Roze

Ondanks vele uren Pippi Langkous en een zekere volharding van B en mij in het niet vrouwelijk stereotyperen van onze dochter is Ada gek op roze.

Op goede dagen trekt ze alles wat ze aan roze kleding heeft tegelijk aan en tolt dan pirouetten in de woonkamer. Ik wil graag melden dat ze daar vaak lakzwarte dr. Martens bij draagt.

Mensen die geen dochter hebben vragen me wel eens of een dochter ánders is; ik loop bij die vraag altijd vast. Een heel ander soort wezen, wil ik dan zeggen. Die twee zijn onvergelijkbaar. Maar ik zal nooit weten of dat een sekseverschil is, of gewoon het verschil tussen Ada en mijn zoon Nadim.

Elke vezel lijkt anders, van de tonus in hun handen tot hun geur. Ik houd ook op totaal verschillende manieren van mijn kinderen. Dat is wat ze me hebben geleerd: dat er verschillende manieren zijn om van mensen te houden, en dat die specifiek zijn voor die ene geliefde persoon.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Nr. 45: nog een week

‘Trump?’ vraagt mijn vriendin. Het is zes uur ’s ochtends en de stem van de 45e president van de Verenigde Staten verstoort de stilte, ook al staat het volume op mijn smartphone op zijn laagst. Ze weet het antwoord al. Het nieuws rond nr. 45 is als een wekker, die niet alleen het begin van mijn dag aankondigt, maar ook het ritme ervan bepaalt. Het is geen aangenaam begin, gezicht en stem zijn niet bepaald aantrekkelijk, de berichten omtrent de sociopaat en zijn hielenlikkers weinig verheffend en vaker nog verontrustend. Waarom dan toch deze obsessie, deze nieuwshonger, dit nachtelijk doomscrollen? Niet eerder in mijn leven heb ik een aaneengesloten periode zo’n obsessie gehad met politiek. Het is alsof ik via een digitale navelstreng ben verbonden met Washington. Liveblogs en nieuwswebsites, Facebook, The New York Times (ik heb een abonnement waar ik maar niet van los kan maken, al ben ik afgestapt van het lezen van alle lezerscommentaren en lees alleen nog maar de NYT Picks), CNN voor de msm en nu en dan Fox voor de spin, The Atlantic en The New Yorker voor de dieper gaande beschouwing en culturele duiding, Politico voor de machinaties achter de schermen, Axios voor de synopsis, Rawstory voor het laatste nieuws met link, etc. etc., en altijd is er weer het rondje langs de stemmen op Twitter, waarna Rawstory weer klaar staat met een verse update. En dit alles neemt tijd weg van lezen en schrijven, breekt de focus en stemt somber. (Als dit blogje ademloos lijkt, is het dat omdat de auteur het is.)

We hebben het ook hier gehad, de machtsgreep van de veelal uit het bedrijfsleven komende machers, die beweren eens even flink de bezem door de kast te zullen halen (de politiek is waarschijnlijk de enige sector waar leken en ondeskundigen het bastion kunnen bestormen en op legitieme wijze innemen). Maar zoals altijd is alles in de VS scherper, groter en grootser. En dat maakt het fascinerend. Het is als het klimaat in de Midwest met zijn verzengende hete zomers en strenge winters. Het is moeilijk weg te kijken van het drama dat zich als een vliegramp in slow motion voor ons volstrekt. Het heeft iets als staren in de zon: je weet dat het niet goed voor je is, maar toch kijk je om te zien hoever je je ogen kunt openen.

Polarisatie, het woord lijkt de situatie in de VS samen te vatten. Het is House of Cards op steroïden. Maar meer nog dan de polarisatie is het een ander aspect dat me de afgelopen vier jaar heeft verbijsterd: de personificatie van de politiek. Het feit dat het politieke bedrijf wordt gerund door een aantal bejaarden; senatoren, die, gedekt door de constituents van hun thuisstaat, decennialang de koers van het land bepalen. Oude witte mannen en iets minder vrouwen. Casus Mitch McConnell, de meerderheidsleider in de senaat en je reinste machiavellist in deze modeldemocratie. Wat doet hij behalve het dwarsbomen van Obama’s wetsvoorstellen en benoemingen en het erdoorheen jassen van de extreem conservatieve? Hij grinnikt. Hij grinnikt in interviews als hem wordt gevraagd hoe hij het allemaal voor elkaar krijgt, hij grinnikt als hem wordt gevraagd waarom hij een covid-steunpakket ten behoeve van de Amerikaanse burgers tegenhoudt (link). Cynisme ten top, pure evil. Maar McConnell zit en kan blijven zitten als teken van een gebroken systeem, kan blijven zitten omdat de ene stem meer weegt dan de ander.

Oude witte mannen, ze weten het: door demografische ontwikkelingen gaan ze het afleggen: verstedelijking, emancipatie, onderwijs, immigratiestromen, overwegend democratische minderheden die samen de meerderheid zullen gaan vormen. Amerikanen van wie de vaders lid waren van de KKK of de opa’s nostalgisch herinneringen ophaalden over lynchpartijen zullen uitsterven. Dit is geen conservatieve revolutie maar een langdurige, zich mogelijk over decennia uitstrekkende conservatieve stuiptrekking. De Proud Boys voeren een achterhoedegevecht.

Maar het nieuws is deprimerend, maagkerend, iedere dag. De benoeming van de ultraconservatieve, klimaatontkennende Amy Coney Barrett voor het leven in the Supreme Court, kan het land zo’n ruk naar rechts geven, dat het op het gebied van arbeids-, vrouwen- en genderrechten op de standenmaatschappij zal lijken die wij in de jaren vijftig hadden.

Is er dan niets dat hoop geeft? Iets verheffends, een vorm van esprit? Jawel, er zijn de peilingen, die duiden op een grote overwinning voor Biden (maar dat een overwinning geen enkele zekerheid geeft is al iets beangstigends). Jawel, er is Sarah Cooper, wier lipsynchronisaties zo verfijnd en tegelijk hilarisch zijn dat ik haar bij het horen van nr. 45 voor me zie, en er is The Lincoln Project, een groep republikeinen die van nr. 45 af willen, scherp zijn als een floret, en het trollen tot kunst hebben verheven. Het billboard op Times Square met daarop het paar Trump-Kushner (Jared met zijn uitspraak ‘New Yorkers are going to suffer and it’s their problem’, Ivanka het dodental als een product presenterend) was al een huzarenstukje, werd nog overtroffen door hun weerwoord na de juridische dreiging door de advocaat van het Witte Huis. Panache, esprit. Ik voelde me voor het eerst sinds tijden elated door iets dat met politiek van doen had (Sla vooral de vooral de voetnoten niet over).

 ‘Nog een week,’ zeg ik tegen mijn vriendin. ‘Hij gaat verliezen. Hij staat dik in de min.’ (‘Hij’ is al haast een familielid geworden).

En dan??

Ich bin ein Amerikaner.

Gregor Verwijmeren

Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

Hond worden (over Goethe en Canetti)

Het is zondagmiddag in coronatijd en ik maak een herfstwandeling door park Meyendel bij Wassenaar. In brede kolonnes marcheren we als één organische mensenmassa over paden langs berken, kinderkliminstallaties en duindoornstruiken. Waxjassen kraken en piepen, wollige laarzen vertrappen het mos, lauwwarme aardappelen dansen in kelen.

Twee nogal gedrongen, dikkige boxers aan een lijn komen hijgend op me af. De bijbehorende baas heeft een bijbehorend hoofd met een stompe, verwrongen snuit. Vrolijk lachend vertelt hij iets over zijn oogappels.

Goethe, de grote Duitse dichter, hield absoluut niet van honden. Zijn aversie had er mee te maken dat hij bang was in een dier te veranderen. Goethe-groupie Johann Peter Eckermann vertelde later hoe de schrijver reageerde bij de aanblik van dierenschilderijen van Heinrich Roos: ‘Ik word er altijd bang van als ik de dieren bekijk. Hun beperkte, lompe, dromende en geeuwende toestand haalt dezelfde gevoelens bij mij naar boven. Je zou er bang van worden zelf in een dier te veranderen, en je zou zelfs vermoeden dat de kunstenaar er zelf een geweest is.’

Toen Goethe zich aan het begin van de negentiende eeuw verdiepte in de Servische lyriek raakte hij helemaal in de war van de talloze metamorfosen van dier naar mens en weer terug en weer heen. Hij concludeerde: ‘Terugkerende doden spelen een belangrijke rol. Zelfs de nuchterste mensen zullen ongemakkelijk worden van alle wonderlijke gevoelens, voorspellingen en verborgen boodschappen van vogels.’ Het is dan ook niet voor niets dat hij in zijn eerste Faust de antagonist Mefistoles laat verschijnen in de gedaante van een zwarte poedel. ‘Der Pudels Kern’ is de kwaadaardigheid.

De even eclectische en ongrijpbare schrijver Elias Canetti keek er een eeuw later heel anders tegenaan. Hij vond de mens een ‘metamorfosebeest’ en hij zag in de dieren de oervormen van de mens weerspiegeld. ‘De dieren in ons denken’, schreef hij, ‘moeten weer machtig worden, zoals in de tijd voor hun onderwerping.’ Over Goethe was Canetti ambivalent. Zo vond hij dat niemand in Goethe een voorbeeld kon zien, want de flierefluitende, schelmachtige Duitse dichter had nooit echt levensgevaar geroken: ‘niet van buitenaf en niet van binnenuit’. Een heldere constatering: Goethe werd – anders dan de joodse Canetti – niet vervolgd, en werd niet of nauwelijks geplaagd door de waanzin.

