A major girl crush

Het was donker, er zat een slag in mijn achterwiel en het regende ijsnaalden. Voor de derde keer deze week vervloekte ik mijn gewoonte om vlak voor de ergste kou mijn handschoenen kwijt te raken. In mijn regenschaduw fietsten Birre en Caroline, die ondanks het feit dat Caroline oorspronkelijk mijn vriendin is, altijd meer met elkaar praten dan met mij als we samen ergens heen gaan. 

Doel van onze barre tocht was de presentatie van Liekes nieuwe bundel De eerste letter in Perdu. Zoals altijd als ik niet weet waar iets precies is, ging ik er vanuit dat ik Perdu wel zou herkennen als ik er langreed, maar dat was niet zo. Bij aankomst wist ik vrij zeker dat ik er nog nooit was geweest. 

Zowel de bar als de koffie sleurden me meteen terug naar mijn middelbare-schooltijd, maar er was meer wat daaraan deed denken: de holgesleten zwartstenen drempel onder de zware deuren van de ingang, de geur van oud stof tussen de kieren van een hardhouten vloer; verduisterende gordijnen van een zware kwaliteit, die nog nooit gewassen zijn.

De smaak van goedkope gevulde koek (die met bonenspijs in plaats van amandel) vulde mijn mond. Ik proefde glacé, trekdrop en Raider. 

Opeens kreeg ik vreselijke zin om een Bastos op te steken. Of een hash-jointje, nog beter. 

Lieke las voor uit haar bundel.

Liekes vrienden lazen voor uit Liekes bundel.

Het waren mooie gedichten. Ik had niet anders verwacht, vind het zo knap hoe de humor en het duister in haar werk elkaar in evenwicht houden en versterken.  

Al met al was de avond ook heel erg nu. De lichte onhandigheid en wat onzekere presentatie van de schrijfster, waarbij Caroline zich afvroeg of ze altijd zo was en ik na enig denken toch echt ‘ja’ moest zeggen. De ongeschorenheid van de vrienden van de schrijfster. Veel wilde krullen en dikke wenkbrauwen. Meisjes met Girls-achtige jurkjes. 

Wat nu heel nu is, is eigenlijk ook een soort anti-nu.

Daar zat ik, al een tijdje niet meer heel nu, op een avond van mensen die nu heel nu zijn, terwijl de geuren en smaken van mijn verleden nu door mijn hoofd kolkten.

Na het voorlezen kocht Caroline De eerste letter. Op mijn aandringen – omdat ik wist dat ze het stiekem wilde – ging ze in de rij staan om hem te laten signeren.

‘Jawel,’ zei ik. ‘Dat vindt een schrijver leuk.’

‘Weet je zeker dat ze het niet vervelend vindt?’

‘Doe nou.’

Lieke schreef iets liefs op de eerste bladzijde. Caroline werd er een beetje verlegen van. 

Toen we even later Perdu uitliepen om in een café dat ik wél kende een whisky te drinken (wat anders, na de presentatie van een poëziebundel?), bedacht ik dat ik (als ik nu nu was en ook nog een meisje) een major girl crush op Lieke zou hebben. 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Scoop!

Lelijkste omslag ever…. of niet?

De State of the Union, de jaarlijkse troonrede van de Amerikaanse president was een paar dagen voor hij uitgesproken werd al te lezen. Niet dat er een lek was ergens hoor, hoewel het feit dat ergens geen lek is tegenwoordig bijna nieuwswaardig is, maar David Remnick, die eerder een boek over Obama schreef plaatste in The New Yorker een 23 pagina’s tellend artikel over Obama waar alles in staat. Alles? Ja alles. Remnick reisde met de president mee op fund raising reizen, in The Beast, een Cadillac die berekend is op alle soorten extreem geweld. Deuren die een bom tegenhouden, banden die niet lek kunnen,  lak dat tegen elk zuur bestand is. Ook in Air Force One vliegt Remnick regelmatig mee en soms wordt hij naar voren geroepen om even een beetje bij te praten. Dan injecteert Obama Remnick met een aantal ideeën die dan in de New Yorker komen. Remnick heeft zo een scoop en Obama communiceert met het volk. In Pieter van Os’ Wij begrijpen elkaar uitstekend is duidelijk uitgelegd en anekdotisch beargumenteerd  hoe politici en pers elkaar nodig hebben.

Zo’n artikel als van Remnick leest ook beter dan de State of the Union, het heeft niet het patina van onschendbaarheid (‘landgenoten!’), er zit met andere woorden geen zuurvrije lak op deze tekst. De Scoop van de journlaist, zijn voortdurende drive werd hilarische beschreven in Evelyn Waugh’s gelijknamige roman uit 1938, vertaald door krantenman Bas Heijne, en in die uitgave in de race voor lelijkste omslag ever. Of heb ik er een over het hoofd gezien?

De reporter heeft niet alleen mijn sympathie, ik bewonder hem. Ryszard Kapuściński heeft deuren voor mij geopend in zijn Travels with Herodotus,  in Imperium in Shah of Shahs. En het kan mij eerlijk gezegd niet schelen of alles 1 op 1 waar is, of hij alles zelf precies zo heeft meegemaakt of in een hotel lounge zat te wachten op mensen die het wel echt meemaakte, als zogenaamde lounge lizard. Mijn geloof in de waarheid of in de journalistiek was nooit zo geweldig in the first place. Maar hoop doet leven. Nu heb ik een abonnement op De Correspondent, wat me een pracht initiatief lijkt. Op voorwaarde dat er niet teveel genavelstaard wordt. In zijn blog van vandaag schrijft Ernst Jan Pfauth over hoe internet de krant overneemt en hoe jonge succesvolle journalisten van papier verdwijnen en online gaan. Een beetje zelfvervullend zo’n waarneming. Wat ook verbazend is dat lounge lizzard Grunberg medewerker van de Correspomdent is geworden.  Grunberg is medewerker van alles en heeft overal een voorwoord bij geschreven verdunt zichzelf zo nogal.  Daar onderscheid je je dus niet mee als internet reportage medium.

Journalistiek en literatuur zijn meer en meer in een adembenemende omarming aan het raken. Ik hoop dat de correspondent ook op pad gaat. Bij Rutte achter op de fiets. Luis in de vacht van Wilders. Inbreken op de telefoon van Teeven. Go get them.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Aan de zwerf

Dat Polare de deuren van zijn vestigingen ‘tijdelijk’ gesloten houdt, daar ga ik het vandaag niet over hebben. De zwanenzang van de boekhandelsgigant is definitief begonnen, en hoewel er verschillende scenario’s denkbaar zijn, is het maar zeer de vraag of er een bij is dat personeel, winkelend publiek en boekenwereld tevreden kan stellen. De gidsende ster aan het firmament is op een dwaalspoor geraakt.

Dwalen zonder eindbestemming kan een zegen zijn – maar niet voor boekwinkels! – zo laat de film Hiver nomade goed zien. De Zwisterse regisseur Manuel von Stürler volgt een winter lang de schaapherders Pascal en Carole, de laatste herders van de Alpen. Met hun drie ezels en vier honden leiden ze een kudde van achthonderd schapen door het sneeuwwitte berggebied, op zoek naar het laatste gras. Ze reizen zonder doel, te voet, ze kamperen in de wildernis.

In de anderhalf uur die deze documentairefilm duurt wisselen Pascal en Carole alleen de nodigste woorden met elkaar. Carole (28) is bezig het vak van Pascal (53) te leren, de zogenaamde transhumance. Hij leerde die manier van schapenhoeden dertig jaar eerder van Bergamese herders; nu is die eindeloze voettocht zonder richting bijna uitgestorven. Om les moutons van voldoende voedsel te voorzien zijn de honden volgens mij uiteindelijk het belangrijkst, Pascal en Carole communiceren dan ook voornamelijk via hondencommando’s. Au pied is misschien wel de meest gehoorde frase van de film, afgewisseld met Caroles kreet ‘Waarheen, Pascal?!’.

Een passant in de film vat goed samen hoe een herder zich tijdens de winterse transhumance voelt: het geeft je energie en is tegelijkertijd rustgevend. Ook de kijker merkt dat, met name tijdens de overweldigend kabbelende shots van schapen in aangevroren sneeuw, de schaapshonden en, als bonus, de aandoenlijke puppy die ineens vanonder een vest tevoorschijn komt. Op hetzelfde moment dient zich de drang om naar buiten te gaan aan. Na Hiver nomade wil je zelf aan de zwerf gaan, niet per se op transhumance wijze natuurlijk, maar toch op z’n minst als slenteraar door de stad.

Die neiging is onvermijdelijk wanneer je beseft dat Pascal en Carole écht zijn, dat er in Zwitserland werkelijk enkele herders zijn die hun kudde door de winter loodsen, anno 2014. Primitief kamperen bij temperaturen tot ver onder nul en de zorg dragen voor honderden schapen. Die herders zijn kampeerders, wandelaars, veeartsen en vrijbuiters ineen. Vierentwintig uur per dag zijn ze in touw. Wanneer hun werk erop zit, ze het grootste deel van de kudde verkocht hebben voor de slacht, kunnen ze naar huis. Pascal roept elk jaar dat het zijn laatste zal zijn, maar het grote zwarte gat dat de lente is, doet hem elke winter weer op pad gaan.

Mocht het enig nut dienen, dan wil ik hiermee Polare graag een hart onder de riem steken. Zwerven is absoluut geen schande, maar dan moet je wel durven toegeven dat je de weg kwijt bent. Doop die winkels maar om van poolster naar ontdekkingssatelliet. Curiosity en, nog beter, Pathfinder zijn klinkende namen.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

J’aime l’horizon – afwezigheidsassistentie

‘Hallo!’

‘Hallo!’

‘Wij zijn – ’

‘Nee: ik ben… zeg jij nou maar wie jij bent, dan doe ik mijn eigen teksten wel.’

‘O, God, is ’t weer zover? Ruikt ’t straks weer naar karnemelk als je wordt gemolken?’

‘Nou, beter dan die Yogidrink die bij jou uit je uiers komt spuiten, meid, het is mij een –’

‘Zullen we ‘t even zakelijk houden?’

‘…’

‘Hallo! Ik ben Nelleke.’

‘Hallo! En ik ben Belleke.’

‘Ik ben de afwezigheidsassistente van de heer Knol.’

‘Ik ben ook de afwezigheidsassistente van de heer Knol.’

‘Wij zijn de afwezigheidsassistenten van de heer Knol.’

‘En nu zien wij u denken… een koe als afwezigheidsassistent? En dan antwoorden wij: waarom niet? Denkt u nou echt dat het zo moeilijk is om even te melden dat een bepaald persoon, te weten: die en die, of: huppeldepup, er niet is? Waarom zouden er wel blindengeleidehonden bestaan en geen bovine afwezigheidsassistenten?’

‘Of weet u niet wat bovien betekent?’

‘Dan vinden wij u een domme koe!’

‘Een rund!’

‘Haha!’

‘Hahaha!’

‘Boe! Hahaha!’

‘Boeha! Haha!’

‘Maar waar ‘t op neer komt… De heer Knol is een eredoctoraatje ophalen aan één of andere Italiaanse Universiteit… en daarna gaat hij met zijn secretaresse met ‘t hele gezin nog ‘n paar dagen skiën.’

‘Volgende week is hij weer terug.’

‘En dan gaat hij vast weer een irritant kutstukje voor u schrijven.’

‘Maar deze week dus niet.’

‘Bofkonten.’

‘Erop vertrouwende u hiermede meer dan voldoende geïnformeerd te hebben…’

‘Verblijven wij.’

 

SoundtrackJ’aime, j’aime la vie.

Tirade – je bent een rund als je niet zonder kunt.

 Volgende week: ‘Hé, Tyn, wanneer mag ’t gips eraf?’

Pannenkoek

In dat jaar moesten we op school twee spreekbeurten geven. Slechts een van de twee mocht over een dier gaan. Een onderwerp verzinnen dat én boeiend was én geen pootjes had, was moeilijk. Bijna iedereen koos een huisdier, omdat moeders tijdens de speeltijd mochten komen aandraven met een kooitje.
Mijn cavia’s gingen altijd dood nog voor ik er een spreekbeurt over kon geven.

Toen we naar het Dolfinarium in Harderwijk gingen, probeerde ik niet te denken aan hoe we allemaal zouden doodgaan, want we moesten erg lang in de auto zitten.
Die dag kreeg ik de kans een rog te strelen. Zijn vinnen deden denken aan de pannenkoek die die ochtend per ongeluk in het afwaswater was beland.

Ik had weinig affiniteit met roggen. Wat me vooral aansprak was hun klein, lachend mondje, verborgen onder hun afgeplatte lichaam. Ik zag meteen dat ik het onderaanzicht van deze vis in slechts enkele krijtlijnen op het schoolbord zou kunnen tekenen.

Dat was het leukste aan spreekbeurten: tijdens de speeltijd in je eentje achterblijven in het klaslokaal om alle voorbereidingen te treffen.
De lege klas lag er bij als een dorp na het neerstorten van een boeing: pennen zonder dopjes, half afgemaakte zinnen, gedempt geschreeuw.

