Al het zichtbare gaat open

De sekswerkers gaan de straat op om weer aan het werk te kunnen. Ze zijn de stilstand zat. Ik loop vaak over de Wallen naar mijn werk. Als ik aan sekswerkers denk kom ik snel uit bij twee zaken, nu drie. De eerste is: ik heb altijd in de binnenstad gewoond, toen ik 21 was heb ik met een vriend op een caféterras geklokt hoe lang de mannen meestal binnen waren. Zes minuten. Dat vond ik verbijsterend. Later leerde ik Paul Léautaud kennen die een goed deel van zijn leven in de onmiddellijke nabijheid van heel veel Moulin Rouge meisjes doorbracht en schitterend over hen schreef. Mijn meest recente ontdekking is Aleksandar Tišma, die schrijft over Novi Sad een stad in het voormalige Joegoslavië. Ik las pas twee boeken, maar ze werken als breinwormen: blijven in je denken terugkomen en steeds intensiever. Zijn Die wij liefhebben doet iets wonderlijks: het is een volstrekt van elke erotiek gespeend relaas over verschillende ‘huizen’ in Novi Sad. De meisjes, de klanten, de madames die een kamer regelen. Zoals ook verhalen van Tišma doen ze eerst niet zo bijzonder aan, maar hebben ze de neiging je onbewust weken bezig te houden, een heel mooi vasthoudend soort onnadrukkelijkheid, niet tragisch, maar nauwkeurig waargenomen. Wat gebeurt er precies in dit boek? Ik zou het niet weten, en toch denk ik beter te begrijpen wat er op de wallen plaatsvindt. Met zichzelf verstrengeld zijn. In zijn soort is dit instinctief schrijven, of preciezer: het componeren van langzaam loskomende betekenis, vergelijkbaar met wat Hans Faverey altijd doet: ook hij schrijft op zo’n wijze dat je er dagenlang niet los van komt. deze bijvoorbeeld:

Hetzelfde stukje bos dat ik ben

ingelopen, laatst.
Een kruisbessenstruik

staat daar. Daar is ook

een jonge esdoorn: die ik met zich
had verstrengeld. Al het zichtbare
gaat open, vervolgt mijn weg.
Het ontbreekt mij aan niets;

en ik ben niet ongelukkig.

Niettemin: op wieken wil komen
de stilstand
der dingen in mij.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Nectar

Op een van de late feestjes die kennissen van Gijs organiseerden in een loodsvormig café aan de rand van wat IJburg zou worden, kwam Issa Julie weer tegen. Bij wijze van groet stompte ze hem met zoveel kracht op zijn schouder dat de wodka en het bier dat hij vasthield over de rand van hun glas klotsten. In het midden van de dansvloer sprongen Arie en Boris met hun armen over elkaars schouders rond, waardoor hun koppen bij elke beat te zien waren. Rood spotlicht versplinterde op het steile vlak van Aries bezwete voorhoofd.

Julie pakte de wodka van Issa af en nipte, haar heup tegen de zijne gedrukt alsof ze al jaren zo stonden wanneer het uitkwam. Issa had nu een hand vrij en legde die om Julies middel. Boven het ruwe leer van haar spijkerschort raakte zijn wijsvinger haar naakte buik.

Gijs verscheen met een pen in zijn borstzak en het koele aura van de lange fietstocht uit Zeppos om zich heen. Hij kuste Issa en leek te twijfelen hoe hij Julie zou begroeten, maar Julie pakte hem bij zijn oren, trok hem naar zich toe en zoende hem vol op de mond. Daarna stuurde ze hem weg om bier te halen. Julie pulkte iets uit een vakje van haar schort en even later lagen er twee blauwe tabletjes op haar handpalm. Blanke huid, roze lijnen, blauwe stippen als naburige steden op een kaart.

Binnen de kortste keren leek alles van kristal, de vloer onder Issa’s voeten niet meer dan een vierkante millimeter van een wereldwijd woofervel, golvend en vervormend met het beu- ken van de bas in het jaar van Notorious b.i.g.’s Hypnotize. Issa kneep met zijn ogen tegen de overdaad aan licht; wenste vurig een zonnebril, en hoewel hij niet zeker wist of hij die wens hardop had uitgesproken zette Gijs er even later een op zijn neus. Schijnbaar meteen daarna: een kampvuur dat tot aan de hemel reikte. Arie zonder schoenen, zijn voeten wit als waterlijken. Boris met een vaasje bier rechtstandig in zijn mond, zijn lippen gesloten om de rand. Applaus van omstanders. Een graspol met een hilarische kleur groen. Een meisje met witte donsveertjes in plaats van wimpers. Dan: zonsopkomst op een overwoekerde pier die ver het IJmeer in leidde.

Julie liep voor Issa uit en met zijn handen op haar schouders volgde, volgde, volgde hij tot de begroeiing lager werd, uitdunde en hen alleen liet op een zandbakgroot strandje. Een absurde roodwitte dwergvuurtoren waakte met zijn laatste slagen over verlaten water. Issa koos een betonblok aan de voet van het torentje en liet zich zakken tot hij zat. Met grote moeite maakte hij zijn veters los. Toen zijn schoenen van zijn voeten waren en zijn sokken als ontzielde handpoppen op het zand lagen, bleek de nagel van zijn grote teen uit het bed gescheurd. Issa vroeg zich af wanneer de pijn hem in zou halen en pulkte verwonderd aan het korstige klepje.

‘Kom je nog?’ riep Julie.

Een meter of dertig van de kant zag hij haar hoofd boven het water, omringd door kleine schitteringen. Julie zwom verder, een V trekkend in de kalme spiegel. Naast Issa, op een ander betonblok buiten het bereik van de landende kabbelingen, lag een hoopje kleren. Terwijl hij zich uitkleedde kwamen er andere zwemmers in beeld: zwarte schaduwbolletjes dobberden in de brede gouden baan die de zon uitrolde. Julie crawlde naar ze toe terwijl Issa twijfelde, zijn voeten om beurten dopend in het ijzige meer totdat iemand hem van achter duwde en hij zijn evenwicht verloor. Toen hij proestend en brullend bovenkwam stond Arie op het strandje, in zijn handen wrijvend ter voorbereiding op een duik. Een verbleekte groenkatoenen boxershort hield zich ondanks het lubberende elastiek hoog aan zijn heup.

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Een fragment uit de horeca uit Het jasje van Luis Martín, verschenen bij Van Oorschot in 2013.

Beeld: Tijn de Boer.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Café do Brasil

Vandaag werk ik in mijn eentje. Ik zoek de zwakke plekken in het stalen dek, slijp ze uit en las er nieuwe platen over. De zon is bijna even heet als de vlam van de brander. Vanuit het open raam van de stuurhut boven mijn hoofd klinkt calypso, reggaeton en soms zelfs samba. Dat betekent dat de kapitein slaapt en dat er iemand anders achter het roer zit. Jorge, waarschijnlijk. Of Rico, zijn jongere broer.

De avond dat ik je zag was ik niet in Café do Brasil voor de meisjes. Ik was gekomen voor de achterplaats vol dansende mensen, voor de slingers met gekleurde lichtjes en de rum die dik als olie in bevroren glazen glom. Ik kwam om te dansen, vergat zelfs te drinken, waardoor ik weet dat ik nuchter was toen ik je zag.

Je zat tussen de kinderen die altijd op de lage muur zaten die het plaatsje van de straat scheidt, en keek naar boven alsof er aan de hemel meer te zien was dan op de dansvloer. Als vergeten viel de dame waarmee ik danste uit mijn armen. Ik hielp haar overeind, bood haar wat te drinken aan, maar ze volgde mijn blik en spuugde op de grond. Toen ik naar je toe liep was het alsof de vloer kantelde. Alsof ik jouw kant op viel. Ik tikte op je knie en wachtte tot je blik was afgedaald.

‘Samba is voor oude mensen,’ zei je toen we dansten.

‘Je bent licht. Ik zou je kunnen optillen en meenemen waar ik ook heen ga, zonder je ooit neer te zetten.’

‘Ik zou geen schoenen meer aan hoeven?’

‘Nooit meer.’

‘Te gek,’ zei je. ‘Want deze dingen doen zeer.’

