Echt, want onontkoombaar

Nieuw, echt niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve (1923-2006): de ontdekking ervan blijft een literaire gebeurtenis, ook al betreft het, in het geval van het net verschenen Zeer Fijne Boy. Brieven aan Jef R. (1986-1997),niet meer dan een veredelde zakelijke correspondentie met een televisieprogrammamaker. Het is alweer vijftien jaar geleden dat de onvermurwbare Joop Schafthuizen, de twijfelachtige beschermer en uitbater van de erven Reve, voor het laatst een officiële postume uitgave liet verschijnen, en nu mocht tot veler verrassing een correspondentiemapje uit het archief van het Instituut voor Beeld en Geluid in druk verschijnen. De initiatiefnemer is het relatief jonge Vlaamse uitgevershuis Borgerhoff & Lamberigts, dat zijn werk serieus heeft genomen: hun jongste publicatie is bijzonder fraai vormgegeven en verzorgd.

Inhoudelijk moet men er wellicht niet te kritisch naar kijken. De schrijver op leeftijd slooft zich niet bepaald uit in zijn epistels aan deze jonge bewonderaar. Het is dan ook Rademakers die iets van de schrijver wil – zijn medewerking aan allerlei series en uitzendingen, in dit geval – en niet omgedraaid. De brieven bevatten daardoor nogal eens wat opgewarmde oude prak, die trouwe Revelezers waarschijnlijk al te bekend voorkomt: 

‘Na mijn dood word ik nog tien jaar vrijwillig gelezen, en daarna nog tien jaar gedwongen, op de scholen. En daarna noemen ze een straat naar me, en dat is de definitieve vergetelheid: weet jij nog wie Tweede van der Helst was, en wat of dat hij schreef?’ 

Minder goed geformuleerd wordt het er allemaal niet van, maar zulke aperte herhalingen maken het wel verstandig om deze bundel eerder te beschouwen als een reprise van geslaagd materiaal, dan als een presentatie van nog ongeziene kunstjes. 

Het twintigtal originele brieven is omkaderd door meerdere voor- en nawoorden, die het boekje wat extra volume moeten geven. Daarin staat tamelijk veel geaffecteerd Revisme, lofzangen op de Grote Volksschrijver en degelijke, maar ook wat merkwaardigs. De geadresseerde typeert de schrijver in zijn introductie namelijk als volgt: ‘De humor, of moet ik zeggen de komedie, was zijn vak en zijn leven. Het was niet zijn tweede natuur, het was zijn eerste en enige natuur.’ 

Dit is een conclusie die me in zijn gortigheid frappeerde. Zou de humor nu echt de voornaamste reden zijn dat men nog altijd naar de boeken van Reve grijpt? Is het primair vanwege de grappen dat De avonden (1947), het ook door Ramakers geprezen gedicht ‘Dagsluiting’ of Op weg naar het einde (1963) lezers blijven emotioneren? Ik durf het te betwijfelen. 

Dan kon ik meer met de nawoorden. In één ervan beschrijft Christophe Vekeman essayistisch (en overtuigend) de voortdurende spanning tussen onzekerheid en overtuiging in Reve’s werk, waarmee hij onderstreept dat diens soms stuitende uitspraken altijd al op losse schroeven stonden, en zo terloops het nodige tegenwicht biedt aan Rademakers’ verontrustend serieuze behandeling van Reve’s ‘staatkundige opmerkingen’. 

In het tweede belicht Mathias Danneels, oud-collega van Rademakers, weer een heel andere Reve: ‘Het is de weemoed, het (sic) heimwee, de wanhoop, de vergeefsheid en de smartelijke roep om verlossing in het oeuvre van Reve die ons boeit.’ Tot die vrijpostig gebruikte ‘ons’ wil ik me dan liever rekenen: het zijn in mijn ogen juist de onbeschermde emotionele erupties en ontboezemingen die Reve’s werk zo uitzonderlijk maken. Kwetsbaarheid gaat bij hem samen met humor, inderdaad, maar de grappen maken zijn stormachtige openhartigheid niet minder ontwapenend. Integendeel: precies door de vakkundige afwisseling van theater en ernst, hoog en laag, komedie en tragedie, winnen beide aspecten aan kracht. 

Gelukkig bevatten ook deze brieven flarden van de onbeholpen, emotionerende Reve, die de bundel meteen het lezen waard maken. Neem deze tamelijk ontregelende afsluiting van een brief, waarin geprobeerd wordt een ontmoetingsplek af te spreken: ‘Mijn angstbeeld is altijd: totaal wanhopig op een verkeerd afspreekpunt te staan schreien. Mijn moeder is dood, moet je rekenen.’ 

Onpersoonlijke correspondentie werd bij hem automatisch persoonlijk; ook in zakelijke brieven kon de schrijver zichzelf niet verhullen of wegstoppen. Op dat vlak moet ik Ramakers uiteindelijk gelijk geven: het unieke schrijverschap van Reve was wel degelijk echt, want onontkoombaar.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Ernest Hemingway in an American Red Cross Ambulance in Italy, 1918. Photograph in the Ernest Hemingway Photograph Collection, John F. Kennedy Presidential Library and Museum, Boston.

Niet-bestaande gedichten VI

In het gedicht ‘Cameo’ spreekt een dichter die A Farewell to Arms goed gelezen heeft. We volgen een ambulance die zich een weg baant door Noord-Italië, tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog. Dat klinkt als een hoop informatie om in een gedicht te moeten stoppen, maar al deze gegevens worden in de eerste strofe al afgetikt, even volledig als elegant. De strofe voelt helemaal niet boordevol, wat knap gecomponeerd is.

Het gedicht heeft ook iets van een zwart-witfoto, want alles is grijs. Daarbij rijdt de ambulance door een tijd die we alleen van zwart-witfoto’s kennen. Het is ook wel kenmerkend voor Noord-Italië, toch de minst zonovergoten streek, de meest Nederlandse, zou je bijna zeggen. Het gedicht wekt zelfs de indruk, maar bij nader inzien staat dat er helemaal niet in, dat de ambulance de enige kleurtoets in de hele scène is, een witte auto in een zwart-wit landschap, maar wel met een rood kruis erop. Als Schindler’s List, maar dan in een andere oorlog.

