Foto Martijn Grootendorst

In Memoriam Jan Fontijn (1936-2022)

Aan wat decennialang een vertrouwd beeld was in de binnenstad van Amsterdam: een zekere man een vrouw met rokje en een hondje, is een einde gekomen: Jan Fontijn overleed 6 januari jl. en laat Charlotte Mutsaers en het hondje achter. Fontijn was universitair docent geweest, verwierf bekendheid met zijn voorbeeldige schrijversbiografie over Frederik van Eeden in twee delen: Tweespalt: het leven van Frederik van Eeden tot 1901 (1990) en Trots verbrijzeld: het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, (1996). Een prestatie waarmee hij de lat voor nakomende schrijversbiografen bepaald hoog heeft gelegd. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen achtereenvolgens zijn roman Biefstuk en benzine, waar hij fier op was, maar die naar zijn smaak te weinig weerklank vond en een boeiende lezersautobiografie onder de naam Kijk naar de vis. Een heel interessant allegaartje van vrijzinnige en bevlogen literatuurwaarnemingen is dat. Aforistisch bij tijd en wijle, of in korte notities: ‘De ontroering bij het zien van een stoel naast de tafel. Dat willen vastleggen in woorden of in beeld. Zo nauwkeurig mogelijk. Niets meer en niets minder.’ Een dialogue intérieur staat er in, herinneringen en beschouwingen. Het is divers, luchtig, verrassend veelvormig, je blijft er in lezen. Fontijn was naar mijn smaak vooral een bevlogen lezer.

In februari 2020 vroeg uitgeverij Van Oorschot hem deel te nemen aan een ‘schrijversdiner’ in de Roode Bioscoop in Amsterdam, een lange rij tafels met damast gedekt en gasten die dineerden terwijl een uitgelezen selectie schrijvers boeiende causerieën hielden. Het thema was de leeftijd van uitgeverij Van Oorschot: 75 jaar. Jan Fontijn had een hoop te vertellen vanuit zijn geschiedenis met Geert en Hillie van Oorschot, bij wie hij vaak te gast was op Donkervliet in Loenersloot. Het werd een heel mooie avond. Voorafgaand had Jan gemaild: ‘Charlotte wil graag mee, zet stoeltje maar klaar.’ In een bij tijd en wijle ook emotioneel relaas, speciaal over Hillie, voor de inhoud waarvan ik verwijs naar de passage in Arjen Fortuins mooie biografie van Geert van Oorschot (v.a. p. 356) vertelde Jan over zijn geschiedenis en waar die gelijk op liep met de uitgeverij.

De foto hiernaast toont Jan in de eigenaardige jongensachtige charme die hij altijd had. In het eerste decennium van deze eeuw droeg Fontijn nog een aantal keer heel mooie stukken bij aan Tirade, waarvan dit over Pierre Loti en Couperus voor mij het mooiste is. Het laat zien hoe gul Fontijn kon bewonderen en hoe breed zijn kennis en interesse was.

Daags na het diner meldde Fontijn nog hoe leuk ze de avond hadden gevonden. ‘Ik wilde je zeggen dat ik geen geld wil. Wel een lekkere fles rode Bourgogne.’ Onze gedachten zijn bij Charlotte en het hondje.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

The stuff of dreams

Het was de laatste zondag van een lange vakantie die we thuis doorbrachten – los van een loopje in het park was er geen reet te doen geweest. Zelfs op oudejaarsavond waren er geen mensen langsgekomen, en het hoogtepunt van ons jaar bleek de ongelooflijke hoeveelheid illegaal siervuurwerk van de Amsterdammers, dat maar in bleef beuken op de stolp die al twee jaar over de wereld staat.

Op nieuwjaarsdag bezochten we familie, en mijn gezin zwom in de Noordzee terwijl ik erwtensoep redde in een huis achter de duinen. Er waren heel veel koude oliebollen, met opvallend groot kwaliteitsverschil – hoeveel gradaties niet lekker wil je hebben. We liepen door die duinen tot we zicht kregen op kassen en een bedrijventerrein. Ik keek op mijn horloge: meer dan tien minuten had het niet geduurd.

De Nederlandse natuur is een lachertje en wie iets anders beweert is modeltreinmachinist, met wijdopen ogen smullend van vilten Alpenweiden en olijfkleurige bossages terwijl hij met de klep van zijn conducteurspet angstvallig zijn zicht op de droger en de voorraad hondenvoer afschermt. Ik voel me zelden verder van de natuur dan bij Staatsbosbeheer.

Goddank was er zondag. We zouden lunchen bij twee van onze oudste vrienden. Ze hebben kinderen in de leeftijd van Nadim en Ada, en een prettig huis in Westerpark. M en J schenken altijd speciaalbier en wijntjes, en doen zelfs in de meest roerige tijden comfortabel aan.

We aten soep en schelpen en ik vertelde M over Anne Eekhouts Mary, dat we voor zijn verjaardag hadden uitgezocht. Er waren wijntjes bij de lunch. B plaagde mij en ik plaagde B en we konden erom lachen. Omdat de kinderen onrustig werden namen we een basketbal mee naar het Van Beuningenplein.

De kiosk was open en we konden biertjes krijgen. M en ik mikten wat op de basket en Nadim haakte in, scoorde zelfs een paar keer hoewel hij nooit eerder een basketbal van dichtbij had gezien. De blowende jongens op het hoekje maakten eerst nog grappen, maar toen we in ons spel opgingen en de knoopjes van M’s shirt losraakten, werden ze snel stil. M heeft een bruine, harige borst – wie nog niet echt van hem houdt, kan dat lichaam als wat veel ervaren.

We probeerden te scoren – vaders tegen kinderen – en bij elke driepunter namen M en ik een slok van ons bier, dat in plastic bekers op het stoepje wachtte. Soms mochten we zelfs drinken als een lay up niet was gelukt. Otis de Hond, die het niet kon laten naar de bal te happen, werd aan de lijn gelegd en blafte vanaf dat moment naar alles wat voorbijvloog. Ik geloof dat we veel herrie maakten, maar los van de blowende jongens leek niemand daarmee te zitten.

Ada kwam schoolvrienden tegen en racete met hen over het plein. We bestelden nog een rondje. Toen het kinderbedtijd was liepen we met onze vrienden terug. We namen afscheid bij de deur met de fiets aan de hand, en dachten niet aan anderhalvemeters. Ik drukte mijn mensen tegen me aan en kuste ze op de wang.

Even later, naar het oosten fietsend met Otis langszij en de rest van mijn gezin achter me, kwam de middag op me over als een laatste spinsel van de nacht, het soort droomstaartje dat een glimlach bij je achterlaat. Als de afgelopen maanden een verdienste hadden, dacht ik, dan is het dat we zijn gaan zien hoe geweldig ons normaal ooit was.

Beeld – Jeichien Wolma

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Nieuwe vrienden

Ik maak nog elk jaar nieuwe vrienden. Uit een ontmoeting volgt een afspraak overdag, die dan meestal wordt gevolgd door samen eten. Vorig jaar maakte ik een vriend met wie ik nu wekelijks ren, een vondst omdat ik zo’n vriendschap anders nooit kan onderhouden.

Een echte vriend zie je met regelmaat, en wie steeds vrienden bijmaakt, komt zo al snel in de problemen. Soms ontmoet ik fijne mensen en slaat de stress me om het hart: hoe past deze persoon nog in mijn rooster? Een stevige lockdown biedt dan uitkomst. Koffie en een stukkie lopen. Een etentje kan ook, omdat er ‘s avonds toch geen afspraken staan.

Toen vriendin Irma vroeg waarom ik nog in de stad woon – ze zit al jaren op een dijk in Friesland – flapte ik eruit dat Amsterdam voor mij vooral over veel en wisselende contacten gaat. Ik haal daar kennelijk iets uit. Korte interacties, de vrijblijvendheid ervan, het besef dat ik net als de ander op elk moment kan weglopen.

Nog fijner zijn toch de momenten waarop we ondanks die vrijheid besluiten langer stil te blijven staan. Noem het een vorm van scoren – speeddaten voor de gebonden man. Met als bonus dat het speelveld veel groter is dan bij écht daten: kinderen, mannen en vrouwen van alle leeftijden zijn fair game. Huisdieren, zelfs.

Voor een boek waar ik aan werk, zou ik thuis koken met recente vrienden. Het boek gaat deels over samen eten maken, maar door de beperkingen waren er al drie seizoenen vastgelegd met niemand anders in beeld dan die verwoed hakkende veertiger met zijn coronahaar en rode schortje. De gerechten stonden er mooi op, maar er spatte zo weinig vreugde af.

In de ochtend van de beoogde kookdag ontving ik al appjes, beeld van negatieve thuistests. Men vroeg of er champagne mee mocht, en ik werd gesterkt in mijn gevoel dat ik de juiste mensen had gevraagd voor deze klus. Ondanks het enthousiasme dat ik uit alle berichtjes opmaakte kwam men een uur later dan afgesproken, maar dat bleek te wijten aan de aanwezigheid van een fotograaf. Er had eerst van alles extra gemoeten met haar, make-up en kleding.

Niemand hoefde koffie of thee. Iedereen wilde meteen champagne – opvallend hoe het dak er tijdens zo’n lockdown bij elke denkbare gelegenheid af moet. We kneedden en bakten en roosterden; de middag vloog voorbij. Ik moest een paar keer huilen van het lachen, of misschien gewoon huilen van hoezeer ik dit soort dagen had gemist.

beeld: Koken met Eva Plevier

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Iedereen en de universele kunst

Elckerlijc in de originele Middeleeuwse taal, zonder boventitels. Theatercollectief Urland speelt de vijftiende-eeuwse moraliteit in de originele versie. Integraal. En dus zei de Deugd afgelopen zaterdag, tijdens de voorlopig laatste matinee voor de nieuwe lockdown, in Frascati Theater:

‘Ick ligghe hier al verdwenen
te bedde, vercrepelt ende al ontset.
Ick en kan geroeren niet een let.
So hebdi mi ghevoecht mit uwen misdaden.