Omdat ik de op een na kleinste was, en ook de enige in de klas was die thuis geen televisie had, zag ik alles grootser.
Ik tekende een gigantische ruit, die zich uitspreidde over het drie meter lange schoolbord. Ik ging achter in de klas staan om te bepalen waar het klein, lachend mondje moest komen. Ik trok een norse streep met scherpe tandjes die niet de indruk wekten dat roggen eenvoudig te verslagen waren.

Enkele weken na mijn spreekbeurt verzamelde de leerkracht recepten voor een klaskookboek. Ik wilde een recept voor pannenkoeken inleveren, maar ik was niet de enige met dat idee.
Het bundeltje met zelfgetekende prenten werd afgedrukt en op het oudercontact uitgedeeld.

Ik heb het kookboek niet bijgehouden, maar ik weet wel nog welk recept ik uiteindelijk had ingestuurd. Het zat achterin, diende eerder als schutblad.

Lizes fruitsla. Lekker gezond, en heel eenvoudig te maken.

Ingrediënten:
Dertig appels, vijftien ananassen, veertien meloenen, zestien kiwi’s, dertig peren, negentien appelsienen.

Even snijden.
En klaar.

Lize Spit (1988) schrijft scenario’s, proza en poëzie. Ze publiceerde in Tirade, Kluger Hans, Het Liegend Konijn en Das Magazin; eerder dit jaar won ze de schrijfwedstrijd Write Now. In het zomernummer van Tirade, Tirade 449, publiceerde Spit het kortverhaal ‘Jagersaus’. Momenteel werkt ze aan een scenario voor een speelfilm en aan een roman. Deze maand publiceert Lize Spit ieder weekeinde een blogbijdrage op tirade.nu

Voor op je graf, ouwe

fotoNa drie jaar waarin zijn familie naarstig zocht naar de perfecte zwerfkei, besloten zijn vrienden dat er nu echt iets op Gijs’ graf moest komen. Al was het tijdelijk: iets met zijn naam erop, wat niet verdorde als de wijnstokken uit Piemonte of de plantjes van de bloemenkraam voor de ingang van Zorgvlied. We hadden er al vaker over gepraat, maar uiteindelijk was het Olle die me belde. 

‘Gil,’ zei hij. ‘Ik dacht aan koper.’

Ik wist meteen waarover het ging. Gijs had een koperfetish. De keuken van zijn huis op de 3e Oosterparkstraat, die ook zo lang als mijn keuken gevoeld had, was ermee beslagen. Ook de wanden van zijn plee had hij met koperplaat bekleed, waardoor naast de pot piesen prachtig groene roestspetters deed ontstaan. 

Olles plan betekende dat ik naar de smid mocht. In het Westelijk Havengebied zit een bedrijfje met de hallucinogene naam Koblenz & Vuur. Ik zweer het je, zoek maar op. Helaas werken er geen orks en is het allemaal bovengronds; netjes tl-verlicht. De eigenaar – ja, meneer Vuur – komt wel verdomd dicht bij een Hobbit. Ik legde hem uit wat we wilden, waar het voor bedoeld was en dat het haast had. Zijn ogen leken gigantisch achter de duikbootdikke glazen van zijn stalen bril. Ze gingen dicht en weer open.

‘Drie uur istie klaar, man.’ 

Als je zegt dat iets voor het graf van je beste vriend bestemd is, kan er opeens heel veel heel snel. Voor ik het wist reed ik naar de begraafplaats met een grafmonument voor Gijs in mijn achterbak. De letters op het plaatje waren dezelfde als die op zijn overlijdensbericht als die op zijn geboortekaartje. 

Rare dingen. Fuck. Rare dingen.

Naast Gijs’ graf werd die middag iemand begraven. Een grachtengordelberoemdheid, waarvoor een hele sleep ernstigkijkende zestigers was aangerukt. Terwijl acht meter verderop geknikt en doorgeschuifeld werd, zette een ongeschoren Olle de eerste schep in het graf van onze vriend. Nog geen drie jaar geleden hadden we het gezamenlijk dichtgegooid. Goddank hoefden we nu niet zo diep te gaan. Boris en ik lieten ons monumentje in het gat zakken en Mattijs schoof het weer dicht, de laatste aarde aanstampend met zijn hagelwitte Nikes.

Een heupfles whisky kwam voorbij. Ik weigerde omdat ik nog moest rijden en nam daarna twee grote slokken. 

‘Zo,’ zei Mattijs. ‘Voor op je graf, ouwe.’

Dat rare moment was er weer, waarop iedereen wegwilde, maar niemand als eerste wilde voorstellen om te gaan. 

Ik wist al dat het niets zou opleveren om te blijven staan. Er zouden geen tranen komen. Het zou alleen maar donkerder en kouder worden. Maar na al die tijd voelde het nog steeds als verraad om mijn vriend hier achter te laten. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Vastzitten

Vrouwenbarak in de Goelag

De variëteit en hoeveelheid  films en boeken  over gevangenissen kunnen doen vermoeden dat mensen graag naar gevangenen kijken. Waarom is dat? The Shawshank Redemption staat op menig lijst die het internet te bieden heeft van beste films aller tijden. Escape from Alcatraz, Le Trou, Cool hand Luke zijn ook volgens deze uitgebreide  lijst de betere gevangenisfilms, maar het zijn er 300!  Houden mensen misschien vogels om een intenser gevoel van vrijheid te ervaren bij het kijken naar wie en wat in een kooitje gevangen zit? Ik moet eerlijk toegeven dat het lezen van kampboeken een fascinatie is waar ik me enigszins ongemakkelijk bij voel. Omdat de waarheid gebiedt te zeggen dat wanneer ik bij  Varlam Sjalamov lees dat men in Kolyma weet dat het 50 graden vriest als spuug bevriest zodra het je mond verlaten heeft, ik mijn donzen dekbed nog wat plezieriger optrek. Dat is een sensatie waarvoor ik me wel wat schaam. Sjalamov zat 22 jaar in Siberische kampen, als politiek gevangene, vijand van het volk – het slechtste van het slechtste dus. In de mijnen kregen ze heel soms op een heel mooie dag het ‘criminelenwerk’: in hun ogen makkelijke dagen, want moordenaars en dieven werden een stuk beter behandeld dan wie ooit had beweerd dat bijvoorbeeld Ivan Boenin een goed schrijver was. Omdat Boenin geen genade kon vinden  in de ogen van Stalin en de zijnen verdween zo iemand (Sjalamov) in de kampen.

Het absolute hoogtepunt in mijn kamplectuur vormt nog altijd Gustav Herling’s Een wereld apart.  Dezelfde scènes als bij Sjalamov, die je overal in elk kampboek aantreft, maar een ongelooflijke drang tot menselijkheid en daarmee een ultieme innerlijke civilisatie, Herling wist mens te blijven en dat is misschien de essentie van dit soort boeken: hoe behoud je je menselijkheid onder zulke extreme omstandigheden? Kou, honger, dodelijke vermoeidheid, lichamelijk aftakeling, in alle kampboeken wordt duidelijk dat dat de moraal volledig ondermijnt. Toch blijft er iets over, ergens is er in de geest een autonoom gebied dat sommigen in stand kunnen houden. Dat bewustzijn stelde Herling en Sjalamov, maar ook Levie de Lange in staat om later indrukken te beschrijven die niet slechts beestachtig zijn.  Wanneer je een warme ‘beenlap’ van een lijk peutert en daarmee zelf net iets warmere voeten kunt krijgen, beschrijf je een intens droevige scène, maar eveneens toont de levenslust de eenvoudige behoefte aan warmte als iets algemeen menselijks dat diepe indruk maakt op de lezer. Kampliteratuur bespeelt de grondtonen van ons gevoel. Sjalamov beschrijft in het weergaloze verhaal ‘Cherry Brandy’ (vertaling Marja Wiebes en Yolanda Bloemen) de laatste uren van de dichter Mandelstam. Het is een van de fraaiste verhalen die ik ooit gelezen heb, vol van leven, tot aan de dood toe.

 

*Zie ook Gulag history, een website met veel veel informatie en foto’s

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De eerste letter

Lieve Lieke,

Die grap over iets in tweevoud inleveren (morgen om negen uur op mijn bureau), die heb ik al vaak gemaakt maar toch heeft er nog nooit iemand gehoor aan gegeven. Althans, niet in tweevoud. Ik had je beloofd dat wel te doen, ik weet het. Je hebt met veel spanning gewacht en nu krijg je slechts een povere variatie op ‘Variaties op Variations on a Theme by William Carlos Williams door Kenneth Koch’: dat spijt me.

Het minste wat ik kon doen was je nieuwe bundel twee keer lezen. Ik ben geen recensent, dus dat De eerste letter pas aanstaande vrijdag verschijnt staat mij niet in de weg om in deze brief te vertellen over het plezier dat ik van mijn recensie-exemplaar heb gehad. Al lezende hoorde ik je weer piano spelen in de kamer boven mij zoals toen je bezig was met de schrijfarbeid. Vaak had ik helemaal niet in de gaten dat je binnen was totdat er ineens muziek klonk. Met je bundel heb ik iets soortgelijks, want de ik en jij in jouw poëzie, dat zijn wij allemaal, tot de momenten waarop jij ervoor kiest jezelf heel beheerst even te laten zien. Dan herken ik wel je gebroken harten en sommige van je angsten, maar die voeren niet de boventoon.

Ik wil graag iets citeren om dat te illustreren, om de meelezers een dienst te doen, ook al is het moeilijk kiezen. Een van de meest kernachtige opmerkingen vind ik het begin van ‘Ik neem niemand iets kwalijk’: “Jezelf aan iemand geven heeft tot gevolg / dat jij diegene wil zijn: degene / die jou krijgt. Eenzaamheid is geen gevoel, // maar een serie handelingen”. Voor mij is dit als een universele geruststelling, en ik vermoed dat ik daarin niet de enige ben.

Net schreef ik dat ik ook veel plezier van je bundel heb gehad, af en toe was dat zelfs vrij letterlijk aan de hand. Zo las ik over een gezicht dat in een patatzak wordt geduwd, zó in de uitgesmeerde mayonaise. Of het was de mayonaise die in het gezicht wordt geduwd – hoe dan ook, ik kan me dat alleen maar voorstellen met een vette grijns op m’n gezicht. Maar het plezier werd nog groter toen ik De eerste letter vers van de pers kon laten zien aan onze mede-tiradisten Gilles en Martijn. Het is uiteraard aan hen om hun eerste reacties in jouw bijzijn te herhalen. Ik waarschuw alvast: een ‘intrat koperblazers’ zou dan niet misstaan.

Ik ben blij dat ik hier als een van de eersten de kans krijg om je te feliciteren met je nieuwe bundel. Van harte en een behouden vaart. Vanaf vrijdag is het aan de rest om je nog wat veren in de bil te prikken, en dan hebben we het nog niet eens gehad over de officiële presentatie van volgende week. Ik zie je daar!

Veel liefs,
Marko

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Spel, spelen – #WU14

1) Mens Dier Ding

‘Hé, Martijn Knol! Haha, jij bent die gozer van die grappige stukken op de Tirade blog, haha! Die zijn zo goed, man! Jij bent zo… VRIJ!,’ aldus Alfred Schaffer als ik me aan hem voorstel. ‘Het is écht grappig wat je maakt en het is écht literatuur.’*

‘Nou, ik zat me in de trein al een beetje af te vragen waar ik het maandag over zou gaan hebben, maar dit is eigenlijk wel een heel goeie opening die jij hier uit je mouw schudt… ik denk dat ik mijn maandagblog maar ga beginnen met al die mooie, ware, wijze en scherpzinnige woorden die jij zojuist tot mij sprak.’

‘Haha, tuurlijk man, moet je doen! Ik lees het wel, maandag.’*

Spontane erkenning door een collega van het kaliber Alfred Schaffer: alsof je de jackpot wint terwijl je langs een fruitautomaat kuiert. Lekker! Bovendien bewijst bovenstaand – werkelijk naar waarheid opgetekend – dialoogje maar weer eens hoe weinig genreonderscheid ertoe doet. Fuck de hokjes en de definities. Had Multatuli in onze tijd geleefd, dan was hij de beste op één na beste blogger van Europa.

 

2) Vrijdag – Martijn, Sanneke, Walter, Lieke

Sanneke – Sanneke van Hassel – en ik zijn in Den Haag om in de bunkerachtige foyer van het Theater aan het Spui tirades af te steken uit Tirade 450. Omdat Walter van den Berg en Lieke Marsman zich ziek hebben gemeld, moeten Sanneke en ik alle vier de geprogrammeerde tirades voor onze rekening nemen. Een Shakespeareaans spel met identiteiten lijkt aan te breken: naamsveranderingen, sekseveranderingen… complete transformaties!

