Je bent geweldig

Je bent geweldig – Maria Barnas

Je bent maar tweeëndertig en als je een stap
vooruit maar achttien zeventien richting
de deur nog maar elf centimeter geweldig

 

Een tijd geleden las ik dit gedicht en het bleef me bij. Het is een kort gedicht, maar je kunt het toch op vele manieren lezen. Eigenlijk las ik het altijd als een vrolijk gedicht, een gedicht dat gaat over iemand die een eindje wegloopt en steeds kleiner wordt, dat is geweldig, dat perspectief zo werkt, kijk je lopen, zo leuk. De eerste tien keer dat ik het las stond er in mijn hoofd dan ook een dash tussen ‘centimeter’ en ‘geweldig’. Dan krijg je: “Je bent maar tweeëndertig en als je een stap / vooruit maar achttien zeventien richting / de deur nog maar elf centimeter – geweldig”. Maar dan kun je het nog steeds op twee manieren lezen. De schrijfster van het gedicht kan het namelijk ook geweldig vinden dat de ‘je’ steeds kleiner wordt: fijn dat je weggaat. Of misschien is het wel een enigszins sarcastische ‘geweldig’ op het eind – echt gewéldig hoor, dat je ‘m smeert. Dat maakt het voor mij een nog veel grappiger gedicht.

Maar de meest logische lezing is natuurlijk dat ‘je’ steeds minder geweldig wordt. De schrijfster wordt dan door iemand achtergelaten, ondergaat dat. Daar ga je, je wordt steeds kleiner, je bent geweldig, maar je bent het steeds minder. Het is eigenlijk wel prima dat je weggaat. Dat maakt het een droevig gedicht. Want het is heel droevig als een geweldig iemand van je weggaat, en nog droeviger als ze dat doen door steeds minder geweldig te worden. Maar de leestekenloosheid maakt dat ik het niet droevig lees, maakt het venijniger, of misschien wel paniekerig: oh help, je gaat dus weg. Daar moet ik iets van vinden. Nou laat ik het dan maar geweldig vinden. Tegelijkertijd is de titel heel lief, en dat maakt dat mijn definitieve lezing is dat de schrijfster de ‘je’ niet meer geweldig wil vinden, want je gaat weg, en tegelijkertijd: je bent het nog wel. Geweldig.

Maar ik heb een klein onderzoekje gedaan onder vrienden en familie om te kijken hoe zij het lezen:

 

– ZUSSIE
– HEY BABE
– HOE IS HET?
– TOP. KUN JE ME EVEN VERTELLEN HOE JIJ DIT GEDICHT VAN MARIA BARNAS LEEST?
(…)
– Gaat het over een kind?
Dat net kan lopen?
Want dan past dat geweldig
– het gaat er toch gewoon om dat als iemand steeds verder wegloopt hij kleiner wordt 
– Ja, dat is zo
Maar waarom lijkt het eerst om leeftijd te gaan?
Dat dacht ik
– oh
nee dat dacht ik niet
– Ik denk dat Maria 
– (…)
– (…)
– … je denkt dat maria?
– dronken in een bar zat
in Berlijn
en dat ze met haar vingers
een kader maakte
met haar handen
om iemand heen
die naar een deur liep, vele meters verderop
en dat ze zag dat hij of zij kleiner werd
– had ik al verteld dat ik dit ging gebruiken voor mijn tirade stukje morgen?

 

– ha papa
ben je er? ik heb een vraag
– Vertel
– hoe zou jij dit gedicht interpreteren:
(…)
– Ik kan hier moeilijk me concentreren ik zit in een vergadering
Wat denk je zelf?
– je kunt er toch wel iets over zeggen?
en waarom zit jij te facebooken in een vergadering?
– Hallo
Hier ben ik weer
Ben je er al uit?
– ik vroeg het aan jou…
– Hoe verder, kleiner hoe mooier/beter
– kun je dat uitleggen?
– Spreekt voor zich
– nee. vertel eens meer?
– Heb jij me nog nodig, ik moet gaan koken
– ja, je moet meer uitleg geven
– Afstand speelt een rol
– ok
dank
dat was
zeer verhelderend
wat ga je koken?
– Iets wat ik nog niet eerder heb gemaakt
Iets met kip en tomaten

 

– taylan, hoe lees jij het? dat vraag ik me al heel lang af. ik lees het met een streepje tussen centimeter en geweldig, dus: nog maar elf centimter – geweldig. maar je kunt het ook lezen alsof de ‘je’ steeds minder geweldig wordt, en dan is het opeens geen lief gedichtje meer.
– Ja ik denk ook het laatste
of ‘ook’ 
niet ook dus
het klinkt als iemand die aan het vertrekken is
– ja eigenlijk is het in die lezing wel mooier
want dan heeft het gedicht veel meer betekenis
en ook het woord ‘deur’
– ik snap die ‘maar’ niet in het begin
misschien is het perspectief
want ‘je’ wordt steeds kleiner
– ja, dat leek me evident
– ja ik weet het niet
ik probeerde het te lezen alsof er niet iemand anders bij is
– hoe bedoel je? dat begrijp ik niet
– dat perspectief betekent alleen iets als er nog iemand is
vanuit wiens gezichtspunt je telt
– ja, dat is toch het gezichtspunt van de schrijfster
en die ziet iemand weglopen
– ja maar dan krijg je
dat ‘je’ al met zijn of haar rug naar de verteller toe stond
want ‘je’ stapt vooruit
– ja
dat is toch altijd zo als iemand wegloopt
er is nog nooit iemand achteruit van mij weggelopen
deden ze dat maar! dan kon je ze tenminste nog boos aankijken
– ja maar het is dus alleen het weglopen
alleen die beweging
niets ervoor
11 centimeter is klein he
misschien is het een dog
– hahahaha ja
je bent geweldig

Birres bankje

Ons oude bankje stond op doorzakken. Het was onveilig geworden om er met twee volwassenen, een manneke en een middelgrote hond op te zitten, en dus vertrok ik op een vroege morgen met mijn schoonvader naar de houthandel in de westelijke havens. 

Pim was nog wat aangeslagen door de lelijke groef die zijn jongste dochter bij het uitrijden van een parkeergarage in de flank van zijn nieuwe witte busje getrokken had, maar in de houthandel lagen grote stapels ruwe planken en er waren rokende mannen met cirkelzagen, waardoor hij zienderogen opklaarde.

Zingend liepen we langs de bergen merbau en meranti naar de afdeling grenen/vuren, waar ik mijn hout keurde door met één oog langs de lengte van de planken te turen zoals ik mijn meubelbouwende vriend Lourens had zien doen. Ik vroeg me af of het er stoer uitzag en schaamde me daar weer voor. Een echte man zou ik wel nooit meer worden. Echte mannen deden dit soort dingen zonder daarbij meteen zichzelf belachelijk te hoeven vinden. 

Steeds harder zingend – we speelden tenslotte sjouwers – laadden we het busje vol. We stapten in, draaiden de raampjes naar beneden zodat we onze arm naar buiten konden laten hangen en reden het terrein van de houthandel af op weg naar de Karthuizersdwarsstraat. 

Die middag lag de stoep vol krullen en afzaagsels. Met duur gereedschap (ik heb alles van A-merken) dingen maken van blank hout geeft eenzelfde gevoel als met een nieuw Stanleymes door een vel geschept papier snijden, als een perfecte vergelijking op de juiste plek in een zin laten zakken, als een hele rib eye portioneren voor twintig man en exact uitkomen, inclusief het kontje voor Otis de Hond. Laat ik het eens gewoon bij zijn naam noemen: het is heel erg fijn.

Onder mijn handen groeide het bankje. Het werd er een met twee kleppen, zodat onze stoeltjes erin zouden kunnen, maar ook Nadims wandelwagen en Otis’ ballen en stokken. De buren kwamen allemaal kijken, knikken en zeggen dat het mooi werd. Toen het tijd was om te lijmen en schroeven durfde ik zelfs mijn tool belt om te doen. Niemand lachte.

Aan het einde van de middag riep ik Birre erbij. Met Otis op haar hielen kwam ze van de trap.

‘Ga maar zitten,’ zei ik, en haalde nog even een hand over de zitting om te voelen hoe glad ik hem geschuurd had, ‘Otis ook.’

Ik deed een paar stappen naar achter om naar mijn werk te kijken en besloot dat de dingen soms echt op hun plek leken te vallen. Hier stond het bankje waarop Birre op warme zomeravonden zou wachten tot ik uit mijn werk kwam; waartegen Nadim en zijn vriendjes hun fiets zouden kwakken voordat ze de trap opstormden om te komen eten; waarop mijn hele gezin eindeloos boekjes zou zitten lezen zo gauw het weer het maar een beetje toeliet.

Zonder erbij na te denken had ik het bankje gebouwd waarop Otis de Hond oud zou worden, grijs zou worden, en op een gegeven moment ook dood zou gaan. Ik werd er (om de dingen nog maar eens bij hun naam te noemen) een beetje verdrietig van, maar vond het ook heel mooi. Morgen, als de lak gedroogd was, zou ik BIRRES BANKJE op de leuning schrijven, in hemelsblauwe verf. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Moedige Hollanders

Bashar al Assad

Terwijl al jaren onze topmusical ‘Soldaat van Oranje’ de goegemeente hete tranen doet schreien – het is tenslotte een prachtige evocatie van Hollandse heldenmoed,  het strijden van een eenling  tegen een bezettingsmacht – vindt 38% van de autochtone Nederlanders  dat Syriëgangers die terugkeren naar Nederland potentiële terroristen zijn,  43% van de autochtone Nederlanders heeft hier geen uitgesproken mening over. Verder is 43% van de autochtone Nederlanders van mening dat de Nederlandse nationaliteit van teruggekeerde Syriëgangers moet worden afgenomen.

In Syrië is de regering van Assad bezig gericht de eigen bevolking om te brengen. Wanneer je als Syrische Nederlander vindt dat daar internationaal gezien te weinig aan gebeurt, heb je weinig keuzes. Je kunt via skype of sms je oom en tante veel succes wensen, of je kunt gaan vechten. Maar dan moet het je wel lukken de goede partij te vinden daar.

Hazelhoff  Roelfsema zou dunkt mij in die situatie kiezen voor dat laatste. Maar Nederlands internationaal denken is geïmplodeerd. Een illegaal in Nederland verblijvende buitenlander is ook volgens de PvdA illegaal. Jan Pronk trok zijn conclusies en gaf aan niet langer meer tot zijn club de PvdA te willen behoren.

Ik lag ooit in een Zuid-Amerikaans zwembad toen de oude heer Max van der Stoel (PvdA) in een zwembroekje datzelfde zwembad in klom. Vanuit een hoekje heb ik bekeken hoe waardigheid eruit ziet. Van der Stoel was een vertegenwoordiger van de Nederlandse intelligentsia die van mening was dat we ons met het buitenland dienen te bemoeien.

Hemingway schreef: ‘Courage is grace under pressure’. Van der Stoel en Pronk, maar ook heel andere grootheden als J.L. Heldring en André Spoor waren van mening dat de Nederlandse politiek naar buiten moet kijken en niet slechts naar binnen gericht dient te zijn.

De ogen deppen bij ‘Soldaat van Oranje’ aan de ene kant,  oordelen over Syriërs die vechten tegen een moordend bewind aan de andere kant, is een vals onderscheid aanbrengen. Voor naar een musical gaan is geen moed nodig. Of het moest zijn om je te weer te stellen tegen zoveel wansmakelijkheid, en tegen het akelige gevoel dat voor de gemiddelde Nederlander moed iets is uit een ver verleden.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Angst voor de angst

harbour1Twee weken geleden belandde ik na een zeiltocht per ongeluk in het stadje Lowestoft aan de Engelse kust. Het is niet een plek waar een mens graag belandt. Terwijl we de haven binnenvoeren en ik de grauwe huizen op de kade zag staan, had ik het liefst onmiddellijk weer rechtsomkeert gemaakt. Maar het stormde op zee en wegvaren was geen optie. Voor minstens een dag en een nacht zaten we vast in Lowestoft.
            Onze bedoeling was om van IJmuiden naar Londen te varen maar door de zuidwestenwind haalden we dat niet. Windkracht zes blies ons naar dit deprimerende stadje en we konden er niets tegen doen.
            Terwijl ik met een paar lotgenoten van de boot stapte en op zoek ging naar een pub, dacht ik eraan hoe het zou zijn om op dat moment door Londen te lopen. Hoewel ik de charme van Londen nooit heb ontdekt, en eigenlijk ook niet zo goed begrijp waarom mensen erheen zouden willen gaan, leek het me in vergelijking met Lowestoft zoiets als een walhalla.
            Op straat was nagenoeg niemand te bekennen. We struinden langs het verlaten station, door de verlaten winkelstraat en over een verlaten stadsplein. Veel winkels en cafés stonden te koop. Veel gebouwen waren bouwvallen geworden of stonden leeg. Twee keer liepen we een pub binnen maar daar was verder niemand te bekennen, zelfs geen personeel, dus we liepen maar weer naar buiten. Uiteindelijk bleek The Harbour Inn, inderdaad tegenover de haven gelegen, nog de beste plek om het uit te houden in Lowestoft.
            Tijdens mijn zoveelste regional ale, die me moest helpen vergeten dat ik hier was, dacht ik aan Gerard Reve die in de jaren tachtig aan deze zelfde Engelse kust, maar zuidelijker, een huis had. Het heette Sea View maar die naam moest met een korreltje zout genomen worden, aldus Nop Maas in zijn Revebiografie. ‘Volgens logés was slechts vanuit één vertrek, met enige moeite een heel klein stukje zee te zien.’

Pas afgelopen week realiseerde ik me dat er een tijdje geleden in Tirade een stuk stond van Joris van Casteren over ditzelfde gebied. Het gaat daarin ook over Lowestoft, of eigenlijk over hoe hij nooit in Lowestoft aankwam.
            ‘Het glas van Casanova’ is een verslag van een fietstocht die Van Casteren samen met zijn driejarige dochter maakte langs de kust van het graafschap Suffolk. Aanleiding is het boek De ringen van Saturnus van W.G. Sebald. Van Casteren gaat op zoek naar de locaties die erin beschreven worden. Hij is met name door Sebald gefascineerd vanwege diens verlammende angsten. Die werden door ogenschijnlijk onbeduidende voorvallen geactiveerd en deden bij Sebald de vrees ontstaan om voorgoed het verstand te verliezen. Van Casteren herkende dat. ‘Angst voor de angst was vrijwel permanent aanwezig,’ schrijft hij. ‘Sebald raakte tijdens zijn omzwerving door Suffolk verschillende keren in de hoogste staat van paniek. Ik hoopte op een helende werking als ik de plaatsen zou aandoen waar zijn angsten zich hadden voorgedaan.’
            Een van die plaatsen was Lowestoft. Sebald verorberde er een vis, staat in het stuk van Van Casteren, die ‘beslist al jaren in de diepvrieskist begraven had gelegen’. In het stadje woonde vroeger Frederick Farrar, een vriend van Sebald, die met een aansteker, tijdens een wandeling door zijn tuin, zijn kamerjas en daarmee zichzelf in brand had gestoken.
            Van Casteren hoopte het huis van Farrar te zullen vinden maar hij kwam nooit in Lowestoft aan. Het weer was slecht en zijn dochter lag te verkleumen in het zitje. Uiteindelijk strandden ze in East Bergholt, even onder Ipswich, nog een heel eind van Lowestoft vandaan. Het radeloze van deze mislukte fietstocht langs de kust van Engeland wordt erg mooi beschreven. ‘Terug in Amsterdam,’ schrijft Van Casteren, ‘besefte ik dat ik dieper dan ooit in Sebalds universum was doorgedrongen.’

