Landbezit, zeebezit

(De wereld in stukken 32)

Wat bezit je als je land bezit? Is het de zekerheid niet van je plek verdreven te worden? Hoe zeker is dat, historisch gezien? In wezen bezit je nooit meer land dan er onder je voeten zit, oppervlakkig een paar ons zand. Wanneer je loopt beweegt de grond onder je voeten met je mee. Steeds dat kleine stukje is even van jou. Het perceel waarop je huis gebouwd is vormt het meest logische grondbezit. Of dat er net omheen: een stukje land is dat je naar eigen inzicht kunt inrichten, je tuin. Of je leeft van landbouw en moet meer land bewerken om ervan te leven. Dan is het niet zo belangrijk of het land van jou is: als niemand je er maar af gooit.

In wezen moet je vooral geen hekken hebben, dan is alle land tot je beschikking

Oh, give me land, lots of land under starry skies above
Don’t fence me in
Let me ride through the wide open country that I love
Don’t fence me in
Let me be by myself in the evenin’ breeze
And listen to the murmur of the cottonwood trees
Send me off forever but I ask you please
Don’t fence me in

(schreef Robert Fletcher voor Cole Porter)

Possession Island werd op 24 januari 1772 ontdekt door de Franse ontdekkingsreiziger Marc Joseph Marion du Fresne. Julien Crozet, tweede man aan boord van het schip de Mascarin, werd aan land gestuurd waar hij een ceremonie van ‘inbezitneming’ uitvoerde door een fles met een perkament in naam van koning Lodewijk XV op de grond te plaatsen. Het eiland kreeg toen de naam Eiland van de inbezitneming, of L’île de la Possession.

De grootste landeigenaar ter wereld is momenteel koning Charles van Engeland. Hij en de Britse koninklijke familie zouden ruim 6.600.000.000 hectare land over de hele wereld bezitten, al gaat het dan om ceremonieel landeigenaarschap via de Commonwealth. De familie bezit land in het Verenigd Koninkrijk, Canada en daarbuiten. Dit voelt niet goed, maar ik ben dan ook geen royalist. Overigens wordt het hoe beter je zoekt steeds lastiger te zien wat hier nu precies eigendom van is…

Tweede op de lijst is de katholieke kerk. Hun 177 miljoen hectaren bevinden zich over de hele wereld en omvatten kerken, scholen en boerderijen. Ze bezitten ook veel religieuze monumenten zoals de Scala Sancta en het Apostolisch Paleis, evenals landbouwgrond. Dit voelt evenmin goed, maar ik ben dan ook niet kerkelijk.

Op de derde plaats staan ​​de Inuit-bevolking van Nunavut in Canada. Volgens de Nunavut Land Claims Agreement Act van 1993 verleenden de regering van Canada en de regering van de Northwest Territories de Inuit het eigendom van een afzonderlijk gebied genaamd Nunavut, dat ongeveer 87 miljoen hectare groot is. Het was (en is nog steeds) de grootste schikking over landclaims in de geschiedenis van Canada. Dit lijkt veel rechtvaardiger dan de voorgaanden.

De vierde vermelding op de lijst is Gina Rinehart, het rijkste mens in Australië. Ze is een mijnmagnaat met een vermogen van meer dan $30 miljard. Ze bezit 23 miljoen hectare grond, voornamelijk bestaande uit bossen en veehouderijen. Rinehart verdiende haar fortuin met ijzererts en is de dochter van ijzerertsontdekkingsreiziger Lang Hancock.

Op de vijfde plaats staan ​​de Inuvialuit-bevolking van de Inuvialuit Settlement Region in Canada, met meer dan 22 miljoen hectare. De Inuvialuit Settlement Region (soms afgekort als ISR) werd in 1984 door de Canadese regering aangewezen en omvat verschillende stukken land, waaronder het noordelijke deel van Yukon en het noordwestelijke deel van de Northwest Territories.

De grootste boerderij ter wereld is Mudanjiang City Mega Farm, gelegen in Heilongjiang, China, en staat op de zesde plaats op de lijst. De ruim 22 miljoen hectare grote boerderij heeft meer dan 100.000 melkkoeien en produceert jaarlijks 800 miljoen liter melk.