(Vrij vertaald: ‘Ik lig hier al bijna verdwenen in bed, kreupel en ontdaan. Ik kan me niet meer verroeren. Dit heeft u mij aangedaan met uw misdaden.’)

Want Elckerlijc heeft zijn deugdzaamheid verwaarloosd. Hij leeft zelfzuchtig, zonder zich rekenschap te geven van anderen of zijn omgeving. En daarom is God boos. Hij stuurt de Dood om Elckerlijc te gaan halen. Hij moet verantwoording afleggen. Elke keer dat het woord ‘rekenschap’ valt klinkt er een hemelse donder, ook als dat midden in een dialoog is. Natuurlijk probeert Elckerlijc te onderhandelen; met geld en invloed kom je immers ver in het leven. De Dood laat zich echter niet ompraten: Elckerlijc kan niet anders dan zijn laatste pelgrimage afleggen.

Urland wil graag universele ‘oerverhalen’ vertellen. Zo brachten ze al een trilogie gebaseerd op klassieke Griekse tragedies en een bewerking van het Gilgamesj-epos. En dan nu Elckerlijc. Iedereen. Maar, zo vraagt het collectief zich af, mogen wij wel iets zeggen over of namens ‘iedereen’? In hun persbericht noemen ze zichzelf ‘het homogeenste theatercollectief van Nederland’: vier witte, hoogopgeleide, heteroseksuele cisgender mannen. De brandende vraag is: zijn er, zo op de rand van 2022, nog wel verhalen te vertellen die voor iedereen gelden? Bestaat er nog wel zoiets als universele kunst?

En dus is deze Elckerlijc een verhaal over een witte man die rekenschap (donder) moet afleggen over zijn privileges. Marijn Alexander de Jong speelt de titelrol. Thomas Dudkiewicz is de Dood (met zeis), speelt met handpoppen in een echt poppenkastje een dubbelrol als Familie & Vrienden en vertolkt Bezit als hol pratende tech-blob op een plasmascherm. Daarnaast omringt collectief Urland zich met een schare Anderen, die zich om verschillende redenen niet identificeren met de dominante norm.

Waar Gezelschap (Jimi Zoet, die ook tekent voor de muziek en soundscape), Familie & Vrienden en Bezit Elckerlijc in de steek laten op zijn laatste reis, schaart uiteindelijk een vijftal allegorische personages zich met hem rond het rokende gat van de onderwerel: Schoonheid (Elyne Notebaert, een transgender klein persoon), Wijsheid (Rikki Besse, een meisje van basisschoolleeftijd), Kracht (Paul van Soest, een oudere Rotterdammer in stofjas), Vijf Zintuigen (Phi Nguyen, een Nederlands-Vietnamese acteur) en Deugd (Valerie Jane, een zwarte actrice en zangeres). De dialogen zijn waanzinnig muzikaal en klinken alsof de spelers rechtstreeks uit een materie-transmitter naar het heden zijn geteleporteerd.

Allendich, arm katijf, o wach!
Nu en weet ick mijns selfs ghenen raet
van rekennighe te doen: mijn pampier
Es so verwerret ende so beslet,
ic en sier gheen mouwen toe geset.

(Vrij vertaald: ‘Ellende, arme ik, wee mij, nu weet ik me geen raad, hoe moet ik rekenschap afleggen; mijn papieren zijn zo verwaarloosd en bevuild, ik zie niet hoe ik hier nog iets van kan maken.’)

Ja, hier staat ‘de witte man’ centraal die rekenschap (donder) aflegt en boete doet voor zijn onverschilligheid, zijn onwetendheid. Maar hij staat daar als allegorie van het dominante perspectief, niet als individu. Wat een verademing. Hier geen wijzend vingertje, maar poëzie en muzikaliteit. Het is de vorm, aangereikt door een rederijkersstuk van ruim 500 jaar geleden, die ons redt van politiek correct geneuzel. Deze vorm, ons ritmisch en humoristisch aangeboden door collectief Urland, baant zich middels allegorie een weg uit de loopgraven waar we ons maar al te vaak in verschansen. Zo zou universele kunst eruit kunnen zien.

Foto: Bart Grietens

P.S. Urland maakte ook een studioversie-beat van Elckerlijc op basis van de hertaling van Erik Bindervoet, terug te zien op Urland doet de Iedereen. Heel anders dan de theaterversie (waar de originele tekst wordt gehanteerd), maar wel een mooie bonustrack.

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.