En dan de cameo. De laatste strofe, de langste ook, is als een soort epiloog aan het gedicht geplakt. Een regisseur zou nu de kleurenfilm in de camera stoppen, en in feite is dat ook wat de dichter doet: we zijn in een tropischere streek, er is geel zonlicht en een aantal bougainvillea’s, en een man die alleen met ‘de laureaat’ wordt aangeduid, dat wil zeggen, nadat hij de telefoon heeft neergelegd. Wie bekend is met de biografie van Ernest Hemingway weet dat hij in 1954 in Cuba woonde toen hem de Nobelprijs werd toegekend – niet voor A Farewell to Arms, waarin hij zijn tijd als ambulancechauffeur in het Milaan van de Eerste Wereldoorlog verwerkt heeft, maar voor The Old Man and the Sea. Hij is de prijs niet op gaan halen in Stockholm omdat hij nog herstellende was van een vliegtuigongeluk in Afrika, en dat verklaart weer de aangenaam assonerende combinatie van verband en wandelstok. Aan het slot duikt er een ‘ik’ op, de dichter misschien, in een droom, aan wie Hemingway voorstelt om een borrel te drinken. Autobiografisch kan het niet zijn, daar is de dichter te jong voor.

Van wie is de cameo uit de titel, dat is nog wel een interessante vraag. Eigenlijk van iedereen. De dichter maakt een cameo in het leven van Hemingway, en Hemingway maakt er een in het oeuvre van de dichter. In een cameo doorbreek je iets: er is even iemand in beeld die voor de kijker een andere betekenis heeft dan voor de personages in de scène. Door de filmische compositie, en door de aanwezigheid van een beroemdheid, valt dit gedicht uit de toon. En die beroemdheid zelf wordt met een plotselinge, onverklaarbare aanwezigheid in zijn Cubaanse huis geconfronteerd, iemand die tegen hem opkijkt, en tegelijk zijn schepper is.

Luchten

Zijn we uit de gevangenis of luchten we alleen maar? Een fascinerende en pijnlijke  homonymie is dit: luchten. Zeven letters die zowel de grootsheid van ruimte, wolken en zon ontsluit als een wereld van intense beperking: het kwartiertje dat de gevangene buiten mag doorbrengen. Welk luchten is ons nu geboden? Hoewel ik niet kan beweren alles van Van Gogh te kennen (getuige ook deze verbazende lijst) was ik toch geschokt toen ik gisteren opeens voor dit schilderij stond, dramatisch uitgelicht ook nog. Misschien verbaasde het als een van Van Gogh omdat het thema geleend is, niet typerend Van Gogh dus, het is qua compositie een redelijk getrouwe kopie van een Gustave Doré ets.

De grote afwijking en wat het schilderij ook zo persoonlijk maakt is dat Vincent zichzelf portretteert als de voorste gevangene, die de beschouwer ook nog aankijkt en de vraag stelt die ik laatst iemand hoorde stellen: waarom hebben we het steeds over ‘mogen’, ‘we mogen weer’ wat een lafhartige toontje van kinderlijke gehoorzaamheid spreekt daaruit. Dat geeft te denken. Laat me eruit!

Ik vind de blik van Van Gogh wel confronterend in deze opstelling, wat het schilderij als een schok deed binnenkomen. In welke mate zijn we onze eigen gevangenis? Het is een erg sterk beeld, een schilderij zonder lucht, aan vier zijden steen, (‘De steen van dit bestaan’) en een groep gevangenen die gedwongen wordt een piepklein rondje te lopen waarin ze niet eens gebruik mogen maken van de gehele ruimte van de luchtplaats. Een compositorische truc die het claustrofobische versterkt. En Van Gogh is de enige zonder hoofddeksel, hij tolereert niets tussen hem en de hemel, hij wil onmiddellijk contact met de lucht, hij hunkert zo naar vrijheid dat het een tegenbeweging in het schilderij tot stand brengt: er is een centripetale kracht waarneembaar waarin getoond wordt dat de wereld zich in steeds kleinere rondjes vastdraait en een centrifugale die vrijheidszoekend is. Van Gogh explodeert hier uit zijn gevangenschap naar buiten. Op zoek naar een heelal tussen jezelf en de steen waarin we ingemetseld zijn.

Cel

Heb ik mijn hoofd nog in mijn hand
of sta ik al weer in de hoek,
zojuist verlaten met een vloek
tegen de schaduw aan de wand?

Binnen de steen van dit bestaan
is geen heelal meer ingelast
tussen het wezen en zijn gast,
die dragen mijn geboortenaam.

(Uit Blauwzuur, Gerrit Achterberg)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Werk-Werk-Werk

Schrijven is een eenzame aangelegenheid. Elke schrijver heeft daar zo nu en dan last van, maar deze dagen in Noord-Frankrijk zou alles anders gaan. Rond twaalven parkeerde ik in Reims, waar Roos, Sun en ik op advies van vrienden lunchten bij een zaakje met waanzinnige kazen, vleeswaren en zalm. We waren vroeg uit Amsterdam vertrokken, hadden flinke trek.

Er was ook wijn, en onze stemming werd steeds zonniger. Tijdens de eerste kilometers hadden we elkaar bekend dat we zenuwachtig waren: zouden we straks wel kunnen werken, in dat voormalige klooster?

Na de lunch reden we verder; binnen veertig minuten waren we in Saint-Erme. Het klooster bleek gigantisch en op het randje van bouwvallig: ontoereikende verlichting, verzakte trappen, pokdalig stucwerk, stoffige vloeren, roestende gietijzeren pilaren, stof en waterschade alom. De droom van elke schrijver.

Op één andere auteur na was iedereen podiumkunstenaar, en er werd gewerkt aan heel uiteenlopende projecten. Sommigen gleden als geesten door de kille gangen en anderen leken hun tijd hier deels te vullen met het uitdragen van hun persoonlijkheidsproblematiek. Feestelijke gasten waren er ook, zoals het zeventienkoppige feministische Parijse koor Les Hot Bodies (pun intended, weet ik bijna zeker), waarmee het later gezellig koken was in een van de ruime communale keukens.