Dan heb je de hacienda’s in Midden en Zuid Amerika. Ook op de Filipijnen noemen ze grote agrarische bedrijven zo. Overigens zijn de Filipijnen de eigenaar van behoorlijk veel zee, al ben je formeel nooi echt eigenaar van zee. De grooste hoeveelheid toegewezen oceaan is van Amerika, nummer twee is Frankrijk.

De Franse maritieme ruimte vertegenwoordigt, met een totale oppervlakte van ongeveer 10,7 miljoen km², de op één na grootste maritieme ruimte ter wereld. Overzeese gebieden vormen 97% van deze ruimte. Frankrijk is een kuststaat die aan bijna alle oceanen grenst. Hieronder hoe gebruik van de zee geregeld is:

Zelf wil ik graag een bos kopen, om er wat te onderhouden, een beetje hout te hakken en in de stilte tussen twee bomen in een hangmat naar de vogels te luisteren en naar de onderzijde van bladeren te kijken, fantastische bezigheden. Wie weet een betaalbaar bos voor me? Wereldwijd goedkope grond vind je hier.

Of zoals Robert James Campbell Stead schreef:

Wie is eigenaar van het land?

Terwijl zachtmoedige verbazing gloorde
sprak het kind: ‘Net als de hemel en de lucht,
en stromend water, bloemen, vogels in hun vlucht,
en slaapliedjes en vriendelijke woorden,
en roze zonsondergangen, wolken en stormen,
en God geopenbaard in al Zijn vormen,
is het duidelijk dat stukken land eigenlijk behoren
aan wie op aarde maar werd geboren.
Niemand maakte ooit maar een korrel zand;
Hoe kan hij zeggen dat hij eigenaar is van het land?’

gegevens: Madison Trust Company en Maritime Mimites.

Naar kaart 33

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Dromen in de Druif

Nadat ik bijna omver was gekegeld door een toeterende stadsbus, kwam ik toch ongeschonden aan bij De Druif in Amsterdam. Ik keek langs de mensen die voor anker waren gegaan op het terras, en zag door de smalle deuropening hoe Gil lachend achter de bar stond, een biertje tapte en een praatje maakte met twee dames aan de bar. Het zou hoe dan ook een goede avond worden, wist ik al.

Bij binnenkomst werd ik begroet met een luide roep van Gil, die zich meteen een weg naar me baande. Als ik iemand een tijd niet gezien heb, probeer ik dat gemis in een omhelzing te persen, dus drukte ik hem stevig tegen me aan. Na drie gekneusde ribben lieten we elkaar weer los.

In de hoek zat de harde kern van de Helmersgroep al fanatiek aan het bier: Marije, Jess en Luuk, die ik allemaal had leren kennen bij de Vertellers van Helmers, de literaire avond die Jan en Gil organiseren in de hoofdstad. Ze waren allemaal een tijdje geleden afgereisd naar Amersfoort, samen met Jan en Cindy, die nu verstek moesten laten gaan, om met eigen ogen te zien of die stamkroeg waarover ik had geschreven daadwerkelijk zo bijzonder was, en sindsdien bevolken we een gezellig appgroepje.

Ik omhelsde de vroege vogels, die ik niet meer had gezien sinds ons personeelsuitje in Van Zanten, en streek neer naast Jess, op een houten bankje. De Druif stond me meteen enorm aan: de smalte van de kroeg, die niet benauwend was, maar juist omvattend, de oude foto’s aan de muur, de vaten met namen erop, de uiteenlopende leeftijden van de stamgasten. De Druif is zo’n kroeg die je denkt te herkennen, terwijl je er nog nooit geweest bent. Een droom van een thuiskomst, zonder dat je je die droom kunt herinneren. Het was er warm, zo warm zelfs dat ik mijn jasje uitdeed, maar dat deerde niet.

