Een denkende stengel

Wanneer je een paradox probeert door te denken, voelt het alsof je geconfronteerd wordt met een knoop die je niet kunt ontwarren. ‘Deze zin is onwaar.’ Je volgt de draad, probeert het uiteinde te vinden, merkt dat je terug bent gekomen waar je begon – een taak die zich als mogelijk voordeed blijkt onuitvoerbaar. Je ervaart een bijna pijnlijke spanning, een soort behoefte om te schreeuwen of ergens hard in te knijpen, die aanhoudt tot je het opgeeft. Je geeft het op omdat je beseft dat het onmogelijk is om de paradox uit te denken, dat het niet zal helpen om harder te proberen – de kluwen heeft geen uiteinde. Het is een gordiaanse knoop.

Blaise Pascal probeert in zijn Pensées (1670), een wanordelijke en postuum uitgegeven verzameling filosofische bespiegelingen, na te denken over de relatie tussen bewustzijn en materie. ‘Ooit zal ik niet meer in deze wereld zijn.’ Op het eerste gezicht lijkt dit een eenvoudige en misschien zelfs triviale gedachte, maar als je er doorheen probeert te denken blijkt er een knoop in te zitten. We hebben enkel toegang tot de wereld via ons bewustzijn, dus hoe zouden we ons de wereld ontdaan van dit bewustzijn kunnen voorstellen? Pascal schrijft:

De mens is niets dan een rietstengel, het zwakste in de natuur; maar hij is een denkende rietstengel. Het universum hoeft zich niet geheel te bewapenen om hem te verpletteren: een pluim rook, een druppel water volstaat om hem te doden. Maar als het universum hem zou verpletteren, dan zou de mens nog steeds nobeler zijn dan zijn doder, omdat hij weet dat hij sterft, en weet heeft van het overwicht dat het universum over hem heeft, terwijl het universum daar niets van weet.

Pensées, fr. 347

Ons bewustzijn bestaat bij de gratie van materie: het woont erin en is er voor zijn voortbestaan waarschijnlijk van afhankelijk. Maar tegelijkertijd kunnen we niet ontkomen aan het idee dat dit parasitaire epifenomeen ergens wezenlijker of fundamenteler is dan de materiële wereld, die we immers alleen maar via het bewustzijn kunnen vatten. Aan de ene kant is Pascal een trotse filosoof; aan de andere kant is hij een nietig, breekbaar wezen. In de mens zijn materie en bewustzijn gordiaans verknoopt.

Een paar weken geleden (het was de dag voor Pasen, het kersenboompje in mijn tuin stond in bloei) sloeg ik, na ’s ochtends een paar pagina’s Pascal te hebben gelezen, in de middag de felroze debuutbundel van Hans Faverey op. Ik vond het volgende gedicht:

Rietmens: is

al verstijfd; de kubus:

afgeglansd. De terugweg
naar het gordiaanse dorp wordt
net afgegrendeld–. Arpeggio’s

van korte duur, echo’s,
rillingen, rook:

uit; over.

Gedichten (1968)

Soms heb je voor de poëzie van Faverey een sleutel nodig, het uiteinde van een draad die je een weg door het labyrint kan tonen. Volgens mij kan het niet missen dat het bovenstaande gedicht met de gedachte van Pascal speelt. ‘Ooit zal ik niet meer in deze wereld zijn.’ De rietstengel verstijft al: het materiële bestaan is van korte duur, en het nietige lichaam kan worden verpletterd door iets kleins als een rookpluim, een druppel water, een rilling, een echo, een reeks van korte klanken. Het einde is in zicht (uit; over): de stengel breekt, en het denken houdt op. Het gedicht breekt af, en daarmee ook de gedachte.

Kyrke Otto

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel volgt ze een onderzoeksmaster in geschiedenis van de filosofie aan de Radboud. Ze interesseert zich voor kwesties van genre, stijl en methode en werkt aan een promotievoorstel over het aforisme als filosofische vorm.

Een lege plek

De vreemdste verlaten plek die ik ooit aantrof was een holiday resort op het eiland Gili Menos in Indonesië. Het is een zo klein eiland dat het aantrekkelijk wordt eromheen te lopen, en toen ik dat gedaan had doorkruiste ik het de volgende dag en pas toen zag ik het, vanaf het strand niet goed waar te nemen omdat er veel dichtgegroeid was: een resort met bar, huisjes, grotere huizen met naar buiten waaiende vitrage die naar verten leek te reiken, een bar waar de flessen nog in stonden, maar leeg, zeer leeg. Vorige week fietste ik woensdag om 6.30 door de stad, die om te huilen zo mooi was en volledig verlaten, op twee mannen op een bakfiets na die over de trambaan zoefden, een fietsend, de ander filmend.

