dakkapel van de kinderkamer zit. De vensterbank kraakte, en even later klonk een luide bonk. Het grote licht ging aan in zijn kamer en de deur vloog open. Twee tellen later stond hij aan ons voeteneind. Doordat ik er steeds niet aan toe kom hem naar de kapper te brengen had hij het silhouet van een LEGO-mannetje.

‘De sneeuw is er nog!’ zei hij. ‘Mama. Mam. Mamma! De. Sneeuw. Is. Er. Nog.’

Zonder antwoord af te wachten kloste hij naar beneden, met tegenzin gevolgd door mij. Ik douchte redelijk ongestoord en maakte ontbijt terwijl Nadim ijsbeerde voor het raam.

‘Denk je dat we kunnen glijden, straks? Pap, denk je dat er een glijbaan is op straat?’

Buiten het keukenraam was duidelijk hoe de sneeuwbui van gisteren tot drek geworden was in de binnentuinen. Af en toe schoof er wat natte sneeuw van de pannen om als duivenkak neer te slaan op het platje van de onderburen.

‘Ik weet het niet, schat,’ zei ik. ‘Pindakaas mee naar school of worst?’

‘Pindakaas. O, ik kan niet wachten! Dit wordt zo su-per-cool!’

Ik heb een reële angst een sarcastische oude man te worden en zei daarom niets, maar toen onze jongen ook te druk bleek om normaal te ontbijten vertelde ik hem wél dat hij er misschien teveel van hoopte, van het winterwonderland dat ons daarbuiten wachtte.

Toen het ontbijt erop zat en alle tanden gepoetst waren, duwde ik Otis de Hond uit zijn mand om onze zwaar ingepakte jongen naar school te gaan brengen. Nadim trappelde al in de hal, en het kostte me moeite de deur van het slot te draaien omdat hij niet stil wilde staan. Door het begin van een kier stoof hij naar buiten, waar hij joelend grote aanlopen nam om steeds een halve meter te glijden over de zompige bruine brij op straat.

Otis en ik sjokten achter de kleine wildeman aan, die afwisselend gleed en huppelde, Sinterklaasliederen zong en ijsballen kleide van de smeltende sneeuw op de motorkappen van auto’s.

‘Weet je pap?’ zei Nadim toen hij buiten adem was en weer aan mijn hand wilde lopen.

‘Nou?’

‘Weet je wel dat ik Amsterdam zo mooi vind, maar het állermooist als alles zo wit en fris is als nu, op een échte winterochtend?’

Ik kon Nadim ternauwernood aan de kant trekken voor een dampende hondendrol en dacht aan de winters uit mijn kindertijd. Wekenlang schaatsen, sleeën, iglo’s bouwen. Een paar dagen terug schreef ik op deze plek dat het een kwestie van tijd was voordat ikzelf  […] het vroeger zoveel rustiger, mooier, échter […] zou gaan vinden, dus keek ik in dat wijdopen bleke smoeltje, knikte en zei dat het inderdaad een prachtige winterochtend was.

‘En papa,’ zei Nadim. ‘Hebben wij een slee? Dan kunnen we vanmiddag naar het park.’

Ik dacht aan het gebarsten plastic sleetje dat we ooit in de bergen kochten en dat de afgelopen zes jaar in de opslag heeft gestaan. Ik dacht aan het geluid van te zwaar belast plastic dat over grindtegels wordt getrokken.

Hoe ver moest ik meegaan in de beleving van mijn kind? Wanneer werd instemming bedrog?

Dankbaar liet ik ons gesprek afkappen door Nadims klasgenoten, die even verheugd leken met deze witte, frisse, échte winterochtend. Ik keek naar mijn zoon en zijn vrienden en begreep dat hun blijdschap dezelfde was die ik als kind gevoeld had.

Voor het eerst waren de kinderen van nu tevreden met minder dan de kinderen van vroeger.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Weg met zwartepiet

In ons dagelijks taalgebruik hebben we het heel lang gehad over ‘Sinterklaas en zwartepiet’. Gewoontegetrouw als we zijn. Onlangs kwamen daar de term roetveegpiet en nog wat varianten bij, want de ouderwetse zwartepiet is zwaar op zijn retour. Net als het diepgewortelde fenomeen waarvan het een uitwas is.

Zwartepiet is racisme, dat is een feit. En wie zich willens en wetens tóch uitdost met kroespruik, gouden oorringen en een zwartgeverfd gezicht is een racist. Dat verschijnsel wordt terecht bevochten totdat het is verdwenen. Kortom, de zogenaamd traditionele zwartepiet heeft afgedaan, terwijl de benaming ‘zwartepiet’ gemeengoed is.