Even later haakte Rosa ook aan, en zaten we in het hoekje van de kroeg, alsof we nooit iets anders hadden gedaan. Het was fijn om Amersfoort even uit te zijn, en nog fijner om bij te praten met Marije, Jess, Luuk en Rosa. We hadden het over vakanties, pornofilms, wonen in Amsterdam, borsten, bierreclames en de borstcrawl. Gil luisterde af en toe mee vanachter de bar, en zag dat het goed was.

Terwijl ik een nieuw fluitje kreeg van Gil, keek ik de groep rond en dacht: dit zijn de mooie mensen. Dit zijn de mensen die je nooit verwacht had, maar die je uit het niets in je schoot geworpen krijgt. Dit zijn de mensen die je hebt gemist, zonder dat je wist dat je ze miste.

Tegen het einde van de avond stonden Jess, Gil en ik even buiten om op adem te komen.

‘Het lijkt alsof je nooit iets anders hebt gedaan, zoals je achter de bar staat,’ zei ik tegen Gil, en hij lachte.

‘Ik heb het ook heel lang gedaan.’

‘Twintig jaar geleden, ja,’ zei ik.

‘Je verleert het nooit. Ik weet zeker dat als jij twintig jaar stopt met drinken, dat je het daarna ook weer doodgewoon kan oppakken. Het is als fietsen,’ grinnikte hij.

Ik besloot niet twintig jaar te wachten, maar bestelde na een paar minuten weer een fluitje. En daarna nog een, en nog, en nog een, tot de een-na-laatste me dwong om me los te weken uit De Druif, gedag te zeggen tegen de Helmersgroep en terug te reizen naar mijn eigen stad.

Foto: die schrijvende barman van de Druif

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Vlees zijn – de leeuw van Afrika

(De wereld in stukken 31)

Muggen doen goed hun best de pest die de mensheid vormt op deze aarde uit te roeien. De malaria- en denguemug zijn als soort vermoedelijk de succesvolste in het decimeren van Homo sapiens.  Een paar virussen doen leuk mee in dat project, en die zullen nog wel een succesvol kunnen blijken te zijn, ze muteren lekker snel dus hebben veel mogelijkheden.

Lang was de grootste angst voor mensen het mensverslindend dier, we hebben er een stel: haaien, beren, tijgers en leeuwen, krokodillen, komodo-veranen. Maar het meest tot de verbeelding sprak meestal de leeuw.

‘Heer mijn God, bij u zoek ik bescherming, bevrijd mij van mijn achtervolgers. Red mijn leven, want zij zijn als leeuwen, bereid mij te verscheuren, mij weg te slepen,’ luidt het in psalm 7. En Vondel dicht in de aanloop naar de Gijsbrecht van Aemstel dat Gijsbrechts broer de vijand najaagt die vlucht: zo stuift de zee voor wind met haar gedreven golven, zo zag men menigmaal een kudde wrede wolven en felle tijgers vlien voor het ijselijk geschreeuw van aller dieren vorst, de hongerige leeuw om niet al levendig en vers te zijn verslonden van hem die op de jacht geen aas en had gevonden.’

In David Quammen’s Monster of God staat het zo: ‘Grote en verschrikkelijke vleesetende beesten hebben het landschap altijd met mensen gedeeld. Ze maakten deel uit van de ecologische omgeving waarbinnen Homo sapiens zich ontwikkelde. Ze maakten deel uit van de psychologische context waarin ons identiteitsgevoel als soort ontstond. Ze maakten deel uit van de spirituele systemen die we hebben uitgevonden om ermee om te gaan. De tanden van grote roofdieren, hun klauwen, hun wreedheid en hun honger vormden een grimmige realiteit die konden worden ontweken maar niet vergeten. Af en toe kwam er een monsterlijke carnivoor als een noodlot uit een bos of een rivier tevoorschijn om iemand te doden en zich met het lichaam te voeden. Het was een bekend soort ramp – zoals autododen vandaag de dag – die, ondanks de bekendheid, elke keer opnieuw en schokkend gruwelijk moet zijn geweest. En het bracht een bepaalde boodschap over. Een van de vroegste vormen van menselijk zelfbewustzijn was het besef vlees te zijn.’

