Auto’s wassen

Toen mijn vader stervende was, zei hij dat ik voor mijn gezin een nieuwe auto moest kopen. Ons oude karretje had geen werkende radio meer, geen airco, geen brandstofreserve. Het raam van de bestuurder wilde niet meer naar beneden.

‘Driehonderdduizend kilometer is erg veel,’ zei hij, en zocht even naar adem. Naast zijn bed ronkte het apparaat dat extra zuurstof aan zijn lucht toevoegde en waarvan we meer hadden verwacht. ‘Als je geld nodig hebt, dan neem je toch een voorschot op je erfenis.’

Al onze gesprekken waren zakelijk, die laatste weken. Jos wilde de dingen goed afronden; de getallen moesten kloppen en hij dacht alles door. Ruimte voor het soort gesprek dat je eigenlijk wilt voeren met je stervende vader was er niet.

‘Waar moeten we het dan over hebben?’ zei hij als we erop aandrongen dat hij de financiën een momentje liet voor wat die waren. ‘Je leeft en maakt keuzes – sommige pakken goed uit, andere minder. Haal die map met verzekeringspapieren er even bij, wil je?’

Naast zijn hang naar orde, hield mijn vader ervan zijn spullen goed te onderhouden. Zijn auto was altijd brandschoon en hij had een abonnement op de autowasserette. Ik plaagde hem daarmee, maakte een kinderachtig statement door mijn eigen karretje nooit te wassen. Het ding lag vol papiertjes en verpakkingen, lege waterflessen. Otis de Hond bekleedde de hele achterbank met los haar.

Zo’n ding was een gebruiksvoorwerp dat smerig, roestig en gekrast hoorde te zijn. Als ik de verzorgde bolide van mijn vader leende, bracht ik die altijd met een vorm van schade terug. Ik deed dat niet opzettelijk, maar opvallend was het wel.

Na de dood van Jos zochten we een vijf jaar oude stationwagon, en omdat B meeging naar de dealer kwamen we met een duurdere en mooiere versie thuis dan ik had gewild. Alles glom eraan. Hij had krasloze donkere sportvelgen en leren bekleding – de ramen achterin waren getint. Al snel noemden we hem De Jos.

Ik reed veel na mijn vaders dood. Werk aan het huis in Hilversum, mijn moeder naar de chemo brengen. Omdat ik vaak moest wachten – op makelaars, op taxateurs en chauffeurs van kringloopwinkels – pakte ik zo nu en dan de stofzuiger en hield De Jos een beetje schoon. Daar stuurde ik B dan een foto van, omdat zij de grap wel zou begrijpen.

Vorige week waren we op vakantie, en toen we terugkwamen lag De Jos vol vertrapte chips, zand en snoepverpakkingen. Ik merkte dat die rommel me onrustig maakte en reed zondag, omdat ik toch naar de groothandel moest, even door een wasstraat. De duurste beurt, kocht ik, zonder dat zelf te snappen; ik kreeg een bon voor de stofzuiger-allee die zich iets verderop bevond.

In het vak naast me stond een forse man zijn BMW te reinigen. Hij gebruikte perslucht om in alle naden van de bekleding te komen, en stofzoog de wagen daarna zo grondig dat ik even dacht dat hij de sporen van een misdrijf probeerde uit te wissen. Ik keek de kunst af, volgde zijn bewegingen, bracht een halfuur door met het terugbrengen van De Jos in zijn oorspronkelijke staat.

Ik maakte een foto en stuurde die aan B. Ze stuurde een hartje terug.

Het had allemaal wat onwennig gevoeld, maar schaamte had ik niet ervaren. Het was eerder als het schoonmaken en herinrichten van het hok van een geliefd bejaard konijn.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.