Het klinkt ingrijpender dan het is: dat spel met schijn en werkelijkheid is precies het soort tovenarij dat je achter je schrijftafel bedrijft. En wat de uitvoerende kant betreft: Sanneke heeft tien jaar bij het beste toneelgezelschap van Nederland gewerkt… tien jaar, dat betekent dat we, even snel uit het hoofd, vijf jaar podiumkunstervaring per persoon hebben! Moet lukken!

In het geval van onze eigen tirades – De wilde brede rivierstroom en Omdat ik het zeg – is het gewoon een kwestie van voorlezen*.. Daarna gaat het er om spannen… Sanneke mag/moet als eerste andermans tirade voorlezen… zij heeft de tekst van haar fondsgenoot Walter gekozen… een tirade getiteld tirade… Tijdens de eerste regels van zijn tirade begint Sanneke – tot verbijstering van het publiek – enorm te groeien… nog voor ze de openingsalinea heeft gelezen is ze vijftig centimeter groter… vijftig kilo zwaarder… Nog een alinea later staat er een grote, brede, volwassen vent op het podium… Hij draagt een donkerblauwe trui met een band van gekleurde haaienvinnetjes erop… Geen twijfel mogelijk: daar staat de auteur van Van dode mannen win je niet… onmiskenbaar, ten voeten uit… Hij grijnst tevreden als het slotapplaus klinkt en buigt nog even naar de microfoon om te vertellen dat zijn boek in de stand van Boekhandel Paagman ligt.

Mijn eigen transformatie – die tot Lieke Marsman, ik lees haar tirade Liefde in tijden van eenzaamheid – zet ik in gang door het elastiekje uit mijn staart te trekken en m’n haardos los te schudden… Na een paar woorden gaat mijn stem vanzelf de hoogte in… ik voel hoe mijn trekken verzachten… mijn handgebaren worden eleganter… Na de laatste punt trek ik mijn rokje recht en veeg met de rug van mijn hand een druppeltje speeksel van mijn onderlip – op mijn hand blijft een veeg lipstick achter. ‘Volgende week verschijnt mijn nieuwe bundel,’ zeg ik tot besluit van mijn lezing.

Schrijven, lezen, voorlezen, luisteren: witte magie.

3) Teacher (I)

There are three points of view from which a writer can be considered: he may be considered as a storyteller, as a teacher, and as an enchanter. A major writer combines these three – storyteller, teacher, enchanter – but it is the enchanter in him that predominates and makes him a major writer.

Vladimir Nabokov, Good Readers and Good Writers

4) Zaterdag – Rosan, Gilles, Simone, Marko

Ik ben in Den Haag om auteursexemplaren uit te delen aan de contribuanten van Tirade 452 en, vooral, om te kijken & luisteren naar de tirades van Marko van der Wal, Simone van Saarloos, Gilles van der Loo en Rosan Hollak. Iedereen doet het goed en een verbetering ten opzichte van de vrijdagavond is dat het voorlezen van de tirades nu meer een programmaonderdeel is dan een guerrilla-actie of een op rondlopende bezoekers gerichte entr’acte. Er wordt beter geluisterd, er is meer publiek. Aan één van de stamtafels ontdek ik Nelleke Noordervliet – als ik naar haar knipoog, kijkt ze verontwaardigd de andere kant op.

 5) Teacher (II)

Van Oorschot uitgever en oud-Tirade redacteur Menno heeft leren lezen en schrijven van een mevrouw met de naam Knol. Juffrouw Knol. Menno vroeg zich af of juffrouw Knol familie was. Dat is niet het geval. Maar dankzij Nabokov weet ik dat iedere schrijver een beetje een teacher moet zijn. Zo zacht, lief en charmant als ik vermoed dat Juffrouw Knol was, zal ik nooit worden, maar die kwaliteiten zijn vast niet intrinsiek verbonden met het begrip teacher. Juffrouw Knol en ik mogen dan geen familie zijn, verwant zijn we wel.

6) Lang haar – sterke verhalen

We staan aan de bar. Marko, Gilles en ik. Het is nog steeds zaterdag, nog net. Gilles haalt af en toe een zakflesje drank uit zijn herderstas waarmee hij de cola van Marko en die van hemzelf bijschenkt*. Ik onderhoud mijn conditie met een verse sinaasappelsap. Om de één of andere reden ben ik vanavond een paar keer aangesproken door Mooie Vrouwen. Het irriteert Gilles niet, maar intrigeren doet het hem wél. Hij is ervan overtuigd dat 1) alle mooie vrouwen zich tot mij aangetrokken voelen en dat 2) alle vrouwen zich tot mij voelen aangetrokken vanwege mijn lange haar. Wat hij godverdomme wel eens een keer heel precies zou willen weten: welke haarproducten gebruik ik nou eigenlijk?

Tja, nou… wat betreft dat lange haar… Ik denk dat het omgekeerd is: mannen die niet bang zijn hun vrouwelijke kanten te ontplooien en te tonen – en voor wie praten en lachen met vrouwen doel is en geen middel – laten, in onze cultuur, hun haar eerder lang groeien. Zelf moest ik – heteroseksuele, serieel monogame man* – tot mijn eigen verbazing een klein voorraadje moed aanspreken toen mijn haar voor het eerst op lengte begon te raken. Welke onbedoelde signalen zou ik nu kunnen uitzenden? Geborneerd maar waar.

Lang haar maakt een man feminien – het verandert je van een macho in een ‘vrouwelijke macho’. Die term is overigens van Joyce Roodnat. Afgelopen zomer, bij de zeventigste verjaardag van Mick Jagger, schreef ze in NRC Handelsblad:

‘Wat dat is, een vrouwelijke macho, zie je het best als Mick danst. Dat doet hij als een meisje, heupwiegend, wiebelend, zijn hals gebogen en zijn hand in zijn zij. (…) Katachtig als een griet, agressief als een kerel. Hij vervult voor vrouwen het ideaalbeeld: hij is een man en hij is als ikzelf.’

Maar wat betreft de haarverzorging, Gilles: de dos regelmatig blootstellen aan zee- of bergwind.

En één keer in de week je hoofd een paar uur in een teil met geitenzeik steken.

7) Van Heemstra

Zaterdag. Artiestenfoyer. Marjolijn van Heemstra – bekend van haar romancyclus De Tandeloze Tijd – vertelt me bij de kapstokken dat ze erg genoten heeft van mijn poëziedebuut Melktanden. Normaal gesproken reageer ik bij zo’n misverstand met een kwinkslag, maar nu spring ik om de één of andere reden uit mijn velletje… ik word zo Verschrikkelijk Kwaad dat Van Heemstra zich, zodra het misverstand is opgehelderd, subiet naar de stand van Boekhandel Paagman spoedt om mijn roman Alles kan kapot te kopen. Ik weet dat zo precies, omdat ik haar schuimbekkend volg… enigszins gekalmeerd door Van Heemstra’s geste, koop ik, op mijn beurt, haar roman De laatste Aedema*. All is well that ends well.

Maar, dus, want: er is blijkbaar toch een verschil tussen droom en werkelijkheid… Op papier is ’t heerlijk om te fabuleren – om te acteren – en om zo, spelend, soms op een hogere waarheid, soms op een alternatieve werkelijkheid en soms op klinkklare fantasie te stuiten. In ‘de werkelijkheid’ daarentegen is het doorgaans wel prettig om gezien of herkend te worden als de persoon die je bent. Schrijversparadox: in je strijd om erkenning als persoon eindeloos spelen met plot en personages, onvermoeibaar fantaseren over locaties en drijfveren.

8 Teacher (III) – de wijze les… van kwart voor zes

Alfred Schaffer: ‘Je bent zo… VRIJ!’

TiradeUnlimited.

Volgende week: ff een eredoctoraat ophalen.

Noten

* Zelden iemand zoveel ware beweringen in zo weinig woorden zien horen persen.

*Later op de avond kocht ik Alfreds nieuwe bundel en liet ’m signeren (de bundel). Ik las Alfreds opdracht, grijnsde en zei: ‘Ik maak er thuis een foto van, voor bij de blog.’ Alfred lachte, sloeg me op mijn schouder en zei: ‘Gaaf! Doen!’

* Eigenlijk had ik de tirade van Sanneke moeten voorlezen en zij die van mij – zulke dingen bedenk je soms pas na afloop.

* Weet Birre dat eigenlijk, Gilles? Van dat flesje drank? Of heb ik nu iets verklapt?

* Een harde klap voor alle homo- en biseksuele mannen die dit blog volgen: sorry, jongens, het is geen bekrompenheid, het is de natuur.

* Vorig jaar deed ik een dergelijke boekruil met Christine Otten. Althans… dat was de bedoeling… Ik gaf Otten een exemplaar van mijn roman Alles kan kapot, zij zou mij een exemplaar van haar roman Om adem te kunnen halen doen toekomen. Waarschijnlijk is Christine erg druk met het verbeteren van de wereld, want dat boek heeft me nooit bereikt.

Productinformatie

Alfred Schaffers nieuwe bundel is getiteld Mens Dier Ding en is verschenen bij de Weekblad Pers Groep.

kroon

Zes jaar geleden verdween mijn vaste tandarts. Zijn lege auto werd teruggevonden, aan de rand van een Duits woud.

Twee weken voor zijn verdwijning lag ik in zijn tandartsstoel. Wat ik nog weet van het bezoek is dat ik mijn mond opensperde en niet kon praten, dat hij een kapje voor zijn mond had en ook niet kon praten. Zijn ogen stonden somberder dan anders.

     Meer gedetailleerd herinner ik me die laatste consultatie niet meer, ik herinner me enkel mijn herinneringen. De sombere ogen heb ik misschien verzonnen, omdat ik aannam dat iemand die zeker weet dat hij zal verdwijnen, alvast begint met afscheid nemen.

Ik verhuisde naar Brussel. Ik wilde niet zomaar een vreemde tandarts in een telefoonboek opzoeken, vervolgens met open mond op zijn stoel plaatsnemen. Het Duitse woud spookte een lange tijd door mijn hoofd. Ik vroeg me af of mensen die met een touw een woud intrekken, hun auto op slot doen voordat ze deze achterlaten.

Het duurde twee jaar voor ik een andere, Marokkaanse tandarts bezocht. Iemand had me haar aangeraden. Zij droeg geen mondkapje. Ze zei: ‘dit ziet er niet goed uit, mademoiselle.’ Achttien gaatjes. Eerst dacht ik dat ze een grapje maakte.

     Deze tandarts kreeg ondanks verschillende injecties nooit het juiste plekje verdoofd. Mijn oorlellen tintelden, mijn aangezicht werd zo gevoelloos als een steen, maar eenmaal ze begon met boren sloeg elke zenuw alarm. Er hing een pluchen giraffe boven haar tandartsstoel. Als je te lang naar knuffeldieren kijkt, wordt zichtbaar hoe dun de lijn is tussen glimlach en grijns.

Dat mijn gebit er zo slecht aan toe was, probeerde ik niet in de schoenen van mijn eerste tandarts te schuiven.

Hoe relatief is een gaatje in iemands kies als je hele leven wegzinkt in een groot zwart gat? Misschien was hij bij onze laatste consultatie zodanig in de war, dat hij zweeg over de hoeveelheid gaatjes die hij zag.

     Hoe groot was de kans dat hij, turend in mijn donkere verhemelte, zijn plan nog eens overliep.

Een koord kopen, in de wagen stappen, blijven rijden tot de tank leeg is.

Hoe ver moet men rijden voordat men het gevoel heeft dat er geen weg terug is?

Op zoek naar een nieuwe tandarts googelde ik ‘goede Nederlandstalige tandarts Brussel’. Ik maakte een afspraak bij de eerste die ik tegenkwam. D.V., de naam klonk bekend. Ik ken al jaren een D. Ik ken al jaren een V.

     Zijn wachtkamer was smakelijk ingericht, met gevoel voor drama. Bombastische boekenrekken. Ik voelde me klein en nederig. Met verhaaltjes kan men geen tanden vullen.

Een tijdje geleden vertelde D. V. dat ik mocht beginnen sparen voor een kroon. Het klonk grappig. Sowieso zijn er tandartsen die mopjes maken als ‘de kroon op hun werk’.

     Op dinsdag begon hij te boren. Hij droeg geen mondlapje. Mijn linkerkies ging letterlijk in stof op. Het stonk, naar muffe zolderkamer. Ik schaamde me. Ik nam me voor dat tanden van jonge vrouwen minder hard stinken dan tanden van oude mannetjes.

Zes minuten lang bleef hij boren. Stukjes kalk en tandvlees spetterden vanuit mijn open mond in mijn aangezicht, alsof ik snel tegen de regen in fietste. Ik duwde mijn ogen tot spleetjes.

     Toen het boren ophield, taste ik met mijn tong naar de krater in mijn tandvlees. Ik schrok, de kies waarmee ik al twintig jaar mijn eten vermaalde, was helemaal verdwenen. Er was geen weg terug. Daar had D. V. me op voorhand niet voor gewaarschuwd.