Die film zou ik graag zien, de leegte van de stad. Een oningevuld paradijs, een baaierd aan mogelijkheden, niet gegrepen.

De kunst is
zichzelf te spannen tot snaren
een bos zijn, een veld
onder storm, regen
bespeeld worden
leeg durven
achterblijven

(Dick Hillenius)

De lege stad is misschien al bijna een herinnering. We hebben de stappenteller zien oplopen tot ongekende hoogte en bijna niemand gezien, stadwandelen en boswandelen gingen op elkaar lijken. Ik ben de leegte zo gaan waarderen dat ik de uiteinden van de dag opzoek, en vaker op de Veluwe loop waar het stiller is, en donkerder ‘s nachts. In lang niet meer in zwang zijnde gedachten, zoals Roland Holst dat noemt.

(Wat zou Henk van Rensbergen doen these days, de piloot fotografeert overal ter wereld ‘the unthinkable, the end of humanity’, zoals hij dat op zijn website sprekend noemt: verlaten plekken. Maar nu vliegt hij niet, vond hij ze in Nederland ook? Hij maakte een aantal heel fraaie fotoboeken die een David Markson achtige leegheid bieden. In Marksons meesterwerk Wittgensteins minnares volgt de lezer de laatste vrouw op aarde, een zeer aangrijpend boek. )

Wandelen en gedichten, de overeenkomsten zijn het ritme en de denkruimte, en het grillige van die denkruimte. Ook praten gaat trouwens beter lopend en in een lege stad dan aan een tafel.

Op het eiland Menos zag ik al lopende een grote varaan waarvan ik me rot schrok, alleen omdat ik niet zo ver van Komodo was, een plek waar de varaan van die naam er een is die je niet graag tegenkomt. Ik lees nu veel Hillenius, toen moest ik er met een schok aan denken, aan zijn Eilandstukken (Eilanden bestaan niet meer) en aan de zin: ‘ Uit groeiende onwil om ooit ergens in veiligheid aan te komen’, een van de mooiste titels van een bundel die ik ooit las. Zelf schrijft hij in dat eilandboek dat voor hem J.C. Bloems regels eeuwig waren:

want ik wist door een keuze verloren
elk ander verlokkend bestaan.

Een verlokkend bestaan is steeds meer een bestaan waarin je kunt

spannen tot snaren
een bos zijn, een veld
onder storm, regen
bespeeld worden
leeg durven
achterblijven

Een leegte die in elk geval altijd in Hillenius’ poëzie te vinden is.

Het streven is naar rust
de toppen moeten afgesleten
de dalen vervuld

als alles gelijk is
spanningen verdreven
de stromen uitwaaierend
tot stilstand, vervening
aanvankelijk nog bloemen
maar steeds meer bos
zwaar, donker, afsluitend bos
is dat het streven?

maar het reiken dan
buiten de rust
de wil
om de winterkern te verbreken?

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Plekken, kinderen

Hoewel ik haar vaak plaag als B verzucht dat onze kinderen maar zo kort klein zijn, als ze met verdriet in haar ogen schoentjes die niet meer passen inpakt voor andermans kinderen, zit ik niet heel anders in elkaar.

De meeste emotie maak ik op het moment dat die zich voordoet belachelijk om er later vanachter dit toetsenbord veel langer aan te blijven hangen dan B; misschien is dat waarom ik van ons twee de schrijver ben geworden.

De nieuwe versies van mijn kinderen lijken de oude te overschrijven. Als ik geen foto’s van Nadim en Ada had dan zou ik hun babysmoeltjes al lang vergeten zijn.

Ik verloor een aantal plekken die me dierbaar waren, die geschiedenis werden omdat ze te sterk veranderden en in het heden niet meer terug te vinden zijn. Venetië, Monopoli, het huisje aan de Akkerweg in Zuidzande.

Sinds twee jaar wonen we op B’s geboortegrond. Ze groeide op in deze buurt, roeide al in brakke bootjes op de gracht voor ons huis toen je er alleen maar in zou zwemmen om een leven te redden.

Als je nooit verhuist, wordt het verleden dat je in een wijk hebt dan overschreven door het heden?

Voor een kind dat verhuist kan zijn oude straat intact blijven. Het dorp waar ik vroeger woonde herinner ik me als één en al hutten, weilanden en bos. Aan de rand van dat bos stond een verlaten huis, met een eik op glooiend mos in de tuin. Zes kinderen hand in hand konden de stam maar net omspannen.

Twee keer ben ik teruggeweest in het dorp. Twee vergissingen. Mijn huis bleek klein en grijs, alle plantsoenen aangeharkt, mijn lagere school een vreselijk bruinstenen nieuwbouwding.

Een tijd verbinden aan een plek en die plek daarna verlaten is misschien heel goed. Alles kan dan blijven zoals het was.

Ik kijk babyfoto’s en filmpjes van mijn kinderen en hoe aandoenlijk die ook zijn: hun huidige versies lijken echter, vollediger. Waar oude foto’s vroeger nog verbleekten, hebben die tegenwoordig te weinig pixels.

Hoe dan ook verliest de vastgelegde herinnering het van het nu, tenzij die plek – of die persoon – er niet meer is.

Beeld: Lauren Mae Murphy

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Gedeelde hartstocht

Ik lees wat in een oude Tirade (nummer 311, 1987). Hoewel het omslag aangeeft dat het een nummer over de bioloog, essayist en dichter D. Hillenius (1927-1987) is, gaat meer dan de helft ervan over iemand anders. Dit nummer bevat namelijk een stuk van ruim zeventig pagina’s over de Amerikaanse letterkundige Clay Hunt (1915-1977), geschreven door de formidabele essayist en romancier Kees Verheul (1940). 

‘Poetic Passion’, dat overigens integraal online staat, is chimeer van opzet: het is deels persoonlijke memoires, deels literair essay en deels een in memoriam. Verheul kreeg als zeventienjarige jongen met uitmuntende schoolresultaten de kans om negen maanden in de Verenigde Staten te studeren. Hij kwam terecht op een klein maar prestigieus college in Williamstown, Massachusetts. Daar schreef hij zich als verwoed lezer terstond in voor het vak ‘Modern English and American Poetry’, gegeven door Dr. Clay Hunt. 

Het zou op meerdere vlakken een revelatie blijken. Hunt stond op de campus bekend als een genie, maar ook als een onaangepaste excentriekeling. Via enkele levendige herinneringen schetst Verheul een schitterend portret van deze eloquente, drankzuchtige estheet die vloekte als een bootwerker. Zijn jongensachtige speelsheid komt duidelijk naar voren in een van de leukste anekdotes: tijdens een cocktailfeestje ter gelegenheid van zijn eigen verjaardag liet Hunt een colonne ‘opwindbare speelgoedmuizen’ los op zijn gasten: ‘De dieren hadden er zo echt uitgezien en hun bewegingen waren zo flitsend geweest dat de dames gillend opzij waren gestoven.’ 

Maar bovenal was hij degene die Verheul wegwijs maakte in een nieuw literair domein, namelijk dat van de modernistische poëzie. Een paar jaar eerder had hij het oeuvre van Simon Vestdijk (1898-1971) ontdekt, wat resulteerde in een fascinatie die ‘door zijn duurzaamheid, kracht en exclusiviteit tenslotte als een soort neurose was gaan werken’. Zijn contact en ontmoetingen met deze schrijver heeft Verheul overigens geweldig beschreven in Een volmaakt overwoekerde tuin (1987). Hunt liet hem zien dat er ook nog een wereld buiten het universum van Vestdijk bestond, en leverde daarmee ook meteen een nieuw literair voorbeeld aan: T.S. Eliot (1888-1965). 

Ook gaat Verheul uitgebreid in op het wetenschappelijk werk van Hunt. Aandachtig bespreekt hij diens twee boeken over Milton en Donne, zich niets aantrekkend van het feit dat zijn leermeester maar een relatief marginaal academicus was. Overigens blijkt het met die obscuriteit wel mee te vallen: in de tussentijd werd het werk van Hunt bijvoorbeeld meermaals aangehaald door de invloedrijke literatuurcriticus Harold Bloom (1930-2019). 

Tot slot bevat het stuk een wat pijnlijke beschrijving van een laatste ontmoeting met Clay Hunt. Enkele maanden voor de dood van zijn oud-docent komt Verheul nog eens naar Williamstown, alwaar hij schrikt van de aftakeling en de wat armzalige leefomstandigheden van zijn mentor. Bijna vilein is de minutieuze registratie van de verstrooide man op leeftijd, dusdanig dat ik begon te vrezen voor een afrekening. 

Maar ‘Poetic Passion’ bleek wel degelijk een ode te zijn. Verheul sluit af met een enerverende lofzang op het doceer- en verteltalent van Clay Hunt, dat Verheuls liefde voor literatuur op een cruciaal moment aanwakkerde. ‘Uit mijn kontakt met hem begrijp ik dat de ‘poëtische hartstocht’ – een hartstocht die nuchtere rationaliteit en humor allerminst uitsluit – er, net als de meeste hartstochten, om vraagt met anderen te worden gedeeld,’ schrijft Verheul, en hij heeft gelijk: zowel bij het schrijven als het doceren gaat het in de eerste plaats om het delen van een hoogstpersoonlijke liefde, het leggen van contact. Niet voor niets komt dat laatste woord zowel in dit essay als in het verdere oeuvre van de hartstochtelijke docent en verteller Kees Verheul veelvoudig voor. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Prognoses

‘Zo,’ zei Hans-Ivo terwijl hij zijn sixpack Jupiler in de koelkast mikte naast mijn sixpack Brand. ‘Die corona, dat zit er dus weer op.’

Rob en ik lachten omdat hij de stemming in de stad zo goed verwoord had: alsof we louter voor de vorm – omdat we het nu eenmaal beloofd hebben – nog afstand bewaren, geen handen geven, niet omhelzen.

Ik was nog nooit bij Rob in Noord geweest en had net van diens vriendin H de tour gekregen van hun woning, waarna H zich terugtrok op de eerste verdieping. Ik vond dat jammer, omdat ons driemanschap vaak nóg leuker is met een aanvullende speler. De hele dynamiek krijgt dan een zetje.

Sinds het begin van de maatregelen treffen we elkaar zo nu en dan. We nemen ieder een eigen sixpack mee om kruisbestuiving te voorkomen, en als de biertjes op zijn gaan we weer ons weegs. De vorige keer was Paul ook langsgekomen met een halfje graanjenever, wat de avond aanzienlijk verlengd had, maar bij een enkeling voor problemen had gezorgd op de fietstocht terug naar huis.

Het lijkt erg moeilijk voor de mensen om geen voorspellingen te doen over de komende weken en maanden. De media knappen uit hun voegen van de prognoses. Voorspellers die gelijk krijgen zullen spekkoper zijn, degenen die ernaast zaten zullen al snel nieuwe prognoses hebben, nieuwe kansen op spekkoperschap.

We dronken en Rob en Hans-Ivo prognosticeerden. Hans-Ivo gebruikt daar vaak zijn wijsvinger bij, opgeheven dan wel wijzend naar degene die hij aanspreekt. Rob brengt graag zijn handen naar elkaar als hij een punt maakt, zijn armen dicht langszij alsof hij zijn punt in een nauwe gang moet maken.

Na de prognoses ging het over onze boeken en hoe het daarmee staat: twee romans in wording en een apocalyptische voetbal-sleutelnovelle. Ik vertelde dat ik het steeds moeilijker vind om te geloven dat de wereld op mijn werk zit te wachten.

‘Gelukkig heb ik daar geen last van,’ zei Hans-Ivo. ‘Daar moet je echt mee oppassen.’

Ik vind dat je onder het schrijven heilig moet geloven in de schoonheid en het belang van je werk, maar Cindy Hoetmer schreef onlangs een heerlijk boek zonder – durf ik hier te stellen – op enig moment te geloven in het belang ervan.

Er werd gerookt in Robs tuin, getuurd naar de verbijsterend heldere hemel. In tijden van crisis – dat weet iedereen – is tabak een stuk minder dodelijk, de kans op kanker bijna verwaarloosbaar. Drinken is ook niet snel problematisch tijdens een pandemie. Dat wordt nog keihard wennen, straks.

Om te voorkomen dat er jenever gedronken zou worden, sloten we tijdig af. Hans-Ivo en ik fietsten naar de pont en staarden over het water naar de naderende stad.

‘Hier is het voor mij begonnen,’ zei hij. ‘Amsterdam. Een eerste eigen plek in Noord en dan dit pontje.’

Ik nam afscheid van Hans-Ivo, die aan de oostkant van de stad woont, en trapte westwaarts langs het IJ naar huis. Terwijl ik fietste leek ik zowel op de kade als heel hoog in de lucht te zijn, neerkijkend op twee kleine fietsers die steeds verder bij elkaar vandaan raakten.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Het einde van Boekhandel Schimmelpennink

Boekhandel Schimmelpennink is dicht. Na vijfentwintig jaar is Ton ermee opgehouden. Hij wilde nog andere dingen doen voordat de rit ten einde komt, zoals tijd doorbrengen in zijn camper in Friesland, of koffie schenken in een bejaardentehuis. Maar de dalende omzet door concurrentie van websites als bol.com en een marktconforme verhoging van de huur zullen helaas ook een rol hebben gespeeld – er waren geen gegadigden voor een overname.

Ik moet bekennen dat het niet mijn vaste boekhandel was – die zit al jaren op het Spui. Maar in Schimmelpennink kwam ik wel bijzonder graag. Onder meer omdat de omloopsnelheid er trager was en oudere uitgaves langer op de plank bleven staan. Je kon er bij toeval nog een bijzonder boek ontdekken; een onuitgepakte eerste druk van de Nederlandse vertaling van Prousts Contre Sainte-Beuve is waarschijnlijk mijn beste vondst geweest. 

Uniek was ook de informele en nostalgische sfeer: de keuvelende of orerende buurtbewoners, de naar vanille geurende pijptabak, die me steevast aan mijn grootvader deed denken. En het prachtige donkere houten interieur. Ik kon me maar moeilijk voorstellen dat de winkel uit 1994 kwam – dan had er wel met uitzonderlijk veel overtuiging binnen moeten zijn gerookt. Later ontdekte ik dat er al sinds 1940 een boekhandel in het pand zit, aanvankelijk bestierd door de bekende familie Boekman. Na een reeks minder geslaagde plaatsvervangers werd de oude winkel uiteindelijk waardig opgevolgd door Schimmelpennink, wat nu helaas de laatste incarnatie blijkt te zijn.

Ik leerde dit uit de degelijke winkelgeschiedenis, die als appendix is opgenomen in Moedig zijwaarts (2015), de verzamelde columns en stukjes van Ton Schimmelpennink. Ik kocht het leuke boekje samen met Ik ben ik niet (2014) van J.J. Voskuil toen ik begin april afscheid van de boekhandel kwam nemen. Het bevat verder flink wat droogkomische verslagen van ontmoetingen met merkwaardige klanten en bezoekers. Onder wie ook Wouter van Oorschot:

‘Het gesprek komt op de veel te vroeg gestorven D. Hooijer, wier postuum verschenen werk nauwelijks heeft verkocht. “Net als haar bundel Sleur is een roofdier,” reageert de uitgever, nog steeds enigszins verbolgen. “Daar heb ik onlangs 4000 exemplaren van door de papiermolen gehaald.”

De boekhandelaar verslikt zich in een slok koffie.

“Die prachtbundel van de grote D. Hooijer?”’

De boekhandelaar had ‘deze nieuwste bijdrage aan de teloorgang van de beschaving’ graag ongedaan gemaakt, zegt hij, maar vierduizend exemplaren in zijn winkel opbergen? ‘“Wel een beetje veel eigenlijk,” denkt hij tenslotte.’ 

Op de zelfgeprinte boekenleggers stond een van Schimmelpenninks motto’s: ‘Tegen de teloorgang der dingen.’ Omdat ik het verval van wat me dierbaar is ook maar moeilijk verdraag, was ik voornemens om de boekhandel na die eerste keer niet meer te bezoeken. Afgelopen week ben ik toch nog eens gegaan. Niet om de aftakeling van die eens zo fraaie winkel te aanschouwen, maar om dat adagium in de praktijk te brengen. Ton was zo goed om me zijn schrijversprenten van Menno ter Braak en Martinus Nijhoff te schenken, op voorwaarde dat ik die van J.C. Bloem erbij nam. Ik zal ze ophangen in een toekomstige klaslokaal, als aanmoediging en als aandenken. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

50

Ari is al bijna dertig jaar mijn vriend. Wie hem niet goed kent vindt dat hij veel praat en slecht luistert, en ik begrijp dat wel.

We drinken graag, samen. Als er publiek is – dat is voor Ari meer dan twee personen – staat hij altijd aan.

Maar Ari maakt documentaires, een vak waarin je anderen een podium biedt; met de jaren heb ik geleerd dat hij heel goed kijkt en luistert. Op de belangrijkste momenten zag hij me, ook terwijl hij ergens op de bar danste, zich schijnbaar onbewust van zijn omgeving.

Als het tussen B en mij ooit misgaat, dan weet ik dat er bij Ari – toch mijn laatste vriend met een studioappartement – een matras voor me geregeld wordt.

Een van mijn gelukkigste perioden was toen het uit was met mijn ex en ik op de grond sliep in Ari’s oude huis op het Jeltje de Bosch Kemperpad. In de koudste nachten van het jaar lag ik in zijn kleine woonkamer naast een falende gevelkachel. Ik deed onderzoek voor mijn scriptie en forensde elke ochtend naar Scheveningen; hoewel ik om zes uur op moest, kwam Ari vaak diep in de nacht en nog dieper in de olie thuis, en wilde dan nog één plaatje voor me draaien.

Ik maakte schoon en begon voor ons te koken. Ari kwam elke dag op tijd terug uit Hilversum en riep al bij het vastzetten van zijn fiets dat het mannetje thuis was. We aten veel vlees. Meerdere keren per avond deed hij me bijna stikken van het lachen.

Ari leerde ik ergens in ’93 kennen via mijn vriend Gijs, die zo veel affectie had voor de luide jonge televisiemaker dat ik hem onmiddellijk in mijn hart sloot; met Ari kwam ook de lange en wat stillere Boris mijn leven in. Meer dan twintig jaar aten, dronken, dansten en lachten we met zijn vieren.

Gijs overleed, en toen waren we met drie. Er zijn de afgelopen jaren veel mensen doodgegaan om Ari heen. Ik hoop dat je het oké vindt dat ik dit hier opschrijf, Aar.

Wat ik zeggen wil: ik kom straks voor je koken. Ik haal een bak vol spulletjes en dan zien we wel wat het menu wordt. Wacht op ons met drinken. Die lange komt ook vroeg.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Corona in Rusland

[FB 21-4-20] (Vertaling Yolanda Bloemen en Seijo Epema)

De gewaarwording in ‘reële tijd’ te leven is er waarschijnlijk niet bij degenen die thuis zitten, maar voor mij, die zich door omstandigheden wél verplaatst, is die aanwezig. Er is veel vreselijks (met name de ineenstorting van de gezondheidszorg), maar ook veel fascinerends, zoals bij ieder natuurgeweld. De vreemde sensatie van Moskou (waar ik meer dan een maand niet ben geweest): de uitgestorven straten, het voorzichtige verkeer, hoe mensen ontmoetingen uit de weg gaan. Wat nieuw is: het hoofd van de regionale overheid belt me op (voor raad), op Facebook krijg ik vriendschapsverzoeken van mensen van wie ik dacht dat ze van het bestaan van Facebook niet afwisten, en de minachting voor de centrale overheid lijkt algemeen gedeeld. En, zoals dat gaat op een moment van serieuze maatschappelijke verschuivingen, er bestaan ineens verschillende manieren van leven naast elkaar. Ik moest vandaag denken aan een fragment uit de memoires van mijn overgrootvader, die in Kronstadt getuige was van de Februarirevolutie met de talloze moorden op officieren (mijn overgrootvader was ook officier, en militair arts), over hoe hij na alles wat hij gezien had terugkeerde naar zijn ouderlijk huis in het gouvernement Voronezj: ‘We reisden met zes personen in een eersteklascoupé met vier plaatsen. Het leek of al dat nieuwe en vreselijke alleen in Kronstadt was. In het hele land was er nog een overvloed van al het oude. In de coupé zat een oudere, degelijke adellijke dame, een landeigenares uit de buurt van Kozlov, in een derdeklascoupé zaten haar dienstmeisje en haar hondje. Op het station Izberdej werd de dame afgehaald door een rijtuig met drie robuuste paarden ervoor en een bagagewagen eraan vast. De dame nodigde mij met klem uit haar te komen bezoeken en een dagje of wat te komen logeren.’

[FB 24-4-20]

Een man

Uit de cyclus ‘Brieven van geluk 2020’

Toen de virusepidemie begon sloot een man zich op in zijn buitenhuis buiten Moskou: hij ging nergens meer heen en ontving niemand. Zijn vrouw was allang bij hem weg, zijn labrador was dood, over zijn dochters – volwassen, getrouwde vrouwen – spreekt hij liever niet. Deze man heeft niets nodig en niemand heeft hem nodig. Hij heeft niets te wensen, zijn geschiedenis is het niet waard te delen.

Maxim Osipov

Maxim Osipov is Russisch arts en schrijver, zoals Tsjechov dat was. In eigen land stelt hij zich kritisch op waar het gaat om gezondheidszorg. In het najaar verschijnt de schitterende verhalenbundel Steen papier, schaar van Osipov in de vertaling van Yolanda Bloemen en Seijo Epema.

Een heikele balans

Een leven lang schrijven heeft zijn prijs. Terwijl de eenling in een studeerkamer ploetert op de vierde versie van zijn manuscript, gaat het leven daarbuiten gewoon door. Hij die zich afzondert raakt op den duur verwijderd van de andere mensen. Schrijven is kiezen voor eenzaamheid. En niet iedereen verlangt daar in dezelfde mate naar.

Er is dus wat voor te zeggen om niet uitsluitend van en met de pen te leven. E. Du Perron (1899-1940) schreef in Nutteloos verzet (1929) het volgende: ‘Hij meende weldra dat het werkelijke leven zich eenvoudigweg niet beschrijven laat; hij begon bij zichzelf waar te nemen dat het schrijversleven een ander, een zuiverder bestaan verdringt; hij besloot het zijne althans niet te verschrijven.’ Ook ik denk dat het leven tot op zekere hoogte tegen de letteren beschermd moet worden. Wie zijn bestaan tot bouwmateriaal voor de kunst heeft teruggebracht, neemt genoegen met een surrogaat. 

De heikele balans tussen leven en literatuur is een van de centrale onderwerpen in het oeuvre van Robbert Welagen (1981) geworden. Op jonge leeftijd debuteerde hij succesvol met de roman Lipari (2006), en sindsdien publiceerde hij iedere twee jaar een gestileerde kleine vertelling, die steevast goede kritieken krijgen en af en toe voor prijzen worden genomineerd. Dat is een mooie invulling van het bestaan, zou je kunnen zeggen, maar is het werkelijk het allerhoogste? Welagens personages zijn het zich in de loop van de tijd steeds vaker af gaan vragen. 

Zijn metafictionele boek Het verdwijnen van Robbert (2013) draaide om de veelbelovende jonge romancier Robbert Welagen die, teleurgesteld in het schrijversbestaan, een nieuw leven begint in Duitsland. Met Nachtwandeling (2017) schreef hij naast een detective ook een satire op het literaire prijzencircus, waar Welagen zelf genoeg ervaring mee heeft gehad. Ook in zijn meest recente verhaal, ‘De man achter het boek’, eerder dit jaar gepubliceerd in Hollands Maandblad, reflecteert hij op het ongemak en de claustrofobie die met het schrijverschap komen. Welagen beschrijft daarin een geïnterviewde auteur die het zat is om over zijn eigen werk te moeten praten, de particuliere drijfveren van zijn schrijverschap heeft geaccepteerd en nu vooral met rust gelaten wil worden. 

Het duidelijkste komt deze vraag aan bod in de fraaie roman In goede handen (2015). Erik Bergmans is de held van dat zowel tragische als komische verhaal. Hij is een typisch Welagen-personage: een creatieve mijmeraar die buiten het maatschappelijke gebeuren lijkt te staan. Erik werkt als tekenaar en illustrator, en hoewel hij door opdrachtgevers gewaardeerd wordt, moet hij cursussen geven om enigszins rond te komen. Toch is hij wel tevreden met zijn kleine bestaan, totdat hij op station Amsterdam Amstel geconfronteerd wordt met een dubbelganger. Eerder geamuseerd dan geschrokken volgt hij zijn kloon, die advocaat blijkt te zijn en met vrouw, kinderen en een dure auto voor de deur in een chique wijk woont. Spiedend door het woonkamerraam begint Erik te peinzen:

‘Toen ik jong was, dacht ik dat ik later ook zo iemand kon worden, maar ergens in mijn leven kwam ik op een ander pad terecht, het ongeplaveide pad der kunstzinnigheid. Dat leven vond ik een tijdlang het best mogelijke – een leven van verbeelding en vrijheid – maar langzaam verloor het zijn glans. Steeds scherper begon ik in te zien wat eraan ontbrak. Keuzemogelijkheden, comfort. En nu zou ik niets liever willen dan een leven zoals ik daarbinnen zie.’ 

In de loop van het boek leert Erik het ingeslagen pad weer waarderen, en uiteindelijk kiest hij vrij radicaal voor het leven door tegemoet te komen aan de kinderwens van zijn vriendin. Maar de premisse van Antoinette (2019) – misschien Welagens beste boek, dat ik mocht bespreken voor De Groene– rekent af met deze geruststelling. De verteller van die roman blikt terug op een liefde die strandde omdat het verwekken van een kind maar niet wilde lukken. Zijn onmacht om aan de eenzaamheid te ontsnappen is de tragische kern van dit verhaal. 

Nog geen veertig is Welagen, en hij schrijft nu al zulke melancholische boeken dat ik me soms afvraag hoe hij de zware latere fases van het leven moet gaan verbeelden. Je houdt je hart vast. Zeker is dat het nog flink wat uitstekende romans zal opleveren. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Faisel Groen

Voorbij het pompstation lichtte het neonbord van de Sports Bar een kluitje mannen op witplastic terrasstoelen uit. Niemand leek Evander op te merken terwijl hij naderde, in beslag genomen als ze waren door een kleine aap die op de tafel tussen hen in zat, een rijtje lege shotglaasjes aan zijn zij. De aap was met een ketting verbonden aan de pols van een bebaarde grijsaard, en leek stomdronken. Een jonge vrouw kwam met een blad volle shotglazen naar buiten, die ze over de aap en mannen verdeelde. 

‘Wat drinken ze?’ vroeg Evander toen ze hem groette, het blad onder haar arm.

Ze trok haar wenkbrauwen op en keek hem een paar tellen aan. Haar huid was zo gaaf dat ze met cacaopoeder bestoven leek, ze had bijna onnatuurlijk grote ogen en wimpers die naar hem leken te reiken.

‘Pisang.’

Evander volgde haar naar binnen, starend naar haar brede schouders en slanke taille, haar billen in de gebleekte spijkerbroek. Wie bedacht had dat zij tot laat in de nacht in haar eentje een Sports Bar moest draaien, was gek of geniaal: in geen van de tentjes die hij onderweg gezien had leek meer volk te vinden.

De vrouw stapte op een vlonder achter de bar, dat haar een kop groter maakte dan de drinkers ervoor. De fles zette ze terug op een hoge plank, waarbij haar met glimmertjes versierde zwarte T-shirt opkroop en de glooiing van haar heup te zien was. De mannen op de krukken stootten elkaar niet aan, knikten niet, fluisterden niets in elkaars oor. 

‘Hier,’ zei een stem achter Evander. Faisel Groen zat aan een chromen tafel naast een spelletjeskast, een fles Red Label en een pakje sigaretten bij zijn elleboog. ‘Ik heb een glas voor je.’

‘Ik probeer niet te drinken,’ zei Evander. 