Eigen perspectief 

Deze week was buitengewoon speciaal omdat het helemaal in het teken stond van de geschiedenis van Suriname. Bijna elke avond heb ik een presentatie bijgewoond die hiermee verband hield. Het begon eigenlijk al vorige week zaterdag met de presentatie ‘Caatje van Heijne: van slavin tot succesvolle vrije vrouw’ door historisch letterkundige Hilde Neus. Daarna volgde op maandag een verhaal en een dialoog geleid door Noraly Beyer en Hans Kristian Ploos van Amstel over ons gedeelde slavernijverleden. Op dinsdag was er de presentatie van ‘Soengoe Kondre’, en tot slot was op vrijdag de presentatie ‘Wasverzorging voor derden als overlevings- en leefstrategie 1900-1965’ door historica Mildred Caprino. Daartussen nog een thema-avond van de Schrijversgroep ‘77 bijgewoond waarbij de 85ste verjaardag van dichter S.Sombra, de prins van Coronie is herdacht.

De activiteiten waren allemaal goed bezocht. Het is opmerkelijk dat de interesse in de geschiedenis van ons land momenteel zoveel mensen aantrekt, zowel jong als oud. Tijdens de vragenrondes werden kritische vragen gesteld en scherpe opmerkingen gemaakt. Dat vond ik interessant; de moed om de gepresenteerde informatie kritisch te bevragen. Deze geschiedenis verbindt de mensen hier, en wanneer ze de kans krijgen, verdiepen ze zich erin. Naar voren kwam onder meer dat Paramaribo geen gesegmenteerde stad was. Dat de slavernij wetgeving lokaal in Suriname werd gemaakt. De archieven zijn schriftelijke bronnen van een bepaalde invalshoek. Intimiteiten tussen mensen zijn moeilijk terug te vinden, omdat ze niet in de archieven zijn af te lezen hoe mensen met elkaar omgingen. Het was niet alleen kommer en kwel in het verleden. Naast hard werken was er ook tijd voor plezierige zaken. Op elke plantage-inventaris kwamen wasvrouwen voor. Woorden als ‘bezwaard’ en ‘ongemak’ vielen vaak. Er kwamen ook persoonlijke verhalen naar voren, over familiebanden, verlies, trauma’s en ontgoocheling.

Te midden van de vele presentaties van projecten, voornamelijk uitgevoerd door Nederlanders, worden nu ook de stemmen van de Surinamers gehoord. Wij doen ook onderzoek en werken aan het vastleggen van onze geschiedenis, ondanks de beperkte financiële middelen en materiële beperkingen. De geschiedenis van Suriname is pijnlijk, maar het doet evenzeer pijn dat we het niet zelf kunnen onderzoeken en vormgeven vanwege een gebrek aan geld. Het is duidelijk hoe onrechtvaardig deze situatie is, maar mijn landgenoten tonen opnieuw dat hun stem sterk en krachtig is.

Er zijn nog meer presentaties en bijeenkomsten gepland gedurende het jaar in het kader van het Herdenkingsjaar van het Slavernijverleden. Dit zijn momenten om meer te leren over ons pijnlijke verleden. Ik kijk stiekem uit naar de presentaties van Surinamers. Wat hebben zij ontdekt en hoe kijken zij ernaar? Er zijn namelijk ook verhalen van strijd en veerkracht die nog verteld moeten worden.

Net zoals tijdens de slavernijperiode wordt er nog steeds gestreden voor erkenning. In dit geval erkenning van ons perspectief op het verleden. Nederlanders mogen zich bezwaard en ongemakkelijk voelen, maar wij willen ook onze gevoelens delen. Gelukkig gebeurt dat steeds vaker.

Foto van Kevin Headley
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Loe

De zon wierp wat verdwaalde bundels licht over de singel in Utrecht, dezelfde singel waarover Loe en ik zes jaar geleden ook liepen toen we aan ons eerste liedjesprogramma werkten. We hadden nog rugtassen, lagen wakker over eindexamens en spraken alleen over de toekomst met woorden als ‘ooit’, ‘later’ en ‘wie weet’.