De twintigste-eeuwse Canetti had de gruwelijkheid van de machinale oorlog leren kennen: de rassenhaat, de beestachtige wreedheid van de moderniteit. Hij zette de negentiende-eeuwse Goethe, voor wie dieren contrasteerden met de verheven mens, schaamteloos op zijn plek.

In de zelfverklaarde ‘hond-schrijver’ Canetti verscholen zich vele dieren. Hij was een man van zijn tijd die Freud en Nietzsche had kunnen lezen en die de onpeilbare driften van zijn onderbewuste onderkende.

In Goethe verscholen zich waarschijnlijk ook dieren, maar die zijn er nooit uitgekropen. Hij hield ze op afstand, opdat hij niet van gedaante kon verwisselen. Hond worden was hem een nachtmerrie.

De boksers scharrelen verder, ook voor deze rashonden is het zondag. Ik zie in de verte hoe een van de twee zich met een dromerige en geeuwende blik laat zakken in een polletje gras en zich ontlast. De baas met de hondenkop ritst een plastic zakje (met hondenpootjesprint) af van een rolletje, gaat door de knieën en ruimt de drol op. Dit is Wassenaar.

Als een lakei loopt hij achter zijn honden aan, en draagt hun poep.

Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014).

Joseph Roth – Leviathan 3

(eerst deel 1 lezen)

2

Hij had arme en rijke clientèle, vaste en toevallige. Onder zijn rijke klanten waren twee boeren uit de omgeving van wie er een, Timon Semjonowitsj, hop verbouwde en ieder jaar goede zaken deed als de graanmakelaars uit Neurenberg, Saaz en Judenburg langskwamen. De andere boer heette Nikita Ivanovitsj. Hij had niet minder dan acht dochters, die achter elkaar trouwden, en die allemaal koralen wilden. De gehuwde dochters – het waren er tot dan toe vier – kregen amper twee maanden na het huwelijk kinderen – en dat waren wederom dochters – en ook deze hadden hadden koralen nodig; zelfs de baby’s, om het boze oog af te wenden. De leden van deze twee families waren de meest vooraanstaande gasten in Nissen Piczeniks huis. De dochters van deze beide boeren, hun kleinkinderen en schoonzonen, schonk de handelaar de goede schnaps die hij in zijn kist bewaarde, een zelfgemaakte schnaps gestookt met mieren, gedroogde paddenstoelen, peterselie en Duizendguldenkruid. De andere regelmatige klanten moesten genoegen nemen met een gewone, gekochte wodka. Want op deze plek werd geen koop gesloten zonder een drankje. Klant en handelaar dronken, opdat de transactie zowel voordeel als zegeningen op zou leveren. Er lag ook in hoopjes tabak in het huis van de koraalkoopman, voor het raam, bedekt met vochtig vloeipapier zodat het vers zou blijven. Men kwam namelijk niet naar Nissen Piczenik als naar een winkel, om gewoon iets te kopen, ervoor te betalen en dan te vertrekken. De meeste klanten hadden een lange reis gemaakt, en dus waren ze niet slechts klanten, maar vooral te gast bij Nissen Piczenik. Hij bood ze iets te drinken aan, te roken en soms te eten. De vrouw van de koopman kookte boekweit met uien, borsjt met room, ze grillde appels, aardappelen en in de herfst pofte ze kastanjes. De klanten waren dus niet slechts klanten, maar ook te gast in het huis van Piczenik. Soms zongen de boerinnen mee met de rijgsters terwijl ze snuffelden naar een geschikt koraal; ze zongen samen, en zelfs Nissen Piczenik begon in zichzelf mee te neuriën; en zijn vrouw tikte in de maat met de lepel op het fornuis. Als de boeren van de markt of uit de herberg kwamen om hun vrouwen af te halen en hun aanwinsten te betalen, moest de koraalkoopman ook met hen schnaps of thee drinken en een sigaretje roken. En elke goede klant kuste de handelaar als was hij zijn broer.

Want als we eenmaal met iemand iets gedronken hebben, is ieder goede en redelijke kerel onze broeder en elke vrouw onze zuster – en er is geen onderscheid meer tussen boer en handelaar, jood en christen; en wee degene die het tegenovergestelde zou beweren!

3

Elk nieuw jaar werd Nissen Piczenik echter ontevredener met zijn rustige leventje, zonder dat iemand in het stadje Progrody dat doorhad. Zoals alle joden ging de koraalkoopman twee keer daags, ‘s ochtends en’ s avonds naar de synagoge, vierde de feestdagen, vastte op vastendagen, gordde gebedsriem- en mantel om, wiegde met zijn bovenlijf, sprak met de mensen, praatte over politiek en de Russisch-Japanse oorlog, over alles wat in de kranten stond en alles wat de wereld bezighield. Maar het verlangen naar de oceaan – vaderland der koralen – woonde in zijn hart, en uit de kranten die twee keer per week Progrody bereikten, liet hij zich, daar hij niet lezen kon, het eerst voorlezen wat maar enigszins maritiem nieuws was. Net als over koralen had hij heel bijzondere opvattingen over de zee. Hij wist dat er veel zeeën in de wereld waren, maar de enige echte zee was die je moest oversteken om naar Amerika te komen.

Op een dag gebeurde het dat de zoon van de lakenhandelaar Alexander Komrower, die drie jaar geleden bij de marine was gegaan, voor een kort verlof thuiskwam. De koraalkoopman had nog niet gehoord over de terugkeer van de jonge Komrower of hij stond al op zijn stoep en begon te vragen naar de geheimen van schepen, water en wind. Waar iedereen in Progrody ervan overtuigd was dat de jonge Komrower zich uit domheid naar de gevaarlijke oceanen had laten slepen, beschouwde de koraalhandelaar de matroos als een begaafde jongen die de eer was toegevallen en die zo gelukkig was tot op zekere hoogte vertrouweling, ja in zekere zin familie van het koraal te zijn geworden. En de vijfenveertigjarige Nissen Piczenik liep urenlang arm in met de tweeëntwintigjarige Komrower over het stadsplein. – Wat wil hij toch van Komrower? – vroegen mensen zich af. – Wat wil hij van mij? – dacht ook de jongen.

Tijdens het gehele verlof dat de jongeman in Progrody doorbracht, week de koraalhandelaar nauwelijks van zijn zijde. De vragen van de oudere man kwamen op de jongen nogal wonderlijk over:

‘Kun je de bodem van de zee zien met een telescoop?’

‘Nee’, zei de matroos, ‘met de telescoop kijk je alleen in de verte, niet in de diepte.’

‘Kun je’, vroeg Nissen Piczenik verder, ‘als je een matroos bent, je op de bodem van de zee laten vallen?”

‘Nee,’ zei de jonge Komrower, ‘maar als je verdrinkt, zink je waarschijnlijk naar de bodem van de zee.’

‘Kan de kapitein het ook niet?’

‘Zelfs de kapitein kan het niet.’

‘Heb je al eens een duiker gezien?’

‘Een paar keer’, zei de matroos.

‘Komen de dieren en planten van de zee soms naar de oppervlakte?’

‘Alleen de vissen en de walvissen, die eigenlijk geen vissen zijn.’

‘Vertel eens’, zei Nissen Piczenik, ‘hoe ziet de zee eruit?’

‘Ze zit vol water’, antwoordde de matroos Komrower.

‘En is het zo weids als een groot land, een uitgestrekte vlakte dus, waarop geen huis staat?’

‘Het is zo groot – en nog veel groter!’, zei de jonge matroos. ‘En het is wat je zegt: een enorme vlakte, en hier en daar zie je een huis, maar dat is heel zeldzaam, en het is helemaal geen huis, het is een schip.’

‘Waar heb je die duikers gezien?’

‘Er zijn duikers’ – zei de jongen – ‘bij de marine. Maar ze duiken niet om te vissen op parels of oesters of koraal. Het is een militaire oefening, bijvoorbeeld in het geval dat een oorlogsschip zinkt en je waardevolle instrumenten of wapens naar boven moet halen.’

‘Hoeveel zeeën zijn er eigenlijk?

‘Ik zou het niet weten,’ antwoordde de matroos, ‘we hebben het op de opleiding gehad, maar ik lette niet op. Ik ken alleen de Baltische Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee en de grote oceaan.’

‘Welke zee is het diepst?’

‘Dat weet het ook niet.’

‘Waar worden de meeste koralen gevonden?’

‘Ook dat weet ik niet.’

‘Hm, hm, zei de koraalkoopman Piczenik, ‘jammer dat je dat allemaal niet weet.’

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Izmir (II)

Aan het begin van ons verblijf in Izmir was de vastenmaand Ramadan volop gaande, maar we merkten er in de wijk waar mijn moeder woonde weinig van. Alle cafés en restaurants waren overdag redelijk bezet en niemand leek zich te storen aan korte broeken of blousjes met korte mouwen.