We vonden drie kamers op dezelfde gang en deden inkopen bij de lokale supermarkt, wisten een collectieve maaltijd van verbrande linzen te ontduiken en dronken op onze onderneming. Alleen Sun leek niet helemaal tevreden, en bij navraag bleek dat zij van plan geweest was om onmiddellijk na aankomst te beginnen. Haar klokt tikte kennelijk al, maar onze klokken zouden de rest van de dagen steeds meer synchroon gaan lopen.

De volgende ochtend waren we vroeg op, en vonden een lichte leegstaande ruimte aan de binnentuin. Omdat er één bureau stond, trokken we daar drie stoelen naartoe en installeerden ons. Sun leerde ik beter kennen als iemand die in korte rukken van twintig minuten werkt en tussendoor herinricht en mopt. Roos tikte gewikkeld in fleecedekens, waardoor er steeds een soort Laurentien of Arabia in mijn ooghoek leek te zitten.

Het delen van dat bureau bleek een gouden greep waar we niet van afgeweken zijn, ondanks een wisseling van werkkamers om plaats te maken voor Les Hot Bodies. Dat er aan het zelfde vlak twee anderen zitten te ploeteren, maakt dat je minder afleiding zoekt. De beschuttende koepel die ik om me heen kan voelen als ik aan een verhaal werk, bleek samen te kunnen smelten met die van anderen, en daardoor dikkere wanden te krijgen.

We werkten van negen tot twaalf en dan weer van halfeen tot drie. Tussendoor aten we, en praatten over ons werk. Iets wat een schrijver normaliter zelden doet: de voortgang bespreken met collega’s. Ik weet zeker dat Roos en Sun van invloed zijn geweest op het begin dat onder mijn vingers groeide, en zullen zijn op het verdere verloop van mijn roman.

Zo nu en dan keek ik naar mijn vriendinnen, en voelde een soort ontroering. Niemand anders dan een schrijver snapt wat er precies voor nodig is om tot een roman te komen. We zouden als beroepsgroep zoveel aan elkaar kunnen hebben, dacht ik, maar maken daar zo zelden gebruik van. We praatten ook over het werkproces en over hoe het was om mét elkaar te werken. Ik zag mijn enthousiasme gespiegeld in Sun en Roos.

Toen onze dagen erop zaten, wilde niemand naar huis. Vanaf dag twee waren we in een warm ritme gevallen, en ik geloof dat we bang waren voor wat er zou gebeuren als we weer alleen achter de laptop zaten. Onderweg luisterden we naar de literaire podcast van de New Yorker – dank nog, Sun – waardoor de reis voorbij vloog. Niemand hoefde het te hebben over de sipte. Rond vijven waren we terug in de stad, en ik zette mijn homies voor hun huizen af.

Maandagochtend bracht ik de kinderen naar school en zette me aan mijn bureau om verder te gaan waar ik zondagochtend in Saint-Erme gebleven was. Ik maakte een foto van mijn laptop met twee lege stoelen erachter, en deelde die in ons appgroepje. Al snel stuurden Sun en Roos reacties: ze kregen geen reet gedaan.

Vanaf vandaag komen we elke woensdag samen om weer aan één bureau te werken. Om negen uur staan Roos en ik bij Sun op de stoep. Het is niet niks, om na vijftien jaar je werkproces open te breken, maar ik kan niet wachten om zo op de fiets te stappen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Een huwelijkse idylle

Viktor Orbán heeft zijn kandidaat voor het presidentschap bekendgemaakt, en haar naam is Katalin Novák. Een vrouw, inderdaad. Na de verkiezingen in het voorjaar zou zij zomaar eens de eerste vrouwelijke president van Hongarije kunnen worden. Maar hoe ver dat de emancipatie in Hongarije vooruit zal helpen, is maar de vraag.

In haar huidige rol als de minister voor Familiezaken is ze bewaker en cheerleader van het ‘traditionele gezin’: het idee dat een Hongaarse man met een Hongaarse vrouw samen veel kinderen moeten krijgen. Novák heeft zich meermaals uitgesproken tegen het feminisme en is van mening dat vrouwen andere ambities dan mannen zouden moeten koesteren. Op haar social media is te zien hoe ze haar rol als echtgenote en moeder aanprijst als een toonbeeld van vrouwelijkheid. Haar gezinspolitiek sluit aan bij de bredere visie die Orbán voor Hongarije heeft. Geen wonder dat hij haar naar voren schuift.

Op haar site vond ik echter ook iets anders, iets opmerkelijks. Onderaan de pagina waarop ze zichzelf voorstelt als ‘trotse moeder van drie’ vertelt ze dat haar lievelingsdichter Miklós Radnóti is. Zijn naam viel me meteen op. Wat doet Radnóti op de webpagina van deze Fidesz-politica? Radnóti’s levensverhaal is een geschiedenis die de Orbánregering actief in de doofpot probeert te stoppen. Hij was een Hongaarse Jood die in 1944 door zijn landgenoten is vermoord, en Orbán heeft nadrukkelijk in de grondwet laten opnemen dat die periode van de geschiedenis niet bij de Hongaarse geschiedenis hoort. Waarom zet Novák dan juist Radnóti op haar website, in de schijnwerpers? Ik merk dat ik ervan baal dat Novák en ik een lievelingsdichter delen. Waarom zijn wij allebei op hem uitgekomen?

Radnóti schreef enkele van de mooiste liefdesgedichten uit de wereldliteratuur. Hij schrijft over het overvallen worden door de regen en het naar binnen vluchten met zijn vrouw, over de aarzeling die hij voelt over haar te schrijven, over jaloezie. En zelfs als hij in het werkkamp in Bor zit, schrijft hij dat hij boven het geruis van de varens nog de stem van zijn vrouw kan horen. De kwaliteit van de gedichten staat buiten kijf. Ze zijn mooi, juist omdat ze dicht bij de werkelijkheid blijven en opgebouwd zijn uit details uit het dagelijkse leven en de natuur.

Uit Radnóti’s onwaarschijnlijke, tot de verbeelding sprekende levensverhaal ontsproten talloze mythes. Natuurlijk is er de historische werkelijkheid van Radnóti, die op alle mogelijke manieren Orbáns officiële herinneringspolitiek tegenspreekt, maar daartegenover staat ook de mythische Radnóti: de man met een onverzettelijke vaderlandsliefde, zijn zogenaamde zelfopoffering, en zijn enorme liefde voor zijn vrouw, Fanni. Precies daar zijn Novák en ik allebei voor gevallen.