‘Zes jaar geleden,’ verzuchtte hij, ‘zes jaar geleden al!’ Ik knikte, geloofde Loe op zijn woord omdat hij van ons twee altijd al de man van de data is geweest (en van het geld, de logistiek en het overzicht) en keek naar hem. De goedmoedigheid die op zijn gezicht leek geplakt toen ik hem voor het eerste ontmoette, was er nog steeds.

In een aftandse repetitieruimte draaiden we onze eerste liedjes in elkaar. We kleurden onze stemmen naar elkaar toe, droomden wat voor ons uit, bluften ons door elk optreden heen met een soort branie die er alleen is, als je nog niets te verliezen hebt.

‘Weet je nog wat ik je appte, toen?’ vroeg Loe, ‘zes jaar geleden?’

‘Dat het je leuk leek om af en toe samen te werken, en misschien eenmalig wilde optreden ergens,’ grijnsde ik. ‘En dat je mijn nummer via iemand anders had opgediept, omdat je het kwijt was geraakt.’

Loe lachte, wreef over zijn kin, keek naar het pad waarover we liepen.

‘Nou, dat is dan behoorlijk uit de hand gelopen.’

Zes jaar, dacht ik. Zo lang heb ik het nog nooit met een meisje volgehouden, en de meeste vriendschappen die ik heb gehad sneuvelden ook lang voor dat getal. Maar niet met Loe, die na zes jaar meer aanvoelt als een broer, dan een vriend. We liepen verder langs het water, roddelden wat (want zo zijn we ook), zwegen soms.

Loe is de enige aan wie ik een tekst durf te geven, de enige zelfs aan wie ik een tekst toevertrouw, omdat die tekst altijd beter terugkomt dan de versie die ik stuurde. Alleen met hem kan ik uren in één ruimte zitten en sleutelen aan een lied alsof er even niets anders bestaat, omdat we elkaar begrijpen op een manier die niet aan te leren is.

Conferences of liedjes die hij pas net in de grondverf heeft staan, de meest kwetsbare fase, mag ik lezen. Gedichten die ik nog niet af heb, mag hij alleen lezen. Het is een samenwerking die zo natuurlijk voelt, dat het ondertussen moeilijk voor te stellen is dat die er ooit niet is geweest.

Nadat we het rondje singel bijna helemaal hadden afgeslenterd, sloegen we af richting de Dom, stapten door en gingen voor anker op het terras van Orloff. We bestelden allebei hetzelfde bier en dezelfde broodjes kroket. Het gebeurt zelden dat de een niet bestelt wat de ander bestelt.

Weemoedig haalden we wat herinneringen op over een festivaloptreden in Bakkum waar backstage een bierkoelkast stond waar Loe me vlak voordat we op moesten vandaan trok om erger te voorkomen, die keer dat we samen op vakantie gingen en Loe het ernstig aan de stok kreeg met een conducteur omdat het hem een goed idee leek om met zijn voet het knopje van de deur van de sprinter in te drukken, de bejaarde huistechnicus die in een zaaltje in het noorden naar onze lichtman had gefluisterd dat hij doof was aan één oor terwijl wij op het podium ons al een half uur stonden af te vragen of het geluid zo slecht was, of dat het aan ons lag.

De wind was weer gaan liggen en de zon wurmde zich door het wolkendek. We bestelden nog een biertje, zakten onderuit in onze stoelen, vertelden elkaar over de projecten waar we mee bezig waren.

Die jochies, dacht ik, die jochies in die afgetrapte repetitieruimte van zes jaar geleden, met hun branie, dromen, geldingsdrang. Ze hadden eens moeten weten.

Als iemand toen iets over onze toekomst had verteld, hadden wij het van iedereen nog het minst geloofd.

Beeld: Ivar Elstrodt

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

De belofte

Columnist Em zat in mijn stamkroeg. Ze hing met haar bovenlichaam over de tafel heen, hield haar pen vast als een keukenmes en schreef. Naast haar lag een intimiderende stapel papier, zoals je productiviteit soms probeert te etaleren in de hoop dat het aanhoudt.

