The stuff of dreams

Het was de laatste zondag van een lange vakantie die we thuis doorbrachten – los van een loopje in het park was er geen reet te doen geweest. Zelfs op oudejaarsavond waren er geen mensen langsgekomen, en het hoogtepunt van ons jaar bleek de ongelooflijke hoeveelheid illegaal siervuurwerk van de Amsterdammers, dat maar in bleef beuken op de stolp die al twee jaar over de wereld staat.

Op nieuwjaarsdag bezochten we familie, en mijn gezin zwom in de Noordzee terwijl ik erwtensoep redde in een huis achter de duinen. Er waren heel veel koude oliebollen, met opvallend groot kwaliteitsverschil – hoeveel gradaties niet lekker wil je hebben. We liepen door die duinen tot we zicht kregen op kassen en een bedrijventerrein. Ik keek op mijn horloge: meer dan tien minuten had het niet geduurd.

De Nederlandse natuur is een lachertje en wie iets anders beweert is modeltreinmachinist, met wijdopen ogen smullend van vilten Alpenweiden en olijfkleurige bossages terwijl hij met de klep van zijn conducteurspet angstvallig zijn zicht op de droger en de voorraad hondenvoer afschermt. Ik voel me zelden verder van de natuur dan bij Staatsbosbeheer.

Goddank was er zondag. We zouden lunchen bij twee van onze oudste vrienden. Ze hebben kinderen in de leeftijd van Nadim en Ada, en een prettig huis in Westerpark. M en J schenken altijd speciaalbier en wijntjes, en doen zelfs in de meest roerige tijden comfortabel aan.

We aten soep en schelpen en ik vertelde M over Anne Eekhouts Mary, dat we voor zijn verjaardag hadden uitgezocht. Er waren wijntjes bij de lunch. B plaagde mij en ik plaagde B en we konden erom lachen. Omdat de kinderen onrustig werden namen we een basketbal mee naar het Van Beuningenplein.

De kiosk was open en we konden biertjes krijgen. M en ik mikten wat op de basket en Nadim haakte in, scoorde zelfs een paar keer hoewel hij nooit eerder een basketbal van dichtbij had gezien. De blowende jongens op het hoekje maakten eerst nog grappen, maar toen we in ons spel opgingen en de knoopjes van M’s shirt losraakten, werden ze snel stil. M heeft een bruine, harige borst – wie nog niet echt van hem houdt, kan dat lichaam als wat veel ervaren.

We probeerden te scoren – vaders tegen kinderen – en bij elke driepunter namen M en ik een slok van ons bier, dat in plastic bekers op het stoepje wachtte. Soms mochten we zelfs drinken als een lay up niet was gelukt. Otis de Hond, die het niet kon laten naar de bal te happen, werd aan de lijn gelegd en blafte vanaf dat moment naar alles wat voorbijvloog. Ik geloof dat we veel herrie maakten, maar los van de blowende jongens leek niemand daarmee te zitten.

Ada kwam schoolvrienden tegen en racete met hen over het plein. We bestelden nog een rondje. Toen het kinderbedtijd was liepen we met onze vrienden terug. We namen afscheid bij de deur met de fiets aan de hand, en dachten niet aan anderhalvemeters. Ik drukte mijn mensen tegen me aan en kuste ze op de wang.

Even later, naar het oosten fietsend met Otis langszij en de rest van mijn gezin achter me, kwam de middag op me over als een laatste spinsel van de nacht, het soort droomstaartje dat een glimlach bij je achterlaat. Als de afgelopen maanden een verdienste hadden, dacht ik, dan is het dat we zijn gaan zien hoe geweldig ons normaal ooit was.

Beeld – Jeichien Wolma

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).