Dichters, denkers, kunstenaars – They’re simply plundered for slogans

dead poetsA believable family has seemed as hard to get on film as a believable intellectual or university classroom (difficulties no doubt magnified by the backgrounds of the people who used to make movies),’ schreef Stanley Cavell in 1971 in The World Viewed, reflections on the ontology of film*.

Voor wat betreft het verbeelden van het gezinsleven – families, samengestelde families – heeft Hollywood/hebben de independents de afgelopen vier decaden vorderingen geboekt. Maar kun je hetzelfde beweren over het adapteren van de levens en ideeën van intellectuelen, kunstenaars en wetenschappers?

Vaak geldt, wat mij betreft, ongeveer wat de onlangs overleden filmcriticus Roger Ebert over Peter Weir’s Dead Poets Society (1989) schreef:

The film makes much noise about poetry, and there are brief quotations from Tennyson, Herrick, Whitman, and even Vachel Lindsay, as well as a brave excursion into prose that takes us as far as Thoreau’s Walden. None of these writers are studied, however, in a spirit that would lend respect to their language; they’re simply plundered for slogans to exort the students toward more personal freedom. At the end of a great teacher’s course in poetry, the students would love poetry; at the end of this teacher’s semester, all they love is the teacher.’*

Films maken is duur. Om de investeringen terug te verdienen moeten zoveel mogelijk mensen een film kunnen waarderen. Daarom gaan publieksfilms over ‘mensen’ en over menselijk drama, zelden over ideeën. Hoe herkenbaarder, hoe beter.

Hoge cultuur kan lage cultuur absorberen, pasticheren, parodiëren en becommentariëren, maar lage cultuur kan alleen maar lenen van hoge cultuur. Lenen en versimpelen, populariseren.

Het grote publiek bewondert graag – bewondering is het proces waarbij je je verantwoordelijkheid overdraagt aan je idool, hem of haar het werk laat doen dat je zelf zou moeten opknappen en waarbij je dankzij identificatie meedeelt in de triomfen en successen van dat idool.

Het opwekken van herkenning en bewondering vormt ook de artistieke kern van de biopic over Hannah Arendt die nog in de bioscopen draait.

Ik zag de film een week of vier geleden. En ik had een prima avond – vooral dankzij de art direction. Hoewel Hannah Arendt als filosofisch, hagiografisch/biografisch of cinematografisch werkstuk niet zoveel voorstelt – ik betrapte mezelf zelfs bij herhaling op observaties als: ‘lamswol en borsten… wat is dat toch een mooie combinatie’  – valt het met de persoonsverheerlijking in HA best mee. Best is dan: relatief. Voor het genre van de biopic.

Alle duiding, discussies, analyses en pathos in Hannah Arendt zijn aan mij niet besteed – om over scènes van Hannah met haar leermeester en minnaar Martin Heidegger vooral te zwijgen – en eigenlijk was ik helemaal niet van plan iets over de film te schrijven.

Maar uiteindelijk blijkt er toch één sequentie in mijn goudzeef te zijn achtergebleven:

En dat is die waarin Hannah van haar werkkamer naar de hal loopt omdat haar man hun appartement (NYC) wil verlaten zonder haar ‘een kus of knuffel’ te geven. Nu Hannah hem daarvoor – bij de voordeur – speels ter verantwoording roept, voert hij ter verdediging aan dat hij haar niet wilde storen in het werk aan haar artikelen/boek over het Eichmannproces (dat zij in 1961 bijwoonde in Jeruzalem). Zij antwoordt: ‘Zonder kus kan een filosoof niet denken.’

En de zaal denkt: zonder kus kan niemand denken. Zonder liefde is de aarde een onbewoonbare planeet.

Maar als het goed is wist je dat al voordat je de bioscoop inliep of voordat je door dit stukje begon te scrollen.

Hé… zit ik hier nu zonder dat ik het zelf in de gaten heb verdomme een pleidooi voor tuttigheid te houden?

Tijd om te moven.

De zon schijnt: ik peer ’m.

Tirade – wat nou slogan?

 Soundtrack: ach, donder toch op met je ‘soundtrack’.

 Volgende week: bagagedrager met appelboompje – over het verhuizen naar een nieuwe moestuin.

hannah arendtOeps… de feiten nog even op een rijtje. Film: Hannah Arendt; Genre: hagiografie; Regie: Margarethe von Trotta; Eindoordeel: twee ongecontroleerd, want tijdens een hersenbloeding, omgemaaide zitkamerstoelen (2/5).

 *Stanley Cavell, The World Viewed, reflections on the ontology of film, Harvard University Press, Cambridge (VS)/London (GB), 1979/1971; p. 50).

 *Roger Ebert, I Hated, Hated, Hated This Movie, Andrews McMeel Publishing, Kansas City (2000, p. 89). 

Integriteitsverklaring

“Het hoofdbestuur wil er geen enkele twijfel over laten bestaan dat de VVD integriteit beschouwt als een sine qua non voor allen die onze partij vertegenwoordigen.”

Aldus Benk Korthals op het VVD-congres in Maarssen. Hij wil dat alle politiek actieve VVD’ers een integriteitsverklaring tekenen. Leden moeten er desgevraagd een beetje om lachen. Ze zien de verklaring vooral als een statement naar de kiezer. En ze hebben gelijk: integriteit is geen vaststaand goed, maar een oefening. Wie integriteit toezegt, kan alleen beloven om zichzelf voortdurend te toetsen, en dat is iets anders dan een resultaat-belofte. De sporter die zijn coach belooft om te winnen, kan alleen zweren dat hij zijn uiterste best zal doen en dat hij er keihard voor zal trainen. Zodra hij zijn succes wel 100% kan verzekeren, komen er fraude, doping of omkoping aan te pas.

Ook in de literaire wereld werd gister om een integriteitsverklaring gevraagd. Op Twitter ontstond een korte discussie (een korte Twitter-discussie: is dat een pleonasme?) over de uitreiking van de Jan Hanlo Essayprijs aan critica en schrijfster Marja Pruis, en dan vooral de integriteit van jurylid Xandra Schutte werd bevraagd. De literatuurwebsite Tzum lichtte een interview uit waarin Trouw aan Schutte vraagt of het niet vreemd is dat zij, als hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, een prijs uitreikt aan Pruis, medewerker van haar blad. Kan zij niet in een belangenconflict komen bij de jurering? Schutte: ‘Ik vind de vraag insinuerend, ik ga hier geen antwoord op geven.’

Later reageerde juryvoorzitter Margot Dijkgraaf:

 

Een antwoord dat volstaat, al had Schutte dit ook aan de krant kunnen vertellen.  

Daan Stoffelsen, winnaar van de Jan Hanlo Essayprijs Klein (en voor de wantrouwenden: dus niet onpartijdig jegens de jury) twitterde geheel terecht: ‘toch is de vraag idd insinuerend: hij spreekt een wantrouwen uit dat niet rationeel te weerleggen is.’ 

Integriteit is nooit 100% te bewijzen. Smaak is immers ook geen belangeloze bedoeling, een aangeboren gift. De kunstcriticus is altijd verstrengeld  – met zijn opleiding, achtergrond en kennis – en moet zich daarvan bewust tonen. Een bepalende sociale verwikkeling moet worden vermeden, zeker, maar er zijn geen vaste regels voor, er circuleert geen handboek OBJECTIVITEIT.

En dat is maar goed ook, want het is juist de voortdurende zelfbevraging en toetsing (‘Kan ik hier een oordeel over vellen zonder me tot iemand of een instantie verplicht te voelen?’) die de criticus scherp houdt. De schoonheid van kunstkritiek zit niet in statistische berekeningen of wetenschappelijk bewijs, maar in de menselijke maat. Wie dat ontkennen wil, ondermijnt het karakter van kunst. Zo’n krampachtige objectiviteitsdrift – het niet kunnen accepteren van een bepaalde mate van toeval en onvoorspelbaarheid – kan zelfs destructief zijn (denk aan Diederik Stapel, die menselijk gedrag wetmatig wilde maken). 

Februari dit jaar schreef rechtsfilosoof Iris van Domselaar een mooi stuk in de Volkskrant. Van Domselaar maakt zich zorgen over het gebrek aan professionele moed: de angst om uit het systeem te worden geknikkerd, is, zeker in tijden van crisis en een hielenlikken-cultuur, zo groot dat misstanden niet aan de kaak worden gesteld. Regels en sancties worden aangescherpt, maar dat werkt averechts: je ontneemt werknemers juist van hun eigen verantwoordelijkheid.

Het is in or out, erbij of eruit, en met smaak geldt dat vaak ook, natuurlijk. Maar zijn zelfkritiek en professionele moed daarom niet één van de belangrijkste kenmerken van de kunstcriticus? In Nederland bestaat er nauwelijks een elite of voorhoede, of dat nu de literaire of bancaire is, waarin prominenten elkaar niet op allerlei borrels en uitreikingen treffen. In Amerika floreren filosofen als gangsters in hun westkust versus oostkus fitties (Lakoff en Chomsky vochten een linguïstieke oorlog), maar in Nederland kennen we die luxe van geografische afstand en anonimiteit nauwelijks (alhoewel: bij Amerikaanse fitties kijkt de hele wereld mee, dat hebben wij weer niet).

In plaats van ineen te duiken en de onwennig koude lucht boven het maaiveld te vermijden, moeten we die voortdurende nabijheid van elkaar als een uitdaging aangrijpen: het eist een oefening in professionele moed, integriteit, soevereiniteit en zelfkritiek. Wanneer we als sine qua non voor elkaar gaan bepalen wat wel en niet kan, door bijvoorbeeld regels op te stellen (recenseren mag tot twee handdrukken van je verwijderd, Facebookvrienden zijn verboden…), ontnemen we onszelf van de verantwoordelijkheid die het menselijk handelen van machinale reproductie onderscheidt. Het soort handelen, soms schimmig soms mystiek, dat de kunstkritiek mogelijk maakt.

‘Het hoofdbestuur wil geen enkele twijfel laten bestaan…’, zegt VVD’er Korthals. Met Kus me, Straf me heeft Marja Pruis de Jan Hanlo prijs gewonnen, juist omdat ze in deze bundel ‘over lezen en schrijven, liefde en verraad’ een voortdurend ‘zelfonderzoek’ aangaat en de twijfel laat bestaan.

 

Joni

‘Kan ik niet meer naar luisteren,’ zeg ik wanneer een vriendin van mij over ‘A Case of You’ van Joni Mitchell begint. Meteen werpt ze tegen dat dat nummer met mij is vergroeid – wat waar is – maar ik houd voet bij stuk. Dat lied is me tegen wil en dank overkomen en de haat-liefdeverhouding die ik ermee onderhoud is naar het negatieve doorgeslagen. Eigenlijk heb ik van heel de plaat Blue mijn bekomst.

Het werk van Mitchell bestaat uit ogenschijnlijk eenvoudige nummers die vaak in harmonie en ritme volslagen onnavolgbaar zijn. Haar teksten zijn niet des popmuzieks zo goed en haar oeuvre kent een ontwikkeling die de populaire muziek vanaf de jaren zestig samenvat. Er zijn maar weinig muzikanten die zulke ingenieuze en tegelijkertijd toegankelijke songs schrijven. Mitchell is a lady for all seasons: je maakt iets mee en zij zingt er een liedje over. Dat is precies wat er zo verraderlijk aan haar is.

Het is mij opgevallen dat Mitchells muziek, zelfs zoveel jaar na dato, van hand tot hand gaat via mond-tot-mondreclame, of beter gezegd: mond-op-mondreclame. Ze dringt zich volgens mij altijd op tijdens opbloeiende liefdes. Zangeres en bewonderaar Charlie Dée verklaarde ooit in DWDD dat ze in aanraking kwam met Mitchell door een cassettebandje dat ze van een beminde had gekregen. Het bevatte onder andere het nummer ‘The Dry Cleaner From Des Moines’, dat alle kanten op schiet. Ze werd verliefd op dat nummer in plaats van op die jongen. Ikzelf kende vagelijk het album Blue toen mijn fascinatie voor Mitchell losbarstte doordat degene die ik liefhad een verstokte Mitchell-adept was. Vanaf dat moment luisterde ik alles wat ik in handen kon krijgen, te beginnen met haar eerste albums – werk van meer dan dertig jaar oud.

Mitchells werk grijpt echter nog steeds om zich heen als een gevaarlijk, ongeneeslijk virus. Een vriend van me besmette er per ongeluk zijn minnares mee, en zo kwam zijn overspel aan het licht. Lang geleden heb ik, vrijend op de bank, Blue doorgegeven aan een nieuwe geliefde. Het onverbiddelijke einde van die relatie lag besloten in zinsneden als ‘Just before our love got lost…’ en ‘If you want I’ll be in the bar’ (zinsneden uit ‘A Case of You’). Na de breuk kreeg het lied door iets anders een nog wrangere bijsmaak, niet in de laatste plaats vanwege het refrein: ‘Oh, but you are in my blood / You’re my holy wine / You’re so bitter, bitter and so sweet’. Het is onverteerbaar dat er iemand rondloopt die daar waarschijnlijk hetzelfde over denkt.

‘Songs are like tattoos,’ zingt Mitchell in de titelsong van Blue. Bijna altijd zijn de songs van Mitchell tamelijk hardvochtige tatoeages, omdat je er niet een nachtje over kunt slapen voor ze worden gezet. Het is een feit dat ik mijn leven lang aan ‘A Case of You’ vast zal zitten. Om het Mitchell-virus en dat nummer te bevechten luister ik vanaf nu alleen nog maar naar Hejira. Ik blijf tenslotte een sentimentele romanticus.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Wat te doen in geval van tornado

Van de week raasde er een vreselijke verwoestende tornado door Moore, een voorstad van Oklahoma City. En ook in Kansas is het tornadoseizoen in volle gang. Dat is op allerlei manieren vreselijk, want er gaat van alles kapot, en er raken mensen onder het puin bedolven.

Toch hebben tornado’s ook altijd een betoverende en hypnotiserende werking op mij gehad. Ik vind het altijd een beetje een afknapper als een schrijver over zijn of haar dromen schrijft (laten we eerlijk zijn, iedereen droomt wel eens iets poëtisch), maar zo heb ik al een aantal jaren een terugkerende tornadodroom. Het ene moment ben ik nog vrolijk met iemand in gesprek of zonder rijbewijs in een auto aan het rijden, dan kijk ik op, naar de horizon, waar opeens  de contouren van een  tornado verschijnen. Soms zijn ze zelfs met meerdere tegelijk, deze tornado’s, en ik ben hoe dan ook de rest van de nacht op de vlucht.