Ik keek naar de stapel, wilde er uit nieuwsgierigheid met mijn handen doorheen gaan, maar hield me in – door iemands papieren gaan vind ik net zo intiem als door het ondergoed gaan van een meisje bij wie je hebt geslapen.

De kroeg raasde langs ons heen, en wij schreven. Ik morrelde wat aan een mank gedicht dat het daglicht niet zou halen, bestelde nog een biertje om de pijn wat te verzachten en zij schreef aan twee nieuwe gedichten die ze later zou voorlezen. Het ging over de liefde denk ik, want ze keek er moeilijk bij terwijl ze het afmaakte en ook toen ze het later voorlas. Moeilijk, maar mooi keek ze en soms naar mij, en een betere schrijver zou daar allemaal mooie, originele parallellen trekken met de liefde, maar ik niet.  

Soms keek ik op, al wist ik niet waar ik precies naar keek, maar columnist Em werkte onverstoorbaar door aan de gedichten. Ik mompelde wat stompzinnigs over eindregels, bewonderde haar doorzettingsvermogen, bestelde nog een biertje en schreef voor de vorm nog wat door aan het couveusegedicht, dat ik eigenlijk al had opgegeven.

Een kwartier voordat we moesten gaan had columnist Em de gedichten af. Ze keek op met een blik die verried dat ze iets groots had verricht, sloeg een laatste biertje af en ging mee naar buiten omdat ik wilde roken. Spaarzaam in haar antwoorden was ze, zoals gewoonlijk, zogenaamd veelzeggend in haar nietszeggendheid, in de veronderstelling dat ik dan zou begrijpen wat ze bedoelde. We vertelden elkaar als bliksemafleider wat over onze recente exen, zij over de econoom en ik over de actrice, verklaarden de liefde dood en rookten door.   

Later wandelden we samen naar de bibliotheek, die tien jaar bestond en tot diep in de nacht open zou blijven. Ik was gevraagd om een poëzieprogramma samen te stellen en te presenteren, en dat had ik gedaan. Vier jaloersmakend goede dichters had ik uitgenodigd, en columnist Em was daar een van.   

Ik ontving de andere dichters die een voor een binnendruppelden, testte het geluid wat en kreeg een pasje waarmee ik door allerlei sluizen in de bibliotheek kon – die moest ik teruggeven aan het einde avond, werd me op het hart gedrukt toen ze zagen hoe voldaan ik leek met dat tijdelijke privilege.

De voordrachten waren adembenemend goed en pas toen ik het poëziegedeelte afgekondigd had, viel er een zwaarte van me af die aan een vreemd soort verantwoordelijkheidsgevoel kleeft. In het café dat naast de bibliotheek zat bezette ik een tafeltje met Lena, die me met haar uitzonderlijke voordracht zo had overvallen dat ik daarna in verwarring weer het podium was opgeklommen om de volgende dichter aan te kondigen.

We praatten wat na over de avond, ik stortte lof over haar uit die haar meer dan toekwam en we lachten gedwee om hoe de karaokebar, die in een zijruimte van het café was ingericht, ieder woord dat we spraken overstemde.  

Vlak voor het einde gaf ik het pasje terug aan een medewerker van de bibliotheek. Ik bestelde nog een biertje voor Lena, columnist Em die ook was aangeschoven, en mezelf. Daarna zag ik door de grote ramen hoe de avond opging in de nacht en vertelde ik aan columnist Em hoe wankel ik altijd word in haar aanwezigheid.

Tijdens de laatste sigaret, voor de deur van het café en onder toeziend oog van een olijke beveiliger die eigenlijk de deur moest bewaken maar die avond vooral een oog hield op de rokende dichters die met het glas in de hand naar buiten stoven, vroeg Lena of een van ons nog een column zou schrijven over deze avond.

‘Nee,’ zeiden we beiden stellig, en schudden onze hoofden, om onze woorden extra kracht bij te zetten, alsof we daarmee wilden voorkomen dat een van ons iets anders zou doen.