Ik was net aan mijn studie begonnen toen ik las hoe de jonge dichter op 17-jarige leeftijd, bij zijn bijlesleraar, de 14-jarige Fanni Gyarmati ontmoette. Miklós was op slag verliefd. Fanni was alleen nog veel te jong voor hem, vond haar familie, dus ze moesten elkaar in het geheim leren kennen. Dat deden ze door elkaar brieven te schrijven. Miklós schreef bovendien gedichten voor haar en bleef dat doen. Tien jaar later trouwden ze. Nadat Miklós in 1944 vermoord werd, heeft Fanni nooit meer een ander gehad. Ze werd maar liefst 102 jaar, en bewaakte al die decennia zijn nalatenschap. Ja, zo overtuigd moet je verliefd zijn, dacht ik toen.

Ik was niet de enige. Al direct na Miklos’ dood, toen zijn gedichtenschriftje in de grond werd ontdekt en hij postuum een dichter van belang werd, raakte het Hongaarse publiek geobsedeerd door hun liefde. Dag in dag uit werd de weduwe Fanni met nieuwsgierige vragen bestookt, die ze overigens maar zelden beantwoordde. Ook nu, na Fanni’s dood, raken de vrouwenbladen er niet over uitgepraat: ze noemen Fanni ‘de bekendste muze uit de wereldliteratuur’, ‘de trouwe echtgenote’ en ‘de eeuwige weduwe’. Katalin Novák zelf droeg in 2019 op de Nationale Poëziedag van Hongarije een van Radnóti’s odes aan Fanni voor.

De Hongaarse biograaf van Radnóti, Győző Ferencz, probeert al jaren een verklaring voor die potsierlijke obsessie met hun liefde te zoeken. Hij vertelde me: ‘Het is als een idylle. Iets zuivers en sprookjesachtigs, waar het publiek op dat moment naar verlangde. Dat Miklós ook maar een mens was, mocht er geen ruimte in hebben.’ Ferencz doelt hierop het feit dat hun liefde helemaal niet zo idyllisch was als wij ons inbeelden. Ze kregen te maken met ruzies, twijfel, miskramen en een groot overspel van Miklós. Zijn affaire met de schilderes Judit Beck wordt maar zelden genoemd in de idolate vrouwenbladen. Dat zou ten koste gaan van de idylle.

Novák hangt niet alleen die van Radnóti aan, maar verzon ook haar eigen huwelijkse idylle, zo kwam laatst aan het licht. Als minister voor Familiezaken refereert ze in haar optredens vaak aan de periode van zeven jaar die ze thuis doorbracht om haar kinderen op te voeden, en hoe geweldig en bevredigend ze haar rol als moeder en echtgenote vond. Maar dat de realiteit ook in haar geval de fantasie in de weg staat, blijkt uit een tekst die uit die tijd zelf opdook, uit 2010. Ze noteerde hierin dat haar moederrol haar de neus uit kwam, dat ze doodop en om de haverklap geïrriteerd was, en dat ze wel weer eens verlangde naar een normaal gesprek met een volwassene. Liever dan dat ze de ontberingen van het moederschap erkent, houdt Novák de Hongaarse vrouwen een illusie voor. Niets menselijks is haar vreemd.

Marian van der Pluijm

Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

Homo homini lupus – Virginia Woolf over de hond

‘Nero was uit een raam op de bovenste verdieping gesprongen.’ Staat in de aantekeningen bij Virginia Woolf’s Flush, het leven van Elizabeth Barrett zoals waargenomen door haar hond Flush, een Cocker Spaniel (zie de scheet hiernaast). In de tekst staat: ‘Maar het scheen Flush nu toe alsof die Londonse honden allemaal iets ziekelijks hadden. Iedereen wist dat Nero, het hondje van Mrs Carlyle, uit een raam op de bovenste verdieping was gesprongen met de bedoeling zich van kant te maken.’ En verder in Woolfs aantekeningen: ‘Of hij zich nu van kant heeft willen maken of dat hij – zoals Mrs Carlyle suggereert – alleen maar achter de vogels aan is gesprongen, zou het onderwerp kunnen vormen van een interessante verhandeling over hondenpsychologie.’ Mrs Carlyle veegt haar straatje schoon: wie wil schuldig zijn aan een depressieve hond?

Of het interessant wordt is de vraag, maar ik zou de Victoriaanse dameshandschoen toch wel even willen oppakken. Wel snel ik dan een anderhalve eeuw vooruit: in Yuval Noah Harari’s Homo Deus, dat ik weer eens ter hand nam na de fraaie Wintergasten met deze heldere denker, gaat het pagina’s lang over de menselijke kijk op dieren. En dan vooral over het misverstane superioriteitsgevoel ten opzichte van wat we zielloze wezens achtten, waar sinds Darwin de these van het bestaan van de menselijke ziel volgens Harari eveneens gefalsifieerd is. We hebben geen ziel, dieren evenmin. Dat betekent dat er ook geen goede reden is al die honderdduizenden dieren zo te laten lijden voor ons. Of het moet gemakzucht zijn en dat is voor niets en goede reden.

Maar afijn, terug naar Flush en Nero. Vorige week sprak ik een schrijfster die veel over het internet weet en die tussen neus en lippen door liet vallen dat het internet eigenlijk vooral kattenfilmpjes is. We kijken dus intens graag naar bepaalde dieren. De hondenfilm is vast een goede tweede. Een roman vanuit een hond is bepaald een subgenre, er zijn er veel van en vreemd genoeg of logischerwijs nooit helemaal geslaagd. Voor mij is de reden van het waarom bijna te voor de hand liggend. We onderkennen niet het wezenlijke verschil in de waarneming van de wereld tussen Homo sapiens en Canis lupus familiaris, de hond. Dit is er een sprekend voorbeeld van:

We kunnen er geen genoeg van krijgen. Van deze hond kun je je voorstellen dat ‘ie uit een raam springt als zijn kattevriendin overleden is bijvoorbeeld. Tekenend voor Woolf, en voor alle instagramgebruikers is dat het het beste werkt als er zo’n menselijke beweging als de omarming in zit. Een procedé dat alleen bij erecte homoiden kan plaatsvinden omdat een viervoeter zijn armen nodig heeft om te blijven staan. Honden trekken bij genegenheid hun geliefde niet met de voorpoten naar zich toe. Maar als we dit zien dan geloven we het. Het toedichten van menselijke eigenschappen is ook bij Woolfs poging vaak pijnlijk. Flush heeft bijvoorbeeld een sterk standsbewustzijn, iets wat des te pregnanter die zwakte in Woolfs eigen denken toont.

