Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij en zijn partner Elly de Waard niet thuis waren en hun woning volledig in vlammen opging. Jan van der Vegt schrijft hierover in Ons Erfdeel (Jaargang 17, 1974):
‘Bijna alles in dat huis ging verloren, de brand sneed hem af van een groot deel van zijn leven. Manuscripten van gedichten, tekeningen (…), een voor uitgave gereed liggend prozaboek, brieven, het nooit uitgegeven literaire werk van zijn grootvader, hij was het bijna allemaal in één slag kwijt. Maar hij reageerde met een veerkracht die hij wel leek te hebben overgenomen van de natuur waar hij zo dicht bij leefde.’
We staan weer achter het hek, mijn maat en ik. Het is een doodse bedoening in het weiland. Zou het een veeg teken zijn? We rakelen een oude ergernis op. Die lui, zeggen we, die vonden het eierzoeken dieronvriendelijk, nee, sterker nog, in wat ze beweerden hoorden we een beschuldiging, wíj zouden de achteruitgang van de weidevogels op ons geweten hebben, maar nu hoor je die lui niet, nu blijkt dat de werkelijke bedreigers – behalve boeren die de voorkeur geven aan grasfalt – gewoon dieren zijn: vossen, marters, reigers, kraaien, roeken, katten. We moeten weer even niets hebben van die in ons boze denken geframede stadse salon-activisten, van die papieren dierenvrienden. Dan zeggen we tegen elkaar dat het vast het tijdstip is dat maakt dat het stil is op het land. Het is twee uur ’s middags, een moment midden in het dagdeel waarop de natuur gewoonlijk zijn hartslag vertraagt.
Met moeite vinden we het eerste markeerstokje, geholpen door het kleine felgekleurde vlaggetje dat eraan zit. Het nest is nog intact, we slaken een zucht van verlichting. Roerloos liggen de vier ‘mooie priktolvormige eieren, met de punten naar elkaar toe, zoodat ze elkander met de kegelkanten steunen’ (Jac. P. Thijsse, Het vogeljaar, 1904). Ook het tweede nest ligt er bij zoals een week geleden. Dit gaat goed, we zijn blij. De kraaien die we zien, de zilverreigerkolonie vlakbij, de kiekendief die we hebben zien vliegen, de predatoren, ze zijn tot nu toe ongevaarlijk gebleken.
Dan zie ik van een meter of wat het derde nest. Ik vloek. Wat ik zie lijkt geschonden, de eieren zijn stuk en er ligt een donkere smurrie in het nest. Dus toch. Mijn maat komt naar me toe en we buigen ons over het noodlot. Maar met de neus er bovenop dringt tot ons door wat er werkelijk aan de hand is. Deze eieren zijn aan het uitkomen! De donkere smurrie bestaat uit twee kuikens! Een derde kuiken moet nog aan het uitbreken beginnen en het vierde ligt, vliedend als het is, een halve meter bij het nest vandaan.
Waarom het eierrapen destijds geen negatieve invloed had op het voortplantingssucces van de kieviten, was om te beginnen te danken aan de temperatuur. Voor die vroegste kuikens was het vaak nog te koud om te overleven; in die maartse en eerste aprilweken zochten ze vergeefs naar insecten. Daarbij lieten kieviten het niet zitten bij een eerste poging. Ging hun broedsel teloor, poogden ze een tweede leg. De natuur beschikt over Van Geelse veerkracht.
Nachtuil
Zijn sprieten staan weer op zijn kop,
zijn tekening, zijn oog van god –|
kijk hoe compleet richt hij zich op
uit as, geen veer, geen poot ontbreekt,
verbaast zich dat hij weer beweegt.
Hij zit in wat hem overkwam
en strekt zijn vleugels in een vraag.
Wie gaaf verbrandt herrijst ook gaaf.