Terwijl ik keek hoe columnist Em langzaam uit het zicht stierf terwijl ze steeds verder het plein opliep, wist ik al dat ik ditmaal degene zou zijn die zich niet aan een belofte zou houden

Beeld: Het Eemhuis

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Het interessegebied

Ik zat in de bioscoop. Op het doek zag ik hoe de commandant van Auschwitz, Rudolf Höss, een van zijn kinderen voorleest. Hij had haar slaapwandelend op de overloop bij het raam aangetroffen en weer naar bed gebracht. Hij ligt op haar bed en leest voor, zoals zoveel vaders voorlezen. Op een zeker moment houdt hij op met lezen: hij merkt dat ze in slaap gevallen is. Zoals zoveel vaders staat hij voorzichtig op en loopt op zijn tenen naar de slaapkamerdeur.

Maar hij is geen gewone vader: hij is de commandant van Auschwitz. Wij kijkers weten wat voor vreselijkheden er onder zijn bevel plaatsvinden. We weten waar hij overdag mee bezig is.

Hoewel ik de film (The Zone of Interest) als geheel om verschillende redenen niet zo briljant vind als de meeste recensenten (wat ook weer kan komen door de hoge verwachtingen die gewekt waren door diezelfde recensenten), intrigeert mij het element van die haast doodgewone vader met een haast doodgewoon gezin enorm. Het is misschien het enige wat mij nog kan bewegen naar een film over de Tweede Wereldoorlog te kijken: de mens achter de nazi. De klassieke scheiding tussen goed en kwaad, de nazi’s als pure slechteriken en de geallieerden als pure goedzakken, heb ik te veel gezien en te veel gelezen. De nuance, het hoe en waarom, blijft te veel buiten beschouwing in die films en boeken. Het is gemakzucht om te zeggen dat iemand slecht is, zonder dat je je afvraagt waarom iemand zo geworden is – een vraag die je kunt stellen zonder de acties van degene goed te keuren. De gedragingen blijven even verwerpelijk, even moreel fout, maar je laat wel zien waar ze uit voortkomen. 

De Britse auteur Martin Amis lijkt in zijn boek The Zone of Interest (waarop de film losjes gebaseerd is) voor de gemakkelijke weg te hebben gekozen. Zijn commandant van Auschwitz, Paul Doll (die volgens Amis gemodelleerd is naar Rudolf Höss), lijkt aan een of andere geestesziekte te lijden (Höss had naar mijn weten geen psychische problemen). In het boek wordt hij steeds gekker. Zelfs zo gek dat hij zijn taken niet meer naar behoren kan uitvoeren. De andere nazi’s die Amis opvoert, doen psychisch ook niet helemaal normaal aan: ze zijn geobsedeerd door seks. Vrijwel elk gesprek gaat erover. Om de commandant als door en door slecht af te schilderen, laat Amis hem ook de klassiekste mantra’s en redeneringen van de nazileer uitkramen. Dit soort personages interesseert mij niet meer. Ik wil best geloven dat ze er zijn geweest, maar je kan mij niet wijsmaken dat alle nazileiders door en door slecht waren. Dat ze als vader en echtgenoot niet – al was het maar af en toe – lief waren. Dat ze hun gezin niet meenamen op een uitje. Dat ze, kortom, niet méér mens waren dan we misschien willen denken. De Franse schrijver Robert Merle beschrijft in zijn roman La mort est mon métier (die ik voor mijn Franse lijst gelezen heb) het leven van Rudolf Lang, eveneens commandant van Auschwitz en eveneens gebaseerd op het leven van Rudolf Höss. Maar anders dan Amis weet Merle wel een geloofwaardig mens van vlees en bloed neer te zetten. Dat doet hij door heel precies te laten zien waar deze Rudolf Lang vandaan kwam: zijn jeugd, zijn dominante vader, zijn eerste jaren in het leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, de verschrikkingen, zijn angsten, zijn dromen. Het is een getroebleerde ziel die uit het verhaal oprijst, een vreselijke man. Maar het is wel een waarachtig mens en geen sjabloon.