Ik vind het vreemd dat bij de mij bekende voorbeelden van hondenliefhebbende schrijvers die vanuit hun dier willen denken en schrijven de intensiteit van dat probleem nooit wat experimenteler is aangepakt. Geen taal delen, maar duidelijk een intelligentie waarnemen in een dier moet de vraag loswrikken: hoe denkt het dan? Woolf (nomen est omen?) komt overigens wel een eind in haar bovenmatig geurgebruik in het boek.

Maar Nero? Binnen een hondenbrein is het verklaarbaar dat hij gaandeweg zijn ontwikkeling goed heeft leren inzien wat het tweevoetige mededier voelt, hij ruikt dat wellicht, interpreteert bewegingen. Een hond als Nero of Flush kan dus inderdaad vriend van zijn mens zijn. Maar evenzogoed is denkbaar dat een hond geen idee heeft van een ‘verdieping’. Nero sprong dus niet naar beneden, zoals wij meteen menselijk interpreteren – omdat we weten dat we boven zijn – hij sprong naar buiten, hapte wellicht naar een hommel en constateerde toen te vallen. Als je staat voor het raam zie je de diepte, als je als hond naar een raam kijkt zie je lucht.

Wanneer je dus op handen en voeten zit zie je de kamer al heel anders. Geen schrijver heb ik nog zien proberen een dag zonder armen door te brengen. Dan pas leer je je hond kennen denk ik, want niet vanuit menselijke emoties, maar vanuit lichamelijke realiteit. Je zult gaan schreeuwen omdat je de ijskast niet open krijgt. Wat zul je veel begrijpen!

Voor en huisdier gaan zitten en haar in de ogen kijken en trachten te doorgronden wat daar achter zich zoal afspeelt, lukt misschien beter als je jezelf wat hondser maakt dan de hond menselijker. En ik denk dus dat een dag op vier poten een goede eerste stap is.

Daar ga ik al: een goede eerste twee stappen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een echte schrijver

Ik tik dit in de late avond omdat mijn wekker straks om zes uur gaat. In het donker zal ik douchen, koffie drinken en mijn weekendtas dichtritsen. Ik zal mijn huis uit sluipen alsof ik iets van mijn gezin gestolen heb.

Door een verlaten straat zal ik naar de auto lopen; ik zal mijn tas achterin gooien, de motor starten en het ijs van de ruiten krabben. Dan rijd ik naar de Overtoom en haal daar Roos en Sun. Van Oud-West zetten we koers naar Frankrijk, waar we de komende dagen op een stille plek aan onze boeken zullen werken.

Hoewel ik al ruim voor de zomer een goed plan had, staat er van mijn volgende roman nog geen letter overeind. De afgelopen tijd werd ik overspoeld door klussen die ik leuk vond, maar die veel meer uit me trokken dan ze me geld opleverden. Ruimte voor eigen werk was er niet. Leek er niet. Maakte ik niet.

Vijftien jaar lang schreef ik voortdurend fictie, tot ik in april 2021 de laatste versie van Dorp inleverde. De maanden daarna waren de langste van mijn leven, maar daar is de corona-situatie ook wel debet aan.

Ik verheug me op onze reis, die waarschijnlijk niet voorspoedig zal verlopen. Ik ga met kinderlozen op pad, ze zien geen schot in voor zeven uur vertrekken. Nu zullen we exact op tijd zijn voor de Antwerpse ochtendspits. Gelukkig is er al een playlist. Veel Mariah Carey; ik ken al haar nummers uit mijn hoofd, dus we komen er vanzelf wel.

We zullen lunchen in een fijn zaakje in Reims, misschien wel met een glaasje van het een of ander. Daarna doen we inkopen en rijden we door naar het grote huis waar we tot zondag drie kamers hebben.

Op donderdagochtend zal ik vroeg wakker worden. Ik zal koffie maken, mijn bureautje naar de juiste plek slepen en staren naar de tuin terwijl mijn laptop start. Ik zal de juiste muziek opzetten en mijn oordopjes diep in mijn oren drukken. Dan zal ik een document aanmaken, de juiste letter in de juiste grootte kiezen en voor de ideale regelafstand gaan.

Ik zal de functie inschakelen die het scherm achter mijn documenten zwart maakt, mijn vingertoppen op de toetsen zetten en die cursor met precies de juiste woorden voor me uit gaan duwen, blijven duwen, tot het stopt.

Als we terugkomen in Amsterdam, zal alles er anders uitzien. Ik zal me weer schrijver voelen. Een echte schrijver met een nieuw begin.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Mijn favoriete chaos

Mijn lief ligt ziek in bed. Vandaag zou zijn testresultaat binnen moeten komen, maar ik wil hem niet wakker maken met de vraag zijn mail te checken. Ik testte zelf drie dagen geleden positief. Aangezien ik goed ben geworden in het praktisch plannen van dat soort dingen, hebben wij beiden, een dag nadat de Belgische regering de wachtperiode ingekort had, onze boosterprik laten zetten. Enkele weken geleden gingen we tijdens mijn lunchpauze naar het vaccinatiecentrum aan de overkant van de winkelstraat waar ik werk en twintig minuten later liepen we weer naar buiten. We hadden allebei geen last van noemenswaardige bijwerkingen. Ik had wel een paniekaanval, maar dat viel te verwachten. Ook bij mijn eerste twee shots was dat het geval geweest. Het resultaat is wel dat de symptomen van onze besmetting nu meevallen – na drie dagen hevige koorts kan ik vandaag alweer schrijven.

Toen ik bericht kreeg dat ik positief getest had, woonden wij net een maand samen. De dokter vroeg aan de telefoon of mijn lief samen met mij in quarantaine zou gaan, of dat ik mezelf in één kamer van ons appartement zou isoleren. Hij zou dan na vijf dagen weer naar buiten mogen. Ik zou mij tien dagen opsluiten in mijn schrijfkamer, waar de futon die ik in mijn vorige woonst om te slapen had gebruikt tegen de muur stond opgeborgen. Hoewel het me niet verbaasde dat hij ervoor koos om samen met mij in quarantaine te gaan, verbaasde het mij misschien wel dat hij hier geen seconde over hoefde na te denken. Blijkbaar vind ik het nog altijd niet vanzelfsprekend dat iemand bepaalde opofferingen wil maken om bij me te zijn.

In de praktijk blijkt samenwonen – het is voor ons beiden de eerste keer dat we dit met een geliefde doen – een kwestie van opofferingen maken, al noemt men dit in minder romantische termen veelal ‘compromissen sluiten’. In bepaalde opzichten kunnen wij niet harder van elkaar verschillen en dit blijkt zich vooral te uiten in, met de woorden van Marguerite Duras, la vie materiélle. Dat wij twee mannen zijn heeft in dezen zijn specifieke voor- en nadelen. Het grootste voordeel is dat geen van ons beiden vasthangt aan een stereotiepe rolverdeling die afgeleerd moet worden. Geen van ons is door zijn opvoeding aangespoord de ander als ware het van nature uit te vezorgen, of zich deze verzorging te laten aanleunen. Het nadeel is dan echter wel dat er geen enkele richtlijn is waarnaar we ons kunnen oriënteren. We moeten het allemaal zelf uitzoeken. En dat brengt af en toe spanningen met zich mee. Geen van ons kan bij het beargumenteren van de juiste manier om de was op te hangen immers op iets anders terugvallen dan dat deze manier de juiste is, omdat hij het altijd zo gedaan heeft. You cannot derive an ought from an is.

In het rumoer van de feestdagen hadden we beiden geen kans gezien naar de wasserette te gaan, en nu we niet naar buiten mogen moeten we toekijken hoe ook onze laatste propere kledingstukken een voor een in koortszweet gedrenkt op de stapels naast ons bed belanden. De discussie over wat de beste manier zou zijn ze weer op te hangen, is voorlopig naar de achtergrond verdreven en in plaats daarvan is er iets belangrijkers naar voren gekomen. Ik, die zo snel ‘koorts maak’, heb, zoals dat mijn gewoonte is, de afgelopen dagen ijlend tussen slapen en waken in bed doorgebracht. Maar ik was niet alleen. Er was iemand bij me die mijn bad liet vollopen en mij voedzaam eten voorschotelde. En ondanks mijn genante gebrek aan kookkunsten ga ik, nu het zijn beurt is in bed te blijven, hetzelfde voor hem proberen te doen. Want ondanks de verschillen in hoe we ons dagelijkse leven ingericht willen zien, hebben we er beiden voor gekozen elkaar bij die inrichting te betrekken. En in deze periode van tedere crisis zien we voor het eerst heel openlijk blootgelegd wat hier de voordelen van zijn.

Wij hebben er nooit een probleem mee gehad alleen te leven. In de volksmond beweert men dat hoe langer je alleen bent geweest, hoe moeilijker het nog wordt om met iemand samen te leven. Dit lijkt me waar, maar ik beschouw dit als iets positiefs. Wij zullen ervoor moeten werken om de ruimte te creëren waarbinnen wij samen kunnen zijn. Goed wetende dat dit allesbehalve vanzelfsprekend is. En juist omdat het niet vanzelfsprekend is, omdat het bevochten moet worden op twee levens die op zich al de moeite waard waren, zal het resultaat minder idyllisch maar des te bestendiger zijn. We wisten immers niet waar we aan begonnen, maar wel heel goed waarom we eraan wilde beginnen. Omdat onze levens nog rijker zouden worden wanneer we ze grotendeels zouden vervlechten.

Ik heb een enorme hang naar controle. Mijn lief is de chaos zelve. Maar hij is mijn favoriete chaos. Het nieuwe jaar is ietwat moeilijk begonnen, maar het belooft fantastisch te worden.

Michaël Van Remoortere

Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.

Foto Martijn Grootendorst

In Memoriam Jan Fontijn (1936-2022)

Aan wat decennialang een vertrouwd beeld was in de binnenstad van Amsterdam: een zekere man een vrouw met rokje en een hondje, is een einde gekomen: Jan Fontijn overleed 6 januari jl. en laat Charlotte Mutsaers en het hondje achter. Fontijn was universitair docent geweest, verwierf bekendheid met zijn voorbeeldige schrijversbiografie over Frederik van Eeden in twee delen: Tweespalt: het leven van Frederik van Eeden tot 1901 (1990) en Trots verbrijzeld: het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, (1996). Een prestatie waarmee hij de lat voor nakomende schrijversbiografen bepaald hoog heeft gelegd. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen achtereenvolgens zijn roman Biefstuk en benzine, waar hij fier op was, maar die naar zijn smaak te weinig weerklank vond en een boeiende lezersautobiografie onder de naam Kijk naar de vis. Een heel interessant allegaartje van vrijzinnige en bevlogen literatuurwaarnemingen is dat. Aforistisch bij tijd en wijle, of in korte notities: ‘De ontroering bij het zien van een stoel naast de tafel. Dat willen vastleggen in woorden of in beeld. Zo nauwkeurig mogelijk. Niets meer en niets minder.’ Een dialogue intérieur staat er in, herinneringen en beschouwingen. Het is divers, luchtig, verrassend veelvormig, je blijft er in lezen. Fontijn was naar mijn smaak vooral een bevlogen lezer.

In februari 2020 vroeg uitgeverij Van Oorschot hem deel te nemen aan een ‘schrijversdiner’ in de Roode Bioscoop in Amsterdam, een lange rij tafels met damast gedekt en gasten die dineerden terwijl een uitgelezen selectie schrijvers boeiende causerieën hielden. Het thema was de leeftijd van uitgeverij Van Oorschot: 75 jaar. Jan Fontijn had een hoop te vertellen vanuit zijn geschiedenis met Geert en Hillie van Oorschot, bij wie hij vaak te gast was op Donkervliet in Loenersloot. Het werd een heel mooie avond. Voorafgaand had Jan gemaild: ‘Charlotte wil graag mee, zet stoeltje maar klaar.’ In een bij tijd en wijle ook emotioneel relaas, speciaal over Hillie, voor de inhoud waarvan ik verwijs naar de passage in Arjen Fortuins mooie biografie van Geert van Oorschot (v.a. p. 356) vertelde Jan over zijn geschiedenis en waar die gelijk op liep met de uitgeverij.

De foto hiernaast toont Jan in de eigenaardige jongensachtige charme die hij altijd had. In het eerste decennium van deze eeuw droeg Fontijn nog een aantal keer heel mooie stukken bij aan Tirade, waarvan dit over Pierre Loti en Couperus voor mij het mooiste is. Het laat zien hoe gul Fontijn kon bewonderen en hoe breed zijn kennis en interesse was.

Daags na het diner meldde Fontijn nog hoe leuk ze de avond hadden gevonden. ‘Ik wilde je zeggen dat ik geen geld wil. Wel een lekkere fles rode Bourgogne.’ Onze gedachten zijn bij Charlotte en het hondje.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

The stuff of dreams

Het was de laatste zondag van een lange vakantie die we thuis doorbrachten – los van een loopje in het park was er geen reet te doen geweest. Zelfs op oudejaarsavond waren er geen mensen langsgekomen, en het hoogtepunt van ons jaar bleek de ongelooflijke hoeveelheid illegaal siervuurwerk van de Amsterdammers, dat maar in bleef beuken op de stolp die al twee jaar over de wereld staat.

Op nieuwjaarsdag bezochten we familie, en mijn gezin zwom in de Noordzee terwijl ik erwtensoep redde in een huis achter de duinen. Er waren heel veel koude oliebollen, met opvallend groot kwaliteitsverschil – hoeveel gradaties niet lekker wil je hebben. We liepen door die duinen tot we zicht kregen op kassen en een bedrijventerrein. Ik keek op mijn horloge: meer dan tien minuten had het niet geduurd.

De Nederlandse natuur is een lachertje en wie iets anders beweert is modeltreinmachinist, met wijdopen ogen smullend van vilten Alpenweiden en olijfkleurige bossages terwijl hij met de klep van zijn conducteurspet angstvallig zijn zicht op de droger en de voorraad hondenvoer afschermt. Ik voel me zelden verder van de natuur dan bij Staatsbosbeheer.

Goddank was er zondag. We zouden lunchen bij twee van onze oudste vrienden. Ze hebben kinderen in de leeftijd van Nadim en Ada, en een prettig huis in Westerpark. M en J schenken altijd speciaalbier en wijntjes, en doen zelfs in de meest roerige tijden comfortabel aan.

We aten soep en schelpen en ik vertelde M over Anne Eekhouts Mary, dat we voor zijn verjaardag hadden uitgezocht. Er waren wijntjes bij de lunch. B plaagde mij en ik plaagde B en we konden erom lachen. Omdat de kinderen onrustig werden namen we een basketbal mee naar het Van Beuningenplein.

De kiosk was open en we konden biertjes krijgen. M en ik mikten wat op de basket en Nadim haakte in, scoorde zelfs een paar keer hoewel hij nooit eerder een basketbal van dichtbij had gezien. De blowende jongens op het hoekje maakten eerst nog grappen, maar toen we in ons spel opgingen en de knoopjes van M’s shirt losraakten, werden ze snel stil. M heeft een bruine, harige borst – wie nog niet echt van hem houdt, kan dat lichaam als wat veel ervaren.

We probeerden te scoren – vaders tegen kinderen – en bij elke driepunter namen M en ik een slok van ons bier, dat in plastic bekers op het stoepje wachtte. Soms mochten we zelfs drinken als een lay up niet was gelukt. Otis de Hond, die het niet kon laten naar de bal te happen, werd aan de lijn gelegd en blafte vanaf dat moment naar alles wat voorbijvloog. Ik geloof dat we veel herrie maakten, maar los van de blowende jongens leek niemand daarmee te zitten.

Ada kwam schoolvrienden tegen en racete met hen over het plein. We bestelden nog een rondje. Toen het kinderbedtijd was liepen we met onze vrienden terug. We namen afscheid bij de deur met de fiets aan de hand, en dachten niet aan anderhalvemeters. Ik drukte mijn mensen tegen me aan en kuste ze op de wang.

Even later, naar het oosten fietsend met Otis langszij en de rest van mijn gezin achter me, kwam de middag op me over als een laatste spinsel van de nacht, het soort droomstaartje dat een glimlach bij je achterlaat. Als de afgelopen maanden een verdienste hadden, dacht ik, dan is het dat we zijn gaan zien hoe geweldig ons normaal ooit was.

Beeld – Jeichien Wolma

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Nieuwe vrienden

Ik maak nog elk jaar nieuwe vrienden. Uit een ontmoeting volgt een afspraak overdag, die dan meestal wordt gevolgd door samen eten. Vorig jaar maakte ik een vriend met wie ik nu wekelijks ren, een vondst omdat ik zo’n vriendschap anders nooit kan onderhouden.

Een echte vriend zie je met regelmaat, en wie steeds vrienden bijmaakt, komt zo al snel in de problemen. Soms ontmoet ik fijne mensen en slaat de stress me om het hart: hoe past deze persoon nog in mijn rooster? Een stevige lockdown biedt dan uitkomst. Koffie en een stukkie lopen. Een etentje kan ook, omdat er ‘s avonds toch geen afspraken staan.

Toen vriendin Irma vroeg waarom ik nog in de stad woon – ze zit al jaren op een dijk in Friesland – flapte ik eruit dat Amsterdam voor mij vooral over veel en wisselende contacten gaat. Ik haal daar kennelijk iets uit. Korte interacties, de vrijblijvendheid ervan, het besef dat ik net als de ander op elk moment kan weglopen.

Nog fijner zijn toch de momenten waarop we ondanks die vrijheid besluiten langer stil te blijven staan. Noem het een vorm van scoren – speeddaten voor de gebonden man. Met als bonus dat het speelveld veel groter is dan bij écht daten: kinderen, mannen en vrouwen van alle leeftijden zijn fair game. Huisdieren, zelfs.