Het leer van je ballerina’s was ingeknipt om ruimte te maken, maar nog zaten ze te krap. Je zei dat je dorst had. Ik bracht je een cola en hielp je weer op het muurtje, waar je meteen je schoenen uitdeed.

‘Herken je me niet?’ zei je.


‘Je bent de dochter van Lillian.’


‘Dat is niet haar echte naam.’


Samen keken we naar de dansende mensen. Omdat ik niet goed wist wat ik moest zeggen, vroeg ik of je honger had. Even later aten we een pan schelpjes bij Ernesto’s Seafood. Nu nog kan ik die schelpen proeven, de maan boven de baai zien hangen. Ik wilde je niet laten gaan. In het ochtendlicht, op weg naar je moeders huis, zou je beseffen hoe verkeerd het was dat je met een van haar klanten gedanst en gegeten had. Dat je je door hem had laten kussen op het strand.

Het is te warm geworden om te werken. In de schaduw van de brug, mijn schoenzolen bijna smeltend op het dek, wacht ik het einde van de middag af. Niets dan water in het oosten: de kromming van de aarde staat tussen ons en Guatemala in. Morgen varen we Nicaragua voorbij.

___________________________________________________________

Dit fragment over de horeca komt uit de roman Het laatste kind, verschenen bij Van Oorschot in 2013

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Vanderwaalse krachten

Als het sneeuwt loop ik een sneeuwgedichtenrondje, twee moeten altijd even gelezen, dit is de eerste:

Winterstilte

De grond is wit, de nevel wit,
de wolken, waar nog sneeuw in zit,
zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
met witte rijp beijzeld.

De wind houdt zich behoedzaam stil,
dat niet het minste takgetril
‘t Kristallen kunstwerk breke,
de klank zelfs van mijn schreden wil
zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
dit grootse, stille wonder.

Die stamt uit mijn jeugd, waarschijnlijk bij benadering het eerste gedicht dat ik hoorde, als we het Hooglied of Spreuken niet meerekenen (ook wel sneeuw daar: ‘Evenmin als de sneeuw in de zomer en de regen in de oogsttijd, past eer bij een dwaas.’) Mijn moeder – van 1933 – leerde het op school uit haar hoofd. Het is van Jacqueline E. van der Waals. Over van der Waals heerst het in Nederland regelmatig voortkomende misverstand dan religieuze mensen niet zouden kunnen dichten. Dit is een goed gedicht vind ik… ook als ik abstraheer van mijn diepe gevoel erbij, denk ik dat hier heel goed geluisterd, gekeken, is naar buiten, en naar binnen. En wat er aanbeden wordt is niet God, maar dit grootse stille wonder.

Een sneeuw ligt in den morgen vroeg
onder de muur aan, moe en goed
beschut en een arm kind komt toe
en staat en ziet en met zijn voet

gaat het dan schrijven over dit
prachtige vlak en schuifelt licht
bezonnen en loopt door, zijn mond
trilt in het donker klein gezicht.

J.H. Leopold

Dit is dan wel de klassieker. Vooral door het onbepaald lidwoord dat Willem Jan Otten tot zijn schitterende toneelstuk met die titel bracht: Een sneeuw. Moe en goed, een knap staaltje projectie. In Leopold kun je ook blijven lezen. Die groeit met je leeftijd mee, moet je elk decennium opnieuw leren kennen. Ik smacht naar de Halsema-biografie van deze intens boeiende en droevige figuur.

Ik wandel nog wat door, in sneeuw en in sneeuwteksten. Om ongetwijfeld te eindigen bij de besneeuwdste roman die ik ken: Dokter Zjivago van Pasternak.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Someone to Run With

Een van de mooiste titels die ik in de Engelse taal ken is Someone to Run With. David Grossman schreef het boek, en die titel verwijst naar een hond, of eerder: wat een baas is in de ogen van een hond.

Ik houd niet van boeken waarin dieren een te grote rol spelen, laat staan boeken waarin dieren als mensen denken.

Waarschijnlijk heb ik ooit gezworen dat ik nooit zo’n boek zou schrijven, want ik doe regelmatig dingen die ik heb gezworen nooit te zullen doen. In mijn nieuwe roman Dorp is een van mijn belangrijkste stemmen die van een ijsvogeltje, dat liefde opvat voor een kleine jongen.

Veel van de gedachten en gevoelens die we onze dieren toekennen leggen we er zelf in. Dieren zijn bij uitstek geschikt om onze binnenwereld op te projecteren omdat ze niet praten: onze ideeën over wat er in onze kat omgaat weerlegt hij niet zo makkelijk. Iemand vertelde me laatst dat honden hun wenkbrauwen kunnen samentrekken omdat die beweging door mensen als ontroerend wordt gezien. De eerste wolfhond met die mutatie kreeg veel te eten, een plekje bij het vuur en een hele slinger nageslacht.

Het sneeuwde en mijn vader bracht een sleetje langs. Ik sleepte Ada en Nadim door de straten en we hadden sneeuwgevechten met ouders en kinderen uit de buurt. Natuurlijk was Otis de Hond mee, omdat Otis altijd mee is. Wie een hond had voordat hij een kind kreeg ziet na de komst van zijn kind zijn hond veel minder staan.

Als honden echt als mensen dachten zouden ze veel vaker kinderen bijten.

Pas toen ik echt genoeg had van het sleetjetrekken en met mijn handen op mijn knieën nahijgde van het laatste sneeuwballenspervuur, kreeg ik oog voor Otis. Ondanks zijn gevorderde leeftijd draafde hij maar af en aan, sneeuw happend, blaffend, rondjes rennend om de kinderen. Mijn buurvrouw maakte met haar telefoon een foto van hem, die ik pas bij onze thuiskomst zag.

Die alertheid in zijn ogen, hij leek zo jong. Zijn leven was sinds onze kinderen wel erg saai geworden. Eigenlijk sliep hij nu alleen nog maar. Hier was de Oot van vroeger, voor heel even. Net op tijd door Nathalie gezien.

Wat ik op hem projecteerde is dat ik de onnadenkende luchtigheid zo mis. Dat is de corona, kun je zeggen. Maar je kunt ook zeggen dat mijn eigen onnadenkende luchtigheid op de kinderen is overgegaan.

De voorbijheid der dingen, om een van de mooiste titels in de Nederlandse taal te verbasteren.

Als een huisdier doodgaat dan komt alles wat we er ooit op geprojecteerd hebben vrij. We zeggen dingen als Tommie had ik al sinds ik op kamers ging. Die hele levensfase heb ik hem gehad, helemaal tot nu aan toe. Toen ik jou tegenkwam. En de geboorte van de kinderen. Hard bewijs voor de stelling dat zo’n huisdier alleen maar over onszelf gaat.

Voordat je het mocht denken: Otis is niet dood. Hij ligt te maffen op het dikke kussen achter me, waarop hij bijna vijf jaar heeft geweigerd te slapen. God weet waarom.

Beeld: Natha Girard

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Vrienden

De documentaireserie ‘Klassen’ is niet onopgemerkt gebleven, waardoor ik, acteur in hetzelfde genre, plotseling een groot publiek voor me zie. Hebben jullie gekeken mensen, gezien hoe prachtig ons werk is en hoe onrijp soms onze vrucht? Dank Sarah Sylbing en Ester Gould, voor die intieme blik op achtstegroepers in Amsterdam-Noord, onderweg naar hun Grote Oversteek, en op enkele middelbare scholieren die al aan een Overkant zijn. Met parallelle scènes uit verschillende scholen filmen jullie wat wethouder Marjolein Moorman een ‘gif in de samenleving’ noemt, het wetenschappelijk aangetoonde onrecht van ongelijke kansen. En nu weet ook ‘Klassen’ kijkend Nederland dat het schooltraject van kinderen afhangt van het opleidingsniveau en inkomen van ouders.