Ik had eigenlijk besloten om de Tweede Wereldoorlog de komende tijd links te laten liggen. Ik had er genoeg van. Zoals ik hier eerder al een keer schreef, las ik als kind ontzettend veel boeken over de Tweede Wereldoorlog. Ik ging de bibliotheek in en koos de boeken uit op basis van het stickertje dat op hun rug geplakt zat: een vlag met prikkeldraad eronder: oorlog en verzet. Ik kende de verhalen nu wel, vond ik. Maar ik kan dan wel besloten hebben mij niet meer met de Tweede Wereldoorlog te bemoeien, die oorlog bemoeit zich wel met mij. Zo werd er bij het eerste college van de master die ik nu volg gemeld dat we dit jaar een boek zouden gaan maken over jonge Joodse kunstenaars in Nederland vlak na de Tweede Wereldoorlog. Daar zat ik dan met mijn voornemen. Terwijl ik onderzoek deed naar ‘mijn’ kunstenaar, de schrijver en dichter Louise van Santen, haar gedichten las en een interview met haar bekeek, merkte ik dat ik werd meegevoerd door haar verhaal en mij opnieuw interesseerde in die oorlog en die vreselijkheden. Ook tijdens het kiezen van een scriptieonderwerp blijkt de oorlog niet ver weg. Andere recente voorbeelden zijn de roman Nirwana van Tommy Wieringa en de film The Zone of Interest waar ik dit stukje mee opende. Mensen om me heen zeggen dat ik die moet lezen of zien. Dat het ‘echt iets’ voor mij is, wat dat ook verder maar moge betekenen. En dan doe ik dat. Dan dompel ik mij weer onder in het ultieme kwaad. En dan wekt het weer mijn nieuwsgierigheid.

Is dat – het ultieme kwaad – ook wat anderen zo interesseert in die oorlog? Is het misschien wat mensen in zijn algemeenheid interesseert? In Cambodja schijn je rondleidingen te kunnen krijgen op de killing fields, waar de Rode Khmer zijn slachtingen uitvoerde. Je kunt ook Auschwitz bezoeken, evenals Sobibór en Dachau. Mensen willen zien waar wij (oké: sommigen van ons) toe in staat zijn.

Ik wil het waarom weten. En het wat: wat drijft iemand? Hoe wordt iemand zo? Ik vrees dat ik er nooit achter zal komen. Maar ik denk wel dat het een begin is om iemand als mens te beschouwen en niet als een losgeslagen duivel: een mens kun je nu eenmaal beter begrijpen dan een demon. 

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

Tekortschieten

Gie belt op het moment waarop ik de voordeur achter me dichttrek en ik neem op. Er rolt wind over de lijn, gestommel, buitensmonds gevloek. Zo beginnen onze gesprekken altijd, omdat hij me steevast belt als hij op de fiets zit, ergens naartoe wandelt, of een trein moet halen.

Onze vriendschap vindt sinds twee jaar plaats tussen de bedrijven door. Een van ons beiden heeft altijd haast en is ergens naar onderweg. Vroeger was hij dat vaak, maar de laatste tijd ben ik het die even bij wil praten en hem tussen de leemte van twee afspraken belt. Laatst grapten we dat het bijna lijkt alsof we volwassen zijn geworden, van de een op de andere dag. En dat het ons maar matig bevalt. Het is al ruim een half jaar geleden dat we elkaar hebben gezien, maar we bellen elke week.

‘Sorry,’ mompelt Gie, ‘ik werd net bijna doodgereden door een scooter. Waar hang jij uit?’ zegt hij nu iets luider, om boven het stormachtige weer uit te komen.

‘Ik fiets naar de kroeg,’ roep ik, omdat het bij mij ook waait. ‘Sorry, die kutwind.’