Voor een boek waar ik aan werk, zou ik thuis koken met recente vrienden. Het boek gaat deels over samen eten maken, maar door de beperkingen waren er al drie seizoenen vastgelegd met niemand anders in beeld dan die verwoed hakkende veertiger met zijn coronahaar en rode schortje. De gerechten stonden er mooi op, maar er spatte zo weinig vreugde af.

In de ochtend van de beoogde kookdag ontving ik al appjes, beeld van negatieve thuistests. Men vroeg of er champagne mee mocht, en ik werd gesterkt in mijn gevoel dat ik de juiste mensen had gevraagd voor deze klus. Ondanks het enthousiasme dat ik uit alle berichtjes opmaakte kwam men een uur later dan afgesproken, maar dat bleek te wijten aan de aanwezigheid van een fotograaf. Er had eerst van alles extra gemoeten met haar, make-up en kleding.

Niemand hoefde koffie of thee. Iedereen wilde meteen champagne – opvallend hoe het dak er tijdens zo’n lockdown bij elke denkbare gelegenheid af moet. We kneedden en bakten en roosterden; de middag vloog voorbij. Ik moest een paar keer huilen van het lachen, of misschien gewoon huilen van hoezeer ik dit soort dagen had gemist.

beeld: Koken met Eva Plevier

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Iedereen en de universele kunst

Elckerlijc in de originele Middeleeuwse taal, zonder boventitels. Theatercollectief Urland speelt de vijftiende-eeuwse moraliteit in de originele versie. Integraal. En dus zei de Deugd afgelopen zaterdag, tijdens de voorlopig laatste matinee voor de nieuwe lockdown, in Frascati Theater:

‘Ick ligghe hier al verdwenen
te bedde, vercrepelt ende al ontset.
Ick en kan geroeren niet een let.
So hebdi mi ghevoecht mit uwen misdaden.

(Vrij vertaald: ‘Ik lig hier al bijna verdwenen in bed, kreupel en ontdaan. Ik kan me niet meer verroeren. Dit heeft u mij aangedaan met uw misdaden.’)

Want Elckerlijc heeft zijn deugdzaamheid verwaarloosd. Hij leeft zelfzuchtig, zonder zich rekenschap te geven van anderen of zijn omgeving. En daarom is God boos. Hij stuurt de Dood om Elckerlijc te gaan halen. Hij moet verantwoording afleggen. Elke keer dat het woord ‘rekenschap’ valt klinkt er een hemelse donder, ook als dat midden in een dialoog is. Natuurlijk probeert Elckerlijc te onderhandelen; met geld en invloed kom je immers ver in het leven. De Dood laat zich echter niet ompraten: Elckerlijc kan niet anders dan zijn laatste pelgrimage afleggen.

Urland wil graag universele ‘oerverhalen’ vertellen. Zo brachten ze al een trilogie gebaseerd op klassieke Griekse tragedies en een bewerking van het Gilgamesj-epos. En dan nu Elckerlijc. Iedereen. Maar, zo vraagt het collectief zich af, mogen wij wel iets zeggen over of namens ‘iedereen’? In hun persbericht noemen ze zichzelf ‘het homogeenste theatercollectief van Nederland’: vier witte, hoogopgeleide, heteroseksuele cisgender mannen. De brandende vraag is: zijn er, zo op de rand van 2022, nog wel verhalen te vertellen die voor iedereen gelden? Bestaat er nog wel zoiets als universele kunst?

En dus is deze Elckerlijc een verhaal over een witte man die rekenschap (donder) moet afleggen over zijn privileges. Marijn Alexander de Jong speelt de titelrol. Thomas Dudkiewicz is de Dood (met zeis), speelt met handpoppen in een echt poppenkastje een dubbelrol als Familie & Vrienden en vertolkt Bezit als hol pratende tech-blob op een plasmascherm. Daarnaast omringt collectief Urland zich met een schare Anderen, die zich om verschillende redenen niet identificeren met de dominante norm.

Waar Gezelschap (Jimi Zoet, die ook tekent voor de muziek en soundscape), Familie & Vrienden en Bezit Elckerlijc in de steek laten op zijn laatste reis, schaart uiteindelijk een vijftal allegorische personages zich met hem rond het rokende gat van de onderwerel: Schoonheid (Elyne Notebaert, een transgender klein persoon), Wijsheid (Rikki Besse, een meisje van basisschoolleeftijd), Kracht (Paul van Soest, een oudere Rotterdammer in stofjas), Vijf Zintuigen (Phi Nguyen, een Nederlands-Vietnamese acteur) en Deugd (Valerie Jane, een zwarte actrice en zangeres). De dialogen zijn waanzinnig muzikaal en klinken alsof de spelers rechtstreeks uit een materie-transmitter naar het heden zijn geteleporteerd.

Allendich, arm katijf, o wach!
Nu en weet ick mijns selfs ghenen raet
van rekennighe te doen: mijn pampier
Es so verwerret ende so beslet,
ic en sier gheen mouwen toe geset.

(Vrij vertaald: ‘Ellende, arme ik, wee mij, nu weet ik me geen raad, hoe moet ik rekenschap afleggen; mijn papieren zijn zo verwaarloosd en bevuild, ik zie niet hoe ik hier nog iets van kan maken.’)

Ja, hier staat ‘de witte man’ centraal die rekenschap (donder) aflegt en boete doet voor zijn onverschilligheid, zijn onwetendheid. Maar hij staat daar als allegorie van het dominante perspectief, niet als individu. Wat een verademing. Hier geen wijzend vingertje, maar poëzie en muzikaliteit. Het is de vorm, aangereikt door een rederijkersstuk van ruim 500 jaar geleden, die ons redt van politiek correct geneuzel. Deze vorm, ons ritmisch en humoristisch aangeboden door collectief Urland, baant zich middels allegorie een weg uit de loopgraven waar we ons maar al te vaak in verschansen. Zo zou universele kunst eruit kunnen zien.

Foto: Bart Grietens

P.S. Urland maakte ook een studioversie-beat van Elckerlijc op basis van de hertaling van Erik Bindervoet, terug te zien op Urland doet de Iedereen. Heel anders dan de theaterversie (waar de originele tekst wordt gehanteerd), maar wel een mooie bonustrack.

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.