Twee dagen voor het Suikerfeest, de afsluiting van de Ramadan, wilden we de archeologische site van Oud-Smyrna in Bayraklı, gelegen in de kromming van de baai, bezoeken. Oud-Smyrna was een belangrijke Ionische stad in de zevende eeuw voor Christus, werd vernietigd door de Lydiërs en daarna de Perzen. Alexander de Grote liet vier kilometer verderop, waar het centrum van het huidige Izmir zich bevindt, de stad herbouwen (Smyrna). De ruïnes, die we in 2018 bezochten, liggen aan de voet van de berg Kadifekale (Pagos) met uitzicht op de baai, achter het district Kemeraltı. Sinds enkele jaren worden er restauratiewerkzaamheden uitgevoerd. Smyrna bleef in de Hellenistische en later de Romeinse periode een belangrijke handels- en havenstad.

De archeologische site van Oud-Smyrna was echter gesloten. Wij waren teleurgesteld.

Het Suikerfeest duurt officieel drie dagen maar de regering had de duur verlengd. Onverwachts zagen de mensen met twee aansluitende weekenden een vakantie van negen dagen in het verschiet liggen, een cadeau van de regering aan de toerismesector, een tegenvaller voor ons.

Wij maakten een korte wandeling in de buurt. Kramen en winkels vol lekkernijen en banketbakkers waar een koortsachtige bedrijvigheid heerste kondigden de komst van het Suikerfeest aan. Even verderop was men begonnen met de voorbereidingen voor een kermis, die nu al de belangstelling van de kinderen trok: armen over elkaars schouders geslagen of de handen gekruist op hun rug, stonden ze de werkzaamheden gade te slaan.

Het straatbeeld was hier beduidend anders dan bij mijn moeder. Wij zagen meer vrouwen met hoofddoeken, gekleed in broeken en mantels die tot aan de enkel reikten, en mannen met baard. Dit is een van de buurten waar in de afgelopen decennia inwoners uit de conservatieve provincies in midden- en zuidoost-Turkije zijn neergestreken. De levensstandaard is aanmerkelijk lager dan de wijken langs de kuststrook.

Maar ook hier stuitten wij verrassend genoeg op een theetuin waar we thee konden drinken met een paar andere gasten.

We hadden het voornemen om op weg van Izmir naar Mersin (950 km zuidoostelijk gelegen aan de Middellandse Zee) de stad Konya aan te doen. De schoondochter van de buurvrouw van mijn moeder die vorig jaar tijdens de Ramadan Konya had bezocht raadde het ons af daar nu heen te gaan: zij trof toen alle restaurants tot zonsondergang, de iftar, gesloten. Een bevriende restauranthouder liet hen stilletjes binnen zodat ze konden lunchen. Op straat ontlokte de waterfles in haar hand afkeurende blikken van omstanders,  waardoor ze niet openlijk durfde te drinken. Op stille plekken nam ze ongezien snel een slok. Wij besloten op de terugweg Konya toch aan te doen.

Wie Turkije op zijn kop wil meemaken moet tijdens het Suikerfeest (of het Offerfeest dat er zes weken later op volgt) dit land bezoeken. Alle kaartjes en tickets voor reizen per vliegtuig, bus, trein en boot zijn dagen tevoren uitverkocht en de hotels zijn volgeboekt. Wij wilden het Suikerfeest bij mijn zus vieren, maar buskaartjes waren pas voor de tweede dag beschikbaar. Ook mijn moeder moest haar vertrek naar haar appartement in Datça uitstellen. Mijn broer kon geen huurauto vinden om haar erheen te brengen.

Voordat zij naar Datça vertrok, reisden wij per bus naar Mersin. Ik zag aan mijn vrouw dat haar reislust was gewekt. Het was jaren geleden dat we zo’n lange reis per bus hadden gemaakt.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Do not go gentle, Roode Bioscoop…

Het is nogal een gedicht, dat van Dylan Thomas: ‘Do not go gentle into that good night’ een villanelle, niet beter ten gehore gebracht dan door de meester zelf:

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.

Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.

And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light

Theater de Rode Bioscoop verkeert in zwaar weer. Het bestuur meldt op de site dat er pijnlijke beslissingen genomen zijn: het personeel is ontslagen, inclusief de artistiek leider. Met als belangrijkste doel het openhouden en voortbestaan van de Roode Bioscoop. Mis ik hier iets, of kun je niet in rede aannemen dat een culturele instelling kan voortbestaan zonder de mensen die het maken wat het is: het personeel.

Felix Strategier, voorman en oprichter van zowel de Rode Bioscoop als ‘De gebroeders Flint’ – het hoofdgezelschap van de Roode Bioscoop – wilde altijd tijdens zijn leven nog iets doen met Dylan Thomas’ gedicht. Nu worden er afscheidsbijeenkomsten gehouden in de Roode Bioscoop, Felix overleed 17 maart. Dit gedicht speelt een rol, de musici Saskia Meijs, Fuensanta Méndez en Marko Bonarius maken een interpretatie. Teken de petitie!

Moeilijk te vertalen dit gedicht, maar ik deed een poging als kleine bijdrage en als een eerbetoon aan Felix Strategier:

Betreed niet te gedwee die goede nacht,
Ouderdom moet branden, furieus als het bijna is gedaan;
Raas, raas voor de dood het licht ten einde bracht

Hoewel de wijze weet dat aan het eind het donker wacht,
daar zijn woorden nimmer vonken deden slaan:
Betreed niet te gedwee die goede nacht.

De rechtvaardige, die voorbij de laatste golf, huilend tracht
zijn zwakke daden dansend in een groene baai te laten gaan,
Raas, raas voor de dood het licht ten einde bracht.

De avonturier, die zong tijdens zijn zonnejacht
en te laat en zeer bedroefd ziet dat het is vergaan;
Betreed niet te gedwee die goede nacht,

De ernstige, stervend, die met afnemend zicht nog tracht
Als een meteoor te stralen, blik op vreugdevol bestaan
Raas, raas voor de dood het licht ten einde bracht

En jij, mijn vader, liggend daar op droeve hoogte zacht,
ik smeek je, vervloek me, zegen me met je woeste traan.
Betreed niet te gedwee die goede nacht,
Raas, raas voor de dood het licht ten einde bracht

Do not go gentle, Roode Bioscoop!

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Mooie nagels, meneer

Vriend Boris werd vijftig en Ari en ik waren de niet erg verrassende verrassingsgasten. Er kwamen vrienden zingen voor de deur en Boris’ zus schoof aan, maar het soort feestje waarvan Boris houdt kon nu dus effe niet.

Van mijn gewoonte Boris drank voor zijn verjaardag te geven kwam ik ook dit jaar niet los, maar gelukkig hadden Aar en ik ook vette Nikes voor onze hem. Stephanie had kaasfondue geregeld.

Ik ben op een dieet waarbij ik nauwelijks zetmeel mag, maar vrat me – het móést voor Boor, verdomme – zwanger aan in kaas verzopen stokbrood. Ik miste het mijn vriend te zien dansen: dat lange lijf met die lange armen in de lucht, die lok die voor zijn ogen flapt en die hij dan met twee handen terug omhoog blijft flappen.

Boris’ dochter is erg met make-up bezig, en ik dacht haar een plezier te doen door om gelakte nagels te vragen. Na een klein uur onderhandelen kwamen we haar beginprijs overeen en mocht ik mijn tengels op tafel leggen. Jacky bleek er goed in, binnen twee minuten zat de lak erop. Ik voelde me qua tijd voor geld een tikkeltje bekocht, maar strakke nagels had ik wél: om en om roze en paars.

Om half elf stonden Ari en ik weer buiten, want corona en oud. Ik trapte door een avond die als bijna-ochtend voelde naar huis en stortte daar naast B in bed. Een paar uur later werd ik wakker met Ada in mijn armen. Haar hete bonkige kleuterheid, de onrust. Toen ze wakker werd zag ze als eerste mijn nagels.

‘Ik wil ook van die mooie,’ zei ze, en porde B wakker. Voor alle echt grote wensen spreekt ze haar moeder aan. Later die ochtend lakte ik Ada’s nagels, óók om en om roze en paars. Ik fietste haar naar de crèche en ging op weg naar de rest van mijn dag.

Waar ik ook kwam: slager, groenteboer, uitgeverij: terwijl ik praatte keken ze alleen maar naar mijn vingers.

Ik ben gevoelig voor verlegenheid, maar verzet me daar óók altijd tegen. Alleen als ze me vragen waarom ik gelakte nagels heb, dacht ik, leg ik het uit.

Er waren mensen die het vroegen, maar veel meer die er geen woord over zeiden. Die avond gaf ik les aan tien studenten. Iedereen keek naar mijn nagels, maar een vraag daarover kwam er niet.

Wat ik in hun ogen las – dit is weerlegbaar en supersubjectief – was dat als Gilles iemand was die zijn nagels lakte, of als hij dat sinds de vorige les geworden was, dat dat dan oké was. Dat dit gewoon moest kunnen.

Een soortgelijke ervaring was het twaalf jaar terug, toen ik mijn snor liet staan.

Omdat het niet van eten was gekomen haalde ik na de les een snack bij een loket. Het meisje dat mijn geld aannam – jong, verzorgd, Hindoestaanse achtergrond – zei dat ik erg mooie nagels had.

‘U heeft erg mooie nagels, meneer,’ zei ze.

Ik bedankte haar en bloosde omdat ik niet zo vaak meer complimenten krijg.