‘Sterkte,’ zegt hij. Gie weet dat ik tegenwind haat.

‘Jij?’ vraag ik.

‘Afspraakje. Leuke meid, denk ik. Het is een vriendin van Soof.’

Soof is zijn ex, met wie hij twee maanden terug uit elkaar ging. Ik weet nu al dat ons volgende gesprek zal gaan over hoe faliekant deze date zal mislukken, maar omdat hij dat ook al weet, toch onderweg is, en het nu toch al te laat is om hem om te praten, wens ik hem succes. Vrienden steunen elkaar ook in mislukkingen.

We praten wat bij over onze week, Gie loopt leeg over zijn coschappen en ik klaag wat over mijn alledaagse tekortkomingen. Gie heeft een onmogelijke arts met wie hij de komende weken is behept en die hem de hele tijd denigrerend de maat neemt, ik foeter op een meisje, met wie ik het af wilde kappen, dat nu zelf het contact heeft verbroken waardoor het voelt alsof ik gedumpt ben terwijl dat niet zo is.

De verstandhouding die we hebben is de laatste tijd vooral gebaseerd op klagen, en daar klagen we dan ook over. Ik ben vergeten mijn telefoon aan het infuus te leggen, dus ik zeg Gie dat we snel moeten zijn, omdat het ding straks uit gaat vallen. Ook daar klaag ik weer over.

Het is wel een fijn, geruststellend soort klagen: de een zeurt over iets, de ander zegt bemoedigende woorden, dan jeremieert de ander weer, en dan roept de een weer iets opbeurends. Het werkt, voor ons in ieder geval.

Ik zet mijn fiets in een straatje, verbaas me over het donker dat al is ingetreden en stoor me aan de motregen die valt. Even verderop schuil ik even onder een luifel. De wind is hier gaan liggen, dus hoor ik nu pas hoe hard het suizen door zijn microfoon in mijn oortjes waait en hoe zacht de regen op het doek van de luifel roffelt.

‘Of het een beetje gaat, vroeg ik,’ roept Gie omdat ik even niet oplet, en vloekt weer. ‘Godver, wacht even, die wind. Ik duik even een zijstraatje in, ze wacht maar even.’ Na een paar seconden ruis en gestommel valt er een deken van stilte over ons gesprek.   

‘Ik vroeg dus,’ gaat hij verder, ‘of het een beetje met je gaat?’ Ik knik, uit gewoonte, omdat ik altijd knik als iemand dat aan me vraagt. Dat doe ik blijkbaar zelfs als ik met iemand aan het bellen ben.

‘Het gaat. Geen zorg, hoor. Ik heb het druk, mooie dingen. Ik was laatst voor het eerst in hele lange tijd dankbaar, zelfs. Maar ik schiet op sociaal vlak zo tekort, heb ik het gevoel. Ik zie mijn dierbaren veel te weinig en laatst was ik in eens bang dat de mislukte relaties die achter me liggen zo zwaar gaan drukken op iedere nieuwe, dat het bij voorbaat al gedoemd is te klappen. Snap je? Maar misschien moet ik ook gewoon een nacht goed slapen.’

‘Een nacht goed slapen lijkt me een uitstekend idee,’ stelt Gie. Ik steek een sigaret op en hoor vier seconden later hoe hij hetzelfde doet. ‘Na vijf biertjes naar huis, zo!’ beveelt hij. Ik mompel iets onverstaanbaars.

‘Ik heb het gevoel dat ik tekortschiet, sociaal gezien, weet je,’ ga ik verder. ‘Dat ik zo erg tekort schiet, dat ik me onmogelijk later nog zo op kan rekken om de afstand die ik nu laat vallen weer te overbruggen.’

Het is even stil. Windstil. Dan hoor ik hoe Gie een diepe teug adem neemt.

‘Ik denk dat je niet te veel druk op jezelf moet leggen. Dat je –’

Nu valt er volledige stilte over de lijn, als ochtendnevel boven een weiland. Mijn telefoon reageert nergens meer op. Hoe hard ik ook vloek, het scherm blijft zwart.