Dit is precies hoe het er uit ziet in mijn droom: http://www.youtube.com/watch?v=mK2Oq2uxRSE 

Vanochtend had ik een marathonsessie koffiedrinken met mederedacteur Martijn Knol en toen ik hem vertelde  over het onderwerp van dit stukje, wees hij er terecht op dat deze tornadodroom symbool staat voor het overdonderende succes dat Tirade te wachten staat, en dat ik enkel vlucht omdat ik nog niet zeker weet of ik daar wel klaar voor ben.

Maar hoe zou het zijn om niet te vluchten, om al dat geweld gewoon op je af te laten komen?
Mijn ervaring met angst (en ik vergelijk tornado’s graag met angst; het zijn angstige dromen) is dat als je haar laat komen, er niets van haar overblijft. Ze verschrompelt zienderogen voor je ogen en jij blijft achter als de kalme overwinnaar, hoewel met klamme handen. Maar in het geval van een tornado lijkt me dit geen al te beste strategie. Ik heb opgezocht wat je wel moet doen:

–          Bijf niet in een auto zitten
–          Als je in huis bent, ga dan naar de kelder en als je geen kelder hebt, ga dan op de begane grond onder een tafel zitten
–          Blijf uit de buurt bij ramen
–          Als je buiten bent, ga dan zo dicht mogelijk bij de grond liggen, liefst in een kuil of sloot

Maar zo’n tornado kan auto’s en koeien optillen en de lucht in slingeren, dus in dit laatste geval moet je maar net hopen dat je niet aan de andere kant van een weiland het prikkeldraad in geworpen wordt.

Hadden Martijn en ik het verder nog over het feit dat ik me soms lichtelijk schuldig voel omdat al mijn stukjes op deze site over mij gaan (er is best veel van mij, maar er is vast ook veel van jullie, dus dat spijt me) en over het feit dat je je (ik bedoel ik me) soms een beetje moet ont-ontwikkelen (oftewel ‘wikkelen’): in plaats van redelijk een vervelend gesprek aan te gaan, gewoon eens als wervelwind iemand zijn kuil uit te trekken en roepen: je doet het verkeerd.

Wie nog meer tips wil voor in het geval van een tornado, raad ik deze site aan. Het is eigenlijk altijd wel een goed idee: op de begane grond onder een tafel gaan zitten. Ook als je een nachtmerrie hebt. Ik kan het iedereen aanraden.

Modiano een Struldbrug

Man (Jacques Prévert) in mijmering verzonken, een herinnering zoekende?

Brugge is een dementievriendelijke stad. Nu is het verre van mij grappig te gaan doen over dementie, een kleinzoon zijnde van een grote, sterke man die op 83 jarige leeftijd al zijn haar en zijn spierkracht nog had, een formidabel postuur, maar nog 10 jaar door moest vrijwel zonder een enkele van zijn herinneringen. Een Struldbrug, zoals Jonathan Swift lang voor het munten van de ziekte dementie soortgelijke mensen beschrijft in Gulliver’s Travels: ‘They have no Remembrance of anything but what they learned and observed in their Youth and Middle age, and even that is very Imperfect. And for the Truth and Particulars of any Fact, it is safer to depend on common Traditions than upon their best Recollections.’

In Brugge zou winkelpersoneel getraind zijn beter om te kunnen gaan met mensen die de winkel betreden en vergeten zijn wat ze ook weer wilden kopen.

‘Toch heb ik niet gedroomd. Op straat betrap ik me er soms op dat ik die zin hardop uitspreek, alsof ik de stem van iemand anders hoor. Een toonloze stem. Er schieten me namen te binnen, gezichten, details. Niemand met wie ik erover kan praten. Er zijn vast wel een paar getuigen te vinden die nog in leven zijn. Maar die zijn waarschijnlijk alles vergeten. En uiteindelijk begin je je af te vragen of het wel getuigen zijn geweest.’

Ik ben zelf vergeten het hoeveelste boek van Modiano het is dat ik aan het lezen ben. Het gaat nu om Het gras van de nacht (vertaling Maarten Elzinga, uitgegeven door Querido) en ik weet ik niet goed meer of en hoe vaak ik de sensatie al had dat er iets niet helemaal klopt. Natuurlijk weten we dat Modiano op zoek is  naar de verloren tijd en dat hij daarmee in een goede Franse traditie staat. Maar de procedés waarmee Modiano zijn eeuwige herinneringen aan iets (wat? ) er gebeurde met iemand (wie?) en waar precies (ergens in Parijs) beginnen wat slijtageplekken te vertonen, maar misschien hoort dat er juist bij.

Waarom las ik ook al weer Modiano? Ik ben er aan gewend geraakt. Maar meer dan ooit lijkt het op de beschrijving van een mens in een stadium van beginnende dementie, je komt er eigenlijk niet goed achter wat de hoofdpersonages doen, wanneer precies en waartoe eigenlijk, pagina na pagina vult Modiano met verhullingen. Dat is misschien aantrekkelijk, ik las er niet voor niets reeds zoveel, maar de vrees groeit dat we naar niets op zoek zijn, dat het een kunstje is. Of mis ik iets? Zoals Thomas Kitwood, een Brits sociaal-psycholoog beschreef in zijn Dementia Reconsidered – waarin een pleidooi gehouden wordt voor het trachten iets te leren van mensen met dementie, eerder dan te proberen ze terug te halen onder de geestelijk gezonden: ‘Such people invite us to return to aspects of our being that are much older in evolutionary terms: more in tune with the body and its functions, closer to the life of instinct.’

Brengt Modiano ons dichter bij het leven en de functies van het lichaam, meer nabij het leven naar instinct? Ik vrees wel dat te leven in een Modianoroman mijn voorland is. Een zwart notitieboek met aantekeningen bij de hand, dwalend, door Brugge, Parijs, Amsterdam, of om het even welke stad. Wat deed ik hier ook al weer? Met wie? Wanneer precies?

 

(lees ook het fraaie stuk van Manet van Montfrans op Tirade over Modiano)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De toeschouwers van Calabrië

Ik kijk naar de Giro d’Italia. Op het moment dat ik dit schrijf is er een kopgroep vooruit, met meer dan vijf minuten voorsprong op het peloton en nog 70 kilometer te gaan. Er zitten twee Nederlanders tussen: Wilco Kelderman en Pieter Weening. Van allebei heb ik nog nooit gehoord.
            Er was nog even sprake van dat er een Nederlander om een podiumplaats zou strijden. Robert Gesink stond aan het einde van de eerste week nog derde, maar kreeg afgelopen zaterdag een ‘inzinking’ en verloor daarmee vier minuten op Vincenzo Nibali, de leider in de roze trui. Gesink is niet alleen een pragmaticus maar ook welbespraakt. Aan een journalist van nusport.nl vertelde hij: ‘Succes komt niet op bestelling. Het is niet zoals bij de Chinees: doet u mij maar een ritzege en een top tien-klassering.’
            Dat ik op een dinsdagmiddag naar de Ronde van Italië zit te kijken, komt door Dino Buzzati (1906–1972). Nadat ik zijn boek De woestijn van de tartaren had geleden, over de jonge luitenant Drogo die wordt gestationeerd in een verlaten fort en daar zijn leven lang niet meer vandaan komt, wilde ik alles lezen wat er van Buzzati vertaald was.
            Ik las een verhalenbundel, De betoverde burger, die ik erg goed vond, en een andere roman, Een liefde, die me tegenviel. Ik stuitte ook op een verslag van Buzzati van de Ronde van Italië. Buzzati was verslaggever voor de Corriere della Sera en kreeg in 1949 opdracht om artikelen te schrijven over de Giro. Meer dan drie weken lang reisde hij mee met de wielerkaravaan en deed verslag van het duel om de eerste plaats tussen de grote renners uit die tijd, de Italianen Fausto Coppi en Gino Bartali. De eerste won uiteindelijk.
            Interessant aan Buzzati’s verslag is dat hij als een volslagen leek over het wielrennen schreef. In zijn derde artikel voor de krant biechtte hij op: ‘Door allerlei omstandigheden die waarschijnlijk te maken hebben met de grillen van het noodlot – en het zou zinloos zijn daar nu nog over te gaan zeuren – heeft de man die op dit ogenblik de kroniek van de Ronde van Italië schrijft nog nooit een wielerwedstrijd op de weg gezien.’ Buzzati was toen in Palermo, waar de Giro van start ging. Voorafgaand aan de wedstrijd liet hij zich onderrichten door ervaren sportjournalisten. Een van hen vertelde dat het vooral ging om het eten ’s avonds. Volgens hem was de Ronde van Italië voor een journalist niets anders dan ‘een gastronomische pelgrimstocht door Italië van restaurant naar restaurant’.
            De andere collega’s waren serieuzer en gaven hem een spoedcursus wielrennen. Buzzati bleef echter een leek, en gelukkig ook maar, want juist daarom is zijn verslag zo fascinerend. Een van zijn mooiste artikelen was zijn negende, geschreven in Salerno, op 24 mei, ’s nachts. Hij maakte er een brief van, gericht aan de twee renners die om de roze trui vochten: ‘Beste Coppi en weledele heer Bartali, degene die u aanspreekt is inzake wielrennen een complete onbenul; hij weet niets van derailleurs en verzetten, hij heeft geen duidelijk besef van de koerstactiek en de afgelopen dagen is het wel voorgekomen dat hij, temidden van al die experts, zulke onnozele vragen stelde dat het bijna aanstootgevend was.’ Op deze manier gaat hij nog anderhalve pagina verder, tot hij uiteindelijk uitkomt bij de vraag: ‘Hebben jullie toen jullie door Calabrië reden, de mensen die jullie opwachtten goed gezien? Herinneren jullie je die duizenden en duizenden gezichten die krampachtig naar jullie toegekeerd waren, ongeacht leeftijd of beroep, boeren, herders, moeders, metselaars, kleine meisjes, monniken, carabinieri, afgeleefde oudjes, burgemeesters, ambtenaren, straatvegers, leraren, en die onafzienbare drommen kinderen?’ De rest van het stuk gaat over hen, de toeschouwers van Calabrië.

Dear Bunny, Dear Vladimir‘I don’t feel you have got away with this’

Vladimir Nabokov Het redacteurschap van Tirade heeft een round character van me gemaakt. Vroeger was ik vooral een meeloper… een watje… een jaknikker, slapjanus, slijmjurk… een ideale schoonzoon, zeg maar… een brave sukkel… nu ben ik, dankzij Tirade, veel harder… volwassener

Let op.

Tijdens redactievergaderingen bepalen we welke teksten Tirade accepteert en welke niet. Die uitkomsten moeten vervolgens aan de auteurs/inzenders worden meegedeeld.

Het is heerlijk om een (aankomend) schrijver te kunnen melden: ‘Wil je samen verder? Oe-hoe, oe-hoe.’

Maar afwijzen is de hel.

Daarom bedacht ik meteen op de eerste vergadering al iets heel slims:

‘We nemen gewoon alles op!’

De anderen legden uit dat Tirade daardoor, zelfs als we zouden overgaan op superdundruk, zo dik zou worden als een telefoonboek… Los van ‘t schuldgevoel jegens postbezorgers dat dat met zich mee zou brengen, zou het resulteren in een onbetaalbaar blad… en in een richtingloos blad… een onleesbaar blad.

Kiezen/selecteren:  dat is nou juist de taak van een redactie.

Oké. Fair enough.

Een ander, nog veel slimmer/eleganter plan dan:

‘We accepteren alle inzendingen, maar we komen onze beloftes gewoon niet na… Dus telkens als auteurs vragen: ‘wanneer verschijnt mijn tekst nou in Tirade?’ Dan zeggen we: ‘in ’t volgende nummer… in ’t volgende nummer… nee, in ’t volgende nummer… ’ Net zo lang tot ze het opgeven. Het groeiende leger ontevredenen dat je ermee creëert levert, nog afgezien van de administratieve last die het afhandelen van aanmaningen/herinneringen (lees: het afpoeieren) met zich meebrengt, ongetwijfeld een speciaal soort psychische druk op (alleen al de visioenen waarin de teleurgestelden op een nacht aan onze poorten staan te rammelen) maar daar leren we, neem ik aan, snel genoeg mee omgaan.’

Opnieuw keek ik tegen zes nee-schuddende hoofden aan (zeven als ik Gilles’ hond Otis meereken).

De conclusie die ik probeerde uit te stellen… de waarheid die ik voor me uitschoof: we moeten afwijzen… Afwijzen is onvermijdelijk…

Zelf heb ik nog nooit teleurstellingen te verwerken gehad, op geen enkel terrein, bij mij lukt altijd alles, maar ik heb van minder gefortuneerde fortuinlijke kennissen begrepen dat een teleurstelling echt iets vreselijks is.

Dus de eerste afwijsmail die ik moest versturen, daar deed ik een hele ochtend over… het voelde alsof ik een bom aan ’t afstellen was… bloedbad, burgerslachtoffers… Net voor ik op send moest drukken, werd ik zo misselijk en duizelig van schuldgevoel en angst dat ik mijn hele toetsenbord onderkotste – het kostte me een hele middag om met de achterkant van een theelepeltje de halfverteerde brokjes wortel tussen de toetsen vandaan te peuteren.

De tweede poging een afwijzing op te stellen leverde een bericht op waarin het ‘nee, sorry’ zo omzichtig was geformuleerd dat je vijf close reading sessies met een superloep moest houden om te vermoeden dat Tirade geen special ging wijden aan de beste tekst die de redactie ooit onder ogen had gekregen, maar dat integendeel, helaas…

Uiteindelijk (voor de rekenaars: poging drie) kreeg ik een eerlijk en ferm ‘nee’ uit mijn computer. Op het versturen volgde meteen, van opluchting, een hysterische lachkick… en meteen dáárop volgde een gigantische geestelijke terugslag…

Zo vrij naar Groucho Marx dat het eigenlijk zelfbedacht is: ik zou het niet pikken als ik door mij werd afgewezen.

Wie was ik wel niet een aankomend auteur zo zwaar en diep teleur te stellen? Om mezelf te straffen liep ik de dichtstbijzijnde saloon in, sloeg een glas stuk op de rand van de bar en gebruikte één van de glasscherven om, dwars door mijn cowboylaarzen en spijkerbroek heen, van mijn enkel tot mijn heup, een dikke snee in mijn vlees te kerven. Dat zou me godverdomme leren aspirantschrijvers pijn te doen, stuk zongebraden coyote dat ik was!

‘Waar komt die saloon nou opeens vandaan?’

‘Ik kan beter vragen waar jij opeens vandaan komt, mafkees.’

‘…’

‘Ga maar eens kijken of ze nog iemand kunnen gebruiken in de winkel van Pirandello.’

Waar waren we?

Een tijdschrift moet afwijzen. Dat is vervelend. Voor iedereen. Maar gelukkig valt niet uit te sluiten dat we ons een enkele keer vergissen. Uit onvermogen. Of omdat we de taste nog niet hebben acquired om een specifieke inzending te waarderen.