Nu is de lak van Jacky bijna weggesleten. Het voelt als wennen aan een tatoeage: je bent gewend als je gaat nadenken over een nieuwe.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Een rund in de Koestraat

De Koestraat – eigenlijk is het meer een steeg – ligt geplet tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal. Een vriend van mij, Werther – die ik leerde kennen gedurende mijn studie Theaterwetenschap aan de UvA, maar die dezelfde ambitie als ik koestert om acteur te worden -, huurt daar het souterrain van een statig pand. Op een avond komen we terug van een etentje met vriendinnen in Noord, en Werther biedt me zijn bed aan zodat een zwalkende speurtocht naar huis in nachtelijk Amsterdam me bespaard blijft. Hij neemt de bank, gelegen in een ander vertrek.

   Rond een uur of drie ’s ochtends schrik ik op van het gerammel van een sleutel in het slot. In één klap ben ik wakker en zijn mijn ogen wagenwijd open. Ik hoor het gekraak van een opengaande deur en de klap van het dicht smijten. Voetstappen gaan de trap af, komen dichterbij. Het is aardedonker. Dan flikkert ineens de lichtschakelaar aan en ik vlieg overeind. Met de dekens bedek ik mijn blote bovenlijf.

   Ik staar recht in de verwarde ogen van een man van middelbare leeftijd; hij zou zo gecast kunnen worden als Jezus met zijn imposante baard en schouderlange haar. Een bril maakt hem intellectueler dan hij eigenlijk is, want hij is lam. Hij struikelt over zijn eigen in de weg liggende voeten voor hij halt houdt bij een schemerlamp, die hij gretig vastpakt teneinde zijn evenwicht te bewaren.

  ‘Wie bent u?’ vraag ik wanneer hij zijn smoezelige jas uitdoet en aan de schemerlamp ophangt.

   ‘Goedenavond, jongeheer,’ begroet hij me met dubbele tong. ‘Gij zijt hier te gast, nietwaar? Onze gemeenschappelijke kompaan sluimert ongetwijfeld een paar passen verder, of ben ik abuis? Wat ben ik blij u te mogen verwelkomen in mijn stulp.’

   ‘U moet de huisbaas zijn,’ concludeer ik tijdens het wegwrijven van het slaapzand uit mijn ooghoeken.

   ‘Die deductie is geheel juist, jonge vriend,’ zegt hij en ploft laveloos neer aan het voeteneind van mijn bed. ‘Anton Andriessen, aangenaam, maar noem me vooral Anton. Heer van dit kasteel, wandelaar over de gracht, zuipschuit eerste klasse en bohemien pur sang.’

   Hij ziet dat ik verbaasd kijk naar de nattigheid op de ramen boven ons; druppels druipen langzaam naar omlaag. Net zaten die er nog niet. ‘De natuur riep me mijn schaamteloze plicht te doen, vandaar.’

   ‘U heeft het laat gemaakt,’ zeg ik besmuikt glimlachend.

   ‘Ik wekte u, au contraire? De jongeheer bracht zeker al een bezoek aan het onderbewustzijn. Mijn excuses, ik duik er weldra in.’ Hij plukt nadenkend aan zijn baard met zijn ongeknipte, puntige nagels. ‘Met permissie toon ik u morgen mijn relikwieën, zoals daar zijn: de schaatsen van André Hazes – niemand weet dit, maar de volkszanger was een meester op het ijs -, de injectiespuit van Herman Brood, de boa van Adèle Bloemendaal, de Bhagwan-mala van Ramses Shaffy, en de fallus van Theo van Gogh op sterk water. Allemaal snuisterijen gevonden op het Waterlooplein,’ vertelt hij ongegeneerd speeksel sproeiend. ‘Gij zult uwen ogen uitkijken; maar eerst, mijn jonge vriend, zult ge ze toedekken. Ik zal bij u blijven waken tot ge slaapt, en de slaap verwelkomen met een compositie. Mijn ode aan uw schone, jongensachtige uitstraling.’

   Hij gaat achter een enorme piano in de hoek zitten, en speelt de meest betoverende en rustgevende melodieën die ik ooit hoorde of nog zal horen.  

Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Joseph Roth – Leviathan 2

(eerst deel 1 lezen)

Hij had een heel speciale eigen opvatting over koralen. Naar zijn mening, zoals al gezegd, waren het dieren van de zee die in zekere zin uit een handige bescheidenheid voorwenden bomen en planten te zijn om niet aangevallen of opgegeten te worden door de haaien. De koralen verlangden er zelf naar door duikers te worden geplukt en aan land te worden gebracht, bijgesneden, gepolijst en geregen te worden om uiteindelijk hun ware bestemming te bereiken: namelijk het sieraad te zijn van een mooie boerin. Aan de blanke, ferme halzen van vrouwen, daar alleen, in innige nabijheid van de slagader, die zuster van de vrouwelijke harten, kwamen ze tot leven, verwierven pracht en schoonheid en oefenden hun aangeboren magie uit om mannen te verleiden en hun verlangen naar liefde op te wekken. Jehovah, de oude god, heeft weliswaar alles geschapen, de aarde en haar dieren, de zeeën en al haar schepselen. Maar de Leviathan, die zich op de oude bodem van de wateren ophield, vertrouwde God voor een poosje, tot aan de komst van de Messias, de heerschappij over de dieren en planten van de oceaan toe, speciaal over het koraal.

Na dit alles zou je kunnen denken dat de handelaar Nissen Piczenik als een excentriekeling bekend stond. Dit was beslist niet het geval. Piczenik leefde in het stadje Progrody als een onopvallend, bescheiden man, wiens verhalen over de koralen en de Leviathan zeer serieus werden genomen, als mededelingen van iemand namelijk die zijn vak wel moest kennen. Zoals de lakenhandelaar Manchester-stoffen onderscheidde van Duits katoen en de theehandelaar Russische thee van het beroemde bedrijf Popoff van de Engelse thee die vanuit Londen werd geleverd door het al even beroemde Lipton. Alle inwoners van Progrody en de ommelanden waren ervan overtuigd dat koralen levende dieren waren en dat de oeroude vis Leviathan onder de zeespiegel toeziet op hun gedragingen en dat ze tot wasdom komen. Dit stond buiten kijf, aangezien Nissen Piczenik het zelf had verteld.

De mooie sieraadrijgsters werkten vaak tot diep in de nacht door en soms zelfs tot na middernacht in het huis van Nissen Piczenik. Nadat ze zijn huis verlaten hadden, begon de koopman zelf met zijn stenen, dat wil zeggen: dieren, te rommelen. Eerst controleerde hij de kettingen die zijn meisjes hadden gemaakt, telde vervolgens de stapels koralen die nog niet gesorteerd waren en de koralen die al wel waren gesorteerd naar soort en grootte, en daarna begon hij ze zelf te sorteren en met zijn roodbehaarde, sterke en fijngevoelige vingers bevoelde hij elk koraal, wreef het glad, streelde het. Er waren ook koralen bij die wormstekig waren. Ze hadden gaatjes op plekken waar ze niet hoorden. Daar had de onbezorgde Leviathan dan even niet opgelet. En als een terechtwijzing stak Nissen Piczenik een kaars aan, hield een stuk rode was boven de vlam totdat het heet en vloeibaar werd, en vulde de gaatjes in het steen met een dunne naald, waarvan hij de punt in de was had gedoopt. En dat doende, schudde hij zijn hoofd als begreep hij niet dat een zo machtig god als Jehovah de koralen had kunnen overlaten aan de roekeloze vis die Leviathan was.

Soms, uit pure stenenvreugde, reeg hij zelf koralen tot de dageraad aanbrak en de tijd voor het ochtendgebed gekomen was. Het werk vermoeide noch verzwakte hem. Zijn vrouw sliep dan nog onder de dekens. Hij wierp haar een korte, onverschillige blik toe. Hij haatte haar niet, hield niet van haar: zij was een van de vele rijgsters die voor hem werkten, wel minder mooi en aantrekkelijk dan de meesten. Hij was al tien jaar met haar getrouwd, ze had hem geen kinderen geschonken – en dat was alles wat hij van haar verlangd had. Hij had een vruchtbare vrouw gewild, zo vruchtbaar als de zee, op de bodem waarvan het koraal groeide. Maar zijn vrouw was een droge vijver. Ze kon in haar eentje slapen zo vaak ze maar wilde! Volgens de wet had hij van haar kunnen scheiden. Maar ondertussen deden vrouwen en kinderen hem niet veel meer. Van koraal hield hij. En er woonde een onbestemd heimwee in zijn hart, hij zou het niet hardop hebben durven zeggen: Nissen Piczenik, geboren en getogen midden op het grootste continent verlangde naar de zee.

Ja, hij verlangde naar de zee, op de bodem waarvan de koralen groeiden, of liever ravotten – zoals zijn overtuiging was. Er was niemand heinde en verre met wie hij over dit verlangen had kunnen spreken, het zat diep van binnen, als koraal in zee. Hij had gehoord over schepen, duikers, kapiteins, matrozen. Zijn koralen kwamen uit Odessa, Hamburg of Triëst in zorgvuldig verpakte dozen die nog altijd naar de zee roken. De klerk op het postkantoor deed zijn zakelijke correspondentie. Hij bestudeerde de felgekleurde postzegels op brieven van verre leveranciers zorgvuldig voordat hij de enveloppen weggooide. Hij had Progrody nog nooit van zijn leven verlaten. Het kleine stadje had geen rivier, zelfs geen vijver, alleen moerassen rondom, en je kon het water onder het groene oppervlak horen gorgelen, maar je zag het nooit. Nissen Piczenik stelde zich voor dat er een geheime verbinding moest zijn tussen de verborgen wateren van de moerassen en de machtige wateren van de grote zeeën – en dat er koralen onder in de moerassen aanwezig zouden kunnen zijn. Hij wist dat als hij ooit deze overtuiging zou delen, hij de risee van het stadje zou zijn geworden. Dus zweeg hij en deelde zijn ideeën niet. Soms droomde hij dat de grote zee – hij wist niet welke, hij had nog nooit een kaart gezien, en alle zeeën in de wereld waren voor hem een: de grote zee – op een dag Rusland overspoelen zou – en dat deel waar hij woonde. Dan zou de zee waarop hij nooit had durven hopen tot hem zijn gekomen, de uitgestrekte en onbekende zee met op de bodem de onmetelijke Leviathan en met al zijn zoete, bittere en zoute geheimen.

De weg die van het stadje Progrody naar het kleine treinstation liep, waar de treinen maar drie keer per week arriveerden, voerde langs het moeras. En steeds, zelfs als Nissen Piczenik geen koraaltransport verwachtte, en zelfs op de dagen dat er geen trein kwam, ging hij naar het station, of eigenlijk naar het moeras. Aan de rand van het moeras stond hij een uur of langer en luisterde eerbiedig naar het gekwaak van de kikkers, alsof ze hem over het leven op de bodem van het moeras konden vertellen, en soms geloofde hij dat hij allerlei verhalen hoorde. In de winter, als het moeras bevroren was, durfde hij er zelfs een voet op te zetten, en dat deed hem een ​​vreemd genoegen. In de stank van het moeras rook hij de belofte van de machtig geur van de grote zee, en het lichte, droevige klokken van de onderaardse wateren verwerden in zijn helder gehoor tot het ruisen van de enorme groenblauwe golven. In het kleine stadje Progrody wist echter niemand wat er in de ziel van de koraalhandelaar omging. Alle joden beschouwden hem als een van hen. De een handelde in stoffen en de ander in aardolie; de een verkocht gebedskleding, de andere waskaarsen en zeep, de derde hoofddoeken voor boerinnen en zakmessen. De een leerde de kinderen bidden, de ander rekende, de derde handelde in kwas en mais en gekookte tuinbonen. En het scheen hen allemaal toe dat Nissen Piczenik een van hen was – alleen handelde hij in koraal.

Maar hij was zoals je ziet nogal bijzonder.

(verderlezen)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Izmir (I)

Wij landden op 26 mei in een afgeladen vliegtuig na middernacht op het vliegveld van Izmir.

Izmir ligt aan een U-vormige baai die omgeven is door bergen. De stad, de derde grootste na Istanbul en Ankara, telt nu 4,3 miljoen inwoners. In 1970, toen ik op de middelbare school zat, zag je nauwelijks huizen op de hellingen van deze bergen, behalve langs de uitvalswegen en rond de oude burcht. De 1.427.000 inwoners van toen hadden genoeg aan de smalle kuststrook.

In de loop der jaren zag ik dat, als gevolg van aanhoudende immigratie uit de minder ontwikkelde streken in midden en zuidoost Turkije, de bergen zuchtten onder het gewicht van honderdduizenden huizen, die het merendeel van de drie miljoen nieuwe inwoners moesten huisvesten.

Het verschil in welvaart tussen de kuststrook en de ‘nieuwe’ arme wijken die je tegenkomt naarmate je de berghellingen opgaat, is fors. Armoede en werkloosheid, met name onder de jeugdige bevolking (25%), zijn al jaren groot en nemen alleen maar toe. Wil het land genoeg werkgelegenheid bieden aan de gestaag toenemende (jonge) werkzoekenden, dan moet de economie minimaal met vijf procent per jaar groeien. Afgelopen decennium is dit percentage, enkele jaren uitgezonderd, niet gehaald.

Izmir staat bekend als de meest kosmopolitische, seculiere, vrijgevochten en vrouwvriendelijke stad van Turkije. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het multiculturele karakter van de stad, wat ontstond in de Ottomaanse tijd, toen de handel een exclusieve aangelegenheid van niet-moslims was. In de 19e eeuw genoot Izmir de status van ‘grootste exporthaven’. Als je in de bovengrondse metro zit zie je entrepots uit die tijd. Sommige zijn nog in gebruik, andere die in vervallen staat verkeren, wachten erop gesloopt te worden om plaats te maken voor een residence of een kantoortoren.

De eerstvolgende zondag benutten we om het zakencentrum Alsancak en omgeving te verkennen. Geen uitlaatgassen in de lucht en geen verkeerslawaai; de stilte en de rust, vergeleken met de doordeweekse drukte, deden haast onwerkelijk aan. Op de verlaten wegen hing een troosteloze sfeer.

Onze blik viel op een gebouw in neo-gothische stijl, gelegen naast het Engelse consulaat. Het bleek een Anglicaanse kerk te zijn, gebouwd in 1899 voor de nazaten van de Anglicaanse priesters en handelaren. Al rond het jaar 1630 arriveerden ze in Izmir. In 1625 vestigde zich er ook een aantal Amsterdamse kooplieden onder de naam ‘Directie van de Levantse handel en de Navigatie op de Middellandse Zee’. Ik las op Wikipedia dat de eerste Nederlandse consul in het voormalige Smyrna in 1656 benoemd werd.

Toen we dichterbij kwamen hoorden we gezang. Binnen werd geoefend voor de mis. Een blonde man met een gitaar stond in gebroken Turks een lied te zingen, waarvan de tekst op een scherm te volgen was; hij werd begeleid door een andere man die trombone speelde. Wij gingen zitten.

Een vrouw van middelbare leeftijd met westers uiterlijk stapte op ons af en sprak ons in het Engels aan. Er ontspon zich een levendig gesprek. Ze was gezonden om het Evangelie onder de aandacht van een breder publiek te brengen en mocht de ruimte gebruiken voor de middagmis. Ze vertelde dat zij met haar man (de zanger) en hun twee kinderen tien jaar in Izmir woonde en uit Nederland kwam. Met haar kosmopolitische karakter bleek deze stad wat dat betreft een goede keus. Ze maakte zich zorgen over de toenemende armoede de laatste vijf jaar. Ze voegde eraan toe dat jongeren meer geïnteresseerd raakten in het christendom.

De sfeer was vrolijk en uitbundig en de aanwezigen zongen uit volle borst mee.

Stilletjes verlieten we de kerk na de eerste gezangen. Het was een onverwachte ontmoeting, die ik mezelf zou hebben onthouden als ik die dag niet als een argeloze toerist had rondgelopen.

Toen we buiten stonden schoot me een recent rapport van de Turkse overheid te binnen, dat wees op toenemende belangstelling onder de jongeren voor het Deïsme. Het rapport bracht veel beroering teweeg in de gelederen van Erdogans AKP en gaf op social media aanleiding tot een discussie over de oorzaken. Een verklaring die mij opviel was dat jongeren kennelijk willen blijven geloven dat het universum een schepper heeft maar dat die schepper niet per se Allah hoeft te zijn. Ze willen kennelijk liever zelf bepalen hoe zij met het geloof omgaan.

We liepen naar de kade. In de oudheid lag de kustlijn een kleine kilometer landinwaarts. Slib, dat de talrijke beken en riviertjes naar de zee meevoerden, maakte de oude haven onbruikbaar.

Zo liepen we een eind op de kade, langs groepjes jongeren op het grasveld met muziek aan, flanerende gezinnen op hun zondags gekleed en amateurvissers die tuurden naar hun dobber.

We namen vervolgens de veerboot en keerden huiswaarts.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Het vertalen van racisme

Maxim du Camp en Gustave Flaubert vermaken zich heel goed als ze in 1849 met een boot de Nijl afreizen naar het binnenland. Gustav is 28, ze lopen graag blootsvoets maar dat lukt wegens de intense hitte niet altijd. De brieven die hij naar huis schrijft zijn prachtig, winden er geen doekjes om: de twee zijn ook sekstoerist. Dit bijvoorbeeld over de courtisane Kuchuk-Hanem: ‘Het is een keizerlijk wijf, forse tieten, goed in het vlees, met gekloofde neusgaten, enorme ogen en schitterende knieën en bij het dansen kreeg zij dekselse plooien in het buikvlees.’ ‘Ik heb haar als een razende afgezogen; haar lichaam baadde in het zweet, ze was moe van het dansen en had het koud. Ik heb mijn bontjas over haar heen gelegd en ze is in slaap gevallen, haar vingers verstrengeld met de mijne.’

Vanuit het perspectief van hedendaags postkolonialisme bezien maken de mannen toch een betere indruk dan heel wat tijdgenoten. Ik lees meer liefde en bewondering dan het stijve soort superioriteit dat je ook wel tegenkomt. Flaubert neemt naast een stel fascinerende herinneringen ook mooie spullen mee naar huis overigens…

Op 14 oktober schreef Marcia Luyten in nrc-Handelsblad een column over de maskers die ze van een Congolees kocht in Kigali, kunst van de Songye, de Luba en de Lega. Met dollars betaald, maar je moet je afvragen of het correct gegaan is. Ze liggen, schrijft Luyten, in de kelder in kisten, maar is het haar ‘roofkunst.’ Later komt ze er achter dat het vermoedelijk nep is en dat ze daarmee zicht heeft op een zeer internationale gewoonte in de kunst: replica en bedotterij.

Ik heb eens toen ik 20 was een maand door Kenia gelopen met een Masai pijl en boog in een koelederen foedraal, waarvan me door een Kwavi man verteld werd dat mijn onnozelheid me gered had, omdat een wat volgroeidere kerel die zijn dorp binnenliep met zo’n boog geen drie meter had afgelegd. Wat kunnen we ons toch stompzinnig gedragen.

Maar wat een schrijver die Flaubert! Hoe zou een Egytische Ghawazi deze episode vertalen? Heel anders dan Edu Borger? Een prangende vraag voor mij nu, omdat ik een ijzersterke roman van een Afro-Amerikaan over een rassenkwestie wil laten vertalen. Maar waarom zou je daar een witte vertaler voor nemen? En krijg je met een vertalervankleur een andere vertaling? En waar vind ik ze?

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De verhoogde weg

Voordat de verhoogde weg er was, viel het zonlicht ongehinderd over het hout van de werkbank, de tegels en het meel dat in elke voeg van de bakkerij was vastgezet zoals het in alle poriën van Miko’s vader zat, en nu ook in die van Miko zelf. Het basketbalveldje waar de zwarte jongens spelen is er nog, al ligt het in de schaduw van de weg, en Miko gaat nog steeds naar ze kijken terwijl hij rookt, wachtend op het rijzen van zijn deeg. 

De weg snijdt zijn wijk tweeën: aan deze kant liggen de zes huizenblokken waar Miko opgroeide; voorbij de betonnen dragers die al dat verkeer hooghouden staan de flats waar ook de zwarte jongens van het veldje wonen. Dichtbij genoeg om met een steen te kunnen raken, maar de taal die ze spreken lijkt thuis te horen in een ander land. 

Miko weet nog dat de plannen toegelicht werden op het stadsdeel. Iedereen uit de wijk was welkom en Miko’s vader had gebak geleverd, éclairs voor de aanwezigen. De flats zouden woonruimte betekenen voor de laagste inkomens, met voorrang voor degenen die in de wijk geboren waren. Manuel en Bianca hadden ingetekend, Merle met haar drie zoons en Roger, een hoop mensen met wie Miko was opgegroeid. Toen de flats werden opgeleverd verhuisden ze, en niet veel later verhuisden degenen die het zich konden veroorloven weer terug naar hun verzakte woningen aan deze kant van de weg, de lucht zélf leek te scheiden in een hemel voor de mensen hier, en eentje voor de flatbewoners.

Mensen uit de flats komen ook in Miko’s winkel. Dat begon toen Rashid van de minimarkt bij het parkje zijn zaak sloot en naar zijn oom in Pittsburgh verhuisde. De eerste die binnenstapte was Rose, bijna honderd jaar oud en gierig als een ekster, maar ze bleef komen voor zijn millefeuille, zijn rozijnenbrood en de donuts die hij op vrijdag bakte. Het stak Miko dat het stilviel als Rose binnenkwam, en hij had er lange tijd voor gekozen die stilte als een teken van respect voor haar ouderdom te zien. Aan zijn kant van de weg woonden genoeg zwarte mensen, er woonden arabieren, joden, Italianen, Duitsers, Chinezen en Ieren, maar de bewoners hier leken niet te kunnen wennen aan die uit de flats. Miko’s vader kwam uit Polen, zijn moeder is half Iraans, en zelf is hij meer dan eens voor zandneger uitgemaakt, wat hij – als hij in de spiegel naar zijn kleine neus, zijn brede voorhoofd en zijn stijle haar kijkt – niet goed begrijpt. 

Toen Rose te slecht ter been werd kwam Stephen, haar kleinzoon van zestig, in haar plaats. Hij haalt nu haar millefeuille, rozijnenbrood en donuts. Rose zelf laat zich nog eens in de zoveel tijd zien, maar loopt dan steevast aan de arm van Stephen. Hij geeft geschiedenis op de school van Miko’s dochter en woont zelf niet in de flat, maar samen met zijn vriend in een appartement op de hoek boven Schimmels tabakswinkel. Over Stephen worden wél grappen gemaakt in de winkel, maar alleen als hij de deur uit is; sommige van die grappen gaan Miko te ver, maar klanten zijn klanten en sinds de New Bakery erbij gekomen is, nog geen drie blokken bij hem vandaan, kan hij het zich niet veroorloven mensen de zaak uit te zetten. 

Miko is langsgeweest bij de New Bakery, haalde vanalles bij ze en snelde met de tas onder zijn arm langs de binnentuinen terug naar zijn eigen winkel, waar hij elk baksel met aandacht proefde boven de werkbank in de bakkerij. Slecht was het niet, echt goed ook niet, maar hoe kon New Bakery al deze spullen voor zo weinig geld verkopen en tóch de huur van zo’n groot pand betalen? Met al die medewerkers? In zijn beste tijd had Miko’s vader drie man in dienst, nu heeft Miko alleen Berndt nog, en die wordt niet jonger, maar schijnbaar ook nooit oud genoeg om met pensioen te gaan. De omzet is lang gelijkgebleven, maar sinds New Bakery er is lopen zijn inkomsten terug. De nieuwe mensen in zijn buurt, witte tweeverdieners met kinderwagens op brede banden die hele panden kopen en voortdurend renoveren, komen nooit zo ver als zijn straat, laat staan aan de andere kant van de verhoogde weg. Onlangs zag Miko zo’n kinderwagen op het internet, en die dingen blijken meer te kosten dan hij gekregen heeft voor zijn oude bestelbus.

Terwijl hij de rijsbakken uitwast, te drogen zet op stalen rekken die hij één voor een de steeg in rolt, luistert Miko naar de radio. Een liedje uit zijn jongensjaren: Broken Wings, van Mr. Mister. Neuriënd trapt hij de remmen van de rekken aan, hij zet de deur op de knip en rommelt met de knop van de radio, die altijd stoort als de rekken buitenstaan, alsof het staal ervan een Faradaykooi vormt, zo’n bouwsel dat alle straling buitenhoudt. Miko’s vader wilde eigenlijk ingenieur worden en het huis lag altijd vol met tijdschriften over robotica en computers. Tato automatiseerde vanalles in de bakkerij, wat het zijn zoon nu mogelijk maakt om drie dagen alleen te werken, de andere drie met Berndt erbij. 

‘And learn to fly again, Learn to live so free,’ zingt Miko, en weegt bloem en zout af voor zijn soezenbeslag. Als hij opkijkt door de ruit boven zijn werkbank en het meisje met de capuchon ziet staan beseft hij dat hij haar al een tijdje hoorde kloppen. Hij steekt zijn schep terug in de bloembak en schuift de grendel van de bakkerijdeur terug, houdt de deur op een kier. That you’re half of the flesh, and blood makes me whole.

‘Kan ik je helpen?’

Ze is even oud als zijn dochter, en draagt de kleding die alle tienermeiden dragen, de sneakers en glimmende broek en capuchontrui en koptelefoon zonder draadjes, maar er is iets aan de hand met haar gezicht, iets wat Miko niet meteen kan plaatsen, en ondanks de donsjas die ze over haar trui draagt, rilt ze van de kou. Het meisje zegt iets, maar de woorden blijven binnen de stof van haar capuchon. Over haar schouder scant Miko de stoep aan de overkant tot aan de hoeken van de straat, er is niemand anders te bekennen en zo op het oog heeft ze niet eens de helft van zijn gewicht. 

‘Wat zeg je?’

The book of love will open up and let us in.

‘Mijn oom vraagt of je donuts wilt bakken.’

Miko trekt een reep papier uit de rol boven de werkbank en droogt zijn handen, gooit de prop in de vuilnisbak. ‘Donuts is op vrijdag.’ Hij knikt in de richting van de frituur, die ondersteboven op de plank boven de kneedmachine staat. ‘Op andere dagen bak ik die niet.’

Met haar gympen op zijn drempel en haar blik op de gebarsten vloertegels mompelt het kind iets over bananengist. Miko loopt naar de radio en zet de laatste gitaarnoten van Mr. Mister uit, die hem altijd aan een sirene deden denken.

‘Praat eens wat duidelijker?’ 

‘Mijn oma is dood,’ zegt het meisje. ‘Het is voor haar begrafenis.’

Hij trekt zijn wenkbrauwen op en tuurt naar de kalender die bij de deur naar de donkere winkel hangt. Op die nieuwjaarsreceptie van de tiende en een verjaardagstaart voor drie januari na is het hele ding leeg. Een paar honderd extra omzet zou goed uitkomen. ‘Kom binnen, kind. Wanneer is die begrafenis en hoeveel mensen komen er?’ 

‘Overmorgen. De dag daarna.’

‘Twee januari?’

Ze knikt. Olie, zal hij moeten halen. Extra dozen. Die laten bezorgen gaat niet meer. Sinds het meisje binnenstaat lijkt het rillen erger geworden. 

‘En hoe laat wil je oom ze hebben?’

Ze haalt een schouder op.

‘Hoe laat begint de receptie?’

‘De wat?’

Miko zucht, kijkt naar de klok boven de deur. Over vijf minuten mogen de rekken weer naar binnen; daarna gaat hij brooddeeg zetten voor morgen, chocolade tempereren voor de soezen. De rijskast moet ook nog schoon. 

‘Misschien moet je oom me zelf even bellen,’ zegt hij, en schrijft zijn nummer op een hoekje van de kalender, dat hij aan het meisje geeft. Ze neemt het aan, sluit het in haar hand, die ze terugtrekt in de mouw van haar jas. ‘Weet je hoeveel mensen er komen?’

Het meisje kijkt naar een punt schuin boven hem en beweegt haar lippen. Als vanzelf draait Miko zich om, maar waar ze kijkt hangen alleen zijn bakringen en meelzeven. ‘Ik denk zes.’

‘Zestig?’

‘Zes. Of vijf.’

Voor zes donuts moet hij een uur in de rij staan bij de groothandel? ‘Het spijt me, maar het begint met vijftig stuks, anders verdien ik er niks aan. Wie was je oma?’

‘Oma Rose.’

Miko kijkt naar de verhoogde weg, de verdiepingen van de flats die er bovenuit steken. ‘Van verderop?’

Het meisje knikt en Miko denkt aan de keren dat Rose de afgelopen jaren in zijn winkel was, aan haar trillende bruine vingers die kleingeld uittelden tot op de cent precies, aan hoe haar mond openstond als ze naar je toe leunde omdat ze je niet goed kon horen, aan hoe tevreden ze was geweest met haar nieuwe hoorapparaat, dat afstak bij haar huidskleur omdat het Miko’s huidskleur had, en een vreselijke fluittoon uitzond omdat ze het volume altijd hoog had staan. Hij dacht aan haar laatste keren in de winkel, ondersteund door Stephen, en aan zijn eigen ongeduld als het haar beurt was om te bestellen in een spraak die na een klein infarct veel trager was geworden. Warm zou Miko haar nooit genoemd hebben, vriendelijk ook niet. Rose was vooral beleefd geweest, iemand uit een andere tijd, die vertrouwde op een correctheid die niet meer bestond.

‘Goed,’ zei hij. ‘Laat hem me bellen, ja?’

Met zijn hand tegen de sponning van de bakkerijdeur kijkt hij het meisje na totdat ze op de kruising met de Matteostraat uit het zicht verdwijnt, niet begrijpend waar het enorme verdriet vandaan gekomen is, dat zich als uitzettend deeg in zijn binnenste verspreidt. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Reizen in Turkije voordat Corona toesloeg

In de maanden mei-juni van vorig jaar brachten mijn vrouw en ik vijf weken door in Turkije, deels met familiebezoek (mijn moeder, zus en broer) en deels met reizen. Ik ben het aantal keren vergeten dat we gedurende ons samenzijn van bijna veertig jaar in Turkije zijn geweest. Maar elke keer is het een combinatie geweest van familiebezoek en op reis gaan.

De verloving van mijn zus, begin jaren tachtig in Istanbul, hebben we vooraf laten gaan door een lange reis naar het zuidoosten van het land. De nieuwsgierigheid naar mijn schoolvrienden heeft me gedreven naar het zuidwesten van het land, waar ik de middelbare school heb afgemaakt. Weerzien met mijn moeder hebben we vaak gecombineerd met een vakantie aan zee in haar zomerappartement.

Bij elk bezoek in Turkije voel ik me een zoon die terugkeert naar zijn oude nest en tegelijk een onnozele, argeloze toerist. Het is alsof ik door twee brillen naar het land kijk waar ik geboren ben en negentien jaar gewoond heb tot ik in 1977 mijn heil kwam zoeken in Nederland, waar ik nog steeds woon.

Twee brillen dragen in plaats van een heeft een aantal voordelen: het verruimt je blik, boort nieuwe interesses aan, biedt een tweede invalshoek en draagt aanzienlijk bij aan het reisgenot.

Het geeft tevens spanning omdat een stem in me voortdurend zegt dat ik niet onbeperkt de argeloze toerist kan uithangen. Ik weet wat hoort en niet hoort; zaken die men een toerist niet kwalijk zou nemen kunnen mij zwaarder aangerekend worden. Bovendien, braaf als ik ben, wil ik niet dat men denkt dat ik mijn roots ontrouw ben geworden. Daar komt bij dat men door het Europese uiterlijk van mijn vrouw aan me ziet dat ik een Almancı (letterlijk: Duitslandganger, een verzamelnaam uit de jaren zeventig voor de Turkse gastarbeiders die in Europa werkten) ben. Dat wil ik liever niet omdat dan de kans aanwezig is dat ik, bijvoorbeeld door een taxichauffeur, afgezet word.

De tientallen jaren die ik achter me heb liggen hebben mij rust en vrede met mezelf gebracht. Sinds een aantal jaren ervaar ik minder spanning. Ik vind het minder erg als ik toch afgezet word en ik maal minder om wat men van me vindt. Dat was vorig jaar ook het geval.

Wij begonnen in Izmir, waar mijn moeder woonde (ze is twee maanden na onze vakantie overleden). Daarvandaan namen we de bus naar het 950 kilometer zuidoostelijk gelegen Mersin, waar mijn zus woont. We zijn daar acht dagen gebleven en hebben met haar en haar man Antakya (Antiochië) bezocht, de eerste stad waar het Christendom voet aan de grond in Anatolië kreeg. Konya, de hoofdstad van de Seldjoekdynastie in de 13e eeuw, was onze volgende bestemming waar we twee dagen doorbrachten. Onze reis eindigde in het zomerappartement van mijn moeder.

De keuze voor deze steden werd deels ingegeven door mijn nieuwsgierigheid naar de historische wortels van het land tijdens de Romeinse, Byzantijnse en de Turkse periode. Turkije mag sinds een millennium het vaderland van Turken zijn, haar geschiedenis gaat veel verder terug in de tijd. Dat gaat mij net zoveel ter harte als de recente geschiedenis.

Corona heeft dit jaar een stokje gestoken voor onze vakantieplannen maar heeft mij ook de tijd gegeven om de aantekeningen van deze reis uit te werken. In de nu wekelijks op zaterdag verschijnende blogs breng ik verslag uit van de steden die we hebben bezocht, te beginnen met Izmir.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Uitgave Querido, Amsterdam 1947

Joseph Roth – Leviathan

In het kleine stadje Progrody woonde ooit een koralenhandelaar die wijd en zijd bekend stond om zijn eerlijkheid en om zijn goede, betrouwbare waar. De boerinnen kwamen uit dorpen uit de wijde omtrek naar hem toe als ze bij speciale gelegenheden sieraden nodig hadden. Ze hadden gemakkelijk andere koralenkoopmannen in hun omgeving kunnen vinden, maar ze wisten dat ze daar alleen alledaagse snuisterijen en goedkoop klatergoud konden krijgen. Daarom reden ze in hun kleine ratelende wagentjes regelmatig vele werst extra om bij Progrody te komen, bij de beroemde koralenhandelaar Nissen Piczenik.

               Ze kwamen meestal op de dagen dat er jaarmarkt was. Maandag was er een paardenmarkt en donderdag een varkensmarkt. De mannen keken naar de dieren en onderzochten ze, de vrouwen liepen in groepen van ongelijke grootte het huis van Nissen Piczenik binnen, blootsvoets en met hun laarzen over hun schouders geslagen, met de felgekleurde hoofddoeken, zelfs op grijze dagen. De harde voetzolen trommelden gedempt en vrolijk op de holle planken van het houten trottoir en in de brede, koele hal van het oude huis waar de koopman woonde. Vanuit de gewelfde hal kwam men op een rustige binnenplaats, waar zacht mos groeide tussen de onregelmatige kasseien en losse grasjes ontsproten in het warme seizoen. Hier al vond een vriendelijke ontmoeting plaats tussen de boerinnen en Piczeniks kippen, met vooraan de hanen met hun trotse kammen die zo rood waren als het roodst koraal.

      Je moest drie keer kloppen op de ijzeren deur waaraan een ijzeren klepel hing. Dan opende Piczenik een luikje in de deur, bekeek de mensen die binnen wilden komen, duwde de grendel terug en liet de boerinnen binnen. Hij gaf altijd aalmoezen door het luik aan bedelaars, zwervende zangers, zigeuners en de mannen met hun dansende beren. Hij moest heel voorzichtig zijn, want op alle tafels in zijn ruime keuken en in de woonkamer lagen de kostbare koralen in grote, kleine, middelgrote stapeltjes, verschillende soorten en families van koralen door elkaar of al gesorteerd naar hun aard en kleur. Je had geen tien ogen in je hoofd om naar elke bedelaar te kijken, en Piczenik wist dat armoede onweerstaanbaar tot zonde verleidt. Het is waar dat soms ook rijke boerinnen stalen; want vrouwen bezwijken gemakkelijk voor de wens om stiekem en met risico de sieraden te pikken die ze gemakkelijk zouden kunnen kopen. Maar de winkelier sloot een van zijn waakzame ogen voor de klanten en calculeerde een paar gestolen stukken in ​​bij de prijzen die hij voor zijn goederen rekende.

               Hij had niet minder dan tien rijgsters in dienst, mooie jonge meisjes met goede, scherpe ogen en fijne handen. De meisjes zaten in twee rijen aan een lange tafel en visten met fijne naalden naar het koraal. Zo ontstonden de prachtige regelmatige kettingen, aan de uiteinden waarvan de kleinste koralen, in het midden waarvan de grootste en meest schitterende geschikt waren. Tijdens dit werk zongen de meisjes als in koor. En in de zomer, op hete, blauwe en zonnige dagen, stond de lange tafel op de binnenplaats, waar de rijgende vrouwen zaten, en hun zomers gezang was overal in de stad te horen, en het overstemde de kwinkelerende leeuweriken aan de hemel en de tjilpende krekels in de tuinen.

               Er zijn veel meer soorten koraal dan de meeste mensen die ze alleen kennen uit de etalages of winkels weten. Er zijn gepolijste en ongepolijste; plat aan de randen of kogelrond geslepen; doornachtige- en met staafjes die eruit zien als prikkeldraad; geelachtig oplichtende, bijna wit-rode koralen met de kleur zoals soms het randje van een theeroosblad heeft, geelachtig-roze, roze, steenrood, biet-rood, vermiljoen en tenslotte de koralen die eruit zien als massieve ronde bloeddruppels. Er zijn hele en halfronde; koralen die eruitzien als kleine wijnvaatjes, andere cilindervormig; er zijn rechte, kromme en zelfs gebochelde koralen. Er zijn sterren, stekels, tanden, bloemen. Koralen zijn de mooiste planten van de oceanische onderwereld, rozen voor de grillige godinnen van de zeeën, even rijk van vorm en kleur als de grillen van die godinnen zelf zijn.

Zoals u ziet, had Nissen Piczenik geen winkel om naar binnen te lopen. Hij runde de zaak in zijn huis, dat wil zeggen: hij woonde te midden van het koraal, dag en nacht, zomer en winter, en aangezien de ramen van zijn kamer en keuken uitkwamen op de binnenplaats en afgeschermd werden door dikke ijzeren tralies, hing er in dit huis meestentijds een prachtige, mysterieuze schemer die deed denken aan de diepzee, en het was alsof de koralen er niet verkocht werden, maar alsof ze er groeiden. Ja, dankzij een speciale, bijna overdadige gril van de natuur, was Nissen Piczenik, de koraalkoopman, een roodharige Jood wiens koperkleurige sikje deed denken aan een soort roodachtige wier en vertoonde de man in zijn geheel een opvallende gelijkenis met een zeegod. Het was als schiep, plantte en plukte hij de koralen die hij verhandelde zelf. En het verband tussen zijn waren en zijn uiterlijk was zo sterk dat hij in het stadje Progrody niet bij zijn naam werd genoemd, die na verloop van tijd zelfs vergeten werd, maar alleen onder zijn beroep bekend was. Mensen zeiden bijvoorbeeld: Hier komt de koralenhandelaar – alsof hij de enige was.

               Nissen Piczenik had inderdaad een haast familiaire tederheid ten aanzien van koralen. Onbekend met de biologie, zonder te kunnen lezen en schrijven – want hij was nooit naar school geweest en kon alleen maar onhandig zijn naam krassen – leefde hij in de overtuiging dat koralen geen planten waren maar levende dieren, een soort kleine, rode zeedieren – en geen professor in de oceanografie had hem dat uit het hoofd kunnen praten. Ja, voor Nissen Piczenik leefden de koralen nog nadat ze waren geoogst, opgedeeld, gepolijst, gesorteerd en geregen. En misschien had hij gelijk. Want hij zag met eigen ogen hoe zijn roodachtige koraalkettingen geleidelijk begonnen te vervagen op de boezem van zieke of ziekelijke vrouwen, maar hun glans behielden op de boezem van gezonde vrouwen. Gedurende zijn jarenlange ervaring als koralenhandelaar had hij vaak opgemerkt dat koralen, die er bleek uitzagen – ondanks hun roodheid – en steeds bleker naarmate ze langer in zijn kasten hadden gelegen, plotseling begonnen te stralen wanneer ze om de hals van een mooie jonge en gezonde boerin werden gehangen. Alsof ze zich voedden met het bloed van deze vrouwen. Soms bracht men koraalkettingen naar hem toe om ze terug te kopen, en dan herkende hij ze, de juwelen die hij zelf ooit had geregen en gekoesterd – en hij herkende meteen of ze door gezonde of ziekelijke vrouwen waren gedragen.

 *

(Deze hobbyvertaling van de Joseph Roth novelle Leviathan wordt in feuilleton vervolgd, dit is 1 van 10) Ik kocht een uitgave (die hiernaast) van Querido Verlag, Amsterdam, 1947 en ik ken geen vertaling van het werk, al zal die er zijn. Ik wil me niet meten met de grote Roth vertalers Wilfred Oranje of Els Snick, van wie wij het prachtige Radetzkymars uitgaven, met tekeningen van Jan Vanriet.)

Hier doorlezen voor meer…

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De pupillen van boeddha

‘De eerste voorwaarde om een heilige te worden is dat je van lastige mensen houdt, dat je bezoek kunt verdragen.’

Ik schuifelde in deze gedachte gevangen zeer stil de zaal binnen van het Stedelijk museum waar Nam June Paik’s ‘tv boeddha’ al decennia lang de onmogelijke opgave aan het vervullen is naar zichzelf te kijken en daar stoïcijns onder te blijven. In de zaal was coronatechnisch maar ruimte voor vier, dus dit hielp boeddha’s contemplatie wellicht een beetje. Ik moet deze boeddha in dit museum voor het eerst gezien hebben in 1990, want ze hebben het al heel lang in bezit, wat zeer pleit voor het aankoopbeleid. In deze tentoonstelling ervoer ik een soort verbijstering hoe een betrekkelijk waanzinnig soort kunstenaarschap door de tijd gesanctioneerd is tot verregaand visionair. Alles van Nam June Paik is de laatste jaren veel meer gaan betekenen. En ik zag het niet aankomen, maar Paik kennelijk wel.

‘Alles doorzien hebben, en toch nog in leven blijven – een onmogelijker positie bestaat niet.’

Ik stel me voor dat er in het kortgesloten circuit van de zichzelf waarnemende boeddha onder de zware oogleden een spiegelende verdubbeling optreedt van zijn verschijning reflecterend op zijn eigen pupillen en dat hij zich schrap zet steeds dieper af te dalen in oneindige vragen van persoonlijkheid en tijdsduur, ontologie en wezen. Zoiets. Aan mij is nooit een denker verloren gegaan, maar ik mag er graag naar kijken. Sinds deze Guatama in 1974 begonnen is zijn beeltenis te aanschouwen heeft hij het langzaamaan moeten afleggen tegen de hegemonie van het scherm; de media hebben alles wat stil denken is overgenomen en het gekwetter overstemt het denken ever since. Maar intussen, namens ons allen houdt 1 wengéhouten boeddha manmoedig stand…

‘ Ik zal tot het eind toe leven met het gevoel dat ik niet op mijn eigenlijke pek zit. Als de woorden ‘metafysische ballingschap’ geen enkele betekenis hadden, zouden zij er alleen al door mijn leven een krijgen.’

(Paiks manhaftige boeddha wordt hier geconfronteerd met citaten uit E.M. Ciorans Geboren zijn is ongemak, vertaling Edu Borger.)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Thee drinken

Toen ik de uitgeverij uit kwam stond Roos een paar deuren verder. Op haar na was de gracht verlaten. Even dacht ik dat ze net als ik een afspraak bij Van Oorschot had. Het regende een beetje, dreigde harder los te gaan.

‘Roos,’ zei ik. Ze leek me niet meteen te kunnen plaatsen. ‘Wat doe jij hier?’

‘Hé,’ zei Roos. Ze kantelde haar hoofd, nam geen trek van een sigaret. Misschien herinnerde ik me dat ze gestopt is met roken. Ik ken Roos uit de kroeg, en wat je me na vier bier vertelt wordt in een gammel schuurtje opgeslagen. ‘Ik heb mezelf de middag vrij gegeven.’

Ik wilde zeggen dat ze een lelijke dag gekozen had, maar Roos kwam niet over alsof ze met de regen zat. Ik dacht aan de middagen vrijaf van vroeger, aan lopen door de stad totdat ik dorst of honger kreeg, aan boeken cruisen bij de Book Exchange, muziek inslaan bij Concerto toen een cd nog twintig euro deed.

We liepen samen op over de Herengracht en besloten thee te drinken, kwamen bij een zaakje dat in haar goeiige slijtage aan de late jaren ’90 deed denken. Dankzij de corona was het rustig binnen, en ook dat klopte met die tijd.

We mochten een tafeltje achterin dat naast een open tuindeur stond. Het tochtte er een beetje, maar ik had mijn jas aan en de thee was warm. Roos vertelde over een avond die ze in Perdu verzorgt, over de fysieke gevolgen van armoede. We praatten over racisme en over angst. Zware onderwerpen, maar het werd geen zwaar gesprek.

Toen het tijd werd om te gaan zag ik W, die zich in hetzelfde zaakje een middag vrij gegeven had. Ik praatte kort met haar en daarna stapten Roos en ik naar buiten. We namen corona-afscheid en ik besefte dat ik haar in betere tijden omhelsd zou hebben. Dat leek opeens zo vreselijk intiem.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.