Ons taalgebruik blijft bij nieuwe normen helaas vaak achter. Maar om het achterhaalde zwartepietpersonage uit te bannen kan juist taal ons een handje helpen, als we een goedgekozen woord kunnen vinden om duidelijk te maken hoe absurd die figuur eigenlijk is.

In dit geval is een voorstel niet moeilijk. Er zijn verschillende soorten pieten waar niets mis mee is, bijvoorbeeld de pakjespiet, wegwijspiet, rijmpiet, roetveegpiet en de stroopwafelpiet. Maar er is één die zijn onschuld heeft verloren en die niet langer voldoet, namelijk:

zwartepiet

Dat is die figuur met kroespruik, gouden oorringen en een zwartgeverfd gezicht, een karikatuur waartegen collectief een vuist wordt gemaakt. Laten we dát beestje voortaan bij de naam noemen om te laten zien hoe abnormaal zijn verschijning is. Laten we in dat geval spreken van:

zwartschminkpiet

Goed, een raar maar waar woord. Daar kunnen we de rest van het jaar herkauwen en tegen de tijd dat de Sint weer in aantocht is zal ik ‘m van harte herhalen. De strijd is immers nog lang niet gestreden.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds vier jaar blogt hij voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Wat het graan ons aandoet – de valstrik van de luxe volgens Harari

Een op de drie boeken vorig jaar onder de kerstboom was volgens mij Yuval Noah Harari’s Sapiens, een verfrissende kijk op de geschiedenis van de mensheid. De neiging om ver voor de geschreven bronnen te kijken als historicus is toch nog betrekkelijk nieuw. We waren nog al lang tekst-gepreoccupeerd. Het plaatst de mens in een verrassend perspectief. Er zijn twee duizelingwekkende jaartallen te onthouden in dit verhaal: 70.000 jaar voor nu, en 12.000 jaar voor nu. De oudste datum is die van de ‘cognitieve revolutie’, het moment dat de Sapiens zich langzaam losmaakt van zijn naaste verwanten en door een nog steeds niet volledig begrepen spurt in zijn denken de overhand krijgt onder de andere mensachtigen, en zich gaat verspreiden vanuit Afrika, via het Midden-Oosten over – betrekkelijk snel – de hele wereld. Het tweede jaartal is dat van de ‘agrarische revolutie’, het moment waar elke cultuur wel een ontstaansmythe over heeft, namelijk wanneer Sapiens zich de landbouw eigen maakt.

Verfrissend aan Yuval Noah Harari’s verhaal is de duidelijke weerzin die hij voelt jegens deze laatste revolutie: als jagers-verzamelaars werkten we zo’n 6 uur per dag, vulden de rest met lummelen en klooien. We hadden een buitengemeen divers menu, leefden in kleine groepen, waren relatief gezond, hadden een aardige levensverwachting als je de kindersterfte er even aftrekt.

De agrarische revolutie is voor Harari een behoorlijke terugval in de kwaliteit van leven: door grotere gemeenschappen woekeren de ziekten, we beulen ons af, we zijn afhankelijker van minder soorten voedsel, meer oorlog wegens meer bezit, een eenzijdig menu. Het begin van het sappelen zou je kunnen zeggen.

Harari weet er dan soms een inzicht van Dawkinsiaanse vindingrijkheid in te moffelen. Zoals dat het toch knap is hoe de plantensoort graan de mens heeft weten te domesticeren. Niet andersom inderdaad. Het graan heeft op een of andere manier de hoger diersoort Homo Sapiens zo ver gekregen zijn volledige bestaan in dienst te stellen van het zo ruim mogelijk reproduceren van het DNA van graan. Graan is een van de meest succesvolle planten in de geschiedenis van de aarde! Dank zij zijn immer in het zweet zijns aanschijns door ploegende en ploeterende mens.

Als iets je wel duidelijk wordt bij het lezen van Harari is de mythe van vooruitgang waarin we leven. En dat er van vooruitgang eigenlijk steeds geen sprake is. Het schrift begon doordat er meer informatie was dan ons brein aankon, religies en staten zijn mythes die helpen bij het in grotere dan stamverbanden organiseren van mensen. De agrarische revolutie was een poging tot eenvoudiger leven die we niet konden overzien en die leidde tot veel meer problemen dan we daarvoor hadden, de ‘luxury trap’ waar we sindsdien steeds maar waar weer ingetrapt zijn. Internet en informatie zal er ongetwijfeld weer zo een zijn. Het leek zo makkelijk, maar leidde ons dieper in de problemen dan we zaten.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Andere tijden

Het was zondag, de lucht grijs als het asfalt van de A58 waarover we reden. B en ik waren onderweg om afscheid te nemen van haar oom A, voormalig actief communist en psychiater. Door een complicatie bij zijn ziekte was de verwachting dat hij het niet lang zou maken.

We praatten weinig, vanwege het verdriet van B’s tante, maar misschien ook door de spagaat waarin we zaten: jarenlang was dit de weg naar een van de fijnste plekken ter wereld. Oom A’s zomerhuisje in Zuidzande lag tussen eindeloze velden aan een lange onverharde laan. Alleen de populieren ruisten er, en als je even naar het westen fietste nam het ruisen van de zee het over.

Hier plukte Nadim zijn eerste appel, leerde hij fietsen en rolde Otis de Hond als puppy knorrend van genot door een rottend eendelijk.

In het huisje in Zuidzande waren B en ik tijdloos, vrij en samen. Het licht is er zo fel dat zelfs de donkerste gedachte onder het tapijt schiet, het internet te traag voor het checken van je mail. Omdat de gaarden rond het huis biologisch beheerd worden kun je er eten uit de berm, en ik kookte met zoveel liefde wilde groenten op die twee kuttige butapitten dat mijn hart er bijna van knalde.

Oom A bezat ook een huisje in Venetië vlakbij San Giorgio. Het lag aan een klein plein dat tot een paar jaar terug een van de laatste toeristenloze plekken van de stad was. Ook hier kwamen B en ik al sinds ons begin. Ook hier kon ik janken van geluk als we aankwamen.

Als we met B’s oom en tante afspraken zei ik altijd hoe blij we met hun huisjes waren; wat het voor ons betekende erheen te kunnen. A reageerde steevast door te vertellen hoe mijn favoriete plekken er vroeger uitzagen, hoeveel mooier het nog was geweest.

Je kon A prima plagen en ik noemde hem een brombeer, maar wat hij vertelde ging niet langs me heen. Dat het vroeger zoveel rustiger, mooier, échter was: een kwestie van tijd tot ik dat allemaal zélf ging vinden.

Vijf jaar geleden waren we voor het laatst in La Serenissima. B huilde toen we de Campielo del Figareto verlieten. Het huisje zou dat najaar verkocht worden aan een Frans echtpaar.

‘Kom schat,’ zei ik, en trok aan B’s hand. ‘We missen de boot nog. We vinden wel een ander huis, je zult zien dat we gewoon nog elk jaar visjes kopen bij de Rialto.’

Maar we vonden geen betere plek. We zijn niet meer samen in Venetië geweest, en inmiddels durven we niet meer. Bang dat nu ook op Campo Ruga en in de Via Garibaldi viertalige menu’s achter de ruiten hangen.

Een tijdje terug las ik voor in Arti et Amicitiae, en werd aangesproken door een bejaarde man die me de groeten deed van Gabriele Bianchi, een wat oudere Venetiaanse vriend.

Ik voelde me een verrader, schreef een briefje aan Gabriele dat de man beloofde bij zijn winkel af te geven. Op weg naar huis vroeg ik me af of Anna en Francesca er te zijner tijd aan zouden denken ons uit te nodigen voor zijn begrafenis.

A lag in de huiskamer op zo’n bed met geruisloze wielen. B ging aan het hoofdeind zitten en pakte A’s hand. Het was duidelijk dat zijn geest nog scherp was en net als altijd grip probeerde te krijgen op wat hem overkwam. Maar de woorden: ze wilden er niet uit. Zelfs korte zinnen leken A volledig uit te putten.

Toen B opstond om thee te zetten nam ik haar plek in. Ik hield A’s hand vast – iets wat we nog nooit hadden gedaan en waarbij ik me afvroeg of hij het ongemakkelijk vond – en zei dat ik was gekomen om hem te bedanken. Dat ik mede dankzij hem zo vrij en zo gelukkig ben geweest. A richtte zich een beetje op. Ik bracht mijn oor naar zijn mond.

‘Nou,’ raspte hij. ‘Dat is dan graag gedaan.’

Hij klopte op de rug van mijn hand. Even dacht ik dat hij wilde aangeven dat het genoeg geweest was met dat handjesvasthouden, maar hij trok me nog iets dichterbij.

‘Wees sterk,’ zei hij. ‘Zorg goed voor ze.’

Daar zaten we, de bijna dode man en ik. Ik wilde daar naast hem zitten en geloof dat hij wilde dat ik naast hem zat. Zolang het kon wisselden we nog wat klanken uit. Er was misschien heel veel te zeggen, maar we deden het niet echt.

Ik stond op. Kuste hem. Zei dag.

In stilte reden we terug over de A58. Ik zou nooit meer tegen B zeggen dat het wel meeviel. Mensen en plekken gaan soms echt voorbij.

Nu staat het huisje in Zuidzande te koop. Red het en heb het lief. Wij kunnen het niet betalen.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Monument voor een dag

Het Civil Rights Museum in Memphis, Tennessee is gevestigd in en onder het voormalige Lorraine Motel, waar Martin Luther King op de galerij werd doodgeschoten. Binnen staat een opgeblazen bus van de Freedom Riders uit 1961 waar je niet in mag en een bus met rechts voorin een opgezette Rosa Parks waar je wel in mag.

De apotheose van de rondleiding is de hotelkamer waar MLK zijn laatste nacht heeft doorgebracht. Het bed is bestudeerd onopgemaakt – beslapen maar niet afgeragd – en op het dressoir staat een dienblad met een leeg ontbijtbord, een asbak vol neppeuken en een nepkartonnetje melk uit april 1968. Niet alleen alles in de kamer maar ook daarbuiten, over de balustrade, op het parkeerterreintje met auto’s uit die tijd; alles is gefixeerd op het moment van de moord, alsof er haarlak overheen is gespoten.

In het Civil Rights Museum zag ik ook een foto uit 1965 van King op een stoep in Selma, Alabama, geknield met zijn aanhangers in protest tegen raciaal geweld, precies zoals de American Footballspeler Colin Kaepernick en andere atleten nu wekelijks demonstreren tijdens het volkslied voor de wedstrijd. Trump noemt hen onpatriottisch. Ik weet dat het allemaal rood vlees voor de meute is en dat ik meer op de belastingplannen moet letten, op deregulering en het grote geld in de Amerikaanse politiek, maar dit plaatje van King op één knie leek me een goede muurschildering voor HOPE Gallery, een verlaten bouwproject tegen een heuvel in downtown Austin waar je vrij graffiti mag spuiten.

Het grote verschil met schrijven is dat je bij tekenen en schilderen gewoon een muziekje kunt opzetten. Dat je niet per se in je diepste lijden hoeft te tasten voor een productieve werkdag, maar ook zonder gedoe een lijntje kunt overtrekken, of in mijn geval uitsnijden. En het is meditatief. Veel valt terug te brengen tot eenvoudige, repeterende handelingen die je ook gedachteloos hoogwaardig kunt uitvoeren. Als ik niet zo goed had kunnen leren, was ik naar het grafisch lyceum gegaan.

Bij stencilafbeeldingen gaat de meeste tijd zitten in de voorbereiding. Voor iedere kleur of gewenste dekkingsgraad ontwerp en snij je een apart sjabloon. Hoe meer sjablonen, des te gedetailleerder en kleurrijker het eindresultaat. Vanwege de korrelige kwaliteit van de originele zwart-witfoto heb ik het simpel gehouden: aan de snor moet je zien wie het is.

Bovenaan de heuvel, met uitzicht op de skyline van Austin, ging het aanbrengen van de afbeelding razendsnel. Wandje witten, sjablonen in positie en spuiten maar. Er had zich een groepje mensen om ons heen verzameld toen ik de laatste stukken karton wegtrok – bijna een onthulling. Voor extra monumentaal effect schilderden we ook het betonvloertje ervoor wit, zodat King wat meer, hoe zeg je dat, Lebensraum kreeg.

Het was druk. Ik was bezweet en ontdekte dat ik mijn trouwring zwart had gespoten. Ik poseerde naast een meisje met een grote 7 op haar T-shirt, het rugnummer van Colin Kaepernick. Andere bezoekers maakten selfies en groepsfoto’s op één knie. Een oudere man met een heel dun vlechtje stond minutenlang zwijgend naar de afbeelding te knikken. Iemand vroeg of ik dit politiek bedoelde.

Inherent aan street art is de vergankelijkheid ervan. Dat is niet erg. Niets is heilig, niets gefixeerd, documentatie is alles. Ik had mijn best gedaan om een serene, museale omgeving voor MLK te creëren die gepaste afstand gebiedt en ik hoopte dat de aard van de afbeelding bij veel, zo niet alle Amerikanen respect en hopelijk wat terughoudendheid zou afdwingen. Toch wist ik dat ik het onvermijdelijke slechts tijdelijk op afstand kon houden. Uiteindelijk zal ook Martin Luther King Jr. verdwijnen onder een verse laag piemels en protestleuzen.

Ik had alleen niet gedacht dat het zó snel zou gaan.*

_______________________

* Het rechterdeel van de foto is genomen op zondagochtend 26 november 2017, nog geen dag na plaatsing van de afbeelding (zie linkerdeel).

 

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas. Als hij niet schrijft, maakt hij af en toe straatkunst.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten