Gordijnen

Ineens verlangde ik hevig naar je straat. Het was een stille straat: er slopen sporadisch auto’s langs je ramen, de bomen waren hoog, vingen wind en mannen met honden groetten me als ik naar je voordeur liep.

Als we in bed lagen, konden we soms de dronkenpraat van mensen op straat horen. In de ramen zat stokoud enkelglas en omdat je het altijd warm had, stond er altijd minstens één raam open. Omdat ik het altijd koud had, kroop ik zo dicht mogelijk tegen je aan.

De eenzame auto’s die langs je raam gleden strooiden koplamplicht door de ramen – je woonde er pas een maand en had nog geen gordijnen opgehangen. Daar zou ik een keer mee helpen, had ik gezegd. Je wist nog niets van mijn onhandigheid.

Het koplamplicht scheerde ’s nachts als een zoeklicht langs je bed, alsof er iemand naar ons zocht. Dan hielden we allebei onze adem in, tot het licht verdween. We wilden niet gevonden worden.

Je straat had iets vertrouwds, zelfs voordat ik de weg naar je huis uit mijn hoofd kende, omdat jij er woonde. De oude straatlantaarns, die ene scheve gevel, de bloemen in de vensterbank van je bejaarde buurman, die ik soms tegenkwam als ik ’s middags weer vertrok. De eerste keer keek hij me onderzoekend aan, en trok daarna zijn voordeur dicht. De laatste keer probeerde hij een praatje aan te knopen, en dat lukte bijna, was het niet dat ik zo snel mogelijk weg wilde.

Als ik niet op weg was naar jou, maar wel door je straat moest, zwaaide ik altijd even, of je nu thuis was, of niet. Soms kreeg ik later een berichtje van je, dat je me had gezien: of ik gezien had dat je had teruggezwaaid. En dat je van me hield.

Het is vreemd dat ik veel dingen van je ben vergeten. Ik weet amper nog hoe je stem klonk, hoe je zoende, hoe je naar me keek. In één jaar kunnen die kleine, en tegelijkertijd allesomvattende dingen kennelijk toch vervagen, als je iemand niet meer ziet. Van je straat weet ik alles nog. Ik wilde terug, heel even.

De trui die ik nog van je heb, zou ik eindelijk terug kunnen geven. Misschien kreeg ik dan mijn blauwe overhemd met bloemetjes in de manchetten terug. Ik vroeg me af hoe je bij iemand aanbelt, als diegene je nooit meer wilt zien. Bel je een keer lang? Of twee korte keren? Ik weet niet eens meer hoe ik al die andere keren bij je aan had gebeld. Je had gelijk, en hebt dat, na een jaar, nog steeds: ik had beter op moeten letten.

Ik kwam niet verder dan de hoek van je straat. Na een paar stappen zag ik de bloemen in de vensterbank van je buurman staan. Er liepen nog altijd mannen met honden. Ze groetten me, en ik groette terug, terwijl ik stil bleef staan bij een lantaarnpaal.

Toen zag ik het: er hingen gordijnen voor je raam. Ze waren dicht.  

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Hollen of stilstaan

(De wereld in stukken 6)

De eerste kaart waar ik zelf voet zette is een wonderlijke en prachtige snipper Verenigde Staten. Net iets onder Seattle, op de Boeing Renton Factory vind je meteen ook de plek waar veel van de reizen van de reishongerige twintigste-eeuwers begonnen. Een plek die helpt verklaren dat een Europeaan geboren in 1971 bijvoorbeeld, op 18 van deze 48 kaarten wel eens rondliep. Naar 17 ervan moest hij met een vliegtuig. Wind onder de vleugels!

In onmenselijk grote productiehallen zetten ze daar de monsters in elkaar die de wereld onder handbereik brachten. Gigantische kasten met alle tienduizenden schroefjes en onderdelen meticuleus genummerd. Vliegtuigen maken is vooral logistiek, leek het. En fotograferen ten strengste verboden. De moordende concurrentie bewerkstelligt dat je mogelijk maar in een paar merken massavervoervliegtuigen hebt gezeten. Het is iets waar veel mensen de laatste jaren een heel ander gevoel over hebben gekregen. Was vliegen in de jaren ’80 of ’90 nog iets luxueus en avontuurlijks, we denken er thans in zekere zin met schaamte aan terug. Om hoe de wereld erdoor veranderde, maar ook door de milieuschade die al dat vliegen veroorzaakt.

In Bill Brysons meeslepende 1927 toont hij de wereld en de tijd van de eerste Trans-Atlantische vlucht. Mijn eerste Boeing viel in een luchtzak boven Panama 300 meter naar beneden zodat we konden zien hoe stewardessen eruitzagen met spaghetti in hun haar. Het stond ze goed, en ze bleven er zo rustig bij! Reishonger ging in deze generatie met veel (te veel) vliegen gepaard.

Het is een reishonger die ook nog op een andere manier op deze kaart zichtbaar wordt. Hier op dit randje Pacifische kust eindigde de ‘honger naar land’ van de 19e eeuwse Europese kolonisten. In Portland stond ik in een geweldige boekwinkel, Powell’s, met een boek over de Oregon Trail in handen, van Lewis en Clark. De tocht naar steeds nieuwe werelden eindigde voor hen uitkijkend op dit stuk Pacifische Oceaan. Wat ging er door hoofden heen die de zee daar weer voor het eerst zagen? Vreemd genoeg lijkt dat nog altijd voor veel Amerikaanse gelukszoekers de richting te zijn, westwaards.  Ik zag nooit zoveel ‘clochards’ als in San Francisco, voor mijn gevoel omdat ze niet verder konden. Het is een wrang aspect van wat toch misschien wel een van de spannendste steden van Amerika is.

Deze strook is tevens die van de Noord-Amerikaanse regenwouden. Is er een groter contrast denkbaar dan in Washington State, waar je de reuzen in het Olympic National Park hebt staan op een paar uur rijden van de Boeing fabriekshallen? Efemere haast tegenover bijna tijdloze stilstand.  Red Woods, waar de machtige sequoia’s de tijd vertragen. Rebecca Solnit noemt het in haar Orwell’s Roses het saeculum: een volgens haar Etruskisch woord dat de spanne tijds beschrijft van de langst aanwezige levende. In de Red Woods is dat al gauw 1.200 jaar, je bent daar in gezelschap van reuzen voor wie een mensenleven maar een snipper tijd is. Deze bomen hadden er al een half leven opzitten toen de Europeanen kwamen doen alsof ze nieuw land ontdekt hadden.

Een sensatie, die van intense ouderdom, die je vaak voelt in de nabijheid van bomen. Solnit: ‘I had grown up in a rolling California landscape studded with several kinds of oak trees along with bays and buckeyes. Many individual trees that I knew as a child are still recognizable when I return, so little changed when I have changed so much.’

De landstrook van millennia-oude bomen en de geboorte van de burgerluchtvaart. Hollen of stilstaan.

Zoals ik zei, het werk was zwaar –
Niet enkel voor de kleine bomen zorgen
Maar ook voor onszelf zorgen,
Onszelf voeden, de gemeenschappelijke ruimtes schoonmaken –
Maar de bomen waren alles.
En wat waren we verdrietig als er een stierf,
En ze sterven, hoewel ze zijn
Verwijderd uit de natuur; alle dingen sterven uiteindelijk.
Ik was vooral begaan met die welke hun bladeren verloren
Die zich ophoopten op het mos en de stenen –
De bomen waren miniaturen, zoals ik zei,
Maar miniatuurdood bestaat niet.
Schaduwen glijden over de sneeuw,
Naderende en weglopende voetstappen.
De dode bladeren lagen op de stenen;
Er was geen wind om ze op te tillen.

(Louise Glück, vertaling Radna Fabias)

Over vliegen:

Beryl Markham Westwaarts met de nacht (de geweldigste pilote was ook een geweldige schrijver)
Joost Conijn Piloot van goed en kwaad
Julian Barnes Staring at the Sun
Bill Bryson 1927
James Salter Burning the Days

Lezen over San Francisco:

Matthew Statler Landscape: Memory
Armistead Maupin Tales of the City

Jammerlijk niet besproken:

Aziatische immigratie in San Francisco
Een wereld aan film in LA
Gokken in Reno

Wil graag naar: Bella Coola

Zie ook dit blogje over Oregon en snelheid

Hier naar kaart 7

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een vader

Misschien moet ik beginnen bij gisteren, toen ik in jullie huis huis de trap af liep omdat de pieper van de droger al een tijdje ging – Ine hoort dat soorten dingen niet meer.

In het washok opende ik de trommel en kwam vier van je overhemden tegen, verstrengeld tot een hete prop. Zomeroverhemden met korte mouwen en de kleurige ruitjesprint waar je zo van hield, die ik altijd op het malle af jongensachtig vond. Voor het eerst viel me op hoe zacht de stof was: als het wangetje van een peuter, zo’n bolle roze wang met het lichtste blonde dons. 