Later, terwijl ik naar huis fietste met een mond vol bloed, regende het. Ik voelde geen pijn, de helft van mijn gezicht was hard als steen. Ik bedacht me dat het goed was dat de tand werd verwijderd zonder aankondiging, of ik had me er teveel op voorbereid. 

Lize Spit (1988) schrijft scenario’s, proza en poëzie. Ze publiceerde in Tirade, Kluger Hans, Het Liegend Konijn en Das Magazin; eerder dit jaar won ze de schrijfwedstrijd Write Now. In het zomernummer van Tirade, Tirade 449, publiceerde Spit het kortverhaal Jagersaus. Momenteel werkt ze aan een scenario voor een speelfilm en aan een roman. Deze maand publiceert Lize Spit ieder weekeinde een blogbijdrage op Tirade.nu

Nu te koop: Tirade 452

Tirade 452 is verschenen.

Het nummer – de Writers Unlimited Special 2014 – bevat bijdragen van: Judith Uyterlinde (gastredacteur en programmacoördinator Writers Unlimited), Milo Manara, Herman Koch, Anne Vegter, Rudolf Kahl, Martijn Knol, Andries Samuel, Geling Yan, Anne Provoost, Fouad Laroui, Wende, Jan van Hooff, Theo van den Boogaard, Mathijs Deen, Noreena Hertz, Elsbeth Etty, Michel Krielaars, Antjie Krog, Tijs Goldschmidt, Lynne Leegte, Linda Christanty, Elisabeth van Nimwegen, Amin Maalouf, Ad van Liempt, Andrés Neuman, Roos Pollmann, Rodaan Al Galidi, Nihaad Siries, Marjolijn van Heemstra, Abdelkader Benali, Saskia De Coster, Oksana Chelsysheva, Miral al Tahawi, Alfred Schaffer, Ian Buruma, Typhoon & Blaxtar, Aminatta Forna, Huub van der Lubbe.

Verdere aanprijzing lijkt ons overbodig.

Tirade 452 is te koop in de serieuze boekwinkel, op festival Writers Unlimited en via deze site.

Een abonnement op Tirade regel je hier.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot.

TiradeUnlimited.

Een nieuwe straat

De Boekoestraat ligt in het zuiden van de stad. Een lange geasfalteerde straat met kleine huizen eraan, waarvan het mooiste, dat met die ruime veranda, te huur is.

Sinds mijn eerste (echte) veranda aan de Louiselaan, waar ik in 2010 een groot deel van Hier sneeuwt het nooit schreef, heb ik terugverlangd naar Paramaribo.

Nu lijkt het erop dat we écht – voor langere tijd – gaan. 

Een probleem dat zich meteen aandient is huisvesting. Het blijkt vreselijk belangrijk dat we het fijnste huis met de mooiste veranda vinden. Het moet een huis op palen zijn (vanwege de bries) en met dievenijzers (vanwege inbrekers) maar niet teveel dievenijzers (vanwege het ingesloten gevoel). Een huis aan de rand van de stad (voor natuur en uitzicht), maar niet zo ver buiten de bewoonde wereld dat we er helemaal alleen zitten. De buurt moet veilig zijn, maar niet zo’n particulier bewaakte expatcommune. 

Een woning bleek onmogelijk te kiezen vanachter het 11-inch scherm van mijn notebookje. Te meer omdat de meeste verhuurders in Suriname hun onroerend goed presenteren met behulp van één scheve, bij nacht en met flitslicht genomen foto van de badkamer. In vrijwel alle op internet te vinden huizen zijn de shutters dicht, ook al staat er ‘prachtig uitzicht’ in de beschrijving. Van het huis op de Boekoestraat waren heel mooie foto’s, ook van het uitzicht. Had ik al verteld dat ‘boekoe’ boek betekent? Hoe groter de keuzestress, hoe bijgeloviger ik word.

Uiteindelijk mailde ik vrienden die bij de Combémarkt in het centrum wonen. Gaby en Roy gingen de volgende dag kijken. Gaby vond het huis er gezellig uitzien. Roy vond de buurt niet veilig. Volgens Gaby viel dat wel mee, al zou ze er niet snel ‘s avonds laat gaan fietsen. Had het huis nu net genoeg, of net te weinig dievenijzers?

We waren weer terug bij af. 

‘Vroeger,’ zei ik tegen Birre. ‘Gingen we gewoon.’

‘Nu hebben we die kleine,’ zei ze. 

En dat was waar. Maar er was nog iets: één van ons was veertig geworden sinds de laatste keer dat we in Suriname waren. Voor een van ons was een half jaar Suriname zijn laatste te verwezenlijken droom. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Wanderlust. De ontdekking van het reizen

Wat is dit voor een foto? De zeventiende-eeuwse Grand Tour, die rijke jongelingen ter vervolmaking van hun studie mochten maken om de landschappen en kunstschatten van Zuid-Europa te zien, leverde een impuls op voor de schilderkunst, daar en hier. Van veel recenter datum is bijgaand type souvenirfoto, de zogenaamde photochrom afbeeldingen, een procedé dat in Zwitserland ontwikkeld werd en dat een combinatie is tussen fotografie en lithografie. Al deze foto’s stammen uit de periode 1890-1910. De periode ook dat rijke Amerikanen als de schrijfster Edith Wharton door Europa reisden. De photochrom vormt een stap in de massaproductie van de ingekleurde fotografie, dus machinaal en niet handmatig. Op deze wijze  staat de foto zelf symbool voor de tijd waarin de industriële revolutie al afgerond is, en het plezierreizen een grote vlucht nam.

LasteinWaarom speelt deze foto sterk in op mijn reisverlangen? In de eerste plaats is daar de weg en de verdwijnpunten in de foto, die van de weg die rechts langs het hotel gaat, en verderop, veel verder tussen de bergen waar het vergezicht nevelachtig wordt. Maar belangrijker kwaliteit van de photochrom foto’s is natuurlijk de kleur. Het ingewikkeld procedé van steendruk op foto levert een droomachtige feel good kleur die realistischer is dan een gemiddelde kleurenfoto, het is het soort licht, de soort kleuren die je wel kent van een wondermooie dag, maar nooit op enige andere soort foto gerepresenteerd zag. Ik heb voldoende zulke landschappen gezien, maar heel weinig van dit soort foto’s gezien, anders dan deze photochroms. Met andere woorden: deze kitsch souvenirfoto is dus zowel tranentrekkend nostalgisch, als gewoon extreem realistisch tegelijkertijd. Of heb ik een oogafwijking? Monet had ook een oogafwijking.

Gamle-Lastein-hotell_lightbox_image
Vanaf het water

De foto’s werden niet alleen gefabriceerd in Zurich, Zwitserland, maar ook in Detroit. Deze foto komt uit Detroit, en bevindt zich nu in de grote verzameling van de 6.500 Photochroms-tellende  Print Collection van het  Library of Congress in Washington.

De fantastische kwaliteit van het digitale bestand in de Library of Congress helpt me aan de informatie dat het hier om het Lastein Hotel gaat in het Noorse Telemark, Dalen, en met die informatie levert het internet hetzelfde hotel, maar nu vanaf het water gezien. En na even verder zoeken dan toch wat de wandelaar te zien krijgt als hij doorloopt, want deze foto is vanaf de ander kant. Maar in zwart wit. Zo reis ik per foto.

00930
Van de andere kant

Het blauw van het water blauw, dat veel weg heeft van het blauw dat door Japanse kunstenaars gebruikt werd in prenten, geeft beter het blauw van sommig water in Skandinavië weer dan ik een hedendaagse kleurenfoto ooit zag doen.  Je kunt elke foto zover uitvergroten dat er een paar blokjes overblijven, bij de photochrom gebeurt dit veel sneller: het geeft een beeld als een schilderspalet. Zo duik je in digitale realiteit van de kleur van het water. Photochrom.

Blaauw
uitvergroot water

Hier nog meer of andere photochroms: Zurich Central Library

 

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Verlangen naar verbinding

Voorplat tirade 452Aanstaande donderdag, 16 januari, verschijnt de Tirade Writers Unlimited Special – Tirade 452. Bij wijze van voorproef publiceren we vandaag het redactioneel van gastredacteur en WU programmamaker Judith Uyterlinde. Onder haar tekst vind je de inhoudsopgave van Tirade 452.

Ter inleiding van Tirade 452 – Writers Unlimited Special 2014

Door Judith Uyterlinde

‘Verlangen naar verbinding is de drijfveer,’ zegt dichteres des vaderlands Anne Vegter over de vraag waarom zij gedichten schrijft. Ik ben geen dichter, maar als programmamaker voor het Writers Unlimited Winternachtenfestival – en als gastredacteur voor de bijzondere festivalspecial van Tirade, Tirade 452 – heb ik diezelfde drijfveer.

Schrijvers uit alle delen van de wereld gaan tijdens het jaarlijkse Writers Unlimited festival met elkaar in gesprek en dragen voor uit hun werk; na afloop van de programma’s signeren, praten en drinken ze door in de foyer van het Haagse Theater aan het Spui.

Ook in de foyer kun je getuige zijn van bijzondere momenten. Tijdens het vorige festival zag ik er de Israëlische schrijver Amos Oz in een geanimeerd gesprek met schrijvers uit Irak en Syrië. Er werd gelachen en gezongen. Dat soort momenten, daar doe ik het voor.

Ik hoop dat festivalbezoekers en de lezers van Tirade net zo geïnspireerd raken als ik door de ontmoeting met schrijvers uit al die verschillende landen, die vanuit zoveel verschillende achtergronden, vakgebieden en interesses werken en naar de wereld kijken.

Het verbindende festivalthema is dit jaar ‘Like me: een knipoog naar sociale media waar mensen gelijkgestemden opzoeken en ongegeneerd om aandacht en erkenning vragen.

De Frans-Libanese schrijver Amin Maalouf, die dit jaar de Winternachtenlezing houdt waaruit we in Tirade 452 een klein voorproefje hebben opgenomen, buigt zich over de morele vraagstukken die achter een simpel verzoek als ‘Like me’ schuilgaan. Ook alle overige bijdragen in dit Tirade-nummer zijn afkomstig van auteurs die in januari 2014 op het festival te gast zijn, en die op ons verzoek een nog niet eerder in Nederland gepubliceerde tekst hebben aangeleverd.

Herman Koch opent met een hilarisch verhaal waarin hij de draak steekt met het belang dat mensen hechten aan het imago van de schrijver, waarbij het drankgebruik na afloop van een literair optreden een belangrijke graadmeter is.

De Britse econome Noreena Hertz schrijft over menselijk kuddegedrag en roept in haar essay managers op tot het aanmoedigen van kritische geluiden op de werkvloer. De Tirade festivalspecial weerspiegelt de diversiteit die we ook bij de programmering van het festival nastreven. Een romanschrijver als Martijn Knol staat zij aan zij met een historisch journalist als Ad van Liempt of een bioloog als Tijs Goldschmidt; nooit eerder in het Nederlands vertaalde auteurs als de Egyptische Miral al Tahawi of de Indonesische Linda Christanty naast de hier reeds bekende Aminatta Forna uit Schotland of de Nederlands-Amerikaanse Ian Buruma. Laatstgenoemde schreef een essay waarin hij vraagtekens zet bij de wenselijkheid van westerse interventie in een land als Syrië.

De Argentijnse Andres Neuman is de grote literaire ontdekking uit de Spaanstalige literatuur, van wie begin januari de schitterende roman Stille sprekers in Nederland verscheen. Van hem staan in dit nummer een paar zeer korte verhalen, een genre dat ook wordt beoefend door Matthijs Deen met zijn fascinatie voor eten in historische setting.

Ook is er aandacht voor De Rode ruiterij van Isaak Babel: bezoekers van het festival kunnen met NRC-redacteuren Michel Krielaars en Elsbeth Etty over dit boek in discussie; in Tirade 452 maken zij u vast deelgenoot van hun fascinatie voor deze Russische klassieker.

De indrukwekkende dichteres Antjie Krog was al eerder te gast bij ons festival; dit jaar introduceren we ook haar zoon Andries Samuel, die in Zuid-Afrika debuteerde met een sterk poëziedebuut waaruit enkele gedichten vertaald zijn. Moeder en zoon schreven samen een nieuw gedicht dat zangeres en multitalent Wende tijdens het festival zal zingen.

In Tirade 452 zijn bijdragen opgenomen die je niet zo gauw in een literair tijdschrift zou verwachten: songteksten van Huub van der Lubbe en de jonge rappers Typhoon en Blaxtar of tekeningen van striptekenaars Theo van de Boogaard en Milo Manara, die in vrolijke beeldtaal de kracht van de fantasie blootleggen.

Ik dank de redactie van Tirade hartelijk en in het bijzonder Menno Hartman voor de ruimte die zij mij – namens het Writers Unlimited festival – hebben gegeven dit gevarieerde festivalnummer samen te stellen. Schrijvers, dichters en tekenaars, bedankt! Lezers en festivalbezoekers: laat je inspireren!

Judith Uyterlinde, Programmacoordinator Writers Unlimited

Tirade 452 – inhoud: Judith Uyterlinde – Woord vooraf; Milo Manara – Nichi;  Herman Koch – Geachte heer M.; Anne Vegter – Representaties;  Rudolf Kahl – Duitse nationaalsocialistische uniformen ;  Martijn Knol – Amstelveen; Andries Samuel – Wanpraktijk ;  Geling Yan – De blinde vrouw met de rode appels; Anne Provoost – Back-up ; Fouad Laroui – ‘Zijn’ is het gevaarlijkste werkwoord;  Wende – Het kind, de stad, de wolf, de vrouw;  Jan van Hooff – Handig, die handen, zelfs voor een stampdraf;  Theo van den Boogaard – Nationale loterij;  Mathijs Deen – Twee zkv’s;  Noreena Hertz – Leiders moeten niet bang zijn voor tegenspraak;  Elsbeth Etty – De zoon van de rabbi;  Michel Krielaars – Babel; Antjie Krog – Twee gedichten en een lied;  Tijs Goldschmidt – Versteende boeken, een bibliotheek voor altijd; Lynne Leegte – Versteende boeken, beeld; Linda Christanty – Zakaria ;Elisabeth van Nimwegen – Kutwijven; Amin Maalouf – Like; Ad van Liempt – Een tragisch charmeoffensief ;Andres Neuman -Drie verhalen;  Roos Pollmann – Hetzelfde; Rodaan Al Galidi – Mijn verloren kansen; Nihaad Siries – Denken aan Na’iema; Marjolijn van Heemstra – Metafoor; Abdelkader Benali – De vrouw met de drie borsten;Saskia de Coster – Gedicht; Winnaar (m/v) PEN 2014 – Proza;  Miral al Tahawi – De tussendeur;Alfred Schaffer – Zomer; Ian Buruma -De helden van de interventie; Typhoon & Blaxtar – In harmony gebarend; Aminatta Forna – Het puntje van de landtong; Huub van de Lubbe – Schedel en knekels.

Tirade 452 is vanaf donderdag 16 januari verkrijgbaar via deze website, in de boekhandel en bij de stand van boekhandel Paagman op Writers Unlimited.

Meer informatie over Festival Writers Unlimited Winternachten vind je hier.

TiradeUnlimited.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot.

Long is good’ – liefde, seks, lichamelijke liefde: Nymphomaniac (2014)

‘Natuurlijk zijn er mooie meisjes. Dat is het probleem niet. Je zou ze voorzichtig willen natekenen met een potlood. Je zou willen schaatsen over de gladde glooiingen met precieze vingertoppen. Je zou met de tong van de fijnproever heel even willen raken aan de perfecte balans van rondingen, lijnen, vorm en volume. Liever nog zou je willen dat ze zich gewoon zouden uitkleden en dat je er niets mee hoeft te doen. Ze mogen zijn als een foto, volmaakt suggestief of expliciet uitgelicht en je zult haar met genoegen downloaden.

Zulke meisjes zijn zoals Milo Manara ze tekent; hiërogliefen van belofte. Ze staan nooit zonder te poseren en ze hoeven niet te poseren omdat ze al voldoen aan alle eisen als ze alleen maar staan. Je zou ze nooit daadwerkelijk kunnen ruiken, je zou nooit uit pesterij met een minuscuul vetkwabbetje spelen of het zure zweet uit hun oksels likken, al was het maar omdat ze zijn bedacht en precies zo getekend.’

Ilja Leonard Pfeijffer, La Superba (2013; p.21/22).

Milo Manara is deze week te gast op Writers Unlimited in Den Haag, waar hij zal worden geïnterviewd door Hassnae Bouazza – bovendien drukken wij in Tirade 452 een tekening af van de Italiaanse beroemdheid.

Tot zover het motto van deze blogpost… we gaan beginnen.

Nymphomaniac (NFM)

Tijdens de vier uur die deel I en deel II van NFM samen beslaan, moest ik twee, misschien drie keer verzitten om een opkomende erectie wat ruimte te geven. En dat terwijl ik, bij wijze van spreken, al een stijve krijg als ik een foto van Nelleke Noordervliet zie. Een pornofilm is NFM dus niet.

Film: Nymphomaniac (2014).

Regie: Lars von Trier. Dat ‘von’ heeft de snob/marketeer/crowd pleaser er zelf bij verzonnen. Dat schrappen we dus weer.

Verhaal: in ILP’s La superba (2013) vindt de verteller een vrouwenbeen… spannend… maar Nyphomaniac gaat nog ‘een stapje’ (woordspeling!) verder… daar wordt een complete vrouw gevonden! De eerlijke vinder, Seligman, neemt de vrouw, Joe, mee naar huis – en daar vertelt ze hem haar sekslevensverhaal.

Boring!

Nymfomanie is volgens het woordenboek (nul plaatjes!): ‘ziekelijk verhoogde (permanente) geslachtsdrift’*. De jonge Joe kijkt inderdaad vrij leip uit haar ogen. Misschien zit nymfomanie in haar DNA. Misschien is haar ‘ziekelijk verhoogde (permanente) geslachtsdrift’ een reactie op haar opvoeding: ze noemt haar moeder, in retrospectie, ‘a cold bitch’ en de film, NFM, toont hoe de moeder het liefst, met haar rug naar de andere gezinsleden, patience (in het Engels: Solitaire…) speelt – in deel twee van NFM speelt Joe zelf ook een keer Solitaire, trouwens.

Het is in dit ‘kader’ (woordspeling!) interessant om Triers protagonist te vergelijken met Brandon, de protagonist van Steve McQueens Shame (2011). Brandon is ook seksverslaafd en in Shame wordt dat op een Dr. Phil/Freud light achtige manier verklaard uit een ‘trauma’. Waar Joe’s ‘ziekelijk verhoogde (permanente) geslachtsdrift’  in NFM vandaan komt blijft – gelukkig voor de kunst – uiteindelijk dus gissen. Waar het allemaal toe leidt niet: een waaier aan seksuele ervaringen, afstomping, slecht helende wonden (een bloedende clitoris – lekker) en eenzaamheid.

In het eerste deel van NFM lijkt Joe nog wel plezier aan seks te beleven. In het tweede deel zien we hoe ze haar seksuele gevoel verliest, geen orgasmen meer kan krijgen en het genot terug probeert te vinden langs de weg van de pijn – het levert onprettige sequenties op waarin Joe zich laat vernederen en slaan.

Maar ieder nadeel heb z’n voordeel: de kennis die Joe opdoet dankzij de klappen en zweepslagen van haar meester komt goed van pas als ze een soort van deurwaarder wordt en wanbetalers mag gaan afpersen en intimideren.

In de visie van Trier lijkt lust vooral ellende en ongeluk op te leveren. Fijne calvinist.

De aseksuele gesprekspartner van Joe heet vast niet toevallig Seligman (Hebreeuws voor ‘de gelukkige’ zoals we braaf uitgelegd krijgen (en in het Duits is Seligmann ‘de gezegende’ voeg ik daar aan toe)). Seks leidt tot troubles and struggles.

Mijn visie op de vrouwelijke seksualiteit is romantischer, zoeter en vrolijker dan die van Trier, maar als NFM wil bijdragen aan de emancipatie van ‘de’ vrouw en aan het karteren van de fantasieën/wensen/werkelijkheden van ‘de’ vrouw: duimpje!

Maar (pseudo-)goede bedoelingen maken nog geen goede cinema…

NFM is toch vooral ’50 tinten grijs’ voor huisvrouwtjes (m/v) die te lui of te dom zijn om te lezen . De film vraagt niks van je. Je verveelt je te pletter.

Net als Tarantino soms doet heeft Trier zijn verhaal onderverdeeld in ‘hoofdstukken’ – daarmee is het compositorische vernuft van de klassieke romancier echter nog niet vaardig over hem geworden: NFM is stumperig en amateuristisch geconstrueerd, dat is vast bedoeld als parodie op/conformering aan de pornoconventie waarin de krakkemikkige handeling er immers ook alleen toe dient je van de ene wip naar de andere te transporteren. Maar waarom zou je alleen de zwakste kenmerken van een genre overnemen?

Bombastische, vaak lachwekkende verwijzingen naar Bach, Poe, Mann, Wagner, de bijbel, de antieken, Leonardo van Pisa/Fibonacci, polyfonie, Beethoven en De gulden snede tillen NFM niet naar het niveau waarop hoge kunstenaars en wetenschappers opereren.

De scènes waaruit NFM is samengesteld zijn als eye candy prima te verdragen trouwens, vooral dankzij de theatrale, dramatische en pontificale cameravoering – geraffineerder dan in de dagen van Dogma ’95, maar nog steeds prettig ruw –  de sterke cast* en de natuurbeelden waarmee de sequenties zijn doorsneden.

Thomas Rosenboom schreef in 2001 dat hij bij het zien van Triers Breaking the Waves (1996) twee keer had gehuild: ‘met ontroering had dat overigens niets te maken, het was meer biologisch meehuilen met een soortgenoot in nood, een volkomen autonome, fysiologische reactie, afgedwongen door het harde realisme in close-up, ik bedoel: Breaking the Waves werkt net zo op de traanklieren als een pornofilm op de geslachtsklieren.’ (Aanvallend spel, 2002;p.26).

Vergelijkbare opmerkingen zou je over handenvol sequenties in NFM kunnen maken. Wie kijkt onbewogen toe wanneer een vrouw zich vrijwillig in het gezicht laat stompen door een zwartgehandschoende mannenvuist?

Ik niet.

Omdat Trier als cineast eigenlijk niet zoveel te vertellen heeft, en als stilist over een klein palet beschikt, zoekt hij zijn toevlucht tot het toedienen van emotionele mokerslagen. De bezoeker van een Trier-film kan zijn verstand en zijn gevoel voor esthetiek thuislaten, hij hoeft alleen maar te incasseren. Baf, paf.

Vergelijk Triers werk nou eens met dat van andere levende filmmakers: Wes Anderson, Paolo Sorrentino, Sofia Coppola. Handeling, psychologie, stilistiek: het werk van Trier is vergeleken met dat van zijn beste tijdgenoten een beetje lomp en dommig. Kinderachtig, in plaats van kinderlijk.

Trier is net zo’n manipulatieve, sadistische klootzak als Michael Haneke – en zijn notie van ‘authenticiteit’ is nog lomper en primitiever dan die van de Oostenrijker. Maar gelukkig wonen er in ons deel van de wereld, in Noord/West Europa, genoeg masochisten om de twee beulen van de Europese cinema volle zalen te bezorgen.

Trier wordt vaak een enfant terrible genoemd. Sure. Het enige wat werkelijk schokt aan Nymphomaniac is het gemak waarmee de film de media weet te prikkelen… journalisten, columnisten, critici… iedereen sprong er bovenop (no pun intended).

Eindoordeel NFM: saai. Twee op een sterfbed omklemde takjes met essenblad (2/5).

Ik teken er dit bij aan: was NFM verguisd, genegeerd, geboycot, dan was ik de eerste die zijn smaakoordeel terzijde schoof om het voor de film op te nemen. Jammer genoeg is dat niet nodig.

Bonusmateriaal

Mijn favoriete NFM rol: Uma Thurman als psychotische, bedrogen echtgenote.

Mijn favoriete NFM scène: de vader van Joe zegt, liggend in een ziekenhuisbed, onder verwijzing naar die gemeenplaats van Epicures (‘als wij er zijn is de dood er niet, als de dood er is zijn wij er niet meer’), dat hij niet bang is om te sterven. Als arts heeft hij genoeg ervaring met de dood om zijn kalmte te kunnen bewaren; hij weet over welke medicijnen zijn behandelend artsen beschikken. De kalme, wijze, humanistische sequentie wordt – o, bittere ironie – gevolgd door sequenties waarin we de vader angstig horen en zien gillen, over de grond zien kruipen, in zijn bed zien schijten. Ik was de enige bezoeker die bij deze wrede, sequenties in schaterlachen uitbarstte. En voor de goede orde: ik lachte niet om het leed van het personage, maar om het dikke hout waarvan Lars planken stond te zagen.

Titelverklaring van deze blogtekst: de uitspraak ‘long is good’ valt niet wanneer de personages praten over de lengte van het mannelijk geslachtsdeel of over de duur van de ideale copulatie.  Nee: Joe wil Seligman haar levensverhaal vertellen, maar zegt erbij dat het wel een heel lang verhaal gaat worden. ‘Long is good’ zegt Seligman dan. Een stelling die ik in het geval van NFM niet onderschrijf. Het gesprek van Joe en Seligman doet hier en daar natuurlijk denken aan een biecht of therapeutische sessie. Joe lijdt aan zelfhaat. Maar Seligman probeert haar van haar schuldgevoel te verlossen: ‘If you’ve got wings, why not fly?’*

Tirade – uitputtend.

Soundtrack: Just because it burns, doesn’t mean you’re gonna die.

Volgende week: zacht, lief, charmant.

Noten (wat een scabreus woord in deze context…)

*Als het waar is dat vrouwen beter zijn in Multitasken dan mannen, waarom zijn er dan niet veel meer polygame vrouwen?

* Al was ik de heldin uit Triers vorige film, Melancholia, Kirsten Dunst, graag weer tegenkomen in NFM.

* Aan het slot van NFM schiet Joe Seligman dood met een pistool (fallussymbool). Het is de bekroning van haar seksuele bevrijding/emancipatie. Ze is, in seksueel opzicht, net zo vrij geworden als ze, in onze cultuur, als man zou zijn geweest.

Toegift – de stille prijsvraag

Hey, nog ff over Tirade 450: dat stuk van Henk Broekhuis… dat heb ik geschreven, hahaha! Voor de mevrouw of mijnheer die mij voor 31 december 2013 zou ontmaskeren, stond hier op de oprijlaan een vette Bentley klaar – maar die bak ga ik nou dus lekker zelf in de prak rijden. Het is wel de bedoeling dat je de teksten in Tirade echt leest hè? Als je alleen maar een beetje naar het papier wilt staren, moet je maar zo’n dasmagje kopen. Losers.

Matilda delusion

In het noordstation ijsbeert een dame over de tramperrons. Ze heeft iets weg van mevrouw Bulstronk, de kogelstotende directrice uit Matilda. Statige passen, grote neusgaten, steeds dezelfde woorden drammen, besluiten met een luide ‘aight’. Ik durf haar niet lang genoeg aankijken om de verschillen tussen haar en Roald Dahls personage te kunnen ontdekken.

Geen enkele medereiziger reageert op haar gebazel. De tram glijdt het station binnen, mensen wandelen alvast mee in de rijrichting. Bulstronk marcheert tegen de stroom in.

     Als kind geloofde ik dat ik Matilda was. Het was geen waanidee, eerder kortstondige hoop. Telekinese leek me toen de oplossing voor alles.

Op enkele meters van mijn voordeur, ter hoogte van de fruitwinkel, hoor ik drie keer eenzelfde pieptoon.

Het klinkt niet als een vogel, als het alarm van mijn insulinepompje of als de beltoon van mijn gsm. De straat is verlaten, op de winkelier na. Zonder opkijken stapelt hij kratjes met appels. Ik weet zeker dat hij het gepiep ook heeft gehoord.

     Gedurende enkele seconden raak ik verlamd door het idee dat mijn leven een televisieshow is en, net als bij Truman Burbank, gevolgd wordt door mensen over heel de wereld.

Misschien was de luide pieptoon niet bestemd voor mijn oren, net zoals Truman de studiolamp niet uit de hemel had mogen zien vallen. De kruidenier doet alsof hij het gepiep niet gehoord heeft, omdat hem dit wordt opgedragen in het draaiboek dat hij onder zijn toonbank verborgen houdt.

     Ik overloop de dingen die ik niet zou gedaan hebben als ik had geweten dat er zoveel mensen meekeken.

     Het idee dat ik een personage in een televisieshow zou kunnen zijn, houdt niet lang stand. Mensen zouden me al snel vervelend vinden. Bovendien: dit weekend zag ik tijdens een boswandeling in Roth de bomen kriskras door elkaar staan. In Trumans omgeving werden alle bomen in loodrechte lijnen aangeplant. Natuur als decor.

The Truman Show was bedoeld als komisch drama, toch is het onderliggende idee angstaanjagend. Stel je voor dat niemand in je omgeving echt met je begaan is. Dat elke ontmoeting wordt opgezet om te benadrukken hoe eenzaam je eigenlijk bent. Dat je partner betaald wordt om naast je in bed te liggen.

     Er bestaat zoiets als the Truman Show delusion: mensen die voortdurend in de veronderstelling leven dat alles in hun omgeving in scene werd gezet. Zo las ik over een man die naar New York afreisde om zijn geestelijke vader, de regisseur van ‘de televisieshow van zijn leven’ op te zoeken. Tegelijk wilde hij nagaan of de WTC-torens echt neergehaald waren of dat dit geënsceneerd werd, om ‘zijn show’ op te kloppen.

Binnen in huis, bij het uittrekken van mijn jas, rinkelt er iets in mijn jaszak. Het is niet mijn gsm, maar de vaste telefoon. Ik vraag me af hoe dit toestel, dat normaal gezien nooit het huis uitgaat, in mijn jas terechtkomt. Het verklaart de pieptoon ter hoogte van de fruitwinkel: op die plaats kwam het toestel binnen het bereik van de staander.

     Ik neem op, al belooft een oproep op mijn vaste nummer niet veel goeds.

De dame van Bofrost stelt zichzelf toch nog even voor, vervolgens haar producten. Er is geen plaats meer in onze diepvriezer.

Ze blijft kwetteren terwijl ik de telefoon laat zakken. Ik druk op de uit-toets, het voelt of ik haar zonder waarschuwing dooddruk, als een klein onschuldig beestje. Het doet met denken aan het fijne, stalen kammetje waarmee mijn moeder mijn haren kamde, en het A-viertje vol platgedrukte luizen, dat ik maar niet de lucht inkreeg met mijn telekinetische krachten.

Lize Spit (1988) schrijft scenario’s, proza en poëzie. Ze publiceerde in Tirade, Kluger Hans, Het Liegend Konijn en Das Magazin; eerder dit jaar won ze de schrijfwedstrijd Write Now. In het zomernummer van Tirade, Tirade 449, publiceerde Spit het kortverhaal Jagersaus. Momenteel werkt ze aan een scenario voor een speelfilm en aan een roman. Deze maand publiceert Lize Spit iedere zondag een blogbijdrage op Tirade.nu

Over schaatsen

Dit weekend wordt in Hamar, Noorwegen het EK schaatsen verreden. Ik ben aan het kijken. Met het actief volgen van het schaatsen op tv was ik eigenlijk jaren geleden opgehouden, maar ik merk nu dat mijn beleving nog steeds hetzelfde is.

Het doet er niet toe welk schaatskampioenschap er wordt uitgezonden, het schaatsen kijken brengt steevast een stroom schaatsverhalen en -discussies op gang. Er ging net een dame bij de laatste meters van de 500 onderuit en wist daarmee toch de snelste tijd te pakken, want volgens de regels mag je ook liggend over de finish. Een jaar of drie geleden schaatste ik op een ondergelopen veldje met een paar anderen op weg naar de startplaats, toen een van ons, die toch vaak valt, tijdens een rare bocht gestrekt ging – dwars door de dunne ijsplaat. Helemaal zeik. Vallen met de finish in zicht is zuur, maar gelukkig liep dat verder goed af.

Veel van de deelnemers aan het EK trainen in Thialf Heerenveen, en veel schaatsers wonen daar ook in de omgeving. Meer dan eens heb ik in de trein ter hoogte van Heerenveen gezeten en gedacht dat ik iemand herkende, niet wetende waarvan. Meestal waren dat schaatsers, die je natuurlijk alleen vluchtig ziet wanneer ze niet in een aerodynamisch pak gehesen zijn. Een keer stond ik op het punt om Joel Eriksson, die tegenover mij zat, zijn handtekening te vragen. Dat heb ik niet gedaan; hij was op dat moment in zijn eentje het Zweedse nationale schaatsteam.

Over Heerenveen gesproken: al tijden is er gesteggel over een nieuw te bouwen schaatsbaan, met thialfiaanse allure. Bouw dat dan in Heerenveen, zou je zeggen, maar nee, de beste overdekte wedstrijdbaan van Europa (wat een ambitie) komt in Almere. De schaatsfanaten in mijn familie schreeuwden moord en brand toen dit bekend werd. Het is toch blasfemie, zei er een, om iets totaal nieuws uit de grond te stampen terwijl Thialf alleen gemoderniseerd hoeft te worden. Een keuze voor Thialf of Almere, dat is hoog ondoorgrondelijk politiek spel.

Zo ook de Elfstedentocht. Het comité heeft besloten dat er bij de volgende keer voor de veiligheid gereden gaat worden met reflecterende hesjes. In de ledenvergadering klonk het commentaar: maar daar ga je van zweten! O nee, een beetje zweet… Vroeger gingen er tijdens de Tocht der tochten gewoon deelnemers dood. Tijdens de Elfstedentocht van ’63 – mijn grootvader van vaderskant werd bij Franeker van het ijs gehaald – schijnt er vlak voor Leeuwarden een deelnemer in een vastgevroren roeiboot voor het huis van mijn overgrootouders ineen te zijn gezakt. Laat mij hier maar sterven, dat zei hij.

Aan Elfstedentochtdeelnemers ook geen gebrek in mijn familie. Mijn overgrootmoeder van vaderskant reed hem tijdens de oorlog, in ’42; beide grootvaders haalden ieder meerdere malen de eindstreep en mijn vader zette twee kruisjes om zijn naam. Die overgrootmoeder ging er veel later nog steeds op uit, zelfs toen ze zo rond de tachtig was. Het verhaal gaat dat ze bijna gesnapt werd toen ze eens het bejaardentehuis wilde verlaten toen er er ijs lag. Volgens mij was haar smoes dat ze even een ommetje ging maken, maar wat de medewerkster niet kon zien was dat ze onder haar jas een paar schaatsen had verborgen.

Ze kon verduveld goed schaatsen, schijnt, daar kunnen die bejaarde leden van de Elfstedenvereniging nog een puntje aan zuigen. De gemiddelde leeftijd is daar nijpend hoog, zo hoog dat het comité zich afvraagt of daar geen oplossing voor moet komen. Mijn grootvader van moederskant bewijst dat leeftijd geen probleem hoeft te zijn. Met een groep zeventigers (misschien ouder?) traint hij elke week. Zo zijn er nog tal van pensionado’s die hun schaatsvaardigheid en conditie op peil houden voor het geval de Tocht komt. Sterker nog, die groepen zijn elke dag bezig met de volgende Elfstedentocht, is het niet op de baan, dan wel in gedachte. Ze zullen hem uitrijden als het zover is, want aan half werk wordt simpelweg niet gedaan.

Schaatsen roept nu eenmaal een onvoorspelbaar fanatisme op, of het nu gaat om het EK op tv of om de Elfstedentocht of natuurijs überhaupt. Ik ga bijvoorbeeld maar weer eens de uitslagen van het kampioenschap bijhouden en invullen op zo’n enorm vel uit de krant. En die Elfstedentocht – ijdele hoop of niet – die komt elke dag een dag dichterbij.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Tirade feliciteert Merijn de Boer

Tirade feliciteert oud-Tirade redacteur Merijn de Boer met het verschijnen van zijn romandebuut De nacht.

Merijn de Boer (1982) debuteerde in 2011 met de verhalenbundel Nestvlieders, waarvoor hem de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs werd toegekend. De Boer publiceerde korte verhalen, beschouwingen en blogs in een keur aan (literaire) tijdschriften. Van 2007-2013 was hij redacteur van literair tijdschrift Tirade, waaraan hij regelmatig bijdragen leverde en levert. Zijn jongste Tirade-publicatie:  De vertelstructuur van Baantjer, een ‘tirade’ over A.F.Th’s roman De helleveeg (2013), in Tirade 450.

Tirade – feliciteert.

Almost like weighing someone’s soul

Lieke schreef vorige week op deze plek dat Het begin van geluk het eigenlijke geluk is. Sterker nog: dat geluk ligt in een voorvoelen van komend geluk. 

De belofte van mooie dingen is wat onze pas verlicht, onze mondhoeken optrekt en onze dagen glans geeft. Ik werd door Liekes stuk herinnerd aan de tijd dat ik studeerde. Een sterk verheugen kon me ‘s ochtends in mijn bed overvallen en bij me blijven tot ik me probeerde te herinneren waarop ik me precies verheugde en op niets uitkwam. 

Ik herinner me die jaren als een zonnige herfstdag. De soundtrack is het album dat John Coltrane en Johnny Hartman samen maakten. Met het raam open en de kachel aan schreef ik op mijn typemachine aan mijn eerste roman. Nog een jaar of twee en op de universiteit zou gelachen worden om getikte papers. 

Toen ik klaar was met schrijven streek ik een overhemd terwijl mijn Bastos zichzelf traag oprookte in mijn opa’s monsterlijke glazen asbak. Ergens in die jaren zou ik samen met mijn vriend Gijs de film Smoke* zien, waarna ik nooit meer op dezelfde manier naar as zou kunnen kijken.

Schrijver Paul – een rol van William Hurt – vertelt bij een bezoek aan zijn sigarenboer dat sir Walter Raleigh ooit een weddenschap met koningin Elizabeth de eerste aanging. Raleigh, die het roken aan het Engelse hof geïntroduceerd had, wedde dat hij het gewicht van rook bepalen kon. 

‘You can’t to that. It’s like weighing air,’ zegt een van de andere klanten in de winkel. 

‘I admit, it’s strange,’ zegt Paul. ‘It’s almost like weighing someone’s soul.’ 

Raleigh legde een sigaar op een weegschaal en rookte hem daarna op, waarbij hij alle as en de uiteindelijke peuk op de schaal liet vallen. Het verschil in gewicht tussen de sigaar en de resten was het gewicht van de rook. 

Het café waar ik werkte was een klassieker. Zand op de vloer, tegels op de tafels en een donkere lambrisering met geoxideerde spiegels rondom. Ik droeg Zweedse officiersschoenen, een zwarte pantalon met een scherpe vouw in de pijpen en hele brede stropdassen om te laten zien dat ik wel een gevoel voor humor had. Ook op mijn werk zong Johnny Hartman: Through the trees, comes autumn with her serenade... Gijs lachte naar me toen ik binnenkwam, hield een wijnglas boven een koeler met kokendheet water en wreef het op met een gesteven servet. Ik knoopte een sloof voor en begon hem te helpen. Nog een uurtje en de eerste gasten zouden komen.

Elke dag was er de mogelijkheid van geluk. We waren niets meer dan het verhaal dat we onszelf vertelden, en wogen nog niet meer dan rook.

 

*Paul Auster en Wayne Wang, 1995.  

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Uitsterven, vier maal

De passengers pigeon

1. Dit jaar is het honderd jaar terug dat de laatste passengers pigeon stierf. De duif Martha stierf in een dierentuin in Cincinnati Zoo in 1914. Dat is twaalf jaar nadat de laatste wilde duif door een kwajongen uit een boom werd geschoten met een katapult. Dat was hem niet echt kwalijk te nemen want in de vijftig jaar daarvoor was de Passengers pigeon het armeluisvoedsel bij uitstek geweest, Huckleberry Finn sloeg ze met een knuppel uit de lucht. De religieuze Amerikaan vergeleek de vogel met de oudtestamentische kwartels waarmee de ‘Heere Heere’  het volk Israëls in de woestijn van eten voorzag. Miljarden vogels vlogen halverwege de negentiende eeuw in zwermend die de zon verduisterden over Noord Amerika.  Eén zwerm had 14 uur nodig over te trekken volgens ooggetuigen. De vogel had een handigheidje in zijn kaak zodat hij grote noten en vruchten in een keer kon inslikken. Een vraatzuchtige duif in groten getale. Waarom stierf hij uit? Minder bosgrond, intensieve jacht verklaren een deel, maar toch zeker niet alles. Bijzonder bij-apect: mogelijk werd uitsterven versneld door dat hij in zijn darwinistische ontwikkeling was gaan rekenen op ‘in groten getale zijn’ Dat verklaart dan zijn zo vlugge decimering. Dat gaat ons misschien ook overkomen want:

2. Wij sterven uit, nu nog niet, maar wel ooit. Het is aardig om daar sub specie aeternitatis eens over na te denken, zoals ik recent las dat men deed in The New Yorker (alwaar ook een stuk over de passengers pigeon, al mijn blogs komen uit de new yorker, ik plagieer en geef het om de nrc de wat mij betreft te overduidelijke lol te ontnemen die men daar aan ontmanteling lijkt te beleven zelf maar even toe ). Het is vreemd je een wereld voor te stellen waar de mens niet meer is. Als over een miljard jaar, een beschaving die van ons eens onder de loep gaat nemen dan zullen ze enige tijd nodig hebben om te beoordelen wie nou precies wiens huisdier was. Waren die grote tweevoeters de huisdieren of zelfs vee van die kleine katachtigen? Of andersom.  Hoe zullen geografen ons tijdperk noemen, wat zal het opvallendst blijken te zijn geweest? Plasticgebruik of wegenbouw? Toenemende co2 neerslag of nucleaire fall out? Wat voor betekenis wordt door de archeoloog toegekend aan de vierkante platte reliekschrijntjes in soorten maten  die een centrale positie innemen in het huishouden van deze kleine katachtigen?

3. De mens die gewoon zijn werk doet en daarvoor gewaardeerd wordt sterft uit. Walter Mitty is er zo een. Ben Stiller speelt hem, de kleine dromer die eerder door Danny Kaye vereeuwigd (1947)  werd op doek. James Thurber schreef een kort verhaal met de titel The Secret Life of Walter Mitty gepubliceerd in jawel alweer The New Yorker in maart 1939, en Stiller maakt er een aantrekkelijke feel good movie van. De grijze muis Mitty werkt op de negatievenafdeling van Time Magazine, en is wel de enige die de befaamde fotograaf Sean O’Connell – weer een fantastische rol van Sean Penn – als aanspreekpunt gebruikt. O’Connell is de man van het volle leven, het avontuur. Hij stuurt negatieven voor de laatste cover, het bedrijf wordt opgedoekt door managers van het foute soort. Maar het juiste negatief zit er niet bij. Walter moet op zoek, en gaat ook eindelijk op avontuur. Half tussen droom en werkelijkheid leert Mitty dat je een stap moet zetten.  Aardige scene in de film is de beklimming van een top in de Himalaya door Mitty, hij reist O’Connell achterna. Dan treft hij hem op het moment dat hij een sneeuwluipaard wil vastleggen. ‘Beautiful things don’t ask for attention.’ En als hij die dan voor de lens heeft, klikt hij niet. Waarom niet? Omdat hij iets soms zo mooi vind dat hij niet gehinderd wil worden door de camera, maar dat hij het moment laat duren. Dit moment, zegt hij dan. 

4. Het raadsel sterft uit. In 1872 treft men een schip aan, de Mary Celeste op de Atlantische oceaan, zeilen in orde, geen averij, complete lading aanwezig. Er is alleen geen mens aan boord, de complete, vakkundige crew is verdwenen en wordt nooit gevonden. Er zijn artikelen , films over, boeken vol over geschreven, een bevredigende verklaring is er niet. En alleen voor dit blog mag er op de reling, nabij de voorplecht een eenzame passengers pigeon zitten, die alles zag, maar niet koert.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

‘Groetjes uit 1977’ – een ansichtkaart

Hey Lieke,

Hoe issie? Hé, weet je nog dat je mij die foto liet zien waarop jij met je moeder en je zusje in de sneeuw speelt en dat ik toen zei dat ik ook nog ergens zo’n jeugdsneeuwfoto moest hebben? Dat is deze.

Eerst was het een dia, geloof ik, daar is ooit een foto van gemaakt en van die foto heb ik nu ff een scan gemaakt. De beeldkwaliteit is niet 100% Hans Anders, maar soit.

Dat jongetje in de ‘deuropening’ ben ik. Het meisje daarachter is mijn zus. De zaterdagmiddag waarop we deze iglo hebben gebouwd kan ik me, eerlijk gezegd, niet meer van minuut tot minuut voor de geest halen, maar het zou me niets verbazen als mijn vader en moeder af en toe een handje hebben geholpen met ‘t opspatelen van die iglo…

We woonden destijds overigens gewoon in een huis van steen. Maar dat staat niet op de foto.

Ik denk dat de foto (dia) is gemaakt door mijn vader terwijl mijn moeder chocolademelk o.i.d. stond te maken in de keuken. Vanuit de keuken had je zicht op de tuin.

Hij bestaat echt wil ik maar zeggen, die jeugdsneeuwfoto.

Tot snel weer, ergens,

Ciao!

Martijn

Soundtrack: Beethoven.

Tirade – doorgewinterd.

Volgende week: slecht nieuws voor Lars von Trier. En meer.

In aantocht: Tirade 452 – Writers Unlimited Special 2014

I EXIST,’ is the impulse that throbs under most voluntary writing.’ David Foster Wallace, The Empty Plenum (1990).

Op donderdag 16 januari aanstaande verschijnt Tirade 452, de Tirade Writers Unlimited Special. Het nummer – meer dan 130 pagina’s wereldliteratuur – is tot stand gekomen onder gastredactie van schrijfster en Writers Unlimited-programmeur Judith Uyterlinde.

Tirade 452 bevat poëzie/songteksten van: Saskia de Coster, Rodaan al Galidi, Marjolijn van Heemstra, Antjie Krog, Huub van de Lubbe, Anne Provoost, Andries Samuel, Alfred Schaffer, Typhoon & Blaxtar en Wende.

Het nummer brengt bovendien essays/ beschouwingen van: Ian Buruma, Tijs Goldschmidt, Noreena Hertz, Jan van Hooff, Fouad Laroui, Ad van Liempt, Amin Maalouf en Anne Vegter.

Er is verhalend proza van: Abdelkader Benali, Linda Christanty, Mathijs Deen, Aminatta Forna, Martijn Knol, Herman Koch, Andres Neuman, Elisabeth van Nimwegen, Roos Pollmann, Nihaad Siries, Miral al Tahawi en Geling Yan.

In het hart van Tirade 452 bevindt zich een NRC-leesclub katern met essays van Elsbeth Etty en Michel Krielaars over de verhalen van Isaak Babel.

Tirade 452  is geïllustreerd met foto’s/ filmstills/ tekeningen/ schilderijen van: Theo van den Boogaard, Johan Jacobs, Rudolf Kahl, Lynne Leegte, Milo Manara en Wende.

Het nummer is vanaf donderdag 16 januari verkrijgbaar via deze website, in de serieuze boekhandel en bij de stand van boekhandel Paagman op Writers Unlimited.

Een Tirade abonnement neem je hier.

TiradeUnlimited.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot.

P.S. Tirade 452 bevat óók een bijdrage van de PEN-winnaar 2014 – wie dat is maken de PEN & Festival Writers Unlimited volgende week bekend.

Ontwerp voorplat Tirade: Emiel Efdée.

Uno

Na het eten spelen we een spelletje. Mezelf niet meegerekend, zijn we met vijf.

     Wie als eerste zijn zeven kaarten aflegt, wint het spel. De adder onder het gras: wie één kaart in de hand overhoudt moet ‘uno! roepen. Wie hier niet tijdig aan denkt, moet zeven nieuwe kaarten nemen. Van nul beginnen.

     Na de aanrijding belandde ik op het kruispunt naast mijn fiets, tussen een immokantoor en een winkel voor kantoorbenodigdheden. Een omgestoten pion op het ganzenbord.

     Met altijd enen gooien, kom je er ook. Gooi je drie keer na elkaar een zes, dan juich je twee keer maar vlieg je vervolgens terug naar start.

Mijn linkeronderbeen bengelde als een afgezakte sok onder mijn knie toen ik opnieuw mijn eerste stappen zette.

 Mijn dijen ploffen neer op de koude toiletbril, nu pas merk ik dat ik al dronken ben. Ik vermoedde het, aan tafel hoorde ik mezelf vragen stellen waarvan ik de antwoorden niet perse wilde weten.

     Zes kaarten zitten in mijn vrije hand wanneer ik mijn billen afveeg. Ik herinner me hoe graag ik bij het begin van dit spel nog wilde winnen.

 Ik zet me terug neer aan de tafel. Alcohol werkt als een omgekeerde contraststof, ze maakt me er onbewust van hoe ik beweeg en waar mijn ledematen zich bevinden. Mijn knieën lijken niet langer breekbaar.

     Ik gooi een spelkaart op het stapeltje, ze smakt neer naast het stapeltje, harder dan ik zou willen.

Na nog een glas val ik uiteen in twee delen die niet meer perfect willen samenwerken.

     Het gebeurt wel eens met digicorders: je zet een talkshow op pauze maar door een technische fout blijft de audio gewoon doorspelen. De bewegingen van de gasten rond de tafel bevriezen. Daar zitten ze dan: een beleefde glimlach om hun mond gesnoerd, ogen op kiertjes. Verstomd ondergaan ze hun eigen gesnater.

     De tijdsindicator op het scherm geeft aan hoeveel tijd er verloren gaat. Het lijkt of de gasten hun meningen nooit meer zullen kunnen bijbenen.

 Ik vraag me af of mensen die altijd slecht op beeld staan dezelfde mensen zijn die onuitstaanbaar of lelijk worden als ze dronken zijn. Ik heb nog twee uno-kaarten in de hand. Er wordt een kaart gelegd die zegt dat ik mijn beurt moet overslaan.

     Op het verjaardagsfeestje van een vriend zat een danseres met een voet in de plaaster. Ze vertelde dat ze was gaan rechtstaan terwijl ze een slapende voet had. Ze hoorde een luide krak, zag dan dat ze met haar linkerenkel naast haar linkervoet was gaan staan.

Ik beeldde me het bot in, dat kraakte als een houten vloer wanneer men kasten na een lange tijd van plaats verandert.

 Onderweg naar huis wordt er ergens een restje vuurwerk afgestoken. Ik zie niets, ik hoor enkel de knal in de verte. Niet echoënd door de straten, maar droog en zakelijk boven de stad uit.

     Mijn mond schiet in de lach, het voelt belachelijk. Rond de speltafel vertelde ik een grapje terwijl niemand luisterde. Mopjes gaan zelden over mensen die niet op het juiste ogenblik op de juiste plaats waren, ze gaan over mensen die op het juiste ogenblik op de foute plaats waren.

     Ik duw op de trappers zo snel mijn been het toelaat. Wat me bang maakt wanneer ik door de Anspachlaan fiets en het kruispunt aan de winkel met kantoorbenodigdheden oversteek: dat ik opnieuw zou worden aangereden, op exact dezelfde plaats. Niet uit vrees voor de klap, maar dat de mensen niet meer zouden geloven dat het ook dit keer een ongeluk was. Te veel toeval.

 Aan de voordeur sta ik te klungelen met mijn sleutelbos. De juiste sleutel is de middelste van drie sleutels aan het ringetje. De mogelijkheden zijn oneindig. Mijn verstand loopt voor op mijn bewegingen. De eeuwigheid die het duurt voor ik de juiste sleutel in het sleutelgat krijg, voelt als een minuutje.

Linkerbeen omhoog, rechterbeen omhoog, de trap op. Ik mag geen enkele trede vergeten. Mijn benen lopen op automatische piloot achter me aan.

Mijn hoofd ploft als een grote bol wol in mijn kopkussen. Plots snijdt er een gedachte. Ik vergat ‘uno!’ te roepen tijdens het laatste spelrondje, maar niemand heeft het opgemerkt. Iedereen was vooral met zijn eigen kaarten bezig.

Ik val in slaap. Met een droge mond en een overwinning die toch niet telt.

—- 

Lize Spit (1988) schrijft scenario’s, proza en poëzie. Ze publiceerde in Tirade, Kluger Hans, Het Liegend Konijn en Das Magazin. Momenteel werkt ze aan een scenario voor een speelfilm en aan een roman. Eerder dit jaar won Spit de schrijfwedstrijd Write Now! met het verhaal Ordehandhaver. In het zomernummer van Tirade, Tirade 449, publiceerde Spit het kortverhaal Jagersaus. Deze maand publiceert zij iedere zondag een blogbijdrage op Tirade.nu

Gijsbrecht van Amstel

De tragedie waarmee de Amsterdamse Stadsschouwburg in 1638 werd ingewijd is een drakerig stuk. Vondel heeft er maar liefst 1900 verzen voor nodig om het beleg van Amsterdam en het wedervaren van Gijsbrecht gestalte te doen geven. Zoveel roombotervette alexandrijnen zolang te verduren, dat valt het moderne oor behoorlijk rauw op het dak – dacht ik.

Na opvoeringen van werken van Racine kom ik meestal lacherig de zaal uit, en blijf dan nog minstens een half uur in jamben en trocheeën spreken. Maar na Vondel hoor je mij niet ironisch een zin als ‘wat staan wij nog te talmen, pak vast die laatste strohalmen!’ mompelen. Sterker nog, de Gijsbrecht heeft alle ingrediënten voor het Seneca-effect: oersaai drama met zoveel taalvirtuositeit dat je er wel doodmoe van moet worden, en toch gebeurt dat niet.

Bij de overbekende openingszinnen zat ik al op het puntje van mijn stoel: ‘Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten / erbarremt over my, en mijn benaeuwde vesten, / en arme burgery; en op mijn volx gebed, / en dagelix geschrey, de bange stad ontzet.’ Wat een illusie, de vijand ligt nog steeds op de loer. Dat kan natuurlijk nooit goed gaan, ook al klinkt het nog zo mooi.

De vijandige soldaten nemen hun intrek in het klooster net buiten de stad. De monnik die de poort opent, bewijst dat Vondel ook humor heeft. Hij zegt: ‘O Iesus, sta ons by, dit is een mislijck teecken.’ Dat is het zeker, want die nacht halen de Amsterdammers een schip binnen dat verdacht veel op het paard van Troje lijkt (het heet niet voor niets een ‘zeepaard’). Amsterdam wordt in dood en verderf gestort en heer Gijsbrecht, een brave krijgsman, komt in de knel door zijn onvermoeibare verdedigingsdrang.

Alsof dat nog niet genoeg is gaat zijn vrouw, Badeloch, ook nog dwarsliggen. Die huiselijke consternatie en verwarring zijn gelukkig van korte duur, en dat wordt beklonken met nog zo’n poëtische evergreen: ‘Waer werd oprechter trouw / dan tusschen man en vrouw / ter weereld oit gevonden? / Twee zielen gloende aen een gesmeed, / of vast geschakelt en verbonden / in lief en leedt.’ Gijsbrecht en Badeloch gaan niet uiteen, zelfs niet als een bode in een onweerstaanbaar relaas vertelt hoe het met Gozewijn en Klaerisse, de burgers en de stad is afgelopen. Het staat er niet florisant voor.

Het echte kantel- en hoogtepunt komt dan nog, wat mij betreft. Gijsbrecht geeft zijn verdediging niet op tot het moment dat hem het volgende verteld wordt over de vijand: ‘Ick ken hem, als my zelf: hy mint u in ‘t byzonder.’ Hij reageert: ‘Hy mint my, als het blijckt, en keert het bovenste onder. / Hy mint my averechts, zijn liefde staet ons dier.’* Nou, dat doet de deur dicht. Zodra de rivaal zijn waardering voor Gijbrecht kenbaar maakt, begint het hem te dagen dat elk verweer zinloos is. Het is de spreekwoordelijke doodssteek, de minne van de vijand, en Gijsbrecht beseft dat er nog maar één mogelijkheid is: de aftocht. Zo neemt hij samen met zijn Badeloch de wijk naar Pruisen, om daar een nieuwe stad te stichten.

 

* ‘staet ons dier’ = komt ons duur te staan

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Het begin van geluk

Aangezien ik nog steeds ‘Happy New Year’ van ABBA in mijn hoofd heb, leek het me een goed idee om mijn eerste blog van 2014 over geluk te schrijven.

Toen wij klein waren mochten mijn zus en ik op zondagochtend altijd een uurtje bij mijn ouders in bed kruipen. Dit zouden gelukkige momenten geweest moeten zijn, ware het niet dat ik me vooral herinner hoe na een tijdje soms een leeg, knagend gevoel zich meester van me maakte. Een gevoel dat in niets leek op alle andere gevoelens die ik al kende en kon benoemen: het was geen verdriet, geen woede, misschien dat het in de verte een beetje leek op verveling, maar dat leek me geen emotie, niet iets wat je ook lichamelijk kunt ervaren. Ik vond het in ieder geval een van de naarste gevoelens die ik tot dan toe had gehad: het maakte me ongemakkelijk en ik had geen idee met welke gedachtes of acties ik het stop kon zetten, al was het gelukkig vaak maar van korte duur. Op den duur werd ik te groot om nog bij mijn ouders in bed te kruipen en met het verdwijnen van dit zondagochtendritueel verdween ook het gevoel – heel lang dacht ik er niet meer aan.

Totdat ik, jaren later, na seks te hebben gehad met iemand van wie ik heel veel hield, vredig achterover de kussens in viel en het er opeens weer was. Zomaar, zonder zich aan te kondigen. Het gevoel dat alles zinloos was. Dat ik nooit meer naar iets zou verlangen. Op dat moment voelde ik me bovendien heel schuldig, want op zo’n moment hoor je toch zielsgelukkig te zijn, volledig met de ander versmolten, maar ik voelde me vooral leeg. Er zou nooit meer iets te winnen zijn. Later bedacht ik me dat ik me op die momenten misschien wel juist veilig gevoeld had – meer dan alles verlang ik er doorgaans naar om me veilig te voelen en inderdaad, als je hetgeen waarnaar je het meest verlangt bereikt hebt, valt er even niets te winnen. Totdat je uit bed kruipt, je je kleren aantrekt en de onveilige wereld weer instapt. Het gevoel is dan ook altijd meteen verdwenen.

Mijn veiligheidstheorie kwam echter op losse schroeven te staan toen ik een paar jaar geleden begon met het slikken van een anti-depressivum. De eerste maanden had ik ‘het gevoel’ namelijk bijna elke dag wel een paar keer. Op de fiets in de stad, tijdens het ontspannen op de bank zitten, tijdens het koken – terwijl ik juist zo blij was dat ik eindelijk weer door de stad kon fietsen, me kon ontspannen, en er in mijn hoofd toch een hoop blije neurotransmitters aan het werk geweest moeten zijn. Die bij mij geluksgevoelens teweeg moesten brengen. Toen ik me dat realiseerde bedacht ik me geschrokken: Wat als het gevoel dat er nooit meer iets te winnen valt geluk is? Wat als ik het gewoon al die tijd verkeerd geinterpreteerd heb? Als ik in die momenten bij mijn ouders in bed wel degelijk zielsgelukkig was, zonder het door te hebben?

In een van mijn lievelingsfilms, The hours, :

I remember one morning getting up at dawn, there was such a sense of possibility. You know, that feeling? And I remember thinking to myself: this is the beginning of happiness. This is where it starts. And of course there will always be more. It never occurred to me it wasn’t the beginning. It was happiness. It was the moment. Right then.

Dat vind ik altijd een heel mooi citaat over geluk, en een opvatting die veel meer strookt met de momenten waarop ik wel het idee heb gelukkig te zijn: geluk als het gevoel van mogelijkheid. Alles ligt open. Terwijl wat ik hierboven beschreef juist een gevoel van onmogelijkheid is. Maar als geluk het gevoel van mogelijkheid is, dan is het voor altijd ongrijpbaar, want gekoppeld aan iets wat nog moet komen, maar je weet niet wat – je kunt nu eenmaal niet in de toekomst kijken. Of is het juist gekoppeld aan het feit dat er nog iets moet komen, om het even wat? En betekent het ervaren van geluk dan per definitie het ervaren van het begin van geluk, omdat geluk altijd aan het begin van iets staat en het ervaren van niet-beginnend geluk zou betekenen dat er al een deel van de verwachting is ingelost, waardoor je niet langer het gevoel kunt hebben dat alles mogelijk is? En is het dan inherent aan geluk dat ze in het geheel genomen enkel haar eigen begin is omdat ze, als ze ook het moment na het begin zou zijn, logisch inconsistent met zichzelf zou worden? En hoe moet ik dan het gevoel noemen waarmee ik dit stukje begon?

Zomaar wat vragen met, denk ik, heel veel mogelijke antwoorden. Aan het begin van een nieuw jaar. Waarin nog van alles te verlangen valt.

PS. Als nieuwjaarsbonus het begin van Happiness (de film)

Briljante mislukkingen

Ik heb, zoals bijna iedereen dezer dagen teveel nagedacht, teveel gegeten en teveel gedronken. Teveel lezen kan nooit, denk ik, het is me althans nog niet gelukt.  Ik heb mij verliefd in Hella S. Haasse, een van de onontgonnen schrijvers op mijn geestelijke boekenplank.

Mijn vrouw schoof me Zelfportret als legkaart toe, waarover zij enthousiast was. Een enthousiasme dat ze op haar beurt van Aleid Truijens had, die in de Opzij heel begeesterend over het boek moet hebben geschreven.  Mijn exemplaar is een eerste druk uit 1954. In een interview met Jacques van Kollenburg vertelt Haasse iets over de totstandkoming van het boek.  Ze is in 1954 36 jaar oud, heeft een boek of 4 op haar naam staan. Zelfportret als legkaart  is, zegt ze dan, toevallig ontstaan.  Ze vroeg zich af wat ze deed als ze schreef, ze was haar onbevangenheid kwijtgeraakt, vroeg zich af waarmee men eigenlijk bezig is als men schrijft. ‘Wie is die vrouw die daar zit te schrijven.’ Toen kwam een verzoek van een uitgever om een geschiedenis-leesboek voor het onderwijs te maken, waarna ze besloot: dan eerst maar een geschiedenis van mijzelf.

In elf hoofdstukken voert ze dit voornemen uit. De hoofdstukken zijn afwisselend persoonlijke geschiedenis, voornamelijk op het Indische eiland Java, en theorievorming over het waarom van schrijven, over kritiek, levensfilosofie, hoe te schrijven met het eeuwige huishouden en met kinderen om je heen. Het mooie van dit boek is dat het briljant mislukt is. Haasse schrijft en formuleert ongelooflijk goed, denkt gestructureerd, heeft een werkelijk formidabele eerste 20 jaar van het leven om uit te putten.  Maar de ijzeren afwisseling geeft aan theorie teveel ruimte, en in de theoretische beschouwingen is ze de helft van de momenten echt authentiek slim, de andere helft gaat ze verkeerd om met geleend materiaal, naar mijn smaak dan. In de autobiografische delen geeft ze zelf ook heel mooi haar eigen beperkingen aan: ze is een braaf meisje en heeft zich nooit iets afgevraagd over wat ze daar eigenlijk deed in Indië.

Ik noem dit briljant mislukt om dat je het boek met de beste wil van de wereld niet geslaagd kunt noemen. Geslaagd als wat dan? Maar het boek is bijzonder, en steeds interessant, en formidabel geformuleerd. Er wordt te weinig briljant mislukt tegenwoordig. En, wat de belangrijkste kwaliteit is: het boek zet aan tot denken, en toont zijn zwaktes, maar die doen aan het boek niet af. Ik wil elke schrijver die mij erom vraagt een exemplaar cadeau doen. In de hoop dat ze ook eens briljant willen mislukken. Mailt u mij maar.

Tirade – deelt uit.

 

(‘give people little presents, so they will remember you‘ uit Songs for Drella, John Cale,Lou Reed)

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.