 De serie is niet alleen maar documentair. Treffend schreef Gerwin van der Werf in Trouw dat hij het gevoel had naar een Netflixserie te kijken. In de gekozen aanpak groeien de geportretteerde kinderen en leerkrachten uit tot personages, in wie we ons inleven en die, zo gaat het mij tenminste, in ons voortleven – archetypen worden: een Anyssa, een Yunuscan, een Gianny, een juf Jolanda, een meester Thijs. Wij kijkers – ik reken me weer even tot u, publiek – begrijpen het pijnlijke verhaal dat jullie makers ons vertellen en we willen kinderen met zieke opa’s, met analfabete ouders, in een flat vol herrie, in een fuik van testosteron en straatgeweld, helpen en redden en opstuwen en ja, eerlijke kansen geven. Maar omdat de documentaire ook speelfilm is, zien we meer dan het oppervlakkige narratief. Of laat ik zeggen: we zien het onderhuidse ervan. Neem Viggo.

 Wanneer Viggo thuis uit het raam kijkt, ziet hij geen beton maar weiland. Waterplas, rietkragen, een buizerd op thermiek. Hij woont aan de rand van Noord, waar de witten wonen. De geprivilegieerden. Viggo’s ouders zijn hoogopgeleid, we veronderstellen dat ze geld hebben en ambitie. Op de school van Viggo zitten kinderen die allemaal naar het vwo willen, want daar begint de weg naar het geluk. De Citotoets is aanstaande, onderling hebben ze het nergens anders meer over. Kijk ze daar zitten, aan de rand van het voetbalveld, gezworen vrienden, wijsneuzend over de toekomst. Ze pochen over hun voorlopig schooladvies. Dan zoomt de camera in op Viggo en registreert zijn blik. Hij zegt niks, de voice-over blijft stil, en ons is de vrijheid vergunt in Viggo’s hoofd te gaan zitten. Te denken wat hij denkt. En ík denk dat hij bang is. Meester twijfelt of hij het vwo wel aankan. En wat dan? We horen Viggo zeggen dat hij ‘véél liever vwo krijgt’, want ‘het is voor de rest van je leven’, maar vooral omdat hij, denk ik dat hij denkt, bij zijn vrienden wil blijven.

 Een van de lessen van ‘Klassen’ gaat over ‘erbij horen’. Terwijl in de klas van Viggo de spanning oploopt naarmate de Oversteek nadert, worstelen zijn ouders met de prestatiedruk waaronder hun zoon gebukt gaat. Ik geloof zeker dat er ouders zijn die torenhoge verwachtingen van hun kinderen hebben en ze naar dure bijlessen sturen zodra er wat tegenwind opsteekt, maar er zijn ook hoogopgeleide ouders die verstandig zijn. Viggo’s moeder vertelt dat ze met een lagere opleiding misschien wel meubelmaker geworden was en dat ze dan misschien wel gelukkiger geworden was in haar werk. Vader vraagt zich af wat echt belangrijk is: ‘Gaat het om presteren en goede cijfers of gaat het erom dat je een relaxed leven hebt en leuke vrienden en… wat minder succes. Want alles komt met een prijs, natuurlijk.’ Soms zijn het te ambitieuze ouders, vaker – lijkt mij het portret van Viggo en zijn ouders te suggereren – is het de competitieve sfeer in de klas en de angst er niet bij te horen, vrienden te verliezen, die kinderen tot het uiterste pushen.

Sorry Viggo, dat ik hier allerlei dingen over je beweer, je gedachten en gevoelens toeschrijf, het is niet mijn gewoonte. Ik ken je niet persoonlijk, ik ken je als personificatie van wie het geluk is toebedeeld aan de gunstige kant van kansenongelijk Nederland te verkeren. Hopelijk vind je het oké. Je hebt me iets laten inzien. Het moeilijkste van de Oversteek, van doorgangsriten in het algemeen, is dat je er alleen voor staat. Aan de Overkant hoop je dat je vrienden er weer zijn. De mensen waar je niet zonder kunt. Weet je nog de laatste sequentie met jou? Je bent met je moeder aan het kanovaren en rust even uit op een bankje. Je moeder vraagt dan hoe jij denkt dat je er over twintig jaar bij zit, waar je dan woont. Jij zegt: ‘Ik hoop zo, waar ik nu woon.’

   ‘Dan word je mijn buurman,’ zegt je moeder.

   ‘Ja, waarom niet?’ zeg jij.

   ‘Heel gezellig,’ vindt je moeder.

Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.