Indruk (willen) maken

En dan gaan we het nu hebben over bewijsdrang. Wie lijdt er aan? Wie heeft er geen last van? Wat zijn de consequenties? 

Een paar weken terug schreef ik hier over interviews met jezelf houden, in je hoofd. Daar wijze dingen in zeggen. We zijn een paar weken verder nu en inmiddels is het me wel duidelijk geworden dat dit gepraat tegen een fictieve gesprekspartner niets anders is dan een vorm van bewijsdrang: ik ben wel een leuk mens en dit truitje staat me te gek, ik ben geen loser als ik de hele avond op bed naar crimedocs kijk en een zak Bugles leeg eet. In de hoop dat er uiteindelijk ook iemand buiten mijn hoofd is die deze dingen gaat inzien. In de hoop dat als ik in alles de beste ben, er geen weg om mij heen zal zijn. Als ik naar de bakker ga, dan wil ik de leukste klant van de dag zijn. Als ik de kat knuffel, dan wil ik dat ze mij haar favoriete baasje vindt. Zelfs als ik zoals nu in mijn eentje op mijn kamer de berentrui die ik met koninginnedag kocht draag, doe ik dit bij wijze van manier om mijn liefde aan de wereld te tonen. Hallo, hier ben ik, de beer op mijn trui draagt een grappige sjaal, jullie mogen hem best aaien. Maar waar blijft de wereld in dit geval? Waarom overschreeuw ik mezelf?

Sylvia Plath schreef:

“Perhaps when we find ourselves wanting everything, it is because we are dangerously close to wanting nothing.” 

en ook:

“I have the choice of being constantly active and happy or introspectively passive and sad. Or I can go mad by ricocheting in between.” 

spjournals

Als je The Unabridged Journals of Sylvia Plath leest, valt het al gauw op dat ze nogal vaak het woord ‘ricocheting’ gebruikt. Dit ricocheting in between (ik vind ‘schipperen’ een mooie vertaling) is precies wat er gebeurt in iemand met bewijsdrang: je wordt heen en weer gezogen tussen alles en niets willen en in het vacuüm dat uit deze zuigkracht ontstaat probeer je jezelf uiteen te zetten, om maar niet te imploderen. Je hebt een negatieve gedachte over jezelf, je spreekt het tegenovergestelde uit, je wordt teruggeworpen, je twijfelt, je probeert het opnieuw, je wil aardig gevonden worden maar niet egocentrisch, zelfbewust en bescheiden, maar niet iemand die op haar tenen loopt – je bent een grote zak vol goede intenties en uiteindelijk zit je alleen maar een beetje haperend naar de zon te praten. Dit is een tekortkoming. Haperend praten duidt aan dat je iets moet doen. Te beginnen bij je mond houden.

Als gevolg van dit schipperen tussen twijfel een zekerheid (“God, how I ricochet between certainties and doubts” – SP) denk ik dat een mens behoefte heeft aan absolute gedachten –  een hergeboren standpunt dat ook in het huidige filosofisch/literaire debat aan aanhangers wint. De postmodernistische opvatting dat je geen rechtstreekse confrontaties aan kunt gaan, dat er altijd enkel sprake kan zijn van een benadering, misschien doorspekt met ironie en omtrekkende bewegingen, maar niet van een kernachtige schets, lijkt me achterhaald en strookt niet met de werkelijkheid. Mensen lopen voortdurend tegen muurtjes op. Als een vrachtwagen op een kruispunt met hoge snelheid tegen een tegenliggende volvo aanknalt, is er sprake van een frontale botsing. Daar ben ik van overtuigd. Het is zo vermoeiend als je denken steeds een (oneindig) dialectisch gesprek is; een continu jezelf tegenspreken om jezelf op een hoger niveau te bevestigen — en het begint weer op nieuw. Soms heb je geen zin in weer een weer. Soms wil je wat je voelt onderstrepen, ookal staat het er slechts in stippelletters. Soms wil je resoluut en diep in slaap vallen, niet enkel een beetje dommelen. Soms moet je achter een gedachte gaan staan en die als een sneeuwschuiver voor je uitduwen om de weg vrij te maken voor mooiere dingen.  Maar waar begin je?

Dit is allemaal behoorlijk hysterisch.
Eigenlijk wil ik alleen een beetje dommelen.
Nu spreek ik mezelf tegen.
Wat een geschipper.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.