Mocht je ooit/recentelijk een afwijzing van Tirade hebben moeten incasseren, en mocht je ervan overtuigd zijn dat we ons pijnlijk hebben vergist, denk dan alsjeblieft aan die briefwisseling van Vladimir Nabokov en Edmund Wilson. Toen de tweede het manuscript van de grootmeesterlijke roman Lolita, dat de eerste hem had toegestuurd, had gelezen schreef hij (op 30 november 1954):

I like it less than anything else of yours I have read. The short story that it grew out of was interesting, but I don’t think the subject can stand this very extended treatment. Nasty subjects may make fine books; but I don’t feel you have got away with this. It isn’t merely that the characters and the situation are repulsive in themselves, but that, presented on this scale, they seem quite unreal. The various goings-on and the climax at the end have, for me, the same fault as the climaxes of Bend Sinister and Laughter in the Dark: they become too absurd to be horrible or tragic, yet remain too unpleasant to be funny. I think, too, that in this book there is – what is unusual with you – too much background, decription of places, etc. This is one thing that makes me agree with Roger Straus in feeling that the second half drags. I agree with Mary [Mary McCarthy, M.K.] that the cleverness sometimes becomes tiresome, though I don’t think I agree with her about the ‘haziness’ (I have suggested a few minor corrections on the MS) I wish I could like the book better.’*

Einde citaat.

Hoe ver is je mond opengevallen?

Vergissen is meesterlijk, blijkbaar.

 (Je kunt je mond nu weer dichtdoen trouwens – is ook leuker voor je partner.)

Maar de regel laat zich niet falsificeren door de uitzondering:

Pijn en teleurstellingen blijven onvermijdelijk.

En dat spijt me.

Oprecht.

 

Tirade – kiest om te delen.

Soundtrack: ‘Darling, you got to let me know… Should I stay or should I go?

Volgende week: de beuk erin.

* The Nabokov-Wilson Letters 1940-1971, Edited by Simon Karlinsky, Harper & Row (1979;p.288).

Wilt u dat ik op deze plek één van uw producten of diensten subtiel onder de aandacht breng van de lezers van Tirade? Neemt u dan vrijblijvend contact op met mijn literair agent, Paul Zeeprest. Gunstige tarieven! Positiviteitsgarantie!

Een soort strippoker

Vandaag ben ik jarig en ik wil dat we een spelletje doen. Het heet fenomenologische reductie en het lijkt op strippoker. De ware spelregels van Edmund Husserl zijn heel moeilijk, maar vandaag is het een feestje, dus doen we een light variant.

Stel je voor: je woont in het huis waar je nu in woont, maar op een andere plek. Ergens waar ze soms ook Duits of Vlaamspraten. Driehonderd meter verderop staat een huis dat op het jouwe lijkt en er wordt daar iets verkocht wat jij graag wilt hebben. Je hebt gewerkt en dus heb je voldoende geld en een paar uurtjes high in het weekend verdiend. Je groet de man of vrouw die in dat huis achter de toonbank staat wanneer je elkaar tegenkomt op straat. Toch mag je daar niets kopen. Dat bepaalt de wet. Want er loopt een onzichtbare grens tussen jouw huis en het huis waar ze verkopen, een grens die op een getekende kaart ligt vastgelegd, een grens die ervoor zorgt dat zij Nederlander zijn, jij Belg of Duitser.

Wanneer ik het woord ‘grens’ hoor knik ik hevig. Wanneer ik de ‘grenzen moeten dicht’ of ‘grensverdediging’ hoor, denk ik te begrijpen wat dat betekent. Maar grenzen zijn alleen acceptabel zolang ze abstract blijven, een woord van ver of een getekend stippellijntje. Wanneer iemand een grens trekt door de stad en deze vastlegt op een print-out van Google Maps, wanneer iemand een lijn zet door je straat, je achtertuin, je balkon of in je bed en zegt: u mag niet voorbij deze grens; voorbij deze lijn bent u geen volwaardig mens, wat doe je dan?* 

Tot zover het voorspel, de warming-up van de verbeelding. 

Husserl stelde zich een appelboom voor en vroeg zich af: wat blijft er over, op welke kern kom ik uit wanneer ik alle eigenschappen die niet alleen bij de appelboom horen, wegredeneer? Hout, rood, groen, groot – allemaal predicaten die ook van andere dingen (verschijningen) kunnen worden gezegd. Alleen het geheel van ‘appelboom’ is niet op iets anders van toepassing dan de appelboom.

Toch kun je de boom nooit in zijn geheel zien. Loop je er omheen, dan weet je nooit zeker of de andere kant op dat moment nog bestaat. Je mist altijd een deel van de werkelijkheid, maar kleurt deze zelf in. Niet het werkelijke object is voor Husserl van belang, maar de ervaring, aanblik en beleving ervan.

verjaardagstaartSchrijver Dimitri Verhulst wist deze week in Pauw & Witteman de kern van ‘de vluchteling’ aan te wijzen. Het ‘zijn verdomme wel mensen’, wierp hij Teeven en diens vluchtelingenbeleid in het gezicht. Op Twitter werd Verhulst gelauwerd voor zijn ‘intellectuele betoog’ waar Teeven toch niets van zou snappen. Verhulst verdient de veren, maar ‘intellectueel’ was zijn betoog niet. Integendeel, net als Husserl was hij niet op zoek naar een rationeel, beredenerende vorm van begrijpen, maar juist naar begrip dat direct uit de ervaring voortkomt – en het is precies die voorstelling van de werkelijkheid die Teeven vervaarlijk mist. 

 

De kaarten zijn geschud, de dobbelstenen geworpen.

De vluchteling, fenomenologisch gestript: zijn huis en land heeft hij al verloren. Ontneem hem nu zijn familie, zijn etniciteit, zijn werk, zijn sekse, zijn bezittingen, zijn verleden, zijn individualiteit en – oeps! – zijn waardigheid.

Nu u ontkleed: zonder huis, land, familie, etniciteit, werk, sekse, bezittingen, verleden, individualiteit en waardigheid. Wat blijft er van u over?

Precies. We zijn verdomme wel mensen.

Vandaag bepaal ik wat er gespeeld wordt, wanneer ik huilen mag – rechten voor één dag. Om 00 uur precies is dat, op afspraak, voorbij. Wie bewaakt die grens? Zet ik de klok telkens een uur achteruit, dan blijf ik eeuwig jarig.
Alleen Facebook verraadt dat er morgen drie anderen aan de beurt zijn.

Straks wordt er gezongen, iemand zet kaarsjes op de taart. Ik doe een wens en het is donker.

 

 

*(Garry Davis verscheurde zijn Amerikaanse paspoort en werd Wereldburger. Marjolijn van Heemstra maakte een voorstelling over deze man zonder grenzen, deze week nog te zien)

 

Moby

‘Waarom is bijna iedere stoere, gezonde knaap met een stoere, gezonde ziel in zijn bast er wel een tijdje wild van om naar zee te gaan?’ vraagt Ismaël zich af in het eerste hoofdstuk van Moby Dick.* Mijn hoofd staat er vandaag niet naar om daarover te filosoferen, maar gelukkig geeft Ismaël zelf een antwoord op die vraag: ruige jongens missen instinctief het water, want alleen daarin weerspiegelt zich hun ruwheid en ‘het niet te pakken spook dat leven heet’. Voor alle figuren in Moby Dick is het zilte nat de onontbeerlijke voorwaarde van het bestaan. Ik hoop dat collega Merijn tijdens zijn zeiltocht over de Noordzee iets van die ‘sleutel tot alles’ heeft mogen proeven – windkracht zes heeft daar ongetwijfeld aan bijgedragen.

Moby Dick is een van mijn lievelingsboeken. In mijn exemplaar zit nog steeds het zand van het strand waar ik het voor het eerst las. Het is een boek voor de lange adem: kapitein Achabs zoektocht naar de witte walvis wordt voortdurend onderbroken door uitweidingen over walvisvangst en zeilen. Dat verklaart wellicht waarom ik zoveel mensen ken die in Moby Dick gestrand zijn, maar wat mij betreft maken die vele digressies het verhaal over de jacht alleen maar spannender. Melville neemt gerust de ruimte om een catalogus van walvissoorten op te nemen. Passages waarin aan dek de pleuris uitbreekt door bijvoorbeeld een plotselinge storm geeft hij meestal verbatim weer. Voor overgehaalde landrotten (‘gaffel het tuig!’) is dat uiterst leerzaam.

Na de verhalen van Biesheuvel, die uiteraard doordrenkt zijn met Melvilliaanse wendingen, is het lezen van Moby Dick een logische stap. Het integraal opgenomen Toen wij uit Rotterdam vertrokken in ‘Storm op zee’ is slechts een geval van beheerste gekheid in vergelijking met hoofdstuk 40 van Moby Dick, waarin de voltallige bemanning een voor een aan het woord komt als ware het een toneelstuk. En dat in een storm op volle zee. Het hoofdstuk begint ook met een lied, dat ik hier (uiteraard) in zijn geheel weergeef:

HARPOENIERS EN MATROZEN
Vaarwel en tot weerziens, Spaanse liefjes!
Vaarwel en tot weerziens, liefjes uit Spanje!
De kapitein heeft bevolen…

EERSTE MATROOS UIT NANTUCKET
Hé jongens, niet zo sentimenteel; dat is slecht voor de spijsvertering! Neem een opkikker, doe als ik! (Hij zingt en iedereen valt in.)
De kapitein stond op het dek,
Een kijker in zijn hand,
En tuurde of hij zo’n heerschap zag,
Ze spoten bij ieder strand.
Hé jongens, de ton in de sloepen,
En houdt de brassen bemand,
Dan pakken we wel zo’n fijn geval,
Kom aan, hand over hand!
Koppen op, rug recht, laat de moed nooit zakken,
Want de harpoenier gaat de walvis pakken!

Misschien is waanzin de oplossing voor het raadsel van de aantrekkingskracht der zeeën. Op een schip heersen de grillen van de kapitein, daar kan geen matroos aan ontkomen. Er zit dus niets anders op dan mee te gaan in de onstuitbare tunnelvisie van de leidsman, het punt aan de horizon, Engeland, de witte walvis – wat het ook is. Wild zijn van de zee komt voort uit een verlangen naar ongestrafte bandeloosheid en het bezweren van angst, waar de hoge baren zich uitstekend voor lenen. In de woorden van Ismaël (begin hoofdstuk 41):

Ik, Ismaël, was een van die mannen; mijn kreten waren opgestegen met de andere, mijn eed was gelast aan de hunne, en ik schreeuwde harder en hamerde en beklonk mijn eed heftiger omdat ik inwendig bang was. Ik voelde een wild, duister medeleven; Achabs onblusbare vete leek de mijne. Met gespitste oren luisterde ik naar de geschiedenis van dat moorddadige monster tegen wie ik en alle anderen onze eed van geweld en wraak hadden gezworen.

 

* Vertaling van Barber van de Pol.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Een uitgestelde brief

Lieve David,

Inmiddels meer dan drie en een half jaar geleden schreef je me deze brief op dit blog, onze vriendschap was nog maar net begonnen. Ik heb nooit geantwoord, althans niet in deze vorm. Nu doe ik het alsnog. Er is zoveel gebeurd.

Ik schrijf dit vanuit de trein terug uit Berlijn, de stad waar je een tijdje woonde toen we wat minder contact hadden. Een ding waar ik zojuist over nadacht is dat we tegenwoordig veel opener zijn dan we waren, en daarom denk ik dat je het meeste van wat er de afgelopen tijd in mij om is gegaan wel weet. Het voelt dan ook gek om je dit te schrijven, omdat we elkaar dagelijks spreken – is er nog iets te zeggen? – maar soms is het goed om terug te blikken, de balans op te maken; dat doe ik de laatste weken erg vaak.

Zijn er nog meer feesten geweest? Ja. Soms ben ik bang dat het er teveel waren, dat we in onze eindeloze luidruchtige zoektocht naar liefde en veiligheid onze vlucht hebben gezocht in drank en te laat opblijven – niet zozeer om het nu, wat met jou altijd een prettige plek is om te verblijven, te vergeten, maar om onze verwachtingen voor de toekomst een tijdje te vergeten. Ik weet wel dat we allebei eigenlijk gewoon een gezin en een kind willen (niet voor niets vragen we elkaar drie keer per dag ten huwelijk), en hoewel wij de eersten zijn om nog terwijl we vertederd naar een peuter kijken te roepen dat dat Sad is, vind ik dit eigenlijk een van onze mooiste en puurste verlangens. Vaker echter denk ik dat het er precies genoeg waren, onze feesten, dat ze er waren op de momenten dat wij ze nodig hadden, en dat alles simpelweg een stuk minder zwaar wordt als je zo hard om jezelf kunt lachen dat de gin-tonic op verschillende plaatsen je gezicht uit spuit.

 Jij gaf mij een citaat van Sylvia Plath. Ik geef jou nu dit citaat van Susan Sontag dat ik sinds het begin van het jaar als toegangscherm voor mijn telefoon gebruik, en hoewel ik het je vast al eens stuurde, hier is het opnieuw: 

“I feel a sense of mastery, amid all the pain and anguish at being abandoned. A breakthrough of intelligence like this — perceptions not only verbalized, but spun into a long, searching, open-ended discourse — makes me know I’m alive and growing. It’s almost as great a source of vitality– of feeling palpably the sense of life in me — as being in love. I feel once again, and I rejoice, that I’m not busy dying — I’m still busy being born.”* 

Dat is hoe het voor ons is, of hoe ik wil dat het voor ons gaat zijn. We zijn nogal wat bang geweest de afgelopen drie jaren (het lijkt me evident dat wij aan de niet-coole versie van bindingsangst, namelijk verlatingsangst, lijden), maar als ik bedenk hoe we ondanks al die paniekaanvallen en mislukte liefdes enkel minder en minder cynisch zijn geworden (hoewel kritischer), dan kan ik alleen maar zeggen: but jesus, what brave losers we are.  Als ik jouw beschrijving lees van hoe wij drie jaar geleden waren en mijn eigen beelden daar bij oproep, dan denk ik dat het nu een stuk beter met ons gaat. Ik zie ons nog zitten op jouw zolderkamer: snobbistisch. Wantrouwend. Zacht gekookte eieren misschien, maar toch ook dat: arrogant. In ieder geval niet bereid om iets of iemand werkelijk toe te laten.

De trein rijdt verder, Hannover op drie uur. Toen ik 19 was wilde ik misschien nog de wereld in verdwijnen, nu voel ik die behoefte veel minder. Ik ben bovendien een slecht reiziger die snel heimwee heeft: hoewel het heel fijn en nuttig is om zo nu en dan een paar dagen je eigen leven te verlaten om eenzaam door een vreemde stad te zwerven, levert dit afstand nemen van je leven ook een confrontatie op met de hiaten die daar in zijn ontstaan. Ik wil dan doorgaans zo snel mogelijk terug om die krampachtig op te vullen.

Daarin lijk ik niet op jou. Jij hebt het de laatste tijd steeds vaker over weg willen gaan, elders opnieuw beginnen. Ik houd van die  mogelijkheid, maar het is een uiterste uitweg die ik eigenlijk niet denk ooit in te zullen slaan. Het is het sterkste maar ook het zwakste wat een mens kan doen. Opnieuw beginnen: sterk. Het oude achterlaten: sterk en zwak. Doen alsof het oude nooit gebeurd is: zwak. Ik wilde eigenlijk maar zeggen: niet weggaan.

Ik denk aan het Louis Nanet feest, zomerse fietstochten naar Holysloot, barbecuen bij mijn ouders, dronken worden in Limburg, de gouden boekenuil, onze mislukte vakantie, vreselijk boos op je zijn maar je vergeven, ochtenden lang over het Waterlooplein struinen, naakt mijn huisgenoot toezingen, tegen elkaar liegen, dat doorhebben, overal USB-sticks met jouw muziek er op vinden, zingend gehaktballen draaien, poëzieavonden waarop mensen denken dat we geliefden zijn, me daar heimelijk trots over voelen, je filmambities, mijn sportsweater met jouw parfum er op, foto’s maken bij min veertien, de medogenloze manier waarop we ons kunnen schamen, honderd keer roti eten, vijftig keer indonesisch, het hondje van je vader…

Ik vind het ontroerend hoe je steevast mijn gitaar pakt en willekeurig over de snaren slaat terwijl je de klanken van een Griekse volkszanger nabootst. Ik vind je mooi als je in een rommelige kamer zes documentaires uit een verhuisdoos trekt, die je allemaal aan het huilen hebben gemaakt. Ik vind je lief als je teveel bent, als je met een tas vol boodschappen op iemands stoep staat en de deur blijft dicht – ik hoop dat je nooit een andere manier zult leren. Ik hou van je als je zegt dat je mijn broer bent en blijft. Ik wilde eigenlijk maar zeggen: niet weggaan.


Het liefste,
Lieke

*Susan Sontag (ed. David Rieff) – As Consciousness is Harnessed to Flesh: Journals and Notebooks, 1964-1980, Penguin Books, p. 274

 

De vriendschap

Mijn vriend Arie vraagt met enige regelmaat waar zijn column blijft. Meestal verpakt hij de vraag subtiel.

Gil, zegt hij dan, je weet dat ik je enige écht interessante vriend ben. Waarom schrijf je nooit over mij?

Afgelopen maandag was hij jarig. Ik belde hem op terwijl ik met een map vol werk over de Constantijn Huygensstraat fietste, met Otis de hond op een drafje langszij.

‘Duitser!’ riep Arie. Ik zal altijd De Duitser blijven vanwege een kaartavond tien jaar geleden, waarop Arie vond dat ik te weinig risico nam en niet genoeg blufte. Dat ik inmiddels een snor draag helpt ook niet. ‘Ik zit te monteren. Wacht even, dan stap ik naar buiten.’

Arie maakt programma’s voor de televisie. Als hij niet in Amerika is, zit hij ergens in een donker hol te monteren. De geluiden van aansteker, vlam en de ontbranding van zijn sigaret drongen door het windgeruis en het verkeerslawaai. Otis wilde stoppen om te piesen; ik stapte af en liet de leiband vieren. 

‘Ik bel om je te feliciteren,’ zei ik. ‘En dan zal ik nu een lied voor je zingen.’

‘Doe maar niet.’

‘Lang zal je lév-‘

‘Doe maar niet. Het is beter voor iedereen als je niet zingt.’

Er kwam een jonge vrouw met een mottig teefje voorbij. Otis draaide rondjes om het hondje en verstrikte zijn riem in de hare. De jonge vrouw en ik deden de dans met de wenkbrauwen en het ophalen van de schouders. We lieten onze riemen vallen, gaven elkaar de anders riem aan. Ondertussen tetterde Arie verder over het item dat hij aan het maken was. Het begon te regenen: druppels die als ragfijne draden aan de lage hemel leken te hangen. 

Daar, in de regen op de Constantijn Huygensstraat, niet eens half naar Aries verhaal luisterend, werd ik overvallen door hoe vreselijk veel er veranderd is, de laatste jaren. Door hoe makkelijk het is om elkaar steeds minder te zien. Door waaraan we allemaal voorrang denken te moeten geven boven de vriendschap.

Ik dacht aan het gruwelijke ongeluk dat een goede kennis en zijn vrouw afgelopen weekend overkwam. Te gruwelijk om hier op te schrijven. Ik dacht aan mijn vrienden Arie, Boris en Gijs. Aan de drukke jongens die we samen waren; de moeie (en in het geval van Gijs dode) mannen die we geworden zijn.

‘Arie,’ zei ik. ‘Elkaar is alles wat we hebben.’ 

‘Wat zeg je?’

Ik had een afspraak, vanavond. Een al verzette, die al heel lang met rood in mijn agenda stond. Ze zouden het maar moeten begrijpen. Mijn wekker-in-peutervorm zou morgen weer om half zes gaan. Ik kreeg al koppijn bij het idee. 

‘Ik vroeg hoe laat ik vanavond bij je ga zijn.’

‘Neem je worst mee?’

‘Natuurlijk.’

‘Dan lijkt een uur of acht me prima.’

‘Vriendje, ik zal eens kijken wat ik kan doen.’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Drempelvrees

De handen van Dinu Lipatti op een Bechstein

‘The piano ain’t got no wrong notes’ zei Thelonious Monk al. Donderdag kocht ik een C. Bechstein piano. De Rolls Royce onder de piano’s,  zei mijn zwager, die wel heel goed pianospelen kan. Hij was meegegaan om ons te behoeden voor een totale miskoop.  Toen ik vroeg hoe hij speelde zei hij: ‘te grote schoenen’. Ik kon me er ook in al mijn onbekendheid met het instrument iets bij voorstellen. De Bechstein is gebouwd in 1900, zoals je kunt nazoeken op de site Wie alt is mein Bechstein. Een ouderdom die doet mijmeren over de reizen die de piano heeft afgelegd, de mensen die er in al die jaren op speelde. Het instrument is nooit gereviseerd, tot op de draad versleten, maar de klank is goed, romantisch. Toen mijn zwager een kwartiertje gespeeld had zei hij: ‘hoor je, hij komt er weer in, de klank groeit’.

Sinds het plan postvatte om gewoon vanuit het niets een piano te kopen en iets nieuw te leren zie, hoor en lees ik overal van alles over piano’s, pianospel  en -composities. In Jan Brokkens boek met de geweldige titel Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin drijft de lezer een betrekkelijk onbekende wereld in van de muziekgeschiedenis van de Nederlandse Antillen, en dan met name Curaçao. In 1999 werd in de Heilige Kruiskerk in Warschau een mis opgedragen om de honderdvijftigste sterfdag van Fryderyk Franciszek Chopin (1810-1849)  te herdenken. Er waren vertegenwoordigers van vele landen, een paar Fransen, redelijk wat Polen en paar Italianen, maar waarom waren er elf Antillianen, vroeg Brokken zich af toen hij een berichtje erover in de Süddeutsche Zeitung las. Het was het begin van een jarenlange zoektocht naar het antwoord. Het voerde hem langs de fascinerende geschiedenis van bijvoorbeeld de nu redelijk vergeten Louis Moreau Gottschalk (1829 – 1869), een Amerikaanse componist en pianovirtuoos die het Zuiden van de Verenigde Staten intensief bereisde, de Caraïben en ook Zuid-Amerika. Een geweldig kleurrijke figuur deze Gottschalk. Deze en andere musici die Brokken in het boek bespreekt, brachten Europese muziek in Caraïbische sferen en pasten de muziek aan: de standaard Poolse dansen werden in gewijzigde tempi typische Creoolse muziek. Creools in de betekenis van: vermengde culturen. Precies waarom de Caraïben zo interessant zijn, je vindt er cultuuruitingen (en mensen)  die gedeeltelijk lokaal Indiaans zijn, gedeeltelijk Afrikaans, Europees.  

Voor het werk van Jan Brokken voel ik nu hetzelfde als met betrekking tot mijn aanstaande kennismaking met de piano: drempelvrees. Ik weet dat als dit boek mij voldoende bevalt (ben nu halverwege) ik elke letter van de man zal gaan lezen. Die onderdompeling, daar schrik ik ook wat voor terug. De essentie van de fascinatie van Antillianen voor met name de mazurka’s van Chopin zou volgens Brokken er mede in liggen dat zij in hem zijn cultuurdiversiteit, cultuurvermenging herkenden. Chopin  had een Franse vader, die in Polen belandde, maar zijn zoon nooit Frans leerde spreken. Hij leerde de kinderen van zijn broodheren Frans en sprak thuis met Fryderyk Pools. Chopin is nooit van zijn zwaar Pools accent afgekomen. Vervolgens is hij – zelf eenmaal in Frankrijk beland – nooit meer teruggekeerd naar Polen. De Poolse dans maakt hij in Frankrijk salonfähig, en wereldwijd werd zijn cultuurvermenging erkend. Hij heeft zijn culturele verdeeldheid wel op een werkelijke ongelooflijke manier vormgegeven. Hij is begraven in Parijs, maar liet zijn hart uitsnijden en naar Polen brengen.

In het Stedelijk Museum draait de prachtige film Nummer veertien, home van Guido van der Werve.  Van der Werve legde ruim 1.500 kilometer af in een duizelingwekkende triatlon dwars door Europa. Hij rende, fietste en zwom de volledige afstand van het hart van Frédéric Chopin naar diens lichaam, filmde zijn prestatie en het landschap en componeerde er muziek bij. Voor deze film kniel ik dan weer op mijn beurt.

In de jaren ’40 nam Dinu Lupatti veel Chopin op, op een Bechstein, misschien wel op een Bechstein uit 1900, vervaardigd in Berlijn. Die toen nog niet voelde als te grote schoenen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Brommer op zee

Afgelopen weekend zeilde ik de Noordzee over. Niet gehinderd door enige zeilkennis of -ervaring. Maar gelukkig wisten mijn bootgenoten wat ze moesten doen. Ter voorbereiding had ik de Zeeverhalen van Biesheuvel gelezen, zodat ik niet helemáál onwetend de zee opging. Dit bleek een nuttige bezigheid, want bijvoorbeeld in het verhaal ‘Storm op zee’ geeft Biesheuvel een overzicht van de schaal van Beaufort. Hierdoor wist ik dat we na een verandering van de wind in een ‘stijve bries’ terechtkwamen. Biesheuvel: ‘Grotere golven beginnen zich te vormen. De brekende koppen doen overal grote witte schuimplekken ontstaan. Opwaaiend schuim komt vrij veelvuldig voor. De windsnelheid is nu ongeveer 25 tot 27 knopen.’ Van een ontspannen zeiltochtje was geen sprake meer.
          
Sowieso stond de overtocht behoorlijk in het teken van Biesheuvel. Er waren namelijk maar twee cd’s aan boord. Op de een was met stift geschreven: ‘Feel good IV’. Op de ander stonden verhalen van Biesheuvel, door de schrijver zelf ingesproken. Als we even geen zin hadden in ‘Feel good IV’, en als we gehypnotiseerd dreigden te worden door het eentonige geblaas van de wind en het ritmische ruisen van de zee, zetten we Biesheuvel op. Over het hele schip waren boxen verspreid, waardoor het feitelijk onmogelijk was om, als deze cd opstond, enige handeling te verrichten zonder dat Biesheuvel daarbij was.
          Op een gegeven moment ging ik ‘s nachts naar de wc,
 terwijl buiten windkracht zes de boot trachtte te molesteren en het grootste deel van de bemanning (al of niet brakend) in hun diagonale bed heen en weer rolde. De afspraak was dat we binnen en zittend zouden plassen, want mikken is lastig bij windkracht zes. Van het dek af was geen optie, want dan was de kans groot dat ik terug naar IJmuiden zou moeten zwemmen.
          Meteen nadat ik was afgedaald in de kajuit, werd ik tegen de keukenkastjes gesmeten. Ter bescherming tegen de kou had ik veertien kledingstukken aan: drie paar sokken, twee broeken, boxershort, drie T-shirts, drie truien, een jas en ten slotte een jollenbroek, een overall voor zeilers. Warm had ik het trouwens totaal niet. De wind blies overal doorheen. Om die rare jollenbroek uit te krijgen, moest ik eerst twee truien en de jas over mijn hoofd trekken.
En dat terwijl ik telkens naar de andere kant van de kajuit werd geslingerd. Toen ik daar dan eindelijk in was geslaagd, toen ik minuten later op de wc zat, terwijl de open deur tegen de muur kletterde en ik me moest vasthouden om niet terug naar de keukenkastjes te worden gegooid, klonk in die veel te kleine ruimte, midden in de nacht en midden op zee, de stem van Biesheuvel: ‘Toen ik achttien was was Sjaan zestien en had ze wonderlijk mooie benen. Mooie benen had Sjaan, ja Sjaan had mooie benen en ik kon er geen genoeg van krijgen…’ Het was behoorlijk vervreemdend. De schrijver sprak rustig verder terwijl ik de wc uit werd gelanceerd. 
            Toen ik boven op het dek weer plaatsnam achter het stuur (de automatische piloot stond aan) moest ik denken aan Biesheuvels beroemde verhaal ‘Brommer op zee’. Het gaat over de jongen Isaäc, ‘een aardige maar een beetje vreemde jongen’, die ‘s nachts op het achterdek van een schip staat. Vanuit de verte ziet hij een lichtje naderen en hoewel hij aanvankelijk denkt dat het ‘een wegloevend schip’ is, blijkt het een brommer te zijn die naar hem toe komt. De rest van het verhaal gaat over het gesprek tussen Isaäc en deze brommerbestuurder, die via de touwladder, ‘hop!’, het dek op rijdt. Biesheuvel: ‘De zintuigen kunnen ons bedriegen. Er zijn filosofen die beweren dat alles wat is, inbeelding is en het tegendeel valt ook niét te bewijzen.’
            Wat me tijdens deze oversteek nog het meest verbaasde was hoe druk, ook midden in de nacht, de Noordzee is. Voortdurend waren we bezig om andere schepen te ontwijken, ook al konden we ze soms alleen nog maar op de radar ontdekken. Overal waren kleine lichtjes te zien: van ferry’s, cruiseschepen, olieplatforms en vrachtboten. Terwijl ik koulijdend achter het vanzelf draaiende stuur zat en staarde naar al die lichtjes in de verte, kon ik goed begrijpen hoe deze zelfde lichtjes de fantasie van Biesheuvel hadden geprikkeld. Soms veranderde zo’n lichtje aan de horizon binnen een kwartier tijd in een reusachtige tanker. Andere lichtjes konden ineens verdwijnen, terwijl ze even daarvoor nog hadden gediend als oriëntatiepunt. Hoe meer ik naar die verplaatsende lichtjes keek, hoe psychedelischer het allemaal werd. Ik begon er bijna rekening mee te houden dat een van die lichtjes een brommer zou blijken te zijn.

Servicenummer – een ZKT

‘Afdeling Onoplosbare Problemen Met Patricia Waarmee Kan Ik U Van Dienst Zijn?’

‘Bzzz, bzzz, bzzz.’

‘Nee, het spijt me… daar kan ik u niet mee helpen.’

‘Bzzz, bzzz, bzzz.’

‘Nee, ook niet, mijnheer, dat is een No-Reply account.’

‘Bzzz, bzzz, bzzz?’

‘Dat kan ik u echt niet vertellen.’

‘Bzzz, bzzz, bzz!’

‘Nee: daarom is ons nummer namelijk afgeschermd.’

‘Bzzz!, Bzz!, Bzzz!’

‘Ook niet.’

‘…’

‘Kan ik misschien nog iets anders voor u betekenen?’

‘Bzzz!!!’

‘Dan moet ik dit gesprek nu beëindigen.’

‘BZZZ!!! BZZZ!!!’

‘Toch wens ik u een prettige dag mijnheer.’

 

Volgende week: eindelijk die meest onthutsende brief uit de recente literatuurgeschiedenis.

 

‘Wat is een ZKT?’

‘Een Zeer Korte Tekst.’

‘Is dat niet hetzelfde als wat die opa uit Klein Dochteren maakt?’

‘Nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!… dát zijn ZKV’s. Dit is iets Heel Anders!’

‘Ja, dat dacht ik al, ik wilde het alleen even controleren.’

 

Tirade – we schudden het zo uit onze mouw.

 

‘Je bent de soundtrack vergeten.’

Do you want to go to the plage* with me?

‘Ik dacht dat je ’t nooit zou vragen.’

‘Meen je dat? Of probeer je me gewoon in bed te lullen?’

 

duimpje723 mensen vinden dit leuk.  Dus jij moet het ook leuk vinden.

 

Ach, wat ontzettend jammer… ’t begon zo vrolijk en luchtig en nou gaat ’t toch weer kritisch eindigen… Het laatste woord is vandaag aan Vance Packard (The Hidden Persuaders, 1960/1957;p.196):

They [the psycho-persuaders of today, MK] are mostly decent, likeable people, products of our relentlessly progressive era. Most of them want to control us just a little bit, in order to sell us some product we may find useful or disseminate with us a viewpoint that may be entirely worthy. But when you are manipulating, where do you stop? Who is to fix the point at which manipulative attempts become socially undesirable?

Misschien kunnen je facebookvriendjes je helpen de antwoorden op Vance’s vragen te formuleren? Gebruik in ieder geval de begrippen ‘relaties’ en ‘instrumentele relaties’. Veel succes!

 * Over onoplosbare problemen gesproken: hoe cursiveer je een woord dat al cursief staat? Deze keer bracht het woordenboek een ‘narrow escape’: ‘plage’ is al zo ingeburgerd in het Engels (alleen te gebruiken in de context van ‘mondaine badplaats’) dat nadere cursivering niet aan de orde blijkt. Toch even stevig in spanning gezeten!

Wat is waanzin

‘Zeiden ze “Eet smakelijk”, dan dacht ik: ik heb aids! Zeiden ze “Je bent in de war”, dan dacht ik: er is oorlog!’ Taalkundige Wouter Kusters is gespecialiseerd in waanzin, maar verkeerde zelf ook twee keer in een psychose. Op de ‘Wat is wijsheid?’ avond afgelopen dinsdag in debatcentrum woorden in elkaar overlopen (eet-aids, war-oorlog), maar levert ook een soort extase en inzicht op.’ Je overschreidt dus letterlijk alle grenzen en conventies en verkeert gewoon, je bent.. Being, zijn, erzijn, zen, zoiets.

Toen hij dat vertelde, dacht ik aan de laatste roman van Esther Gerritsen. In Dorst hoort moeder Elisabeth steeds riedeltjes in haar hoofd hoort, echo’s van wat ze om zich heen denkt te horen. En wanneer haar dochter als kleuter in het ziekenhuis belandt, denkt ze niet aan bloed of zorgen, maar aan de tramlijnen, hoe die door de stad lopen. Pas in confrontatie met het ‘normale’ (een moeder moet zich zorgen maken om haar gewonde kind) worden dergelijke gedachten gek, maar wie niet waanzinnig genoeg is, ziet die conventies en gaat zich schamen. Precies op dat grensvlak manouvreren Gerritsens personages – de frictie die dat oplevert is pijnlijk en prettig in herkenbaarheid, maar rommelt vooral op ontwrichtende wijze met de vanzelfsprekendheid van ons doen en laten.  

Afgelopen donderdag zat ik bij een gesprek over religie en geloof in De Balie. DJ Isis was er ook. Zij vertelde over haar ‘All=1’-filosofie en hoe haar werk niet alleen uit plaatjes draaien bestaat, maar uit verbinding en het verspreiden van collectieve vreugde en samenzijn (God is a DJ). Dat vond ik wel mooi, al kun je je nergens zo vervreemd en alleen voelen als tussen mensen die een collectief lijken te vormen. We denken niet voor niets alleen van anderen dat zij er écht bij horen. Eenheid bestaat alleen dankzij de buitenstaandersblik die de eenheid opmerkt. Maar wie werkelijk ‘All=1’ ervaart er de buitenstaandersblik verliest, neigt naar de waanzin die Wouter beschrijft. Eveneens zei hij: ‘Een psychose is als een exotische reis naar een oorlogsgebied’. Wat maar weer bewijst dat het goede niet zonder het negatieve kan (en andersom), al klonk het ook een beetje als ‘de kater komt later’.

In de rubriek ‘zondagsgevoel’… vandaag zit ik met de kater van een volle week: grijze wallen en een schorre stem. Thematisch is deze week gekrompen tot een paar steekwoorden. Ging het dinsdag over waanzin, donderdag over geloof, vrijdag las ik een versie van mijn blog voor en kwam de oorlog weer naar voren, gister ging het in de Schouwburg over vervreemding en het gevaar van ‘jezelf zijn’ en de irreële en romantische illusie van innerlijke harmonie. Zonder verscheidenheid in jezelf is er geen beweging.

De dagen schuiven ineen. Alsof ik mijn brilletje even heb afgezet tijden het zien van een 3D film. De dieptelagen zijn over elkaar heen geschoven en vertroebelen het beeld tot een misselijkmakende waas. Vandaag zal ik de lagen uit elkaar trekken, zodat de dagen weer te tellen en te onderscheiden zijn, als de vouwen in een harmonica – ineen gedrukt maken kreukels geen muziek.

Amstel

Zou Tommy Wieringa wel gedoucht hebben na zijn nachtelijke sprong in de Amstel? De dag na de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs was hij te gast in Eye om een verhaal(tje) van Isaak Babel voor te lezen. Terwijl de ene helft van de zaal aan zijn lippen hing, raakte de andere langzaam beneveld door een zeker odeur, dat gelukkig niet kon opboksen tegen de halo van Babelvertaalster Froukje Slofstra.

Tijdens het interview hoorde ik een paar rijen voor me het gemor van een paar grijze koppen: ze vonden Tommy een behoorlijk over het paard getild mannetje dat de gelegenheid flink te baat nam om te geuren met zijn Babel. Voor iemand die waarschijnlijk enkele minuten voordien de waas van de binnenkant van zijn schedeldak had gepoetst, was hij verdomd goed in staat om verholen over zichzelf te spreken. Daarna had hij blijkbaar haast, stapte meteen op en kon eindelijk naar bed.

In de Amstel springen is voorbehouden aan een zeer select groepje schrijvers dat, voor zover ik weet, tot op heden bestaat uit twee personen. Een jaar of vijf geleden koos Beau van Erven Dorens al eens het ruime sop, ter promotie van zijn debuutroman Pijn. Beau wist die titel ruimschoots eer aan te doen door vanaf de Magere Brug plat op het water te kukelen. Zijn boek kwam uit in december, dus er moest daarna een heel blik hulpverleners opengetrokken worden om de nieuwbakken auteur op het droge te helpen. Met onderkoelingsverschijnselen en al afgevoerd naar een politiebureau. De grap kostte hem enkele duizenden euro’s boetegeld.

Of het Amstelspringen voor auteurs zal doorzetten is onzeker. Prinses/koningin Máxima mag dan onlangs een rondje door de gracht hebben gecrawld, de waterkwaliteit van het Amsterdamse is niet te vertrouwen. Ooit een woonboot met een rioolaansluiting gezien? Dat stroomt allemaal linea recta de zeventiende-eeuwse stad in. Met al die smetvreselijke schrijvers laat uitbreiding van het schrijf-en-duikclubje waarschijnlijk nog wel even op zich wachten. Bovendien moet zo’n schrijver zichzelf wel een hele Piet vinden, of een schare Propria Curisten verzamelen om zich te laten opjutten – daar draaien Tommy en Beau hun hand niet voor om – voordat het zover is.

De volgende die, volgens de LC, heeft toegezegd de Amstel in te gaan is Joost Nijsen. Hij is weliswaar uitgever, maar niettemin iemand die de lijn van Wieringa en Dorens uitstekend voort kan zetten.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Variaties op Variations on a Theme by William Carlos Williams

This Is Just To Say – William Carlos Williams

I have eaten
the plums
that were in
the icebox

and which
you were probably
saving
for breakfast

Forgive me
they were delicious
so sweet
and so cold

 

Variations on a Theme by William Carlos Williams – Kenneth Koch

   1
I chopped down the house that you had been saving to live in next summer.
I am sorry, but it was morning, and I had nothing to do
and its wooden beams were so inviting.

   2
We laughed at the hollyhocks together
and then I sprayed them with lye.
Forgive me. I simply do not know what I am doing.

   3
I gave away the money that you had been saving to live on for the
                                                                        next ten years.
The man who asked for it was shabby
and the firm March wind on the porch was so juicy and cold.

   4
Last evening we went dancing and I broke your leg.
Forgive me. I was clumsy and
I wanted you here in the wards, where I am the doctor!

 

Variaties op Variations on a Theme by William Carlos Williams

   1
Ik had acht maanden een relatie met je, maar ik was al die tijd lesbisch.
Ik bleef in je buurt, want je beste vriendin was zo knap.
Sorry.

   2
Ik heb iedereen die ik ken verteld dat je een slecht mens bent
en je fiets, die nog in mijn kelder stond, aan een junk gegeven. Ik vertrouw er op
dat je mijn daden zult erkennen als mislukkingen
die anders bedoeld waren.

   3
Je lievelingsshirt, het shirt met de ibissen er op
waar je zoveel waarde aan hechtte, bracht ik naar het vuilnis vandaag.
Het deed me veel pijn, maar het lag in de weg,
wat niet waar is.

   4
Toen we friet gingen eten heb ik mijn patatzak met de mayonaisekant
je gezicht in geduwd, daarna ben ik lachend het begijnhof uitgerend.
Ik voelde me uitstekend, maar voor jou was het anders,
en dat spijt me.

   5
Ik liet mijn hond in je gezicht bijten en je bloedde als een rund.
Vergeef me. Je leek me zo lief en zo zacht die dag
en ik wilde alleen maar kijken of je dat echt was, zo lief
en zo zacht.

Worst case scenario

Het was tijd om weer eens een dagje te koken. Mijn vriend Tijs had me gebeld om te vragen of ik kon invallen, en daar stond ik – na meer dan een jaar – schort voor, mes in hand en uiensnijden maar. Het beloofde een rustige avond te worden in restaurant Marius.

‘Dat kaartje met die tekst,’ zei ik. ‘In het kleedhok. Van wie is dat?’*

Vanachter zijn lamsbout keek Tijs me met opgetrokken wenkbrauwen aan. Ik was het niet eens met zijn nieuwe baard. Vooral ergerlijk waren de volheid en de kleur ervan. Alsof hij een foto van wuivend graan op zijn gezicht geplakt had. 

‘Dat met die worst?’ vroeg Tijs. ‘Dat hangt er omdat er worst op staat.’ 

Restaurant Marius deelt de keuken met café Worst, een podium voor vleeswarenambachtslieden uit binnen- en buitenland. Alles waarin het woord ‘worst’ voorkomt wordt verzameld. 

Ik schraapte mijn uien in de pan en gooide het vuur omhoog. Hier, dacht ik, had je precies de spagaat waarin ik mij de laatste jaren bevind. Met mijn hoofd in de woorden en mijn handen in de ui. Terwijl ik een kist artisjokken uit de koeling haalde, mijmerde ik over wat er nou zo mooi was aan die tekst op de kleedkamerdeur. Hoe kon onschuld/naïviteit** inhouden dat je nooit mogelijke rampen uit de weg ging, tenzij je die rampen uit pure onschuld/naïviteit niet zag aankomen? 

Voor een persoon als ik, die altijd het ergste vermoedt, is er geen heerlijker toestand denkbaar. 

Bij het schonen van de artisjokken werd me duidelijk hoeveel eelt ik precies verloren had in de afgelopen maanden, maar de harten vielen met een bevredigende plons in het water. Ik schrobde mijn zwartgeworden nagels onder heet water, hakte kappers en dacht aan A.M. Homes’ autobiografische boek The Mistress’s Daughter, waarin ze schrijft: “Have I ever told you how precariously balanced I feel? As though my existence can be revoked at any moment?

Waarom hadden A.M. en ik toch dat voortdurende gevoel dat het tapijt elk moment onder ons vandaan kon worden gerukt? Dat het leven niets anders was dan wachten op de ramp?

Na een korte tien minuten personeelseten begon vrijwel meteen het service. Drie tweetjes en een viertje op het terras. We maakten mooie bordjes. Vooral het groen van mijn paksoi beviel me. Niks mis met burrata en kappertjes, dacht ik.

‘Niks mis met burrata en kappertjes,’ zei Tijs, en gaf mijn voorgerechten aan de bediening mee. Er kwamen nog wat reserveringen binnen en daarna nog een sloot passanten.

Opeens was het elf uur. Ik maakte de laatste toetjes en de bediening telde couverts. Het bleek de drukste avond ooit te zijn geweest. Terwijl ik mijn koksbuis in de wasmand gooide en mijn slippers aandeed om een wijntje te gaan drinken aan de bar, viel me op dat ik sinds de eerste bestelling de printer uit ratelde geen moment meer had gedacht over naderende rampen. 

Innocence is precisely not being able to think about the worst.

 

*Philippe Vandenberg, Exil de Peintre.

** Volgens mij is de beste vertaling van innocence een uit onschuld/naïviteit samengesteld woord.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Waarin Kandinsky, Van Ostaijen, James Salter en James Bond een gelijke rol spelen

All that is van James Salter is een Amerikaanse roman met betrekkelijk weinig plot. We volgen het leven van Philip Bowman. Amerika, na de Tweede Wereldoorlog, in de oorlog bij de marine, na de oorlog studeren, huwelijk, baan bij een uitgeverij, echtscheiding, ontmoetingen met mensen, seks; een leven. Waar in de aanvang een zekere rusteloosheid zich van de lezer eigen maakt – waarom moeten we dit lezen – groeit gaandeweg door Salters stijl  en oog voor detail de fascinatie voor wat hier gebeurt. Heel weinig: een niet bijzonder leven. In dat niet bijzondere leven krijgen bijfiguren een bijna gelijkwaardige rol toebedeeld als de hoofdfiguur, hiërarchie lijkt op te lossen. Ik moest denken aan de essays die Paul van Ostaijen over beeldende kunst schreef en waarin hij de lezer leert naar Kandinsky te kijken als naar een van de eerste schilders die hiërarchie uit zijn schilderijen weert: alle elementen zijn van hetzelfde belang.  Op zeker moment beschrijft Salter een episode uit het leven van een collega van Bowman, en dan nog wel dat zijn vrouw en aangenomen zoon een treinreis maken, en dat die treinreis plezierig beschreven wordt, de zon schijnt, de avond valt,  en onverwacht slecht eindigt: brand in de trein, ze stikken voordat er hulp komt. De tragiek van deze bijfiguren plaatst ze op een gelijk niveau als de weinig enerverende belevenissen van de hoofdfiguur. Een truc van narratieve gelijkwaardigheid die kracht geeft aan de claim van de titel: All that is. Misschien te vertalen als Alles wat er is, of Al het zijnde?

Mijn waardering voor dit soort boeken groeit en staat in samenhang met de merkwaardige afwijking plotgestuurde films die ik heel vaak heb gezien, steeds weer te zien, maar met kennis van de plot nu naast de actie te kijken en in de hoeken van het beeldscherm naar betekenis te gaan zoeken. En de film voortdurend stil te zetten wanneer heel toevallige passanten in beeld komen. Niet eens bijrolspelers, maar figuranten, die in hun korte aanwezigheid door het overbekend zijn van het verhaal steeds meer betekenis krijgen. In de James Bondfilm Moonraker uit 1979 zit zo’n figuur. Roger Moore loopt in Rio de Janeiro door een carnavalsoptocht. Daar ergens naast, de man met het witte t-shirt met rode band. Hij is een seconde of drie in beeld, maar hij is een slecht acteur: hij is zichzelf gebleven en je ziet dus opeens een mens, in een verhaal.

All that is lijkt mij van het zelfde principe uitgaan. Salter speurt in de hoeken van het beeldscherm naar details, onbelangrijk voor de plot, maar deze details zijn het hele leven.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Frits Ruprecht

Ooit in mijn leven wil ik met de boot naar Curaçao varen. Het gaat me nog niet eens zozeer om de reis ernaartoe, want dan zou ik net zo goed naar Haïti kunnen varen. Het gaat me om de aankomst in Willemstad. Als na al die dagen ineens het eiland opdoemt waar ik zo vaak ben geweest, de stad in zicht komt die ik inmiddels behoorlijk goed ken en de boot vervolgens de geul in vaart richting de haven. De baai waar deze geul in uitmondt ziet er op de kaart uit als ‘een stengel met een tros bloemen’. Op dat moment, na dagen waarin er alleen maar water en lucht was, ligt Willemstad aan weerszijden van de boot. Otrabanda aan bakboord, Punda aan stuurboord.
            De vergelijking van de baai met ‘een stengel met een tros bloemen’ komt uit Mijn zuster de negerin (1935) van Cola Debrot. Op de eerste pagina van deze novelle, die zich afspeelt op Curaçao, wordt de aankomst beschreven van een schip dat uit Europa komt. Op het dek staat Fris Ruprecht. Hij keert terug naar het eiland waar hij geboren is, omdat onlangs zijn vader is overleden en hij de nalatenschap moet regelen. Door diens overlijden is hij ‘voorgoed rijk’. Misschien komt hij ook wel terug, bedenkt hij, ‘omdat ik genoeg heb van Europa waar men veel te weinig negers ziet. […] Bij een negerin wil ik leven. Ik zal haar noemen: mijn zuster de negerin. Ik haatte in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie.’
            Qua verlangen lijkt deze Frits Ruprecht met andere woorden op David Samuels uit Alleen maar nette mensen, een boek dat trouwens eerst De intellectuele negerin heette. De uitgever van Robert Vuijsje vond die titel te controversieel.
            Nog een terzijde: ik heb mij er altijd over verbaasd hoezeer de namen Frits Ruprecht en Frits van Egters op elkaar lijken. Frits van Egters is de hoofdpersoon van een naoorlogse roman die enige bekendheid heeft verworven. Dat de namen zo op elkaar lijken zal wel toeval zijn. Over de invloed van Debrot op W.F. Hermans is het een en ander bekend maar over invloed van diezelfde op Gerard Reve heb ik nog nooit gehoord.
            Ik zou met de boot naar Curaçao willen varen om te beleven wat Debrot op die eerste pagina van Mijn zuster de negerin beschreven heeft. Om vanaf het dek, net als Frits Ruprecht, te zien hoe Willemstad steeds dichterbij komt. In het ideale geval stap ik op een intens trage boot, die er heel lang over doet, zodat ik alle tijd heb om tijdens de reis Debrots zevendelige en meer dan 2000 pagina’s tellende Verzameld werk te lezen. En dan daarna ook nog de tweedelige en 1000 pagina’s tellende biografie, geschreven door Jaap Oversteegen, voor Voskuil-lezers beter bekend als Paul Dehoes. Als ik dan na weken op Curaçao aankom, volledig doordrenkt met Debrot-kennis, rijd ik net als Frits helemaal naar de andere kant van het eiland, naar landhuis Ascencion, dat model heeft gestaan voor het landhuis dat beschreven wordt in Mijn zuster de negerin. Het landhuis waar Frits zijn zuster vindt.

Bees and trees: the sound of money’*

Iedere dinsdagochtend speel ik met een handjevol collega-auteurs trefbal in een gymzaaltje van een basisschool die achter De Wittenkade (Amsterdam-West) ligt en hoe

‘Waarop die Belg zegt: Nein, Sauerkraut.’

‘Hahaha!’

‘Hahaha! Vanwege die frites, snap je? Hahaha.’

‘Hahaha, maar hij – ’

‘Jongens… alsjeblieft… dit gaat toch geen running gag worden? Dit soort grappen vinden de lezers van Tirade echt strontvervelend.’

‘Nou, wij hebben ’t er nog even over gehad met z’n tweeën, maar jij deed vorige week wel of wij jóu onderbraken, maar wat is dat eigenlijk voor autoritaire gang van zaken? Misschien onderbrak jij óns wel? Hè? Mafkees. Zullen we jou nou eens even aftroeven met een fijn Bindervoet & Henkes citaat?’

‘Probeer maar.’

‘Nico, geef dat boek es aan… Nee, dat grote… daar. Hier: Bindervoet & Henkes… Hans Vandenburg en het Geheim van het Succes, op pagina 13 al… Humor en muziek, humor en seks, humor en literatuur, ze schijnen elkaar niet te verdragen. Alles moet ernst uitstralen, diepe diepe ernst. Anders is het niet serieus. En kan het niet serieus worden genomen. Logisch toch? Humor loopt ernstig gevaar flauw gevonden te worden. Terwijl integendeel ernst, en het sentiment dat ervoor doorgaat, op de lachspieren zou moeten werken. En humor – echte humor – altijd gerechtvaardigd wordt door de ernst van de onderliggende situatie. Einde citaat. En nou veel succes met je stukje. We zijn één en al oor.’

‘Ik streep ’t gewoon allemaal door, eikels.’

[Wederom opnieuw. En… actie!]

Iedere dinsdagochtend speel ik met een handjevol collega-auteurs trefbal in een gymzaaltje van een basisschool die achter De Wittenkade (Amsterdam-West) ligt en hoewel het er tijdens de partijtjes meestal ruw en fanatiek aan toegaat, zitten we na afloop altijd gemoedelijk aan campingtafeltjes en schenken elkaar koffie en thee uit thermoskannen en praten uren over ‘het vak’ en ‘de branche’. Afgelopen dinsdag kwamen we opeens te spreken over de boeken van Michael Pollan en over een aantal recente documentaires over voedsel en ecologie en één van mijn collega’s raadde mij toen aan naar More than honey te gaan. Mijn bevindingen:

Film: More than honey (2013).more than honey

Genre: natuurdocumentaire (niet bedoeld als eufemisme…).

Regie: Markus Imhoof.

Verhaal/kwestie: gedomesticeerde bijenvolken sterven uit, dat is al jaren aan de gang en de oorzaken daarvoor blijken zich te laten scharen onder deze ‘gemene’ deler: de mens en zijn economische aspiraties. De hoop is gevestigd op de genen van wilde bijen en killer bees en, wat mij betreft, ook een beetje op een correctieve ineenstorting van de beschaving.

Stijl: fraaie natuuropnamen (inclusief honinggetinte filmbeelden in kasten en raten), talking heads (imkers, onderzoekers, handelaren), beelden van bedrijfsbezoeken – dat alles bij elkaar gehouden door een wat gezapige voice-over.

Curieus: een bijenkoningin laat zich tijdens de zogenaamde bruidsvlucht door meerdere mannetjes (darren) bevruchten… bij de ejaculatie verliezen de mannetjes hun onderlijf en vallen dood uit de lucht… Kan dat zomaar? Is de dierenbescherming hiervan op de hoogte? Moeten er geen Blijf Van Mijn Bij Huizen komen? Handen af van onze darren!

Eindoordeel: de genuanceerde agenda van Imhoof bevalt me wel, maar intellectueel/journalistiek gezien is zijn film weinig meer dan een voetnoot bij panoramische, meer activistische films als We Feed the World (2005) en Our daily bread (2005) (sommige beelden, het mechanische leegschudden van amandelbomen met een soort bulldozertjes bijvoorbeeld, ken je ook al uit die vroegere documentaires). Compositie en montage zijn wat ongericht waardoor de film voor je weer thuis bent al uit je geheugen stuift. Twee met peilzenders uitgeruste verkennerbijtjes (2/5).

Tiradeperfect vision.

Pé Es: als je er niet bij was, afgelopen vrijdag in Perdu, wil je natuurlijk weten hoe de avond over de Filosofische Roman was? Vrolijk, gezellig en erg interessant. We hebben – als ik het goed samenvat – meteen even afgekaart dat de FR de komende jaren de NED-LIT gaat domineren. Hoor jij toevallig net bij het handjevol mensen dat de avond heeft gemist? No sweat. Grote kans dat die over twintig jaar weer een vervolg krijgt. Complimenten voor Perdu, complimenten voor Mathijs Gomperts.

Volgende week: het stukje dat ik eigenlijk voor deze week in gedachten had.

*De titel van deze blogpost is een uitspraak van een sarcastische ‘bijenmakelaar’ die met zijn kasten en volken door de Verenigde Staten reist, van boomgaard naar boomgaard, en die zowel dader als slachtoffer is van de schaalvergroting in de landbouw.

 Soundtrack: Zet je kleine zorgen maar opzij.

Clubje Nederland

We hebben een clubje opgericht… en je mag erbij: de Hannah Arendt Leesclub. Vanaf september komt een nog onbekend ‘wij’ elke vier maanden bijeen in de Kleine Entrée van debatcentrum Felix Meritis. Omdat het werk van Arendt het verdient om grondig te worden gelezen; omdat lezen meer is dan stilzitten; omdat denken voor de Joods-Duitse filosofe niet alleen een aangelegenheid was voor binnenshuis, maar vooral ook voor in de publieke ruimte.

Een Hannah Arendt-clubje heeft wel iets vreemds: Arendt hoorde liever nergens bij en weigerde zichzelf filosoof te noemen. Maar het verwerpen van zo’n titel is natuurlijk alleen interessant wanneer je wel degelijk bij een intellectuele elite hoort. Toch werd Arendt ook verketterd en buitengesloten. Na de publicatie van haar verslagen van het Eichmann proces, dat ze in 1961 in Jeruzalem bijwoonde (later gebundeld als Eichmann in Jeruzalem, de banaliteit van het kwaad), joeg ze iedereen tegen zich in het harnas, waaronder vrienden en ‘eigen volk’. De controverse rond haar stukken in The New Yorker ontstond vooral omdat Arendt de Joodse Raden verantwoordelijk hield voor hun administratieve en organisatorische hulp aan de nazis. Ze betwijfelt of het slachtoffertal van WOII wel zo hoog was geweest, als de Joodse Raden niet hadden meegeholpen in het aanwijzen en rapporteren van Joden.

Het goede clubje bleek ook deel uit te maken van het slechte clubje en toen vertroebelde alles. Hoewel? Ik weet nog dat ik Primo Levi’s Is dit een mens las en eigenlijk veel meer van het kwaad begreep dan ooit tevoren: het afgebakende, satanistische kwaad dat ik tot dan toe kende van de geschiedenislessen op school en van de good guy/bad guy dichotomie in films en sprookjes, wankelde en viel. Maar niet elke vorm van verwarring is negatief. Ik begreep het kwaad beter omdat het juist nóg onbegrijpelijker en complexer bleek te zijn. Daarmee werd het menselijker en die nabijheid is eng, maar ook bevredigend: dat wij allen vatbaar blijken te zijn voor een bepaalde mate van kwaad – groot of klein – geeft ook een gevoel van verantwoordelijkheid en controle. Als ik had kunnen meelopen of collaboreren, had ik ook halt kunnen houden of niet kunnen collaboreren. Het kwaad is geen onvermijdelijke, wetmatige neergang, maar een uit radartjes gewoven tapijt van gruwel: je kunt niet het hele tapijt ontmantelen, maar je kunt wel de kleur en samenstelling veranderen.

Nederland wilde afgelopen week krampachtig graag een clubje zijn. We vormden een ongenuanceerd gezellig oranje kleedje op de vrijmarkt, staken alle neuzen op het terras dezelfde kant uit, ogen dichtgeknepen tegen de zon. 

Mogen Somaliërs, Serviërs en Afghanen bij dat clubje horen? Mogen zij ook hún leed herdenken, of begrijpen ze niets van wat ‘ons volk’ heeft meegemaakt? Vragen die (in de krant) werden gesteld. En gelukkig staat vragen vrij. Zo vraag ik me af of de oorlogsverhalen van anderen ons niet vooral confronteren met de toevalligheid van onze eigen geschiedenisbeleving: hoe erg en gruwelijk alles ook was, die gruwelijkheid wordt vooral gevoeld door wie het verhaal goed kent – zoals wij ook het leed van Afghanen nauwelijks voelen. De context en vorm waarin geschiedenis is gegoten, bepalen de impact van de feiten. We hebben geen objectieve gruwel-meter die al het kwaad in de wereld categoriseert. We hebben alleen verhalen die zich niet vanzelf vertellen. Dat de geschiedenis zich niet opdringt zonder bemiddeling, zoals honger en dorst om aandacht schreeuwen, maakt het niet minder belangrijk. Integendeel. Het verhaal is juist van waarde omdat wij er keer op keer voor kiezen het te vertellen en ons keer op keer afvragen welke elementen we toevoegen of weglaten.

Het is wel noodzakelijk om te letten op wat we weglaten of niet benoemen. Teveel verhalen worden eenduidig verteld, omdat overzichtelijkheid voorop staat. Ik vraag me af of overzicht echt leerzamer is. Een beetje mens erkent zijn eigen heterogeniteit, zijn eigen gekkigheden en conflicterende daden en motieven. Het versimpelde verhaal vervreemdt ons onterecht van het verhaal dat in haar complexiteit en veelzijdigheid juist heel nabij kan zijn.

Zeker wanneer we zo vrezen voor veelzijdig en anders, dat we krampachtig eenheid pretenderen. Zo zagen we afgelopen week hoe de koning wilde bewijzen dat hij als iedereen is   – heel normaal (met uitroeptekens!!!! en HOOFDLETTERS in een sms) en menselijk (hij stapt spontaan de wal op!). Zie mij niet als cynisch: ik geloof in verbondenheid en ‘samen’, maar wel bij gratie van verschil. Want schermen met gelijkheid is vaak verdoezeling van verscheidenheid die je maar beter kunt omarmen.

BIb0DljCAAAiloWWanneer het !!NORMAAL!! wordt dat Tommy Wieringa met zijn New York Review of Books tote bag verdacht is omdat hij afwijkend gedrag vertoont (niet jubelt bij het zien van Wilders?), of wanneer Joanna en Hans Maessen worden opgepakt omdat zij afwijkende dingen roepen, dan vrees ik dat niet alleen Hannah Arendt weer ongelooflijk actueel is, maar ook het herbezinnen op vrijheid – een goed dat niet gekaapt mag worden onder het mom van ‘veiligheid’. 

 

Ach, zolang twee overzichtelijke stilte-minuten nog tot dagen van vragen (in de krant, binnenshuis en elders) leiden, zijn wij een prima clubje Nederland. 

 

P.S. Wie even ergens bij wil horen: opgeven kan via leesclubhannaharendt@gmail.com

Zon

Verkleed als zonnegod zingt Ramses Shaffy een reikhalzende Liesbeth List toe: ‘Maar soms ben ik als kokend lood / Ik ben het leven en de dood’. De zon is in het diepst van zijn aard een gewelddadig hemellichaam. Al in de Metamorphoses van Ovidius treedt de zon op die manier naar voren wanneer hij zijn zoon Phaëton toestaat de zonnewagen te besturen, terwijl hij juist heeft uitgelegd hoe riskant dat is. Zijn zoon wordt door Jupiter neergehaald met een enkele bliksemschicht.

Bij beschrijvingen van het zonlicht sluipt er regelmatig een spoor van agressie in, net zoals dat gebeurt bij liefde (miles amoris) of bij ongeveer alles in de Bijbelboeken. Zo ook in het geval van Louis-Ferdinand Céline, die in Reis naar het eind van de nacht (1952) het volgende optekent: ‘De zonsondergang in deze Afrikaanse hel bleek iets gewelddadigs te zijn. ’t Was altijd raak, je moest er wel naar kijken. Elke keer tragisch, net een enorme zonslachting.’ In het origineel staat d’énormes assassinats du soleil. ‘Een ontzaglijke kitsch. ’t Was jammer genoeg wel wat veel voor iemand alleen om van te genieten.’ Céline geeft toe dat wat hij schetst een sleets beeld is geworden, niettemin hanteert hij zelf kordaat de guillotine. ‘Een uur lang stond de hemel te pronken, van het ene end tot het andere volgespoten met een krankzinnig rood (…) En dat was dan het eind.’

Drie decennia eerder beschrijft Isaak Babel in het begin van De rode ruiterij (1923) op een pompeuze manier de omgeving. Vanaf het eerste woord is het verhaal doordrenkt van bloeddorst: ‘Purperen papavervelden bloeien om ons heen, de middagwind speelt in de vergelende rogge, maagdelijke boekweit verrijst aan de horizon als de muur van een verafgelegen klooster.’ Op naar het onbarmhartige district van Novograd… ‘Het stille Volhynië wendt zich van ons af, Volhynië trekt zich terug in een parelachtige nevel van berkenbosjes, het kruipt weg tussen heuvels vol bloemen en raakt met zijn verzwakte armen verstrikt in de hopstruiken. Een oranje zon rolt langs de hemel als een afgeslagen hoofd, zacht licht gloeit op in de kloven van de wolken, de vaandels van de zonsondergang wapperen boven ons hoofd.’

Of Céline met zijn ‘ontzaglijke kitsch’ nu bewust doelt op Babels beschrijving, daar wil ik af wezen.* De beelden die beiden gebruiken liggen er dicht bij elkaar. En het verschrikkelijk mooie weer van vandaag doet vermoeden dat de heren schrijvers wel gelijk zullen hebben wanneer ze zon afschilderen als een misdadige koperen ploert. Shaffy verwoordt het, alle zonaanbidders ten spijt, treffend: ‘Je kunt niet houden van de zon’.

 

* Dat is niet waarschijnlijk. De Franse uitgave van De rode ruiterij verscheen later dan de Reis.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Indruk (willen) maken

En dan gaan we het nu hebben over bewijsdrang. Wie lijdt er aan? Wie heeft er geen last van? Wat zijn de consequenties? 

Een paar weken terug schreef ik hier over interviews met jezelf houden, in je hoofd. Daar wijze dingen in zeggen. We zijn een paar weken verder nu en inmiddels is het me wel duidelijk geworden dat dit gepraat tegen een fictieve gesprekspartner niets anders is dan een vorm van bewijsdrang: ik ben wel een leuk mens en dit truitje staat me te gek, ik ben geen loser als ik de hele avond op bed naar crimedocs kijk en een zak Bugles leeg eet. In de hoop dat er uiteindelijk ook iemand buiten mijn hoofd is die deze dingen gaat inzien. In de hoop dat als ik in alles de beste ben, er geen weg om mij heen zal zijn. Als ik naar de bakker ga, dan wil ik de leukste klant van de dag zijn. Als ik de kat knuffel, dan wil ik dat ze mij haar favoriete baasje vindt. Zelfs als ik zoals nu in mijn eentje op mijn kamer de berentrui die ik met koninginnedag kocht draag, doe ik dit bij wijze van manier om mijn liefde aan de wereld te tonen. Hallo, hier ben ik, de beer op mijn trui draagt een grappige sjaal, jullie mogen hem best aaien. Maar waar blijft de wereld in dit geval? Waarom overschreeuw ik mezelf?

Sylvia Plath schreef:

“Perhaps when we find ourselves wanting everything, it is because we are dangerously close to wanting nothing.” 

en ook:

“I have the choice of being constantly active and happy or introspectively passive and sad. Or I can go mad by ricocheting in between.” 

spjournals

Als je The Unabridged Journals of Sylvia Plath leest, valt het al gauw op dat ze nogal vaak het woord ‘ricocheting’ gebruikt. Dit ricocheting in between (ik vind ‘schipperen’ een mooie vertaling) is precies wat er gebeurt in iemand met bewijsdrang: je wordt heen en weer gezogen tussen alles en niets willen en in het vacuüm dat uit deze zuigkracht ontstaat probeer je jezelf uiteen te zetten, om maar niet te imploderen. Je hebt een negatieve gedachte over jezelf, je spreekt het tegenovergestelde uit, je wordt teruggeworpen, je twijfelt, je probeert het opnieuw, je wil aardig gevonden worden maar niet egocentrisch, zelfbewust en bescheiden, maar niet iemand die op haar tenen loopt – je bent een grote zak vol goede intenties en uiteindelijk zit je alleen maar een beetje haperend naar de zon te praten. Dit is een tekortkoming. Haperend praten duidt aan dat je iets moet doen. Te beginnen bij je mond houden.

Als gevolg van dit schipperen tussen twijfel een zekerheid (“God, how I ricochet between certainties and doubts” – SP) denk ik dat een mens behoefte heeft aan absolute gedachten –  een hergeboren standpunt dat ook in het huidige filosofisch/literaire debat aan aanhangers wint. De postmodernistische opvatting dat je geen rechtstreekse confrontaties aan kunt gaan, dat er altijd enkel sprake kan zijn van een benadering, misschien doorspekt met ironie en omtrekkende bewegingen, maar niet van een kernachtige schets, lijkt me achterhaald en strookt niet met de werkelijkheid. Mensen lopen voortdurend tegen muurtjes op. Als een vrachtwagen op een kruispunt met hoge snelheid tegen een tegenliggende volvo aanknalt, is er sprake van een frontale botsing. Daar ben ik van overtuigd. Het is zo vermoeiend als je denken steeds een (oneindig) dialectisch gesprek is; een continu jezelf tegenspreken om jezelf op een hoger niveau te bevestigen — en het begint weer op nieuw. Soms heb je geen zin in weer een weer. Soms wil je wat je voelt onderstrepen, ookal staat het er slechts in stippelletters. Soms wil je resoluut en diep in slaap vallen, niet enkel een beetje dommelen. Soms moet je achter een gedachte gaan staan en die als een sneeuwschuiver voor je uitduwen om de weg vrij te maken voor mooiere dingen.  Maar waar begin je?

Dit is allemaal behoorlijk hysterisch.
Eigenlijk wil ik alleen een beetje dommelen.
Nu spreek ik mezelf tegen.
Wat een geschipper.

 

The world is not enough

IMG_2982Ik heb ontzettend veel om dankbaar voor te zijn en toch ben ik chronisch ontevreden. Dit lijkt het gevolg te zijn van experiëntiële inflatie. 

Een paar jaar geleden besprak ik dit probleem met mijn beste vriend Gijs in het kader van onze nogal doorgeslagen manier van bezig zijn met eten en drinken.

Het lijkt erop, zei ik tegen Gijs, dat de door onze grote liefde voor het vak opgedane ervaring en smaakontwikkeling het steeds moeilijker maken om te genieten van uit eten gaan. Of dat niet zonde was, vroeg ik. 

‘Waarschijnlijk wel,’ zei Gijs. ‘Maar wil je terug?’

Dat wilde ik niet. Ondanks het feit dat bijna al mijn nieuwe eetervaringen in restaurants inmiddels in meer of mindere mate kut te noemen waren, had al dat snobisme me ook iets gebracht, namelijk het vermogen te huilen – I dick you not – om heel erg lekker eten; om dat moment waarop de omstandigheden samenspannen om alle variabelen zo te schikken dat daar, op je bord, dat ene geniale lamskoteletje* ligt.

Zo zal het ook wel met de rest van het leven gaan, dacht ik. Hoe meer ervaring je opdoet, hoe minder bijzonder alles wordt. Op veel manieren kreeg ik hierin de afgelopen jaren gelijk. Een eerste keer maakt altijd meer indruk dan een tweede, en eigenlijk moet je nooit teruggaan naar de plek van je mooiste ervaring. 

Is er hoop? Gaat alles steeds minder lijken? Ik ken een tachtiger die dat zou onderschrijven. 

Toch is het mechanisme zo gek nog niet: door blootstelling aan schoonheid dooft de glans ervan uit en gaan we streven naar nog mooiere dingen, ergo hobbyismen als de Sixtijnse Kapel, James Salters Light Years en het Koningslied.

Er zijn ook tegenbewegingen. Maar wat zou er gebeuren als we allemaal Boeddhist werden en genoegen namen met een dennennaald en een platte kiezel? Waarschijnlijk zouden we ons leven wijden aan het vinden van de groenste, meest spitse naald en de perfecte ronding van de kiezel.

Het beroemdste verhaal over de kindertijd van mijn vrouw Birre, is dat ze voor haar tweede verjaardag een lolly, zo’n kaasje met rode was erover, en een bal gevraagd had. Om de loopfiets die ze kreeg huilde ze tranen met tuiten. Beati Pauperes Spiritu.  

 

 

* Met dank aan meneer Toso van ristorante Da Toso in Friuli. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Dingen waar ik niet dikwijls over nadenk en toch wil kennnen

In tegenstelling tot mijn collega’s Martijn, Lieke en Simone  ben ik geen filosofisch onderlegd mens. Wel las ik veel te vroeg veel Nietszche en Plato (maar dat was meer te danken aan hun goede stijl en aan mijn ongeremde en onbepaalde leeshonger.) Het heeft helaas geen vermogen tot erg kritisch denken in mij teweeggebracht. Grote vragen gaan vaak langs me heen, ik snap ze ook niet en ik ben er iets te eenvoudig voor.  Of moet ik zeggen dat ik leef in de zegen van de zorgeloosheid? De ‘Wereld in de zunne’, zal ik maar zeggen: ‘lekker alles goed’.

Wel realiseer ik me dat veel niet te kennen is. (Ik kom nu in de buurt van een filosofisch jargon) en daar maak ik me soms ook zorgen om. Ik maak mij zorgen om de maar schijnbaar éen op éen relatie van wat Google meent dat bestaat, en wat werkelijk bestaat. Of preciezer: de angst dat mensen denken dat Google alles ziet en kent. Google plaatst een filter over wat we kunnen kennen, en daar kan ik wakker van liggen en dat deed ik vannacht ook inderdaad.

Het probleem ligt dieper. Ik was een paar weken terug in het depot van het Tropenmuseum: een fascinerende omgeving. In een eerder leven was ik eens in het depot van de  Bibliothèque nationale de France in Parijs Een depot is de vaak ondergrondse afdeling van  musea of bibliotheken waar bewaard wordt wat niet getoond kan worden. En in die zin is het depot het negatief van de ogenschijnlijk kenbare wereld. Voor wie daar gevoelig voor is is het depot met zijn rekken en in beschermende constructies opgeslagen spullen een prachtig verhaal, het verboden verhaal eigenlijk. In het geval van het Tropenmuseum hangt dat slechts gedeeltelijk kunnen tonen niet alleen samen met zakelijke aspecten als hoeveelheid expositieruimte, de hoeveelheid beschikbare mensuren en de staat van het materiaal, maar ook met wat het museum wil vertellen. Een museum heeft een verhaal, zag ik ook in het Rijksmuseum onlangs, en in dat laatste geval nu een tikkeltje  een simplistisch verhaal (als we ons naast alle loftrompetten een klein zuur nootje mogen veroorloven: de tekstjes naast de werken zijn wat infantiliserend).

Het Tropenmuseum ontstond uit het Koloniaal museum en werd van materiaal voorzien door onder meer verzamelaars uit de 19e eeuw. Deze mensen die zich vooral in ons wingewest Nederlands-Indië ophielden hadden zo hun eigen beperkingen in kijken, zoeken, de werkelijkheid waarnemen. Hoewel de Islam er ook toen al een enorme factor was, zag de koloniaal vooral Hindoeïsme en boeddhistische cultuuraspecten op bijvoorbeeld Java. De Islam werd bijkans genegeerd. Het Koloniaal museum van Nederland, dat werkelijk eeuwen in de gelegenheid was artefacten van Islamitische kunst te vergaren, deed dat niet of nauwelijks. In het depot bevinden zich wel honderden huizen op schaal van bevolkingsgroepen per eiland. In Indië vervaardigd, maar dienstig om de Nederlandse zendeling kennis te laten maken met zijn toekomstige omgeving.

Het tonen van die huizen past nu veel minder in het ‘museale verhaal’. Het verzamelen van Islamitische kunst heeft  vroeger veel minder in de collectievorming een rol gespeeld dan nu wenselijk zou zijn. Het zogenaamde museale verhaal is een verhaal dat je eigenlijk alleen kunt lezen met heel veel voetnoten. Ik heb behoefte aan het waarom achter collecties en keuzes. Steeds dieper in de Franse bibliotheek bevinden zich boeken die nooit opgevraagd worden, ook een bibliotheekdepot is een negatief. Dat wat we niet lezen.

Ik wil graag diep in de kelders van de BNdF zijn, volgaarne in het depot, omdat het depot bijna als negatief van het museum een heel sterk verhaal vertelt. Je moet er zelf het nodige bij denken, maar denken kan geen kwaad, al wordt het in musea wel eens ontmoedigd. Ik pleit voor museale transparantie: dat een museum vooraf helder en ronduit zijn beperkingen meldt.  Het liefst benader ik musea vanuit hun depots. Ik vrees de tijd waarin mijn bril een Googlebril is, die me toont wat ik hoop te vinden. Ik wil graag vinden wat ik niet zoek en niet begeerde te weten.

 

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.