Tekortschieten, denk ik. Hoe klein of groot ook.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Zwaaien

Er stond een witte, plastic stoel op het balkon. Het was een vreemde stoel. Ik wilde niet kijken omdat ik bang was om te zien, maar toch deed ik het. Een woensdag was het, ik had net kibbeling gehaald en het regende niet.

Drie maanden lang was het me gelukt om langs de flat te fietsen zonder mijn blik omhoog te richten – de weg van mijn huis naar de binnenstad loopt langs die flat, maar toch slaagde ik elke keer weer in het vermijden van elke vorm van zicht op het appartement.

Het uitzicht hoefde ik niet te zien, want ik kende het al. We hadden het zelf vrijgemaakt: de schilderijen hadden we van de muren gehaald, de gordijnen namen we mee, veel van het meubilair werd opgeslokt door een vuilcontainer, behalve onder meer een krantenbak die ik sindsdien in gebruik nam als tafeltje. Elke ruimte werd zo gestript van een bestaan, zo ogenschijnlijk klakkeloos. Alsof je stof van een plank blaast.

Maar op een woensdag zag ik die stoel. Ik heb niet verder gekeken, wist wat er verder te zien zou zijn, net zoals je soms bij een afgesneden foto alles wat ontbreekt er moeiteloos bij kunt denken. Alles kon ik eigenlijk bij die stoel, die godverdomde stoel bedenken zonder het te zien. Tafels, schilderijen, gordijnen, kandelaars, fotolijstjes, kamerplanten, boekenkasten, werkelijk alles wat als een huls om ander leven zit. En door die spullen van een ander kon ik er iedereen bij bedenken, iedereen, behalve mijn oma.  

Dus trapte ik door, in stilte, zo hard dat ik buiten adem was toen ik thuiskwam. De kibbeling die ik had meegenomen heeft de rest van de dag onaangeraakt op de eettafel gestaan, tot Madame Bovary ervan begon te eten. Alles wat overbleef gooide ik weg. Ik dacht aan hoe mijn oma altijd zei dat ik nooit eten weg mocht gooien terwijl ik boven de prullenbak hing, aarzelde even, maar deed het toch.

In de dagen erna fietste ik telkens twee straten om, omdat ik het niet wilde kijken, maar soms doet niet zien meer pijn, dan wel. Ik kon niet de rest van mijn leven om blijven fietsen, dacht ik – een mensenleven is te kort voor omfietsen. Dus moest ik iets afsluiten waarvan ik dacht dat ik het eigenlijk al achter me had gelaten.

Aan het einde van de week hoefde ik nergens heen. Toch deed ik mijn jas aan, haalde mijn fiets van het slot en reed naar het appartement. Ik fietste er alleen maar langs, zoals ik vroeger heel vaak had gedaan. Er stond een vrouw voor het raam, ik zag het meteen toen ik de straat in trapte en omhoog keek. Het was een magere vrouw, ze was jonger, en vooral niet mijn oma.

De vrouw zag me niet, natuurlijk zag ze me niet. Ik wilde zwaaien omdat gewoontes moeilijk af te leren zijn. Ik zwaaide altijd, toen mijn oma nog leefde en ik langsfietste, of ze me nou zag of niet. Als ze me had gezien, stuurde ze altijd een kort berichtje – dat ze me had zien zwaaien, en dat ze terug had gezwaaid. En of ik dat ook had gezien.

Ik stak mijn hand op naar haar, wuifde, maar keek niet of ze het zag omdat de handeling alleen volstond. Daarna fietste ik terug.

Thuis trok ik mijn jas uit, legde mijn telefoon voor me op de krantenbak die ooit in het huis van mijn oma had gestaan en ging zitten in mijn stoel. Uit mijn telefoon lekte een oorverdovende stilte die de hele dag heeft aangehouden.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman