Loe

De zon wierp wat verdwaalde bundels licht over de singel in Utrecht, dezelfde singel waarover Loe en ik zes jaar geleden ook liepen toen we aan ons eerste liedjesprogramma werkten. We hadden nog rugtassen, lagen wakker over eindexamens en spraken alleen over de toekomst met woorden als ‘ooit’, ‘later’ en ‘wie weet’.

‘Zes jaar geleden,’ verzuchtte hij, ‘zes jaar geleden al!’ Ik knikte, geloofde Loe op zijn woord omdat hij van ons twee altijd al de man van de data is geweest (en van het geld, de logistiek en het overzicht) en keek naar hem. De goedmoedigheid die op zijn gezicht leek geplakt toen ik hem voor het eerste ontmoette, was er nog steeds.

In een aftandse repetitieruimte draaiden we onze eerste liedjes in elkaar. We kleurden onze stemmen naar elkaar toe, droomden wat voor ons uit, bluften ons door elk optreden heen met een soort branie die er alleen is, als je nog niets te verliezen hebt.

‘Weet je nog wat ik je appte, toen?’ vroeg Loe, ‘zes jaar geleden?’

‘Dat het je leuk leek om af en toe samen te werken, en misschien eenmalig wilde optreden ergens,’ grijnsde ik. ‘En dat je mijn nummer via iemand anders had opgediept, omdat je het kwijt was geraakt.’

Loe lachte, wreef over zijn kin, keek naar het pad waarover we liepen.

‘Nou, dat is dan behoorlijk uit de hand gelopen.’

Zes jaar, dacht ik. Zo lang heb ik het nog nooit met een meisje volgehouden, en de meeste vriendschappen die ik heb gehad sneuvelden ook lang voor dat getal. Maar niet met Loe, die na zes jaar meer aanvoelt als een broer, dan een vriend. We liepen verder langs het water, roddelden wat (want zo zijn we ook), zwegen soms.

Loe is de enige aan wie ik een tekst durf te geven, de enige zelfs aan wie ik een tekst toevertrouw, omdat die tekst altijd beter terugkomt dan de versie die ik stuurde. Alleen met hem kan ik uren in één ruimte zitten en sleutelen aan een lied alsof er even niets anders bestaat, omdat we elkaar begrijpen op een manier die niet aan te leren is.

Conferences of liedjes die hij pas net in de grondverf heeft staan, de meest kwetsbare fase, mag ik lezen. Gedichten die ik nog niet af heb, mag hij alleen lezen. Het is een samenwerking die zo natuurlijk voelt, dat het ondertussen moeilijk voor te stellen is dat die er ooit niet is geweest.

Nadat we het rondje singel bijna helemaal hadden afgeslenterd, sloegen we af richting de Dom, stapten door en gingen voor anker op het terras van Orloff. We bestelden allebei hetzelfde bier en dezelfde broodjes kroket. Het gebeurt zelden dat de een niet bestelt wat de ander bestelt.

Weemoedig haalden we wat herinneringen op over een festivaloptreden in Bakkum waar backstage een bierkoelkast stond waar Loe me vlak voordat we op moesten vandaan trok om erger te voorkomen, die keer dat we samen op vakantie gingen en Loe het ernstig aan de stok kreeg met een conducteur omdat het hem een goed idee leek om met zijn voet het knopje van de deur van de sprinter in te drukken, de bejaarde huistechnicus die in een zaaltje in het noorden naar onze lichtman had gefluisterd dat hij doof was aan één oor terwijl wij op het podium ons al een half uur stonden af te vragen of het geluid zo slecht was, of dat het aan ons lag.

De wind was weer gaan liggen en de zon wurmde zich door het wolkendek. We bestelden nog een biertje, zakten onderuit in onze stoelen, vertelden elkaar over de projecten waar we mee bezig waren.

Die jochies, dacht ik, die jochies in die afgetrapte repetitieruimte van zes jaar geleden, met hun branie, dromen, geldingsdrang. Ze hadden eens moeten weten.

Als iemand toen iets over onze toekomst had verteld, hadden wij het van iedereen nog het minst geloofd.

Beeld: Ivar Elstrodt

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman