Old Filth – Failed in London Try Hong Kong

Jane Gardam is een oudere Engelse dame. Geboren in 1928 wordt ze algemeen gezien als de onbegrijpelijkerwijs niet veel beroemdere grand old lady van de Engelse literatuur. De trilogie over Old Filth waarvan Cossee de eerste twee delen in vertaling heeft uitgegeven* is werkelijk geweldig. Het is lang geleden dat ik drie delen van een serie achter mekaar uitlees. Het moet die andere grootheid die wat te onbekend is gebleven zijn: Edward StAubyn.

Old Filth, The Man in the Wooden Hat en Last Friends, zijn opgebouwd zoals een evangelie is opgebouwd. Het eerste deel is ‘wat er gebeurde’ vanuit het perspectief van de man uit het huwelijk, Edward Feathers, het tweede deel is het evangelie volgens de vrouw uit het huwelijk, Elisabeth Macintosh en het laatste is de het deel vanuit het perspectief van haar minnaar en zijn -ook zakelijke -rivaal Sir Terence Veneering.

Perspectief is niet helemaal juist gekozen. De perspectieven wisselen in de boeken nogal. Je zou kunnen zeggen dat elk boek de kant van het verhaal van het hoofdpersonage is, maar het blijft meerstemmig.

Wat is er nu zo goed aan deze drie boeken? Niet uitsluitend de mogelijkheid een verhaal, drie levens heel goed te leren kennen door elk van de betrokkenen als het ware haar eigen kant te doen belichten. Dat is wel iets verslavends moet ik zeggen, ik zou het verhaal nog rustig vijf keer verteld kunnen krijgen indien geschreven door Jane Gardam. Binnen de boeken een veelheid aan personages vanuit wier hoofden wij lezers soms meekijken. Gardam heeft op een heel natuurlijke wijze de capaciteit van hoofd naar hoofd te springen van haar voorbeeld Virginia Woolf overgenomen. En net als in Woolfs briljante The Years gaan we  vele decennia mee in de levens van de hoofdpersonen, vormt intercontinentaal leven een grote rol, bevinden we ons in de upper class.

Maar het is lichter, iets vrolijker, en geestiger. En de veelkantigheid van dit verhaal in drieën is onvergetelijk.

De grootste kracht zit natuurlijk in de taal, die licht en afgemeten is, Brits geestig en understated en de personages zijn heel mooi, beschadigd en fier toch maar doorgaand. De geheimen die gaandeweg onthuld worden zij  dramatisch maar niet te groot.

Ik ga me in retrospectief maar een weg door dit oeuvre graven. Never a dull moment.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

*Cossee gaf de eerste twee boeken uit onder discutabele titels Een onberispelijke man en een Een trouwe vrouw. De verder heel fraaie vertaling is van Gerda Baardman en Kitty Pouwels.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Klachtbrief (4)

Dear landlord,

It is not my habit to write you a formal letter every time something in our apartment breaks down, but this time I have no other choice. This time, there is something truly sinister going on in our kitchen.

As you may well know, our kitchen has two sinks; one normal sink that we use on a daily basis, and the garbage disposal right next to it that my husband and I privately refer to as The Eye of Sauron: an unblinking black hole into nothingness that is somehow connected to an electricity switch on the wall. When turned on, the Eye of Sauron makes a hair-raising gurgling sound unlike anything I’ve ever heard in my life – the slit windpipes of a classroom full of young children comes to mind, but that at least has an innocent ring to it. This, I am sorry to inform you, does not.

Needless to say, we rarely use the Eye of Sauron. It just sits there, like an open portal to hell, waiting to suck in and devour whatever tumbles down its endless void. We’ve only used it once in an emergency a few years back, when my husband saw a cockroach attempting to crawl out of it. Cockroaches are known for their survival skills. Theoretically, they can withstand even a nuclear holocaust, but not – as we have experienced – the evil in our kitchen. As soon as I flipped the switch, the Eye of Sauron started gnawing away at the poor creature until there was nothing left but a small splatter of a crème brûlée-like substance. We put a lid on it ever since.

About a week ago, we discovered that the Eye of Sauron has taken possession of our dishwasher. Whenever I turn it on, the dirty water from the dishwasher doesn’t simply disappear into the sewer system like it’s supposed to, but instead rises up via the unfathomable depths of the Eye and fills up the sink, soiling it to the rim with grime while leaving a sulfurous odor that spreads throughout the apartment.

Although it remains a mystery to me how a bottomless hole could ever get clogged, I risked my own life trying to clear it with a plunger. Unfortunately, that weapon proved hopelessly inadequate against such a formidable opponent. I halted my efforts as soon as the Eye of Sauron started making angry noises. I don’t want to provoke it.

Could you please send somebody over to take care of this?

Kind regards,

 

Arjen van Lith

(Apartment G.)

____________________

 Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

De mooiste meter

Stukken die je fietst, wandelt of terwijl je in een auto of trein zit passeert, vormen voor mij een vreemde afwisseling van emoties. Het lijkt wel of per zeg vijftig meter je geheugen, je brein een andere kleur aan een stuk straat toekent. Een traject dat ik regelmatig afleg bestaat dus uit een veelheid, een lappendeken van stukken van vijftig meter die steeds een net andere mate van aangenaamheid bezitten. Hoe komt zoiets? Hoe kan het dat je een bepaalde bocht plezieriger vindt dan een andere, en dat dezelfde plek eigenlijk altijd ongeveer hetzelfde gevoel oproept? Mijn Wibautstraat vanaf het Amstelstation ziet er bijvoorbeeld zo uit: positief-negatief-positief-positief negatief – negatief- positief-positief- negatief -positief. Nu ben ik bij het Jonas Daniel Meijerplein aanbeland. Hoe kan het dat er onaangename stukken straat zijn waarvan je niet weet waarom ze dat zijn?

Ik denk dat de wereld waarin je je vaak begeeft, je stad een mentale kaart wordt. Eenmaal een heel vreselijk rotdag versterkt voelen worden door een rottige situatie in het verkeer op een bepaalde plek bijvoorbeeld,  zorgt ervoor dat je je misschien niet het onbeduidende voorval  herinnert, maar wel het gevoel dat daarbij hoorde. En dat gevoel blijft aan die plek hangen. Elk traject dat je zo aflegt is een veruitwendigd geheugen van gevoelens. Het kan een gedachte zijn, mooi of lelijk die een plaats is gaan kleuren, een voorval, een herinnering, een blik van iemand, een lied dat door je hoofd speelt, een schittering in een raam, de lichtval, een schaduw van de zon.  Maar het staat betrekkelijk vast daarna.

Zoals Dick Hillenius planten op reis meenam, in zijn tuin plantte en zo zijn tuin als een uitwendig geheugen kon zien – hij herinnerde zich immers bij het zien van een bepaalde plant de tocht die hij vier jaar terug in Spanje maakte –  zo wandelt iedereen ongemerkt door een wereld die hem door een verleden van kleine gevoelswisselingen dingen meedeelt die niet daarbuiten bestaan, maar slechts aangezet worden door het beeld van de buitenwereld.

Het is zoals Tijs Goldschmidt in De bijenchoreograaf schreef mogelijk een bij een dansje naar believen te laten doen door de strategische aanplant van bloemenvelden in de buurt – de bij geeft immers met zijn bewegingen aan zijn korfgenoten door waar de juiste honing te halen valt.

Zo zou een tocht door de stad denkbaar zijn met maximale positieve gevoelens, en een tocht met maximale negatieve gevoelens. Een hersenscan met oplichtende gebieden op afroep door een wandeling door je stad of dorp. En over de schoonheid van de tocht hoeft dat niets te zeggen.

Onderzoek naar hoe je omgeving inwerkt op je hersenen staat naar ik geloof nog in de kinderschoenen.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Zie vooral deze pagina van tekenaar Stefan Bleekrode voor informatie over de intrigerende afbeelding bij dit stukje.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Vrienden

IMG_5375Boris was jarig. Aan een tafeltje bij het raam in Hoi Tin op de Zeedijk wachtten Arie en ik op de lange man met de rugtas. Boris is altijd laat, en na twintig gedeelde jaren kunnen we het nog steeds niet laten de vriendschap per sms op te zeggen als we weer eens op hem moeten wachten.

Hij reageert hier nooit op. We bestelden. Boris kwam binnen, zette zijn rugtas neer en veegde zijn haar uit zijn gezicht. Arie en hij zouden straks naar de film gaan, naar Blade Runner, en ik vroeg me af waarom ik daarvoor geen vrij genomen had.

Dat is mijn rol: degene die moet werken en grote delen van het feestje mist.

We worden ouder. Ik bedacht voor de zoveelste keer dat ik later niet mijn werk zou missen, maar juist dit soort dingen: samen naar de film.

Na meer dan vijf jaar is onze vriend Gijs er nog steeds heel erg niet als we samen een feestje hebben. Voor zijn dood waren we altijd met zijn vieren. Er zat een evenwicht in de relatie. We zijn een tafel met drie poten, nu.

Nieuwe vrienden hebben we, sterke banden met recentere mensen, maar het gemak waarmee wij samen kunnen zijn ken ik bij niemand anders.

De laatste tijd kijk ik op een andere manier naar ons. Alsof ik oud ben en terugdenk aan deze momenten. Zo waren weDit waren we voordat al die andere dingen ook nog gebeurden. 

“Have I ever told you how precariously balanced I feel?” schreef A.M. Homes. “As though my existence can be revoked at any moment.”

Hoe ouder ik word, hoe meer die woorden kloppen. De blijdschap van nu is vooral een blij zijn dat het er allemaal nog is. Dat klinkt droevig, maar het gevoel wordt er ook dieper van.

Na de lunch keek ik ze na, mijn vrienden. Halverwege de middag kwamen de appjes binnen: Boris en Arie met cognac. Boris en Arie met popcorn en een 3-D bril.

Vandaag viert mijn zoon Nadim zijn zesde verjaardag. Er komen klasgenootjes naar ons huis en een paar uur lang zal de eerste vorm van vriendschap om me heen razen. Het soort vriendschap dat oneindig lijkt, waar nog geen afscheid in besloten ligt.

Hoe mooi ik dat ook vind: ik ben meer gaan houden van het soort vriendschap dat me blij, maar ook verdrietig maakt.

____________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Ongewenste intimiteiten

Van heteromannen heb ik weinig verstand, maar ik kan me niet voorstellen dat ze het prettig vinden om te worden beschouwd als een lustobject in de Pak me! Pak me!-zin van het woord. Jammer is dat; ik gun hun zoveel meer dan een eenzijdig bestaan als veroveraar.

Zelf heb ik er geen enkele moeite mee. Ik stapte vroeger nooit op jongens af. Ik positioneerde me in goed licht op de dansvloer met mijn beste kant naar de bar, een lok over één oog, het andere wellend als in een manga in het schijnsel van de glitterbol/maan. Een aaibaar prooidiertje, maar toch ook heel verbaal.

Quasi-verlegen liet ik me meestal oppikken, maar ik nam die mannen wel altijd mee naar mijn eigen huis, waar ik de hockeystick zo nodig zelfs geblinddoekt nog kon vinden. Sinds een etentje in de provinciestad H. maakte ik daarop geen uitzonderingen. Sinds mijn negentiende.

Mijn eerste jaar sociologie heb ik voornamelijk pingpongend doorgebracht in de kelder van de Oudemanhuispoort, samen met mijn beste vriend D. die ik toen net ontmoet had, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat nu om B., een asblonde kunstenaar met een plusbril die continu om onze tafel heen cirkelde. Vanwege zijn lange jas en vooruitgestoken nek had hij iets gierachtigs, maar artistiek gezien vond ik hem wel interessant. Het kan zijn dat ik toen heel even, in een reflex, per ongeluk mijn goeie kant naar hem heb toegedraaid.

Hij was wat ouder, op zich niks nieuws. Hij had me uitgenodigd om te komen eten in zijn atelier. Aan de ene muur hing alleen een olieverfschilderijtje op postzegelformaat en aan de andere een wandvullende fotoafdruk van een enkele haar. Van eerder werk – een grote installatie – had hij een keuken en badkamer getimmerd.

B. vertelde me dat hij eerder die dag naar België was gereden om duif te kopen. Twee stuks, speciaal voor ons, langzaam gegaard met erwtjes en foie gras. Zó langzaam gegaard, dat de laatste trein naar Amsterdam al vertrokken was toen hij ze voorzette.

Na het toetje begon B. steeds roofdierlijker aan me te zitten en duwde me naar een slaapbank achterin het atelier. Ik probeerde hem te ontwijken en bedoelde echt nee, maar ik was ook gedrogeerd met wijn en duif en hij had meer wil dan ik. Ik capituleerde. Pas nadat ik het over me heen had laten komen, belde ik mijn enige vriend met een auto om me op te halen.

Ik weet het nog steeds niet. Had ik het uitgelokt? Was dit gewoon het spel en had ik dat met open ogen meegespeeld? Was nee dan toch ja? Wond dat geworstel hem juist op? Mij niet. Ik werd er doodop van en dacht rond twee uur letterlijk: vooruit dan maar, dan hebben we het tenminste gehad. Hij was ruw, minder vanilla dan ik, maar dat is verder niet strafbaar.

Ik had toegegeven. Dat maakt het ingewikkeld.

B. had aan mijn haar getrokken en ik had hier en daar wat schrammen, maar een trauma heb ik er gelukkig niet aan overgehouden. Wel die hockeystick, en begrip voor alle vrouwen en mannen die er decennia over doen om te achterhalen wat er nou precies gebeurd is.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Een eigen leven

Vorig jaar verscheen mijn eerste en hopelijk enige autobiografische roman Het Jasje van Luis Martín. Luis, een van de hoofdpersonen, was een grote inspirator voor mijn overleden vriend Gijs Thio en daardoor ook voor mij.

Ik heb Luis nooit ontmoet en beschikte over geen enkel hard feit toen ik begon te schrijven, maar bouwde mijn personage op uit alles wat Gijs me met de jaren over hem heeft verteld. Toen ik in Madrid was om Martíns dochter toestemming te vragen voor het gebruik van haar vaders naam en mijn versie van hem beschreef, bleek die heel aardig te kloppen met de echte Luis Martín Murillo.

Maar mijn Luis was van een andere soort: hij was niet echt.

Kunstenaar Floris Tilanus maakte voor Van Oorschot het mooie boekje Zoals het is, en is deze dagen bezig met een enorme tekening op de afgetimmerde gevel van een winkelpand in de Utrechtsestraat. Gisterenavond aten Elena en hij bij ons. Toen we hun natte jassen hadden aangenomen zei Floris dat hij nog een immaterieel cadeautje voor me had.

Met een lange wijsvinger bladerde hij door zijn telefoon en liet me zien hoe ver hij met het schuttingproject was. Een aantal panden en een stoep stonden er al, de trambaan liep nog een witte leegte in. Het deed iets met me om een deel van mijn stad door Floris getekend te zien. De straat was dezelfde, maar díeper, ergens. Floris had aan het beeld een eigen warmte toegevoegd.

Ik dacht aan echte plekken en personen; aan wat een schrijver of tekenaar van ze maakt. Minder dan echt, maar ook méér dan dat.

‘Kijk eens naar dat bordje,’ zei Floris, en zette zijn nagel op het scherm.

Luis Martín, stond er. Spaanse delicatessen.

Laura’s Martín was die van Gijs geworden, die van Gijs werd de mijne en nu had Floris hem een winkeltje in Amsterdam gegeven. Soms moet je mensen even knuffelen.

Zie je wel, dacht ik, Luis Martín Murillo, dat je bestaat.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Vliegeniers

De agent schraapte zijn keel.

Vier uur vijftien, bureau Amberlecht, zei de agent tegen het opnameapparaat, dat midden op tafel stond. Verhoring van Helen Nietstemaren en Jan Nietstemaren. Halverwege het verhoor zal Karel Lievemeier uitgenodigd worden om de ruimte te betreden en deel te nemen. Helen Nietstemaren, bent u gereed om uw verklaring af te leggen?

Ja, zei Helen.

Jan Nietstemaren, bent u gereed om uw verklaring af te leggen?

Ja, mompelde Jan.

Dan kunnen we beginnen, zei de agent vrolijk. Mevrouw Nietstemaren, klopt het dat u het vuur aangestoken heeft?

Ja, dat klopt, zei Helen. En het spijt me van de schuur van de buurman.

Meneer Lievemeier, bedoelt u, zei de agent, wijzend naar het opnameapparaat.

Ja, sorry. Maar ik wil graag uitleggen hoe het gebeurd is.

Gaat uw gang.

Ik weet dat er niets meer van te zien is, want het is natuurlijk allemaal verbrand. En Jan liet het aan niemand zien, dus niemand wist het. Maar hij bouwde een vliegtuig in onze schuur.

Klopt dat, meneer Nietstemaren?

Jan knikte.

De agent wees naar het opnameapparaat.

Ja, zei Jan, dat klopt.

Jan was iemand tegengekomen, op het strand, een vliegenier uit Noorwegen. Hij bezat een bos, toch Jan?

Dat had hij geërfd, zei Jan.

Ja, dat had die Noor geërfd. Zijn grootvader had een bosbouwbedrijf opgericht, dat door zijn vader uitgebouwd was, tot een van de grootste houtleveranciers van Noorwegen.

Klopt, zei Jan.

© Mike Sandlin

Maar die Noor, die moest daar niets van hebben, die wilde dat bedrijf niet overnemen. Zijn familie was daar heel boos over, maar hij trok zich er niets van aan. Hij liet een stukje van het bos kappen, en op de open plek die zo ontstond bouwde hij, met het hout dat daar gestaan had, een vliegtuig. Toen dat af was, liet hij een rechte strook kappen in het bos, als landingsbaan, en toen is hij met zijn vliegtuig opgestegen en weggevlogen. Dat was ongeveer een jaar geleden. Hij vloog over de Noordzee en landde op het strandje bij Wendelgum, net toen Jan de hond aan het uitlaten was, toch Jan?

Hij zei dat hij niet van plan was terug te gaan, zei Jan. Hij ging verder, hij zou wel zien. Hij had heel weinig geld.

En toen is het dus allemaal begonnen, zei Helen.

Wat een prachtig verhaal, zei de agent. Iemand die leeft voor schoonheid en vrijheid, hè, en de materiële zaken afwijst.

Jan knikte instemmend.

Goh, zei de agent.

Moet ik het verhaal niet afmaken? vroeg Helen verontwaardigd.

Ja, excuus mevrouw, gaat u door.

Vanaf die dag was Jan helemaal in de ban van die Noor. Ik werd er gek van. Jan is nu woedend op me, hè, maar normaal kan hij lange verhalen houden hoor. Die geschiedenis van die erfenis en de ruzie met de familie heb ik tig keer moeten aanhoren, daarom kan ik het zo precies navertellen. Nou, voordat ik het wist was hij alle troep uit de schuur aan het ruimen en begon hij karrenvol hout en metaal naar binnen te rijden. Ik ga een vliegtuig bouwen, zei hij! We maakten geen wandelingen over het strand meer, we lazen niet meer samen de krant. Soms kwam Jan niet eens mee om te eten. Ik eet wel in de schuur, zei hij dan.

Een stilte.

Ik werd er zo ongelukkig van, zei Helen, met een snik in haar stem. Daarom heb ik het gedaan.

Je had het recht niet, zei Jan nors.

En wat is dat precies, wat u gedaan heeft? vroeg de agent.

Op een avond was Jan weer de hond aan het uitlaten op het strand. Toen heb ik een zak takken en oude kranten overgegoten met wodka. En die heb ik in het vliegtuig gelegd en in brand gestoken. Ik had er genoeg van. Ik deed het met opzet, dat beken ik. Maar niet dat van de schuur van de buurman…

Ja, zei de agent. Want, even voor de duidelijkheid, zei hij tegen het opnameapparaat, de schuur van buurman Lievemeier is ook tot de grond toe afgebrand, toen het vuur oversloeg. Daar zullen we zo verder over praten. Ik wil eerst van u beiden weten wat er gebeurde toen u thuis kwam, meneer Nietstemaren.

Ik kwam thuis en opeens was het weg, zei Jan. Ik heb het niet eens zien gebeuren. Dat vind ik het ergste. Er ligt nu een groot, stinkend zwart gat naast ons huis. Alsof het vliegtuig er nooit was.

Maar u hield zich verder kalm? vroeg de agent.

Ja. Maar ik ben woedend. Ik moet verdomme kunnen doen wat ik wil. Helen had niet het recht mijn vliegtuig in brand te steken, zei Jan, luider nu.

Ach, ja, alles gaat voorbij, hè? zei de agent.

Wat zegt u nou? zei Jan.

Alles gaat voorbij! Dingen veranderen, vliegtuigen verbranden, zei de agent, en hij ging losjes achterover zitten.

Daar gaat het niet om, zei Jan. Het gaat om wat er hier gebeurd is.

Ach ja, zei de agent, u komt er samen wel uit. Weet u, hij ging voorover zitten en keek Helen en Jan allebei even aan, u zou u eens moeten verdiepen in de oude Japanners. Die hebben hier veel interessants over geschreven. De schoonheid van het leven ligt volgens hen in haar vergankelijkheid. Het afbranden van uw vliegtuig zouden zij als iets waardevols hebben beschouwd.

Jan probeerde te protesteren, maar kwam niet uit zijn woorden.

Maar dan is er nog de kwestie van de heer Lievemeier, zei de agent, want het afbranden van zijn schuur zou volgens het recht toch een misdrijf genoemd kunnen worden waar u, mevrouw Nietstemaren, technisch gezien schuld aan heeft. Ik zal hem even binnenlaten. Hij stond op, liep naar de deur, en riep via een luikje Karel Lievemeier naar binnen.

Een moment later zaten Karel en de agent aan tafel.

Nou, Karel, zei de agent. Het blijft fascinerend, hè?

Ja, zeg dat wel, zei Karel. Je wordt toch weer geconfronteerd met je eigen eindigheid.

En je kersenboom, staat die er eigenlijk nog? vroeg de agent.

Afgebrand, zei Karel.

Goh, zei de agent.

Mag ik u even onderbreken, zei Helen, moeten we niet doorgaan met het verhoor?

Oké, goed, zei de agent, ik vraag dit voor de procedure: meneer Lievemeier, dient u een aanklacht in tegen mevrouw Nietstemaren?

Oh, nee, zei Karel. Dit hoort bij het leven, hè.

Dat maakt het nog niet goed, zei Jan geërgerd.

Ik kan me wel steeds door tegenslagen droevig laten maken, maar waarom zou ik dat doen? vroeg Karel.

Ik heb ze al verteld over de oude Japanners, zei de agent. Als meer mensen zouden beseffen dat vergankelijkheid het leven mooi maakt, zou ik hier minder vaak zitten.

Ik snap niets van dit verhoor, zei Helen.

Uw man twijfelde nog over of hij u zou aanklagen, zei de agent. Vandaar. Het leek me goed dit eerst allemaal even besproken te hebben. Dat ik suggereerde dat Karel u misschien wel wilde aanklagen, is misschien niet zo netjes, maar het maakte dit verhoor mogelijk en dus onze gezamenlijke reflectie. Dus, meneer Nietstemaren, klaagt u uw vrouw aan?

Jan aarzelde.

Iedereen wachtte op zijn antwoord.

Die Noor is neergestort, flapte Helen eruit.

De drie mannen keken haar verbaasd aan.

© William Hook

Dat denk ik, tenminste, zei Helen. Er was een paar weken geleden een Noor neergestort voor de kust van Frankrijk, in een zelfgebouwd vliegtuig. Jan leest de krant niet meer, dus die heeft dat niet meegekregen, maar het is echt waar.

Jan keek haar aan, hij raakte zichtbaar steeds meer in de war.

Hmm, zei de agent. Ik dacht dat u het vliegtuig in brand stak omdat u de liefde van uw man miste, maar nu is het opeens om hem te behoeden voor een ongeluk?

Nou, ja, allebei, stamelde Helen. Het was misschien een beetje egoïstisch, maar ook een beetje voor hem.

Maar ongelukken gebeuren, hè, zei Karel.

De agent knikte instemmend. Het kan zomaar gebeuren. Daar moet je je bewust van zijn, maar niet door laten tegenhouden. Al had uw man zich te pletter gevlogen tijdens het najagen van zijn vrijheidsdroom, dan was de keus om op te stijgen nog steeds de juiste geweest. Het heeft geen zin om angstvallig in onze huizen te zitten wachten tot iemand ons komt vertellen dat alles veilig is, hè, dat gaat niet gebeuren.

Stel je voor! zei Karel lachend.

Dus, meneer Nietstemaren, vroeg de agent, klaagt u uw vrouw aan?

Hij keek Jan indringend aan.

Nee, zei Jan resoluut. Hij stond op en liep de ruimte uit.

Helen ging achter hem aan. Ze volgde Jan het bureau door, terwijl hij met snelle passen naar de uitgang liep.

Eenmaal buiten stond de lucht in brand met het blauwe vuur van de vroege avond. Het licht leek eerder afkomstig van de hemel dan van de zon, alsof de lucht een groot stuk gekleurd papier was gewikkeld rond een reusachtige lamp. Onder dat licht reden ze over de landweg terug naar huis, in hun eigen gedachten verzonken.

Toen ze het zijweggetje naar hun erf insloegen, zei Helen: Dat van die Noor was niet waar. Ik deed het voor mezelf.

Wist ik wel, zei Jan. Ik heb nog contact met hem.

Hij parkeerde de auto voor het huis. Ze stapten niet uit. Een tijdje keken ze naar het zwarte gat dat naast het huis lag en dat de invallende duisternis van de avond naar zich toe leek te trekken, zwijgend naast elkaar gezeten in de auto, terwijl de grote lamp boven hen zachtjes gedimd werd.

Toen draaide Jan zich om en keek Helen aan.

Zal ik dan maar een nieuwe bouwen? vroeg hij, met het spoor van een glimlach. Voor twee personen?

 

Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre, en werd ook op de website van deBuren gepubliceerd.