Ine had ze gewassen, en dus hing ik ze maar op – het voelde als iets wat ik nog voor je kon doen. Toen de overhemden hingen bleef ik een tijdje in dat washok staan, de stof zo heel dichtbij, en onderdrukte de neiging me er voorover tegenaan te laten vallen.

De shirts straalden nog wat hitte uit, die razendsnel vervloog; toen ik ze na een paar tellen weer aanraakte, waren ze warm als een kruikje, daarna cappuccinowarm, daarna broeierig, alsof die peuter met die zachte wangen koorts had. Voordat alles verder af kon koelen ontvluchtte ik de kleine ruimte. 

Als vanzelf liep ik naar de kastenwand waar jullie kleding ligt, en schoof een van de spiegeldeuren weg. Mijn eigen beeltenis verdween en daar lagen jouw broeken, shorts, sokken, truien. Andere overhemden hingen als goedaardige spoken op een rij. Ik pakte de mouw van een korenblauw shirt beet, de rand van de manchet was sleets, en rook aan de stof – besefte dat een vader in het begin van het leven van zijn kind vooral warmte is, een geur en stem. 

Ik kan niet zeggen waar je precies naar rook, alleen maar dat die geur zo subtiel was dat hij nooit de aandacht trok – een aanfluiting van een schrijver, ik weet het, dat ik zoiets belangrijks niet verwoorden kan. Misschien lukt me dat nog, op een dag. Toch: dat blauwe overhemd rook naar jou. Ik wilde het van de hanger halen, aantrekken, dragen tot jouw geur de mijne werd en die manchetten tot slierten versleten waren.

Zelfs toen je toestand verergerde en je de hele tijd buiten adem was, toen je in de laatste weken paniek voelde door pijn en ademnood, rook je nog naar mijn vader. Ik raakte je meer aan dan in het hele afgelopen jaar, en altijd was je warm, je handen zacht als de stof van je overhemden. Door de pijnstilling werden je woorden een warboeltje, maar je stem was er nog. Vijftig jaar van mijn leven onaangetast: de warmte van een vader, zijn geur, zijn stem. 

Die stem verdween als eerste, daarna ebde ook je warmte weg. Sinds je ademhaling stopte, raakte ik je elke dag nog even aan, rook aan je hoofd en altijd was er je geur, maar omdat je lijf steeds kouder werd moest ik wel dieper zoeken, tot het punt dat ik me afvroeg of ik me die geur vooral herinnerde, inbeeldde. 

Ik zou graag schrijven dat ik je warmte, je geur en stem nu in me draag; dat ik ze altijd zal kunnen oproepen, maar ik weet uit ervaring dat zelfs de herinnering aan wie je het meest dierbaar was vervliegt. De lach van mijn vriend Gijs ging een paar jaar geleden nog verloren.

Wat kan ik – naast die extreem zachte overhemden – dan bij me houden? 

Dat ik vijftig jaar geleefd heb in het besef dat ik geliefd was en onvoorwaardelijk gesteund werd, dat jouw bodem nooit onder me vandaan zou vallen. He carried me a little, schreef Rupert Thomson over het overlijden van zijn vader, and that is what I have lost. Ik ben niet de enige die jou zo ervaren heeft, en dat maakt me heel erg trots.

Dit is wat je in me hebt aangebracht – wat ik geleerd heb dat een vader is. 

Voor zover ik weet heb je in je hele leven niemand laten vallen. Ook toen de vier steile trappen naar het kraaiennest dat wij in Amsterdam bewonen meer lucht kostte dan je had, en je op elke overloop een paar minuten moest zitten om bij te komen: Jos was erbij.

Het vertederde mijn vrienden altijd jou en Ine hand in hand te zien lopen, en dat verbaasde mij dan weer, omdat het voor mij zo vanzelfsprekend was. Toen we jaren geleden met zijn tweën uit eten gingen, en ik het lef had om te vragen of je het niet moeilijk had gevonden: een partner die zo vaak ziek was, reageerde je streng – zelfs je zoon mocht niet pulken aan je trouw. Geschrokken van je eigen felheid verzachtte je al snel. 

‘Je moet snappen,’ zei je, ‘dat zij mijn eenzaamheid opheft.’

De paradox is dat ik je ondanks je grote sociale vaardigheid ook eenzaam vond, in die zin dat het moeilijk was te weten wat zich onder al dat enthousiasme en die goedwillendheid bevond. Je kon overal over lullen, vulde alle stiltes met gemak, en als er echt niets meer te zeggen viel, zoals wanneer we langer samen in de auto zaten, dan ging je naadloos over op het benoemen van wat je zag. 

‘Een koe,’ zei je, als we een weiland met een koe erin passeerden. 

‘Je weet dat we hetzelfde uitzicht hebben?’ zei ik dan.

Van jou leerde ik dat plagen een uiting van liefde is. Het veronderstelt vertrouwen van de plager in de band met zijn slachtoffer, de wetenschap dat die zo sterk is dat zelfs de grootste belediging in vrolijkheid ontvangen wordt. Onlangs kreeg ik dezelfde lezing van een Ierse taxichauffeur.            

‘When we Irish are being polite,’ zei hij, ‘we could mean just about anything. When we start insulting you, that means you’re seen as one of us.’

Humor is geen klein kado om van je vader mee te krijgen. Het maakt het leven – ook nu – draaglijk. Het faciliteert vriendschappen, houdt ons overeind en tilt ons een eindje boven alles uit. 

Je was snel tevreden, werd gelukkig van stuitendzoete gebakjes van matige kwaliteit, verschrikkelijke oploskoffie en praktische kado’s zoals sokken, een sjaal en handschoenen. Wat we je ook gaven, áltijd was het ideaal, een gewéldig attent kado. Dagen later kon ik per whatsapp nog updates krijgen over je tevredenheid.  

Omdat je iedereen bejegende met vriendelijkheid en warmte leek je heel open. Toen ik gisteren bij de apotheek was om die berg overtollige medicijnen in te leveren, hielp de apothecaresse me de boel te scheiden. Na een paar doosjes door haar handen te hebben laten gaan, zei ze: ‘O nee. Dit is van die hele lieve meneer.’ 

Maar je lokte vooral openheid in anderen uit, over je eigen zorgen en pijn sprak je niet. Ook toen je zo vreselijk snel moest schakelen en je levensverwachting van een jaar naar drie maanden naar twee weken ging, wilde je vooral graag je zaken regelen, nog even dat geschil met die verzekeraar aftikken, meedenken over de naderende energiecrisis bij mij thuis.

Tussen zulke alledaagse dingen door schoot je hoog het filosofische in – beide onderwerpen vond ik zonde van onze laatste momenten samen, maar ik heb het je natuurlijk wel gezegd: dat ik blij ben dat je mijn vader was, dat ik me gezien gevoeld heb. Dat ik van je hield. Van jou weet ik wat een zoon moet weten: dat je van mij hield, trots was op wie ik ben geworden.    

Ergens in de afgelopen weken zei je dat je al dat zorgen voor anderen eigenlijk voor jezelf gedaan had, dat je er voldoening uit haalde mensen op te vangen, rust te bieden, op weg te helpen. Je zult niet gedacht hebben dat ik een voorbeeld in je zag, maar mijn echte voorbeelden zijn niet degenen die de dingen mooi onder woorden brengen, maar degenen die ons van binnenuit vormen door wat ze niet aflatend doen.  

Morgen ga ik bij Ine langs en dan zoek ik een heel zacht overhemd uit dat rijtje spoken, een met de malst denkbare ruit, dat ik daarna met de grootste trots zal dragen tot het in rafels van mijn schouders hangt. 

Dank je, liefste vader van de hele wereld. 

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.

Zinnen die verstarren

In de kamer waar mijn beste vriendin ooit woonde heb ik een schrijfplek ingericht. Als ik achter het bureau zit, zie ik uit mijn ooghoek de sterretjes die ze met potlood op de muur tekende wanneer ze haar kamer niet uit wilde komen. Ze kon een fles rode wijn in een avond opdrinken en bewaarde de lege flessen onder haar bed. 

Op mijn bureau staat een computerscherm, een toetsenbord en een pennenbak. Naast het bureau staat een houten kast gevuld met papieren sporen van alle levens die ik geleid heb: brieven die aan mij gestuurd zijn, brieven die ik nooit verstuurd heb. Diploma’s, analoge foto’s van oude geliefden en mensen die ik niet meer spreek. Notitieboekjes en agenda’s waarvan alleen de eerste pagina’s beschreven zijn. Ik kom er steeds opnieuw achter dat ik geen schrijver ben die eraan denkt om een boekje bij zich te dragen: als mij iets te binnen schiet, een personage, een beeld, wil ik het in de notities van mijn telefoon bewaren maar vervliegt het, omdat ik niet naar een scherm wil turen. Ik wil om me heen kijken, alles in me opnemen. Dichter Hanny Michaelis schreef haar gedichten op kladblokjes van de Hema, verfrommelde haar manuscripten als ze eenmaal gepubliceerd waren. 