De lijnen in Groens gezicht leken donkerder te worden, dieper. ‘En hoe bevalt dat?’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Speelgoedauto

In het komende nummer van Tirade staat een mooi in memoriam over Carl Friedman (1952-2020). Nadat ik de tekst voor het eerst doornam besloot ik Friedmans debuutroman Tralievader (1991) te lezen. Het verhaal is een kleine familiekroniek, die draait om een vader met een kamptrauma. Hij wordt dusdanig getormenteerd door zijn herinneringen dat alles in het huishouden om de oorlog is gaan draaien. Iedere dag houdt hij indringende monologen over de gruwelijkheden die hij heeft gezien. Zijn vrouw zwijgt gedwee, en zijn drie kinderen spelen nietsvermoedend de kamppraktijken na. Voor hen bestaat er geen wereld buiten de Wereldoorlog.

Tralievader wordt verteld vanuit het perspectief van de dochter. Friedman stijl is kaal en ingetogen, waarmee zij de naïeve, verwonderende blik van een kind nabootst. Het verhaal is opgebroken in korte hoofdstukken van twee of drie pagina’s, die steeds een enkele scène als uitgangspunt nemen. Hiermee wordt de indruk gewekt dat het om een serie opgehaalde jeugdherinneringen gaat. 

Deze opzet maakt Tralievader duidelijk verwant aan enkele klassieke teksten uit de Nederlandse autobiografische oorlogsliteratuur, zoals Het bittere kruid (1957) van Marga Minco (1920) of het mijns inziens wat minder memorabele Kinderjaren (1978) van Jona Oberski (1938). De onsentimentele schrijfstijl en het onwetende perspectief van het kind doen de gebeurtenissen in deze boeken nog harder binnenkomen. Door het gebrek aan duiding wordt alles kortstondig ontdaan van historische of ideologische betekenis, en krijg je alleen de essentie te zien: onmenselijk, absurd geweld. 

Een van de meest tragische herinneringen van de vader uit Friedmans relaas betreft de zelfmoordpoging van een medegevangene:

‘Mijn vader schuift zijn stoel achteruit en zet het op een drafje. Daarbij slaat hij zijn armen wijd uit. “Zo sprong hij van dat dak, als een vogel die klapwiekt. Hij leek verdomme Charlie Chaplin wel. Te zelfder tijd werd er door een paar SS-ers op hem geschoten en viel hij loodrecht uit de lucht.” Met zijn armen omhoog blijft hij middenin de kamer staan. “En eigenaardig genoeg,” zegt hij, terwijl hij naar het plafond kijkt, “denk ik tot op de dag van vandaag: als ze hem niet hadden getroffen, was hij waarschijnlijk weggevlogen. Auf und davon.”’ 

Als kind dwong ik mijzelf om tijdens de Dodenherdenking de wreedheid van de Tweede Wereldoorlog en de Shoah zo concreet mogelijk voor de geest te halen. Getallen maken leed abstract, en kunnen de menselijke ervaringen nooit werkelijk vatten. Tijdens de twee minuten stilte dacht ik daarom aan de vreselijke oorlogsfoto’s die ik kende, of aan de verhalen van overlevenden en ooggetuigen. Later kwamen daar ook literaire getuigenissen bij, van Primo Levi en Etty Hillesum, bijvoorbeeld. Nu nog herinner ik me hun verslagen wanneer ik probeer na te denken over die onvoorstelbare hoeveelheid pijn en verdriet.

Enkele verhalen uit Tralievader zijn bij het lezen in mijn geheugen gegrift. Het tweede betreft een zeldzaam moedig protest bij de aankomst van de kampinspectie, dat uiteindelijk met de dood moet worden bekocht:

‘“Moet je je voorstellen,” zegt hij. “Dat plein vol aangetreden gevangenen, met geschoren schedels zo ver het oog reikte. En daar middenin stond, god weet waar vandaan, bovenop de kale kop van Istvan, een roodblikken speelgoedauto. Het ding was vastgemaakt met dunne draden, stukken vioolsnaar misschien, die liepen van de wieltjes naar Istvans kin, waaronder hij de eindjes aan elkaar had geknoopt.

Het is de enige keer in mijn kamptijd geweest, dat ik SS-ers sprakeloos heb zien staan.”’

Het is een overweldigend tafereel, dat door Friedman uiterst beheerst uit de doeken wordt gedaan. Let maar op de fraaie zin waarin de speelgoedauto wordt geïntroduceerd: de beschrijving van het voorwerp wordt achter twee bijzinnen geplaatst, waardoor de spanning wordt vergroot. Het beeld zelf is bijzonder krachtig: op onverbiddelijke wijze confronteert het kinderspeelgoed alle aanwezigen met de kunstmatigheid van het grote nazistische toneelspel. Meteen valt alles stil. Wat kan het absurde beter aankaarten dan het absurde zelf? 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.