 

Pieter Kranenborg (1994) volgt de masteropleiding Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde verhalen in Tirade en Hollands Maandblad en in 2016 won hij de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs. Afgelopen mei verscheen bij Van Oorschot zijn debuut: de verhalenbundel Astronaut. Zie ook https://pieterkranenborg.wordpress.com/

Marfa

marfa

In het grote cartoonboek van The New Yorker staat een tekening van een man en vrouw in de woestijn. Hij smeekt om water, zij om moisturizer. Ik moet daar even aan denken als ik onze koffer inpak voor een weekendtripje naar Marfa, een kunstenaarsenclave in West-Texas.

In Marfa staan veel werken van de minimalistische kistenbouwer Donald Judd (1928-1994), die daar woonde en werkte. Ik ben fan. Het uitgestrekte, verdorde landschap leent zich uitstekend voor zijn strenge vormen, maar misschien nog wel beter voor een langzame verdrogingsdood in de woestijn.

Natuurlijk heb ik water ingepakt, gallons vol, al zijn die vooral voor M., want die moet voortdurend natgehouden worden. Voor mezelf heb ik vochtige doekjes ingeslagen, een flacon CVS Ultra Sheer Broad Spectrum Sunscreen factor 50, een tube aloë vera*, voedende nachtcrème, oogdruppels, vochtinbrengende lippenbalsem, handcrème en een bandana – een boerenzakdoek – die ik in geval van oververhitting net als Thelma & Louise bij een afgelegen tankstation in een bak smeltend ijswater kan dopen, mijn oksels mee kan opfrissen en om m’n nek kan knopen. Je kunt hem ook voor je neus en mond binden als er plotseling een zandstorm opsteekt, of strak om je hoofd om opkomende doemscenario’s al bij de hersenschors af te knellen. Bij eventuele schotwonden is een bandana een prima noodverband. Het verschil tussen leven of sterven in de woestijn, zo suggereert de geraadpleegde literatuur, hangt in heel veel gevallen af van een bandana. Ik heb een rode ingepakt. Klassiek, past overal bij.

De oktoberzon is onverbiddelijk in de Texaanse woestijn. Je moet iets op je hoofd dragen. M. heeft een echte cowboyhoed; hij versmelt straks moeiteloos met zijn omgeving. Ik heb alleen een honkbalpet met de tekst Make Donald Drumpf Again, dus is het goed mogelijk dat ik al dood ben als u dit leest.

We gaan op pad met onze vriendin S. en haar nieuwe vriendje, beiden hindoes uit India en gemakkelijk aan te zien voor Pakistaanse jihadisten of Mexicaanse verkrachters. Tel daar twee witte homo’s bij op, zet het hele gezelschap in een gloednieuwe Prius op het Texaanse platteland en je hebt de ultieme schietschijf voor de plaatselijke deplorables.

Fragmenten uit Nocturnal Animals schieten door mijn hoofd als ik het snoer van mijn telefoonoplader oprol. In grote delen van de woestijn is er geen bereik. Die film zou heel anders zijn afgelopen als de hoofdpersoon flink wat cash bij zich had gehad, dus ren ik nog even snel naar de Chase om alvast ons eigen losgeld te pinnen. Vierhonderd dollar, honderd per persoon. Meer kan ik me niet veroorloven.

Geen enkele voorbereiding neutraliseert het naakte feit dat mijn overlevingskansen drastisch afnemen buiten de bebouwde kom, daar ben ik me van bewust. Ik wil er gewoon zeker van zijn dat ik er alles aan gedaan heb.

___________________

* Eigenlijk niet nodig. Aloë vera – verkoelend en herstellend – groeit hier in Texas in ‘t wild. Afgelopen jaar schuimde ik midden in de nacht, gewapend met een tuinschaar, de voortuinen in de buurt af voor vriend A., die niet kon slapen omdat hij zijn nek had verbrand.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

In oppositie met de geschiedenis – André Kertész

John Berger schrijft in Understanding a Photograph over bijgaande foto van André Kertész: ‘the double meaning of the word missile (signifying both letter and rocket) is revealing. It is no coincedence that among the sixty photographs in the book, no less than twelve show readers on balconies and the roofs of buildings, wich are like launch pads.’