Uit het raam zie ik de school die aan de overkant ligt. De school was plots ontstaan: het gebouw stond drie jaar leeg en in september reed er een vrachtwagen voor die tafels, stoelen en computers bezorgde. Een paar dagen later sjokten er kinderen met grote rugzakken naar de lokalen. Alsof ze er altijd waren geweest voerden ze de eeuwige choreografie uit: in schriftjes schrijven, naar het schoolbord wijzen, op mobieltjes scrollen. Er zit één jongen met een elektrische fiets bij, die na schooltijd vaak wordt aangesproken door jongens die hij kent. Ze stompen op zijn arm, lachen hard. Ik kan niet goed zien of ze vriendelijk zijn. Hij lijkt het zelf ook niet te weten, en lacht aarzelend mee, kijkt om zich heen alsof hij naar huis wil. (Ik kijk vaker uit het raam dan naar de woorden die ik typ.) 

Ik zou graag een notitieboekje bij me willen dragen, om er in te schrijven als ik een voorbijgaande vrouw iets grappigs of wanhopigs hoor mompelen in haar telefoon; als zonlicht de haren van een meisje op straat verlicht zodat ze op een heilige lijkt. Dan zou mijn werkplek niet statisch zijn, maar zou mijn werk altijd onder constructie zijn, op straat, in de trein, in mijn jaszak. Natalia Ginzburg schrijft in haar essay ‘Mijn vak’ dat de zinnen die zij bewaarde in een opschrijfboekje, toevallige ideeën en beelden, voelden als opgezette dieren in een museum. Ze verstarden, raakten hun energie kwijt: ze stierven in haar en konden niet langer gebruikt worden in verhalen, waar ze houterig en onnatuurlijk voelden. Zinnen kan je niet bewaren, schrijft Ginzburg: elke keer dat je schrijft moet je al je mooiste ideeën en beelden koesteren en gebruiken, daarna moet je ze loslaten, zoals ik de vriendin die hier ooit woonde liefhad, en losliet.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

Foto van Ida Blom
Ida Blom

Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.

Muziek! Muziek!

Ik lees alleen Duitse poëzie als ik met mijn studentenkoor een koorstuk in het Duits zing of als ik een zanger begeleid die Lieder uitvoert. Zo heb ik laatst met een vriend van mij enkele delen van Schumanns Dichterliebe ingestudeerd en opgevoerd op de maandelijkse kamermuziekavond (soirée genoemd) van mijn studentenkamermuziekgezelschap. Het was een valentijnssoirée, dus het thema van de avond was duidelijk (elke soirée heeft een eigen thema). Het is de sport om bij het inleidende praatje het muziekstuk dat je gaat spelen te verbinden aan het thema van de avond – het gebeurt zelden dat iemand besluit om, laten we zeggen, Schuberts pianotrio op juist die soirée te spelen waarvan het thema ‘Oostenrijk’ is. Je kiest een stuk omdat het je leuk lijkt om het te spelen en op de avond zelf draai je pas een praatje in elkaar om de keuze in het licht van het thema van die soirée te verantwoorden, tot grote hilariteit van alle aanwezigen. Zo had ik op de valentijnssoirée het pianokwartet van Mahler met het thema verbonden door het verhaal te vertellen van Mahler die relatieproblemen had en daarom met Freud door de Leidse Breestraat wandelde. Een vriend van mij, een saxofonist, wist het jazzstuk Nuits Blanches van Alain Crépin via Dostojevski’s Witte nachten, dat immers gaat over een liefdesgeschiedenis, aan hetzelfde thema te liëren. En een fagotspeler en cellist wisten hun duet slechts te verantwoorden door te zeggen dat er geen andere instrumenten zijn die zo heerlijk innig samenklinken.

Voor Schumanns Dichterliebe hadden mijn zanger en ik geen enkel probleem om het muziekstuk met het thema in verband te brengen: de meeste van Heines gedichten in die cyclus gaan over de liefde. Het zijn korte gedichtjes, vaak niet langer dan een regel of zes. De liederen zijn daarom ook kort – ze zijn echter zeer krachtig; het zijn bijna impressies. De pianobegeleiding is meesterlijk en de melodieën van de zanger zijn wonderschoon.

Ik heb de afgelopen jaren veel zangers begeleid en er zijn vele componisten de revue gepasseerd: Beethoven, Schubert, Schumann, Brahms, Wolf (vooral beroemd om zijn liederen, die trouwens een venijnig moeilijke pianopartij hebben) en Tsjaikovski (wiens lied ‘Mijn genie, mijn engel, mijn vriend’ we in het Duits hebben gezongen). Het valt me altijd weer op wat de muziek toevoegt aan de tekst. Een melodie die perfect bij de woorden past en een begeleiding die de melodie ondersteunt, extra kracht geeft, als een soort fundering.

Het geheel van de melodie en pianobegeleiding kleurt de tekst. Elke toonsoort en dus ook elke melodie roept een bepaalde emotie op. Daarom raakt muziek mensen misschien ook meer dan een roman of een gedicht. Muziek verklankt een gevoel, terwijl een gevoel in taal alleen te beschrijven is, of via een beschrijving is op te roepen. Een beschrijving van een gevoel maakt uiteindelijk altijd gebruik van zaken om ons heen om naar te verwijzen, bijvoorbeeld via vergelijkingen: een bepaalde kleur in de ochtend, een bepaald object, een bepaalde gebeurtenis of een zekere situatie. Jij als lezer moet maar net die objecten of situaties kennen of je kunnen voorstellen hoe het er dan uitziet om mee te gaan in die beschrijving. Muziek, daarentegen, raakt je gewoon. Het kost geen extra moeite of denkwerk. En uiteraard zijn er verschillende mensen die door verschillende soorten muziek worden geraakt: metal, pop, jazz, klassiek of minimal music.

Dat wil niet zeggen dat de teksten van Heine bij Schumanns Dichterliebe geen functie hebben. De muziek kleurt de teksten en maakt ze, als het ware, intenser. De muziek geeft gestalte aan de beelden in de tekst. De componist interpreteert de woorden tijdens het compositieproces en zorgt er zo voor dat het lied aan kracht wint; de luisteraar ervaart de woorden beter en die komen daardoor harder binnen. Het is een symbiose van twee dingen: de muziek en de tekst. Los van elkaar zijn ze al mooi, maar samen… Het is wat ik eerder zei: muziek verklankt iets, tekst beschrijft. En nu verklankt de muziek wat de tekst beschrijft, waardoor die woorden aan kracht winnen.

Uiteraard zijn er liederen waarbij de componist de tekst niet goed begreep en dan kun je nog steeds een prachtig lied krijgen. Maar de intensiteit die je hebt als de componist de tekst echt verklankt, krijg je niet.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

Zwarte vrijdag

Hoewel de rust wat is teruggekeerd in de straten van Paramaribo na de rellen van vrijdag 17 februari 2023 is de sfeer nog steeds grimmig in de binnenstad. Net als bij elke traumatische ervaring heeft het land tijd nodig om te helen. Hoeveel tijd er nodig is, is moeilijk te zeggen. Wat vaststaat is dat het incident het volk en mij lang zal bijblijven.

In tegenstelling tot de voorgaande dagen, waar het haast de hele dag had geregend, was de hemel blauw en scheen de zon op deze vrijdag. De scholen waren wel gesloten en een aantal werkplekken waren ook dicht. In de binnenstad werd er namelijk weer een protestdemonstratie gehouden tegen het beleid van de regering. Het is de zoveelste van de afgelopen jaren. Bij de vorige regering werden er ook protestdemonstraties gehouden tegen hun beleid. Ironisch is dat enkelen die deel uitmaken van deze regering meededen aan die demonstraties en nu zelf demonstraties aan hun broek hebben hangen. Zoals gewend maakte ik mij klaar voor het werk en ik was er ook ruim op tijd. Voor een vrijdag moest ik het een en ander af hebben en een paar andere zaken voorbereiden voor de komende week en ik ging direct ermee aan de slag. De radio was wel aan en af en toe keek ik op Facebook hoe de protestdemonstratie zich voltrok. 

In het verleden heb ik een aantal keren verslagen gemaakt van de protestacties toen ik voor de nieuwsdienst  van het televisiestation ATV in Suriname werkte. Die hadden altijd een standaard verloop, een groep mensen verzamelden zich op een plek, vaak genoeg het Onafhankelijkheidsplein en wachtten dan op de trekkers van het protest. De groep zwol aan en vaak kwam of kwamen de trekkers met een andere groep aan. De trekkers gaven dan aan over welke zaken zij ontevreden waren, zoals verhogingen die de regering doorvoerde, de stijging van de wisselkoers waardoor de SRD, de Surinaamse munteenheid, in waarde afnam ten opzichte van de Euro of de Amerikaanse dollar of over bepaalde regeringsbesluiten. De protesterenden schreeuwden tijdens en na de verschillende speeches strijdleuzen, waaronder een deel van het Surinaams volkslied ‘Stre de f’stre wi no sa frede, wanneer het tijd wordt om strijd te leveren, zal ik niet bang zijn’ en liepen dan langs bijvoorbeeld het gebouw van de Nationale Assemblee of naar het kabinet van de president om een petitie aan te bieden of hun misnoegen ook daar kenbaar te maken. Nadien ging iedereen wel weer naar huis, vreedzaam. 

Ik verwachtte dit keer ook hetzelfde verloop. De verschillende verslaggevers vertelden tijdens de live-uitzendingen op Facebook hoe de mensen naar het Onafhankelijkheidsplein togen. Op een gegeven moment leken het er wel duizenden. Goede opkomst, het sein was duidelijk, mensen zijn moe van de situatie in het land. Ik zie bekenden, niet vreemd, Paramaribo is een dorp dus je ziet al gauw iemand die je kent. Een soundtruck met een trekker komt aan en die spreekt de massa toe en vertelde dat de samenleving pinaart, het financieel moeilijk heeft en de verschillende maatregelen zoals het verhogen van de brandstofprijzen, het afschaffen van de verschillende subsidies, het niet onder controle houden van de wisselkoers waardoor de verschillende producten in de winkels steeds duurder worden, niet meer aankan. Hij wil graag dat de regering de situatie direct aanpakt. Na zijn speech verwacht ik dat de groep nog ergens naartoe loopt of weer naar huis gaat om maandag daarop misschien weer actie te voeren. Ze hadden aangekondigd dat ze van plan zijn een aantal dagen actie te voeren.  Maar daarna gebeurt er iets dat ik vooralsnog alleen voor mogelijk hield in het buitenland. Ik weet niet wat de aanleiding was of hoe alles zich voltrok, maar het parlement werd plotseling aangevallen. De ramen van het gebouw werden ingegooid, de menigte wilde het gebouw binnendringen en gingen de bewaking te lijf. De bewaking op haar beurt werd genoodzaakt om traangas te gebruiken om de menigte terug te dringen. De menigte besloot daarna hun woede te botvieren op spullen in de omgeving. Een voertuig van een journalist werd in brand gestoken, een pinautomaat werd vernietigd en getracht werd om een van de houten gebouwen aan de Waterkant in brand te steken. Het laatste werd op tijd door de politie en de brandweer verijdeld want dat zou een ramp van enorme proporties zijn. Maar ze waren niet klaar, delen van de massa ging de binnenstad in, begon daar winkels te vandaliseren en te plunderen. Helikopters raasden boven mijn werkplek voorbij, politievoertuigen met zwaailichten reden op de weg op en neer en trucks met militairen gingen de binnenstad in. De verschillende filmpjes werden op Facebook en Whatsapp gretig gedeeld en het leek alsof je midden de actie zat en alles meemaakte. Helaas was het geen Hollywood productie, maar mijn land, mijn binnenstad. Terwijl deze excessen zich voltrokken besloten winkeleigenaren van zaken buiten het centrum te sluiten en zich voor te bereiden op ‘wat er mocht komen’ door hun winkelpui extra te beveiligen door bijvoorbeeld hun auto ervoor te parkeren. 

Laat in de middag, in de vooravond keerde de rust wat terug. Ik reed naar huis en zag groepen mensen op de hoeken van de straat staan en vroeg me af of zij hadden geplunderd of nog gingen plunderen. Of was ik nu mensen aan het veroordelen gewoon op basis van dat ze op straat waren. Je probeert de situatie te bevatten, angst en vrees te onderdrukken door de illusie te wekken dat je ergens nog controle hebt. De president maakte in een videoboodschap in de avond bekend dat de regering dit gedrag niet  zou tolereren en de personen die zich schuldig hadden gemaakt aan strafbare feiten zal opsporen en berechten. Voor het weekend werden er maatregelen aangekondigd zoals dat markten en bedrijven dicht bleven en er ook een uitgaansverbod was. Het werd in elk geval geen relaxte weekend.

We hebben nu als land hetzelfde gemeen als de Verenigde Staten en Brazilië, het gebouw van het parlement werd daar ook aangevallen en gevandaliseerd. Geweld is nooit goed te praten en vrijdag 17 februari 2023 zal voor Suriname een ‘zwarte’ vrijdag in onze geschiedenis zijn. Wij zijn deel van een geciviliseerde samenleving waar dialoog het middel is om geschillen op te lossen. Geweld is nooit de oplossing. Hopelijk wordt er lering uit getrokken. Een goede vriend gaf mij als motivatie mee ‘we mogen als volk niet opgeven en niet toegeven aan de duisternis’.

Foto van Kevin Headley
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Ze groeien zo snel op

‘We gaan dus een paar weken naar het buitenland,’ zeiden mijn ouders, toen ik bij ze op de bank zat en aan een cappuccino nipte. Omdat ze allebei eigen baas zijn, kunnen ze in februari naar de zon toe trekken met de camper – ze zijn een beetje pensionado’s, alleen dan zonder een pensioen. De mededeling maakte me lichtelijk jaloers: ik had de zon ook wel weer even willen zien en kon niet wachten om de regen, wind en slappe zonnestralen van februari uit te zweten in het zuiden. Mijn agenda gromde me echter toe met afspraken toen ik keek wat voor verplichtingen ik had – geen Portugal voor mij.

Ze gaan voor de eerste keer voor een langere periode weer samen weg. Tot mijn zeventiende gingen mijn broertje en ik ook mee, maar toen ik oud genoeg was, bleef ik thuis. Niet omdat de vakanties me de keel uit hingen, integendeel, want ik heb alleen maar warme herinneringen aan onze vakanties, maar alleen thuis zijn won het van de vakantiefoto’s waar ik op zou kunnen staan. En de feestjes die ik thuis kon organiseren, wonnen het van een ander land. Er zijn maar drie glazen gesneuveld in de zomers dat ik me even een volwassen man waande met een eigen huis. En één wasmachine.

Nu gaan mijn ouders dus kinderloos op vakantie, want mijn broertje mag voor de eerste keer alleen op het huis passen, en ik heb al een aantal jaar een eigen voordeur. De honden gaan wel mee, dus volledig zonder kroost zijn ze niet. Viervoeters hebben eens in de zoveel tijd ook recht op een vakantie.

Vandaag zijn ze gaan rijden. Ik liep in de ochtend, het was een wonder dat ik wakker was, nog even met mijn moeder over een strandje met de hondenharem en we praatten wat over hun vakantie. Of ze foto’s wilden maken, vroeg ik, en of ze me op de hoogte wilden houden van de plek waar ze verbleven, precies de dingen die mijn moeder altijd aan mij vroeg als ik wegging.

Ik vroeg me af hoe het voor mijn ouders zou zijn, om na jaren van vakanties met ons nu met z’n tweeën te zijn. Ze zitten nu in de fase van het halflege nest: ik ben al weg, en mijn broertje is meer elders dan thuis. Slapen doet hij eigenlijk alleen nog onder hun dak, en zelfs dat soms niet.

Wellicht was deze vakantie een voorproefje van hoe hun leven over een tijdje zou zijn. En: ze hebben het verdiend, ook. Na twintig jaar van gezinsvakanties, kunnen ze weer samen weg, zoals ze dat deden voordat mijn broertje en ik kwamen. Straks lopen ze over een strand ergens, en zijn ze weer even dertig, dacht ik. Net als toen. Maar: hoe ver ze ook rijden nu, ze blijven ouders, want wij zijn er, al is het tweeduizend kilometer verderop. Toen ik mijn vader eens vroeg of hij de zorgen van het ouderschap soms niet uit wilde zetten, antwoordde hij vastberaden:

‘Nooit. En de mooie momenten zijn veel groter dan de zorgen. Ik had het niet anders gewild.’ Ik denk dat mijn moeder precies hetzelfde zou zeggen, en alleen daarom al houd ik ongelofelijk veel van ze.   

Toen mijn broertje en ik op de oprijlaan mijn ouders stonden uit te zwaaien, nadat we ze flink omhelsd hadden, voelde het ineens of de rollen omgedraaid waren: jarenlang zwaaiden ze ons uit bij schoolreisjes, vriendenvakanties en stedentripjes, en nu was het onze beurt. Ik wuifde zo ouderlijk als ik kon, hoopte dat ze veilig terug zouden keren en keek uit naar alle kiekjes die ik van hun avonturen zou krijgen.

‘Dag, lieverds, heel veel plezier. En doe voorzichtig,’ fluisterde ik, toen de camper de straat uitreed en de grote weg opdraaide.

Het is ongelofelijk: ze groeien zo snel op, die ouders. Het ene moment heb je ze nog in je armen, maar voor je met je ogen hebt geknipperd spreiden ze hun vleugels en vliegen ze uit.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Marx in de boreale wereld

(De wereld in stukken 5)

Ik stapte ergens in dit koude land, en kwam bij Friedrich Engels uit. Dat ging zo. Twee zaken op deze kaart vallen snel op: de liniaalgrens tussen Canada en Alaska, en de term Yukon Territory.

Die liniaalgerens loopt over de 141° west meridiaan vanaf Greenwich gerekend. De logica van die grens heeft met de 19e-eeuwse Russisch-Amerikaanse deal te maken waarover bij kaart 1 gerept wordt. Er is iets geks met het getal van die meridiaan, want de andere kant op, naar het oosten, is het eveneens de 141° meridiaan die Nieuw-Guinea met een liniaalgrens opzadelde (kaart 43). Een spiegelliniaalgrensmeridiaan dus. Lekker voor scrabble.

Dan de term Yukon Territory in het zalmroze deel van de kaart, een van de drie Arctisch Canadese deelgebieden. Bij Yukon dacht ik aan een First Nation bevolkingsgroep, maar dat is niet helemaal juist: wel is Yukon een Gwich’in woord, het betekent ‘witte rivier’. En Gwich’in is wel degelijk een First Nations bevolkingsgroep.

Maar Friedrich Engels dan? In de jaren ’50 in Amerika was door Senator Joseph McCarthy een heksenjacht op communisten gestart. Dat leidde ertoe dat een jonge antropoloog uit New York, met de verdachte naam Richard Slobodin een aantrekkelijke aanstelling aan een universiteit van California moest opgeven. Slobodin, die naast een Russisch aandoende naam ook wel wat Marxistische interesses had vertrok naar Canada om uit de verzengend stinkende adem van de communistenvreters uit de buurt te blijven. Hij herinnerde zich tochten in de omgeving van deze kaart en het liniaalgrensgebied die hij voor de oorlog maakte. En de Gwich’in werden zijn specialisme.

Slobodin schreef een studie met de titel Band Organization of the Peel River Kutchin (Gwich’in) (1962) over hoe een groep Gwich’in die iets speciaals doet is opgebouwd: een jachtpartij bijvoorbeeld, waarvoor meer mensen meedoen dan er in een gezin of een familie zitten. Wie doet dan wat? Dat zocht Slobodin uit.

In de biologie heb je correlationele processen waarbij de aanwezigheid van bepaalde dieren soms vreemde gevolgen hebben voor andere dieren of planten: de aanwezigheid van een wolvenroedel zorgt ervoor dat herten, of in dit gebied caribou op bepaalde plekken liever niet meer komen. Wat ze daar normaal aan mossen weggraasden doet het daar veel beter opeens. Die wolven zijn dus bepalend voor het welvaren van Cladonia rangiferina of rendiermos.

De wolf Senator McCarthy heeft naar communisme ruikende wetenschappers weggejaagd, met als gevolg dat je in Canadese antropologische studies verwijzingen naar Engels ‘Geschichtlose Völker’ tegenkomt. Zou McCarthy door het wegjagen van linkse intelligentia ervoor hebben gezorgd dat het universitaire klimaat in Canada en bijvoorbeeld Mexico net wat linkser is? Dit alles met ook nog als bijeffect dat een eenentwintigste-eeuwse blogger zich maar eens in de gedachten in de communistische canon over ‘volkeren zonder geschiedenis’ verdiept. Eigenaardige koloniale aanname al: volkeren zonder geschiedenis.

De liniaalgrens is iets dat volkeren met een koloniale geschiedenis een redelijk aantal andere volkeren heeft aangedaan. Deze, op de 141° west meridiaan heeft ongetwijfeld ook een hoop ellende veroorzaakt voor jagers die ineens op vreemd gebied joegen waar ze al aeonen hun paden volgden. In Van Bokkums Grensstreken doet hij gewag van een dergelijk stukje grens wat zuidelijker waar Amerika aan Canada grenst en een Sinixt jager met de naam Desautel op zijn oude, maar door de nieuwe grens vervreemde jachtgronden een hert schoot om vervolgens gearresteerd te worden en juridisch uit te zoeken hoe het zat. Het hooggerechtshof gaf deze First Nation gelijk: zijn oude jachtgronden mag hij blijven betreden.

Fun: je zou in Arctic Village wonen. 152 mensen doen het. En ze wonen 125 kilometer van het eerstvolgende dorp af: Venetië.
Lezen: Milo van Bokkum Grensstreken
Richard Slobodin Band Organization of the Peel River Kutchin

Luister: naar een Gwich’in-spreker

Mooi: Gwich’in model Quannah Chasinghorse heeft Gwich’in gezichtstatouages

Hier naar kaart 6

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Don’t push it, or I’ll give you a war you won’t believe

Een van mijn favoriete kinos, films, is de actiefilm First Blood van Sylvester Stallone. Het verhaal van de oorlogsveteraan John Rambo die bij terugkomst van de oorlog in Vietnam op zoek gaat naar zijn oorlogsvriend en in het thuisfront verzeilt raakt in een andere ‘oorlog’. 

Rambo leerde ik kennen door de tekenfilmserie die toen overdag werd vertoond op de Surinaamse televisie. De serie had een te gekke intro waar Rambo de veters van zijn leger laarzen strikt, zijn mes in de houder aan zijn zij plaatst en een bandana om zijn hoofd bindt. Dat de producenten toen het een goed idee vonden om een tekenfilm te maken van de gewelddadige film begrijp ik als volwassene niet, maar dat terzijde. Als tiener keek ik dus op een avond, samen met mijn moeder, naar de film. Het begin vond ik saai. Rambo loopt een stad binnen, vraagt rond naar zijn vriend en komt erachter dat die is overleden. Geschokt weet hij even niet wat hij precies moet doen en loopt verzonken in gedachten door de stad. Hij wordt dan door de licht paranoïde stadssheriff eerst gevraagd om de stad te verlaten, daarna gecommandeerd en uiteindelijk door de politie mishandeld omdat hij niet wil doen wat ze willen. De man die tot dat moment geen vlieg kwaad heeft gedaan, pikt dit niet en gaat op oorlogspad. Ondanks de vele gevechten die in de film worden opgevoerd, zijn er aan het eind nauwelijks doden en zij die omkwamen waren op de verkeerde plek op het verkeerde moment. 

Ik heb First Blood daarna nog een aantal keren gezien en steeds pelde ik de vele lagen weg. Een man die al zoveel had meegemaakt tijdens de oorlog en daarna thuis weer in een oorlog belandt. De vooroordelen die we hebben over anderen voordat we een goed gesprek hebben gevoerd met hen. Iemand provoceren zonder dat we erbij stilstaan of we wel kunnen omgaan met de consequenties van onze acties. Rambo was wit, hadden ze hem direct neergeknald als hij een andere kleur had? Als Rambo zwart was, had de film waarschijnlijk vijf minuten geduurd.

De quote ‘Don’t push it! Don’t push it, or I’ll give you a war you won’t believe!’ die mij me is gebleven werd gezegd toen Rambo de stadssheriff te pakken kreeg en hem verzocht hem met rust te laten. Spoiler Alert: het is kolonel Samuel Trautman, die Rambo als soldaat had getraind en hem in de Vietnamoorlog had gecommandeerd, heeft overgehaald zich op een vredelievende manier over te geven aan de politie. Dat verschilt met het einde in het boek waar Rambo zelfmoord pleegt. Naar mijn mening gaat  de empathie voor elkaar steeds meer achteruit. We hebben al snel een vooroordeel over iemand aan de hand van de kleur van de persoon of diens kleding. We vragen uit beleefdheid, hoe gaat het?, en krijgen meestal als antwoord terug, goed, valt mee of ik doe mijn best, het laatste wordt vaak gezegd in Suriname en daarna zijn we klaar met interesse in de persoon. We stellen de vraag, maar willen we echt het antwoord weten? En geeft de persoon die we de vraag stellen wel eerlijk antwoord, vertelt die of het niet goed gaat of dat die met iets zit? Vragen we door? We leven momenteel in een periode waar we ook weinig rekening houden met elkaar omdat we gewoon bezig zijn de vele negatieve ontwikkelingen in de wereld, die een impact hebben op ons bestaan, een plek te geven. De economische situaties in Suriname en Nederland, zorgen ervoor dat we nu meer gestrest zijn en minder tijd hebben voor elkaar. Er wordt naar mijn mening nu vooral gefocust op de verschillen en nauwelijks op wat ons bindt. Aan de ene kant wordt er in deze tijd door veel organisaties en anderen gezegd om je kwetsbaar op te stellen. Om te vertellen waarmee je zit en wat je pijn doet. Maar wordt er echt iets met die informatie gedaan. Ik heb juist het idee dat anderen deze informatie gebruiken om je juist te provoceren. Maar het is een idee van mij. Laten we niet als de paranoïde stadssheriff zijn en Rambo provoceert die gewoon zijn weg wil vervolgen. Kunnen we gewoon geen rekening houden met elkaar en waar het kan ook elkaar te ondersteunen? Velen strijden namelijk in ‘niet zichtbare’ oorlogen.  Misschien kunnen ze een bondgenoot gebruiken, een kolonel Trautman, die hen helpt om de strijd te winnen of gewoon naar hen te luisteren. Het titellied van First Blood maakt het ook direct duidelijk ‘It’s a long road when you’re on your own … ’. Let’s not push it.

Foto van Kevin Headley
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Vrienden van vroeger

Door een droom die de laatste paar weken als een boemerang terugkeert, word ik steeds vaker wakker met de volste overtuiging dat ik naar school moet. Ik schrik wakker, zie op mijn telefoon dat ik me gruwelijk verslapen heb, kleed me zo snel mogelijk aan en zoek naar mijn schooltas, die vier jaar geleden op een verwaaid station een wees werd.

Latijn heeft me de das om gedaan, dromen liggen soms akelig dicht bij de werkelijkheid, en daarom moet ik een jaar langer rondlopen op ‘t Joost van Oudekarnemelk, zoals we vroeger onze school noemden, met alle liefkozing, natuurlijk. Het duurt een goed kwartier voordat ik wakker genoeg ben om te beseffen dat het geen zin heeft om me naar school te haasten, want ik zwaaide vijf jaar geleden af. Mét een diploma.

Door die droom denk ik de laatste tijd veel vaker aan mijn tijd op de middelbare school, en aan de vorm van de dagen toen. Er heeft zich een heimwee in me genesteld: ik verlang terug naar die verwaterde puberjaren – toen ik voorgoed dat gebouw uitliep, wist ik niet hoe snel en ver ik weg moest gaan van die stenen houdgreep, maar nu wil ik terug.

Ik mis de muffige klaslokalen, het kippenhok dat onze kantine was, het regime van de bel, mijn kluisje dat ik zo weinig gebruikte, dat ik op het eind amper wist welk nummer het droeg, het fietsenhok waar ik gezoend heb, maar vooral de mensen die toen mijn vrienden waren. Zelfs de mensen die niet mijn vrienden waren, mis ik. En alle meisjes op wie ik toen verliefd was, en dat waren er veel. Ik heb het ze nooit gezegd: te bang, te klein, te onbereikbaar. Nu zijn ze pas écht onbereikbaar: ik heb veel van hen nooit meer gezien. Toen hoefde ik tijdens een blokuur Nederlands, geschiedenis of Engels alleen maar een paar tafels verder te kijken, om ze te zien. Tafels en andere jongens drongen zich toen tussenbeide. Nu staat er een ander leven tussen ons in.

Binnen die muren vond ik het vanzelfsprekend dat ik mijn vrienden elke dag zag. Daar hoefden we geen agenda’s voor te trekken: we hoefden alleen maar te wachten tot het weer maandag werd, want het werd altijd weer maandag, toen. Onze groep was bij elkaar gekomen door een mentorklas, en zoals dat gaat op een middelbare school, sluit je dan een vreemd, maar sterk soort verbond: een vriendschap waarvan je niet eens kan denken dat het ooit voorbij kan gaan. Je deelt alles met elkaar, weet alles van elkaar en gaat elke dag klakkeloos, ondankbaar haast, voorbij aan die twee dingen. We namen elkaar voor lief, zoals je familie ook voor lief neemt. Maar familie blijft. Pubers blijven niet.

Iedere pauze schoolden we samen rond onze vaste tafel en in de zomer lagen we op het grasveld voor de school. We hadden onze eigen microkosmos gebouwd, en waren gelukkig, maar dat wisten we niet. Geluk zie je pas als je er niet meer middenin staat, maar ernaast, terwijl je jezelf afvraagt hoe, waarom en wanneer je er in vredesnaam naast bent gaan staan.  

Onze problemen waren net zo klein als onze levens: het ergste wat ons kon overkomen, waren onverwachte overhoringen, slechte cijfers, of puberverdriet. Er ging nog bijna niemand dood. De toekomst rammelde wel aan de poorten van het plein, maar niemand deed nog open.

Als ik door een konijnenhol in de tijd terug zou kunnen, viel het waarschijnlijk binnen vijf minuten weer tegen, maar dat is het mooie van herinneringen: die blijven, verbloemd of niet, onaangetast. Herinneringen raken gemummificeerd door de jaren, al zijn het er maar vijf. Een aantal vrienden uit die tijd spreek ik nog met enige regelmaat, maar het is niet meer zoals het was. We verdwenen langzaam in onze eigen levens.

Ik zocht een oude foto op, geschoten op de dag van onze diploma-uitreiking. We staan te stralen op een grasveld, en ons verbond is van onze gezichten af te lezen. Dat we bij elkaar bleven, en zeker contact zouden houden, beloofden we, maar we beloofden wel meer, toen.

Niemand hield zich aan zijn of haar woord. Ik ook niet. Als ik die koppen zie, die jonge koppen vol van hoop, wil ik ze weer bij me hebben. Maar: ik weet niet eens waar ze wonen, wat ze doen. Ik heb de telefoonnummers nog. Niet dat ik ze ooit heb gebeld, maar de namen en nummers staan nog steeds te blinken in mijn contactenlijst.

Dat is het, denk ik: de belofte van het vinden van elkaar is er nog. We zijn dichter bij elkaar dan ik dacht: slechts één telefoontje.

Maar: de belofte van het vinden van elkaar, is genoeg. Niemand neemt je die af, want het is van jou, en alleen van jou. Er is geen werkelijkheid die alles overhoop schopt, geen teleurstelling. Dat is de kracht van een belofte: die is soms mooier dan het inlossen ervan.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Verlangen naar onherbergzaamheid

(De wereld in stukken 4)

Dit is de meest landloze van de 48 kaarten. Antarctica heeft een deuk, de Rosszee, naar James Clark Ross die daar in 1841 voer, op ’s werelds zuidelijkste zee. Daarom nog geen Antarctica op deze kaart. Meestentijds is de Rosszee bedekt met ijs en schotsen. Op die twee eilandjes die bij Nieuw Zeeland horen wonen respectievelijk 663 (Catham Island) en 30 mensen (Pitt Island). Wat het bevolkingsaantal van deze kaart op 703 mensen brengt. Dit moet de minst bevolkte kaart zijn. Als dit aantal gemiddeld zou zijn, had de wereld 33.744 bewoners. God, had het daar maar bij gelaten… Verder water en ijsbergen (en een enkele weka, of Maori Hen, een prachtig bedachtzaam loopvogeltje op Catham).

Ik geloof niet dat je landschap – of zeeschap zoals in dit geval – kunt ervaren zonder dat het betekenis geeft aan je bestaan. Of helderder: als je door een bos loopt lijkt dat bos iets te zeggen over je leven, het wordt er een beeld van. En een woestijn overziend, zal die ruimte reflecteren op je ziel, je merkt een eindeloosheid op die in contrast staat met hoe klein je bent en dat doet je iets voelen: nietig, of kwetsbaar of hulpeloos. In de schitterende film All is Lost met Robert Redford raakt een solozeiler op een eindeloze oceaan als deze in de problemen. In een uur en 46 minuten – waarin niet gesproken wordt – (en waarvoor het script slechts een verbijsterende 32 bladzijden telt) worstelt Redford met een landschap. En in wezen met zichzelf. Grote landschappen werpen je op jezelf terug.

Op deze kaart kun je varend vooral ijsbergen verwachten. Elisabeth Bishop schreef een schitterend en raadselachtig gedicht over die dromen van ijs en sneeuw die zich tot de ziel verhouden, zoals een landschap zich naar je keert en zich onvermijdelijk tot je verhoudt. Het is denk ik ook verlangen naar onherbergzaamheid die je eveneens kunt voelen bij het bestuderen van onbekende stukken op een wereldkaart.

De denkbeeldige ijsberg


Liever de ijsberg dan het schip,
al zou dan de reis ten einde zijn
Al stond hij stokstijf als wolkige rots
en was de hele zee bewegend marmer.
Liever de ijsberg dan het schip;
liever deze sneeuwvlakte die ademhaalt in eigendom
al lagen de zeilen van het schip op zee gespreid
zoals de sneeuw onopgelost op ’t water ligt.
O plechtstatig drijvende wei
weet je wel dat een ijsberg onverschrokken
op je rust en, eenmaal wakker, wellicht gaat grazen van je vlokken?


Dit is een tafereel waarvoor een zeeman alles overhebben zou.
Het schip wordt niet meer bekeken. De ijsberg rijst
en daalt; zijn glasharde toppen
corrigeren ellipsen in de lucht.
Dit is een tafereel waarin hij die het toneel betreedt
op ongekunstelde wijze retorisch is. Het doek
is licht genoeg om op te gaan aan ragfijne draden
gesponnen door ijl rondkolkende sneeuwvlagen.
De geestkracht van deze witte pieken
meet zich met de zon. Zijn gewicht vertoont de ijsberg onvervaard
op een draaitoneel waarop hij staat en staart.


Deze ijsberg split zijn facetten van binnenuit.
Als edelgesteente in een graf
conserveert hij zich voor eeuwig en
tooit alleen zichzelf, misschien de vlokken
die tot onze opperste verbazing liggen op de zee.
Vaarwel, zeggen zij, vaarwel, het schip wendt de steven
Naar waar golven in elkanders golven overgaan
en wolken jagen tegen een warmere hemel.
lJsbergen onderrichten de ziel
(beide op eigen kracht geschapen uit minst zichtbare materialen)
Hen zo te zien: substantieel, edel, ondeelbaar opgericht als kathedralen.

(Elisabeth Bishop, vertaling Bernlef)

Er is ook iets bibliofiels eenzaams aan deze kaart. In de vier eilandenboeken van Boudewijn Büch, komen noch Pitt, noch Catham Island aan de orde.

In de gedichten van Bishop verbergt zich iets ongezegds in iets concreets, de reden waarom je dit gedicht gefascineerd kunt blijven lezen, en er nooit helemaal achterkomt. Een huiveringwekkend en ongenaakbaar gedicht. Precies zoals deze kaart, en haar ijskoude blauwe zee is.

Lezen: Elisabeth Bishop Een wonder als ontbijt 9 gedichten vertaald door J. Bernlef

Kijken: All is lost met Robert Redford

Naar kaart 5

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Knielend voor Couperus

Ik heb de afgelopen twee weken een aantal mensen geïntroduceerd bij de Boekenzolder in Leiden. Het is het absolute Walhalla voor lezers: het is een soort tweedehandsboekwinkel, maar dan gratis — oké, helemaal gratis is het aan het eind van de dag niet, omdat de Boekenzolder het fijn vindt als je een kleine bijdrage achterlaat, maar dat is slechts een fractie van het bedrag dat je kwijt was als je al die boeken bij De Slegte zou halen, laat staan als je ze nieuw zou kopen. Ik kom er al een aantal jaar, maar slechts sporadisch: ik ga vaak met meer boeken weg dan mijn leessnelheid aankan.

De jongens die ik de Boekenzolder heb laten zien zijn literatuurminnende studenten. Eentje studeert er zelfs Nederlands. Twee van hen kwam ik tegen op mijn studentenmuziekvereniging. Tijdens een gesprek met een van hen vroeg ik hem of hij wel eens van de Boekenzolder had gehoord. Dat was niet zo en dus stelde ik voor om daar eens samen heen te gaan.

En zo geschiedde. De blik in zijn ogen toen hij binnenstapte, was het al waard. Ik zag de dopamine bij wijze van spreken vrijkomen en door de hersenen stromen. Al die boeken! Keurig op alfabet! Gratis!

Al pratend liepen we naar de sectie Nederlandse literatuur. Van de borrel wist ik nog dat hij van Couperus hield, dus het verbaasde me niet dat hij meteen op de ‘c’ toestapte. Ik volgde hem. Hij was op zoek naar De Komedianten, zei hij. Zoeken naar de ‘cou’. Daar, de onderste plank. Een hele plank Couperus. Hij hurkte neer. Ik ook. En verdomd, wat stond daar… De Komedianten! (De boekenzolder had zijn hart al veroverd.) Hij vroeg me wat ik van Couperus had gelezen. Ietwat beschaamd antwoordde ik dat ik wat betreft Couperus nog wat achterliep: ik had alleen Van oude menschen en Noodlot gelezen. Ik vroeg hem wat ik nog meer kon proberen. De stille kracht. Goed, neem ik mee. Ik trok ook De boeken der kleine zielen van de plank. Had hij nog niet gelezen. Aha, een kans om hem qua Couperus nog ergens mee voor te zijn! Ik nam het boek onder mijn arm. 

Er stonden verschillende uitgaven van dezelfde boeken. Hij vroeg me om raad: welke versie moest hij nemen? Al pratend waren we op onze knieën gezakt.

Na Couperus gingen we alle kasten af. We trokken boeken van de plank en vroegen elkaar of we het gelezen hadden, wat we ervan vonden. Midden in het ene antwoord greep een van ons dan al een ander boek en liet het de ander zien. Elsschot. Haasse. Hermans. Mulisch. Reve. 

We hebben er twee uur rondgekeken.

De andere persoon die ik van mijn vereniging kende, zei dat hij wel van de Boekenzolder had gehoord, maar dat hij er nog niet was geweest. Dus: voor mij een buitenkansje om een tripje voor te stellen!

Hij had Op weg naar het einde nodig (hij neemt het Revejaar te baat om met Reve te beginnen). Nou, die hadden ze! Ik raadde hem Slauerhoff aan, Het verboden rijk. Hij zei dat Primo Levi heel goed was. En Indische duinen. Het mooie van de Boekenzolder is dat ze veel Grote Lijsters hebben. Ik vind die uitgaves altijd lekker lezen. Ze hebben een mooi lettertype en de rug is van goede kwaliteit; het zijn niet van die oude Salamanders of Prisma-boekjes waarmee je het risico loopt het boek te slopen als je het te stevig openslaat. Indische Duinen en Slauerhoff stonden er als Grote Lijsters. Mooi zo. Daarna gingen we langs de kasten en het tafereel van een week eerder herhaalde zich. Hij raadde mij Büch aan. Ik hem Verhulst. Het viel hem op dat ze veel Vestdijk hadden. Moest hij ook nog lezen. Hij nam De Kellner en de levenden mee. Al pratend kwamen we bij de ‘c’. Ik hurkte neer en vroeg hem wat hij van Couperus gelezen had. Couperusjaar of niet, aan het aanbod Couperus was sinds mijn vorige bezoek niet veel veranderd. Hij was pas net begonnen met Couperus, zei hij. Ik vertelde hem dat ik hier de week daarvoor had gezeten met iemand die maar liefst zes boeken van Couperus had meegenomen. Ik wees hem op De stille kracht. We zakten op onze knieën. 

Mijn derde Boekenzolder-introductie was niet gepland. Ik zou met iemand over Heijermans gaan praten en gaandeweg het gesprek kwamen we op de Boekenzolder (want daar ik heb een maand of wat geleden het verzameld toneelwerk van Heijermans gevonden) en het bleek dat hij daar nog niet was geweest.

Alle drie hebben ze het maximale aantal van tien boeken meegenomen. En bij alle drie denk ik niet dat dit de laatste keer is dat ze daar zijn geweest.

Wat vond ik ervan? Ik vond het een ervaring. Met leeftijdsgenoten over boeken praten. Dat gebeurt me niet vaak. Op de middelbare leken de meesten niet heel geïnteresseerd te zijn in literatuur. De mensen met wie ik over boeken praatte, waren vrienden van mijn ouders.

Bij een boekenkast praten over boeken is voornamelijk praten over geluk. Een goed boek, een boek dat je de ander aanraadt, heeft een bepaalde indruk op je gemaakt. Je hebt iets indrukwekkends meegemaakt en wil dat met iemand anders delen. Het wordt een beschrijving, vol met superlatieven terwijl je probeert uit te leggen waarom het zo indrukwekkend was. Een boek dat je tegenviel trek je niet uit de kast. Als de ander je wel naar zo’n boek vraagt, zeg je slechts dat je niet onder de indruk was en je wijst naar een boek dat je wel goed vond. Je wisselt positieve ervaringen uit. Soms vertelt de ander je iets waardoor je geïnteresseerd raakt: iets over het plot, een herinnering of gedachte die het bij de ander losmaakte, of een beeld. En je stopt het boek in je mandje, benieuwd of het ook voor jou zal zijn wat het voor de ander is.

Ik heb in totaal tien boeken meegenomen; ik heb me keurig ingehouden. En ik denk dat het niet de laatste keer is dat ik met hen over boeken heb gepraat. 

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

Het vergeten van de dingen

Columnist Em was van de hoofdstad naar Amersfoort afgereisd en stapte de kroeg binnen, waar ze op mijn uitnodiging gedichten zou komen voorlezen. Ze had haar stem weer terug en ik begroette haar met een knuffel, ook deze keer weer met enige aarzeling – nu hing ze niet als een marionettenpoppetje in mijn omhelzing, gelukkig. Het was goed haar weer te zien, voor de tweede keer. En weer bracht de poëzie ons bij elkaar.

Ze vertelde dat haar omgeving me stadsdichter T. was gaan noemen na onze vorige stukjes. Ik vertelde haar op mijn beurt dat mijn omgeving haar steevast aanduidde als columnist Em, en dat ze dachten dat we elkaar eigenlijk niet uit konden staan. We besloten dat maar zo te laten.

Ze zette zich aan een tafeltje in de hoek, nadat ze haar verontschuldigingen bij me had gemaakt voor haar directe afzondering: er moesten dingen overgeschreven worden, voor het grote gebeuren, straks. Ik knikte, begreep, en zag hoe ze gebogen over haar blad, met een pen in haar hand, haar eigen bestaan ingleed. Als de wereld in schotten uit elkaar kon vallen, zoals je soms in films ziet, was dat gebeurd.

Zelf beende ik wat verloren door de ruimte heen, met het draaiboek in mijn hand. De kroeg liep langzaam vol, tot mijn vreugdevolle verbazing. De dichters die vanavond zouden voorlezen verdienden allemaal een volle bak, en dat kregen ze ook.

Iedereen deed het, zonder omhaal, geweldig. Er werd voor ze geklapt, geïmponeerd om hun woorden gezucht, en vooral naar ze geluisterd. Toen columnist Em het kleine, geïmproviseerde podium opstapte en begon met voorlezen, nadat ik haar had aangekondigd als mijn stiekeme, literaire liefde, was ik nog gelukkiger dat ik haar had gevraagd om naar Amersfoort te komen.

De rest van de avond stelde ze zich verdekt en bescheiden op in dezelfde hoek van de kroeg waar ze eerder haar werk over had geschreven. Na afloop praatte ze wat met collega-dichters en met iemand van de krant, die vertelde dat het artikel over de avond waarschijnlijk gedrukt zou worden. En of ze dan ook een exemplaar wilde, en wat de beste manier was om haar die krant te bezorgen. Daar zouden we wel wat op verzinnen, besloten we.

Nadat we door de olijke barjongens vriendelijk werden verzocht onze drankzucht elders te lijf te gaan, stelde ik voor om naar Van Zanten te trekken. Columnist Em knikte instemmend, en wilde nu wel eens zien hoe die plek écht was, omdat ik met enige regelmaat over mijn huiskamer schrijf, en omdat mijn leven zich voor een groot deel daar ook voltrekt.      

Van Zanten was even bruisend, druk en tollend als altijd. Na één biertje buiten vonden we een plek in het veilige schip van de kroeg en schoven aan bij wat andere dichters, die na het voorlezen ook waren overgewaaid. De barhelden en barheldinnen droegen gestaag het bier aan.

Toen we even buiten stonden te roken, vroeg ik columnist Em of ze zich een beetje op haar gemak voelde, hier.

‘Nee,’ zei ze eerlijk, ‘maar ik voel me eigenlijk nooit thuis in een kroeg. Eigenlijk voel ik me nergens echt op mijn gemak.’

Ik knikte, hees mijn sigaret tot een stompje en bekende dat ik dat ook lang heb gevoeld.

‘Totdat ik hier kwam,’ zei ik. ‘Hier voel ik me thuis. Nog meer dan in mijn eigen woning.’  

‘Ik heb dat misschien ook een beetje op mijn boot’, biechtte ze op. ‘Als ik ‘m aan de praat krijg, dan.’

Binnen deed columnist Em nog één biertje, en toen klom het tijdstip van de laatste trein langzaam in de wijzers van de klok. Ze besloot wat eerder te vertrekken, want er waren wekkers en verplichtingen de volgende dag. Ik liep een stukje met haar op, de binnenstad uit.

We namen afscheid aan een grachtje, onder de schaduw van de Koppelpoort. Ik wilde niet dat ze ging, maar ze moest.

‘Misschien kunnen we die krant in tweeën scheuren,’ stelde ze voor. ‘Of je komt de krant brengen in Amsterdam, later,’ zei ze. ‘En dan moet je ‘m vergeten. Dan kom ik terug naar Amersfoort om de krant weer op te halen.’

Mooi, dacht ik. Intentioneel vergeten. Dat zouden we oneindig kunnen herhalen. Terwijl ze om de hoek verdween, oploste in de belofte van een thuiskomst in de hoofdstad en ik weer terugliep naar de kroeg, waar het weer rumoerig, vol en thuis zou zijn, wist ik zeker dat ik nog nooit zo erg had uitgekeken naar het vergeten van de dingen.

Foto: Columnist Em

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Waar ga je heen? Over Samoa

[De wereld in stukken 3]

In het Museum of Natural History in New York is een hele vleugel gewijd aan Margaret Mead. De grand dame van de Amerikaanse antropologie staat in hoog aanzien. Of moeten we denken, nog? In deze wirwar van landen, (een kaartenspel van kolonisatie is dit gebied) met bovendien een naar het westen afbuigende datumlijn bevindt zich een goed bestudeerd eilandenrijkje: Samoa.

In Meads Coming of Age in Samoa was het haar bedoeling het patriarchale Amerika een spiegel voor te houden dat het elders misschien wel beter was. Ze was vooral geïnteresseerd in puberproblemen en vroeg zich af of die universeel waren. Wat doe je als tiener op een klein eiland omgeven door een eindeloze oceaan?

‘De lezer zal zich herinneren dat de hoofdactiviteit van de kleine meisjes zorgen voor baby’s was. Ze konden ook rifvissen, een bal weven en een molentje maken, in een kokospalm klimmen, dobberen in een zwempoeltje dat bij elke golf vierenhalve meter van niveau veranderde, een broodvrucht of taro schillen, de zanderige patio van het huis vegen, water uit zee halen, een simpel wasje doen en een ietwat geïndividualiseerde siva dansen. Hun kennis van de biologie van leven en dood was overontwikkeld in verhouding tot hun kennis van de organisatie van hun samenleving of van de fijne gedragingen die voor hun ouderen verplicht waren. Ze bevonden zich in een positie die vergelijkbaar zou zijn in onze cultuur met een kind dat geboorte en sterven had gezien voordat ze had geleerd niet een mes door te geven met het lemmet naar voren of hoe ze een kwartje moest wisselen. Geen van deze kinderen sprak de beleefdheidstaal, zelfs niet in de meest elementaire vorm, en hun kennis bleef beperkt tot vier of vijf woorden van uitnodiging en aanvaarding.’

Dat klinkt als kind zijn, echt in een eigen wereld mogen leven. Vooral dat dobberen lijkt me wel wat. De Amerikaan Maarten J. Troost woont een jaartje nabij, op een eiland in Kiribati. Zijn hilarisch verslag van voorbereiding en teleurstelling spitst zich toe op de gekmakende ergernis over hoe de localen zich ’s ochtends eerst even uitgebreid ontlasten op het strand. Een gebruik dat door Mead – maar dan oordeelloos – bevestigd wordt.

Maar wat moet je op een aanlokkelijk tropisch eilandje, waar de binnenlanden door enge slangen en spinnen geregeerd worden, de post nooit komt, pindakaas je enige levensgeluk beduidt, naast de dagelijks duik als dat laatste belet wordt door iets waarvan je niet kunt begrijpen dat de medemens je dat aandoet. Kakken op een tropisch strand! De kortste samenvatting van intercultureel onbegrip.

(Voor nog meer aanstekelijk mopperen over de defecte illusie van het paradijs leze men The Happy Isles of Oceania van Paul Theroux.)

Mead (zie ook kaart 47) leest nog steeds als een bijzonder spannend verslag, het is zo leuk om zo exact een samenleving beschreven te zien! Het is beslist een van de vreemdste wetenschappen: de antropologie, maar dit boek bewijst voor mij zijn dienst, veel meer dan welk reisboek dan ook zijn het juist de details van hofmakerij en wat je wel en niet geacht wordt te doen op Samoa en hoe men elkaar ziet die je dit eiland leren kennen. In een appendix opgenomen zijn beschrijvingen van hoe meisjes naar volwassenen kijken, waarin regelmatig bewonderend ‘ she is clever in making baskets’ voorkomt. Of: zij vraagt altijd op de meest hoffelijke wijze: ‘Po’o fea ’e te maliu i ai?’

‘Waar ga je heen?’

Lezen
Margaret Mead Coming of age in Samoa. A Psychologic study of Primitive Youth for Western Civilisation.
Maarten J. Troost The Sex Life of Cannibals
The Happy Isles of Oceania van Paul Theroux.

Zie ook deze blog

Hier naar kaart nummer 4

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.