De lezer is volgens Berger in beweging, elk lezen houdt een verplaatsing in. In de schitterende overzichtstentoonstelling van het werk van André Kertész in het FOAM, te zien tot 10 januari 2018) volgen we zijn fotografie biografisch, van toen hij nog in Hongarije woonde, via zijn eerste exile-bestemming waar hij heel gelukkig was: Parijs, naar zijn langste ‘buitenland’, waar hij maar met moeite wende: New York.

Berger heeft veel over André Kertész geschreven. In een essay ‘a popular use of photograpy’ gaat hij in op de foto ‘A Red Hussar Leaving, june 1919, Budapest’.

Hij schrijft: ‘The opposition exists in the parting look between the man and the woman. This look is not directed towards the viewer. We witness0140_1_lg it as the older soldier with the moustache and the woman with the shawl do. The exclusivety of this look is further emphasized by the boy in mothers arms; he is watching his father, and yet he is excluded from their look.

De fotografie van Kertész leent zich goed voor nadenken over waarom de foto werkt. In beide bijgaande foto’s is dat dus een opening naar een verte die op de foto zelf niet zichtbaar is. Het boek en de vervoering die het boek teweegbrengt in de ‘On reading’ foto, en de gedachten die met het afscheid gepaard gaan en de onzekerheid over de toekomst aan de ene kant, en het denkelijk minder bezwaarde verleden aan de andere zijde van dit moment op de foto uit juni 1919.

Berger zegt dat we naar een oppositie kijken, niet die van deze mensen onderling, maar naar hun wederzijdse oppositie tegen de geschiedenis, ze zijn tegen wat hen uiteen zal drijven, en deze blik bevestigt dat ze het daar over eens zijn. Veel van Kertész’ werk is te zien als een oppositie tegen de geschiedenis. Misschien is veel grote fotografie wel al zodanig te benaderen. Voor een omslag voor onze vertaling van Uwe Johnson’s Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl zocht ik gisteren naar foto’s uit de Praagse Lente, 1968. Deze reeks van de Magnum fotograaf Joseph Koudelka toont precies hetzelfde: oppositie tegen de geschiedenis. En deze foto’s gemaakt tijdens het neerslaan van het referendum in Catalonië tonen ook weer hetzelfde. Ongeloof en onwil te moeten accepteren wat de geschiedenis met je doet, vastgelegd in een blik.

Het hangen aan het moment, in oppositie met de geschiedenis die een ongewenste kant opgaat.

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Zie hier heel veel lezende mensen van Kertész uit On Reading.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Merel

Ik bracht mijn zoon naar school. We sloegen af ter hoogte van het Van Oldenbarneveltplein en ik zag een merel zitten aan de voet van een boom.

Het beestje zat daar zo stil vlakbij de drukke weg. Iets in zijn houding deed me stoppen. Nadim bokte op de stang, wilde vooruit, naar school, rondrennen.

‘Waarom stop je?’

‘Die merel,’ zei ik. ‘Ik denk dat hij is aangereden.’

De vogel liet zich oppakken – dan weet je al dat ze het niet lang gaan maken – en nu zag ik dat zijn rechteroog verdikt was, zijn koppie vreemd afgekant.

Een klein overspannen hart roffelde in mijn hand en een rilling trok over zijn veren. Ik houd van merels, hoor geen vogel liever fluiten. Hun lied is melancholisch, droef en warm tegelijk zoals de loopjes in de nocturnes van Chopin.

‘Lief,’ zei ik tegen Nadim, en besefte hoe paradoxaal dit was. ‘Kijk maar even niet.’

Ik klemde het koppie in mijn ene hand en het dunne nekje in mijn andere, voelde het hartje versnellen. ‘Hij is gewond. Ik moet hem dood maken.’

Voor ik het niet meer zou kunnen gaf ik een ruk aan de iele wervels tot er iets knakte. Het trillen in de veren werd heviger en verstilde heel geleidelijk. Toen ik de vogel neerlegde bewoog hij licht.

‘Hij leeft nog!’ riep Nadim, en ik dacht: Lieve jongen. Nee.

Het laatste stukje fietsen was hij stil en zwaar als zand. Ik parkeerde, tilde Nadim van de stang en vroeg of hij over de merel wilde praten. Hij wilde niet. In de klas, wachtend op de bel, zat hij landerig bij me op schoot. Ik mompelde nog in zijn oor dat het soms beter is een diertje uit zijn lijden te verlossen, en vroeg me af of dat wel waar was.

Wanneer het moeilijk wordt leggen we onze kinderen de dingen uit zoals ze ooit aan óns zijn uitgelegd. We pakken terug op oude woorden als we geen eigen woorden te bieden hebben.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.