Het besef vlees te zijn. Dat zouden we wel eens wat vaker kunnen hebben. In het schitterende Westwaarts met de nacht van Beryl Markham beschrijft ze haar jeugd in Tanzania en Kenia en in een huiveringwekkende scene over een tamme leeuw Paddy, die even de call of the wild hoorde en achter het kind Beryl aanging:

‘Ik stopte en hij hief zijn kop op magnifieke wijze rustig omhoog en staarde me met gele ogen aan. Ik staarde terug, wroette met mijn blote tenen in de aarde en perste mijn lippen samen om een onhoorbaar fluitgeluid te produceren — een heel klein meisje dat verstand van leeuwen had. Paddy kwam toen zachtjes zuchtend overeind en begon me op een kalme, ingestudeerde manier te bekijken, zoals iemand die wat traag van geest is kan gaan spelen met een ongewone gedachte. Ik kan niet zeggen dat er een dreiging in zijn ogen lag, want die was er niet, en evenmin dat er kwijl langs zijn ‘vreselijke kaken’ liep, want die kaken zagen er mooi en netjes uit. Wel snoof hij echter de lucht op en het leek me dat hij daar hoorbaar tevreden over was. En hij ging niet weer liggen.’

Mijn eerste leeuw was in Nationaal Park Masai Mara in Kenia, maar vanuit een veilige Jeep, die overigens wel twee keer stuk ging. Mischien was het een nazaat, want eveneens mooie en nette kaken. Ik herinner me vooral de majesteitelijke rust en de glimlach – als ik me even schuldig maak aan antropomorfisme – op het gelaat van de patriarch. Een groep van tien ongeveer. Een windje, verre einders, een prachtleven leek me.

‘Ik herinnerde me,’ gaat Markham verder ‘de regels zoals je je die zo kunt herinneren. Ik liep niet hard weg. Ik liep erg langzaam en begon een uitdagend liedje te zingen. ‘Kali coma Simba sisi,’ zong ik, ‘askari yoti ni udari! Wij zijn zo woest als een leeuw, alle askari’s zijn dapper!’ Terwijl ik zong liep ik in een rechte lijn langs Paddy en ik zag zijn glimmende ogen in het dikke gras en ook hoe zijn staart de maat sloeg bij mijn liedje. ‘Twendi, twendi – ku pigana — piga aduoi — piga sana! Laten we gaan, laten we gaan — om te vechten — versla de vijand! Sla hard toe, sla hard toe!’  Welke leeuw zou niet onder de indruk komen van het marslied van de King’s African Rifles? Al zingend ging ik op een drafje naar de rand van de lage heuvel waarop, als ik geluk had, struikjes ananaskers zouden groeien. Het land was grijsgroen en droog en de zon stond er brandend boven, waardoor de grond onder mijn blote voeten heet was. Er was geen wind en er was niets te horen. Zelfs Paddy maakte geen enkel geluid toen hij snel achter me aan kwam. Wat ik me van het volgende ogenblik nog het duidelijkst herinner, zijn drie dingen: een kreet die nauwelijks harder was dan een fluistering, een klap die me tegen de grond sloeg, en hoe, terwijl ik mijn gezicht in mijn armen verborg en voelde hoe Paddy’s tanden zich om mijn been sloten, een fantastisch op en neer dansende tulband — die aan Bishon Singh toebehoorde — over de rand van de heuvel verscheen. Ik bleef bij bewustzijn, maar ik deed mijn ogen dicht en trachtte bewusteloos te raken. Het ging niet zozeer om de pijn als wel om het geluid. Ik denk dat het geluid van Paddy’s gebrul in mijn oren slechts herhaald zal worden als de helledeuren op een dag in hun wiebelige scharnieren zullen draaien en het hele panorama van Dante’s dichterlijk beschreven nachtmerries hoorbaar en zichtbaar zullen maken. Een onmetelijk gebrul omsloot de aarde en liet mij erin verdwijnen. Ik deed mijn ogen stijf dicht en bleef stil onder het gewicht van Paddy’s klauwen liggen.’

Bishon, vertelt later wat er gebeurde, een man met een zweep was erachteraan gesprongen maar de leeuw ging achter hem aan, want Paddy was van ‘mening dat zijn meester op geen enkele eerlijke manier recht had op een portie van het verse vlees, waar hij, de leeuw, dankzij eigen inspanningen beslag op hadden weten te leggen.’

Bishon Sing verkondigde deze buitengewoon redelijke interpretatie met een indrukwekkende ernst, alsof hij de zaak van de leeuw uiteenzette voor een jury van Paddy’s vrienden. “Vers vlees…” herhaalde ik dromerig, en duimde.’

lezen: Westwaarts met de nacht van Beryl Markham, David Quammen’s Monster of God en nog een stukje over Markham.

Naar kaart 32

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Arabia Felix, gelukkig Arabië

(De wereld in stukken 30)

Welk land veranderde meer en opmerkelijker in een eeuw dan Saudi-Arabië? De olie maakte het stinkend rijk, daarvoor kan het dat niet echt geweest zijn. Het was een bedoeïen, Khamis bin Rimthan die een Zwitsers geoloog hielp met het ontsluiten van de eerste oliebron.  1938 was dat. Een klein decennium later reist de Brit Wilfred Thesiger er rond. Thesiger werd geboren in Ethiopië en zijn ouders waren in dienst van het Britse Rijk. Hij diende in de ambtenarij en in het leger, was de Brits afgevaardigde bij de kroning van de grote Haile Selassie maar wilde graag reizen. In de Sudan in het gebied van de Danakil kwam hij erachter dat de woestijn zijn grote liefde was en al snel maakt hij plannen het ‘Empty Quarter’ van Saudi-Arabië te bereizen, een gebied dat alleen door bedoeïenen bereisd werd, die hij Bedu noemt. Thesigers Arabisch moet heel goed zijn geweest, de meeste Bedu houden hem voor een Syriër vanwege zijn accent.

De woestijnliefde begrijp ik na slechts een paar dagen in een andere woestijn, de Thar, goed. Het intense plezierig van schommelen op de kamelen, als je er niet zeeziek van wordt. Het wonderlijke gorgelen van de beesten, en vooral de onwaarschijnlijk prachtige sterrennachten, liggend op en onder een kleedje.

Wat een boek schreef hij erover! Arabian Sands is werkelijk schitterend. Het is een beschrijving van de zware reizen, de voorbereidingen, maar vooral over het leven van de Bedu die hij goed leert kennen en voor sommigen van wie hij een aan liefde grenzende vriendschap voelt. Thesiger is nooit mer echt geland na deze reizen denk ik. Droevig is in documentaires te zien hij hij uiteindelijk decennia later in Engeland in een bejaardenhuis beland, een man die hoort bij de woestijn.

De passages over kamelen zijn fascinerend. Omdat een kameel vervoersmiddel, voedselproducent, huisgenoot, reisgenoot, vriend, investering, kapitaal etc. is voor de Bedu gaat het er in het boek veel over. een Bedu in de Empty Quarter, grofweg het zuidoostelijke deel van het land kan aan de print van de hoef zien van wie de kameel is, of ze melk geeft, een kalf draagt, het geslacht, de leeftijd, de hoeveelheid water in de bulten etc. Hilarisch zijn de momenten dat een van zijn vrienden en reisgenoten met irritatie aan het wachten is terwijl zijn kameelstier de vrouwelijke kamelen aan het ‘bedienen’ is: de meeste Bedu reizen met vrouwtjeskamelen, omdat de stieren humeuriger zijn en moeilijker te beheersen. Als de Bedu er lucht van krijgen dat er wel een stier in de beurt is brengen ze er al hun kamelen naar toe voor bevruchting. En dat moet je maar vriendelijk en geduldig accepteren als stierberijder.

De lange reis door de Empty Quarter is heftig. De warmte en de kou, het weinige en vreselijk smakende water en ook nog, ergerlijk voor Wilfred Thesiger, de prachtige gastvrijheid van de Bedu: in zijn geval een tot hoofdpijn leidend rekenproblemen: want elke groep van tien monden die even voor een avond en een ochtend aansluit, doet een fors beroep op zijn voorraden, en hij moet dan nog zoveel dagen… De vrijgevigheid van dit volk is soms moeilijk te doorgronden. Als hij noodzakelijke dingen koopt voor zijn reisgenoten hebben ze die soms na een halve dag al weer weggegeven aan iemand die het meer nodig lijkt te hebben.

Verbazingwekkend was het verschijnen van sardientjes in dit verhaal. Op lange reizen nemen ze stapels gedroogde mee, voor eigen en kamelen voedsel.

En dan dit intens droevige verhaal dat niet meer uit je hoofd raakt:

‘We bereikten Dahal een goede drie dagen later. Het water, dat naar zwavel stonk lag aan het einde van een tunnel in de kalkstenen rots en was moeilijk te bereiken. Terwijl we de kamelen water gaven, vertelde Bin Duailan ons dat een wolf een paar maanden eerder hier twee jongetjes had gedood. Hun vader had hen bij de bron achtergelaten met een lading sardines die hij van de kust had meegebracht, met de mededeling dat hij de volgende dag terug zou komen. ‘s Nachts verdreef de wolf ze van de sardientjes, waarvan hij er een stel at. Toen een of andere Manahil ‘s ochtends opdook, vertelden de kinderen wat er was gebeurd, maar toen deze Manahil naar de kust afdaalden, lieten ze de kinderen bij de bron achter, in het vertrouwen dat hun vader spoedig zou terugkeren. De vader kwam pas de volgende dag aan en toen vond hij zijn beide zonen dood en gedeeltelijk opgegeten.’

Je die duistere nacht voorstellen… deze ongelukkige jongetjes.

Nu razen er auto’s van 5 ton met airco door de Empty Quarter. Maar de nachten zullen er nog wel donker zijn…

Lezen:

over Krim, Oekraïne en de Zwarte Zee en de Zee van Azov op deze kaart:
Konstantin Paustovski Lichtend water, De romantici, Muziek van de herfst.

Over Oekraïne:  
Marc Jansen: Grensland

Turkije:
Orhan Pamuk Istanbul, Museum van de onschuld

Georgië:
Marc Jansen Belaagd paradijs

naar kaart 31

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De kracht van de Surinaamse keuken

Tijdens het schrijven van deze post heb ik een collega op bezoek in Suriname. De beste en ‘lekkerste’ manier om hem kennis te laten maken met Suriname is via de Surinaamse keuken. De Surinaamse keuken is een mooie weerspiegeling van de Surinaamse samenleving.  

Ik rij van links naar rechts naar de verschillende buurten in Paramaribo waar er eetplekken zijn om mijn collega, in die tien dagen dat hij er is, zoveel mogelijk  gerechten te laten eten en dus kennis te maken met de verschillende culturen en verhalen die het land rijk is. Want bij zo’n eetplek raak je makkelijk in gesprek met de uitbaters, koks en de gasten die  iets interessants te vertellen hebben over het land. We doen roti kip, rijst gestoofde kip met groenten zoals sopropo, klaroen en tayerblad, rijst bruine bonen met kip en zoutvlees, Chinese nasi en tjauwmin, nasi rames en berkat en  mag pom en pindasoep ontbreken ook niet. Drank wordt dawet, gemberbier en Parbo bier.

‘De kracht van de Surinaamse keuken zit in de diversiteit, de beschikbaarheid van de verschillende ingrediënten en vooral de hoeveelheid van verschillende bladgroenten die Suriname heeft’, zegt chef-kok Patrick Woei.

‘We beseffen in het land nog te weinig wat mogelijk is in onze keuken. In Singapore en Maleisië heb je het fenomeen van de Hawker Centre.’ Een Hawker center is een openluchtcomplex waar je gekookt voedsel kan kopen en nuttigen dat veel voorkomt in Hongkong, Maleisië en Singapore. Ze zijn gebouwd om een ​​hygiënisch alternatief te bieden voor mobiele ventkarren en bevatten veel kraampjes die verschillende soorten betaalbare maaltijden verkopen. Volgens Woei zijn deze centra verbonden aan een markt. 

‘Dat heeft ervoor gezorgd dat zestig procent van de maaltijden buiten wordt gegeten. De huur bij de foodcourts is niet hoog. Er is een grote afzet voor de mensen die in de groenten en fruitteelt zitten. Er is veel lekker eten verkrijgbaar tegen een zachte prijs. Het is een enorme trekpleister voor toeristen. Als we dit voor Suriname kunnen bewerkstelligen kan het een enorme boost geven aan de economie. Daarnaast positioneert het onze keuken internationaal ook beter en steviger.’

Het is de droom van Woei om zo’n attractie in Suriname op te zetten.

Van oorsprong zijn veel van de gerechten van Suriname bekend. Van de Inheemsen is onder meer bekend pepre watra en anderen zijn meegekomen met de tot slaafgemaakten en de immigranten. De gerechten die meekwamen  zijn uniek geworden, doordat ze door de jaren zijn aangepast en verrijkt met ingrediënten die in Suriname te vinden zijn. We kunnen denken aan het ovengerecht pom, dat door de Joden naar Suriname is gebracht en eigenlijk wordt gemaakt met aardappelen. In Suriname werd de aardappel vervangen door pomtayer. Zo werd de pom bekend. Andere gerechten werden anders zoals de Surinaamse roti die verschilt met de roti van India en Trinidad en Tobago. Bepaalde gerechten werden enerzijds juist geconserveerd, zoals de saoto soep van de Javanen waar het originele recept nog wordt gebruikt om die samen te stellen. Anderzijds kent deze soep in het land waar deze soep vandaan komt vele variaties.  Door de aanpassing van de samenstelling van bepaalde gerechten die naar Suriname kwamen met de verschillende groepen ontstonden andere varianten of zelfs heel andere unieke gerechten.  Dit maakt de Surinaamse keuken qua smaak sterk en divers. 

Naar mijn mening is de tafel vol met diverse gerechten die je aantreft bij een goed Surinaams feest, ook de richting waar we naartoe moeten met het land: we hebben verschillende achtergronden en verschillende culturen en denkwijzen, en we hebben een gemeenschappelijk streven om het land positief te ontwikkelen. Daar zit de eenheidsgedachte. 

Net als hoe we trots zijn om gasten uit het buitenland kennis te laten maken met onze Surinaamse keuken moeten wij trots zijn op al het positiefs dat het land te bieden heeft. De verschillende culturele en etnische achtergronden maken ons verschillend , maar doordat we in Suriname bijeen zijn, maakt het ons tot het prachtige moksi, mengelmoes. Laten we dat waarderen en verder uitdragen.

Ik denk dat mijn collega heeft genoten van alle gerechten en  weer terugkomt naar Switi Sranan, onder meer voor het lekkere eten en de hitte.

Foto van Kevin Headley
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Nova Zembla: uitgeefgeschiedenis, reisverhaal

(De wereld in stukken 29)

Er is volgens Gerrit Komrij een ‘natste Nederlands gedicht,’ het is “De idioot in bad’ van Vasalis. Zo stel ik me voor dat er een ‘koudst Nederlands leven’ is, dat moet dan dat van Willem Barentsz zijn, de zeevaarder die in 1596-’97 de profijtelijke weg naar Indië over het Noorden wilde vinden, vast kwam te zitten op het grote eiland Nova Zembla en er overwinteren moest.

Ik denk misschien iets vaker dan gemiddeld aan Willem Barentsz omdat ik op steenworp afstand van een naar hem genoemde straat woon. Daar is vreemd genoeg geen Gerrit de Veerstraat, naar en van zijn medereizigers, die schreef.

Bij terugkomst in Nederland publiceerde De Veer in 1598 bij uitgever Cornelisz Claesz op het Damrak de Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort, een verslag van de expedities gebaseerd op zijn dagboek en het logboek van Barentsz. Het werd een groot commercieel succes voor deze uitgever. En daarbij is Nova Zembla verbonden met Nederlandse uitgeefgeschiedenis. Gabry van Tussenbroek schreef een geweldig en een beetje te weinig opgemerkt boek over deze uitgever en zijn tijd: Amsterdam in 1597.

De dood van Willem Barentsz klinkt bij Gerrit de Veer zo:

‘Op 20 juni [1597] was het redelijk weer, en de wind kwam uit het westen en de zon stond ongeveer zuid oost. Toen werd Claes Andriesz heel ziek en we zagen wel dat hij het niet lang meer maken zou en de hoogbootsman kwam in onze bok en vertelde hoe het met Claes Andriesz gesteld was en dat het was opgemerkt dat die het niet lang meer zou maken, waarop Willem Barentsz zei: me dunkt dat het met mij ook niet lang meer duurt. Maar wij hadden niet door dat Willem Barentsz zo ziek was, want wij zaten met elkaar te praten en Willem Barentsz zat mijn kaart te bekijken die ik van onze reis gemaakt had, en we bespraken over en weer nog plannen. Op het eind legde hij de kaart weg en zei: Gerrit geef mij eens wat te drinken, en nadat dat gebeurd was viel het helemaal niet goed, zodat hij met zijn ogen draaide en zo onverwacht snel stierf dat wij de tijd niet hadden de schipper uit de andere schuit te roepen, want hij was al dood, zodat hij nog voor Claes Andriesz stierf, die kort daarna ging.

De dood van Willem Barentsz bedroefde ons niet weinig want hij was de grote leider en enige stuurman, op wie wij ons verlieten en op wie we vertrouwden, maar tegen God konden wij niet optreden, dus moesten we berusten.’

Een huiveringwekkende scene, al klinkt het in de taal en spelling van zijn tijd nog beter:

‘So quam hem een sodanighen qualijckheyt aen, dat hy zijn ooghen verdraeyde, ende starf so onversien haestich.’

Het was zondermeer het meest desastreuze slokje in de Nederlandse nautische geschiedenis. In de vroege negentiende eeuw, in 1819 deed Hendrik Tollens het nog eens dunnetjes over. Met de nadruk op dunnetjes. Tollens was de Pfeiffer van zijn tijd, zeer succesvol, technisch sterk, modieus en een tikje ijdel. Hij schreef Tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596 en 1597 in zijn poging een politiek getroebleerd Nederland van wat adelspapieren te voorzien met een sterk nationalistisch en godsvruchtig heldendicht.

De wakkre Barends, kwijnt: zijn treurig sterfuur slaat.
Reeds had zijn zwakke hand, met mat en moeilijk beven,
Een rol papier gevuld en met hun ramp beschreven,
En ‘t ongesierd verhaal van hun mislukten togt
In ronden stijl gesteld, zoo kort en goed hij ‘t mogt.
Nu wenkt hij Heemskerk, vat zijn handen, poogt te spreken,
En reikt hem ‘t opstel toe, – maar blijft in snikken steken,
En wijst hem spraakloos ginds de plaats aan – ginds omhoog,
Waaraan hij ‘t hechten moet, – waaraan men ‘t vinden moog’,
Opdat de naneef weet’, zoo ooit, in later jaren,
Een schip het eiland naakte en weer mogt huiswaarts varen,
Wat bang en aaklig lot, te schriklijk ondergaan,
De vrucht was van een togt, voor Neerlands roem bestaan.
Nu gaârt hij al zijn kracht, en bidt met brekende oogen,
Wie hunner ‘t wee ontkoom’, wie ooit zou keeren mogen,
Dat hij zijn weduw groet’, dat hij zijn dierbaar kroost
Des vaders zegen breng’ en als een Christen troost’;
Dat hij hun allen zegg’, hoe teeder hem, in ‘t sterven,
Het brekend harte sloeg voor die zijn hart moest derven;
Maar dat de hoop op God, die tot ons best besluit…
Hij knikte ‘t laatst vaarwel, en blies den adem uit
Nu was de ramp ten top, de ellende ‘t hoogst gestegen:
Daar lag hun raadsman neer! zijn kille lippen zwegen!
Geen enkel woord van troost, dien hij zoo dikwijls sprak,
Ontging zijn bleeken mond, nu alle troost ontbrak
Weemoedig zien zij neer, het oog op ‘t lijk geslagen,
En vinden minder heul, hoe meer hun jammren vragen.

Hoeveel beter is De Veers oprechte situatieschets! Dat Tollens van Barentsz ‘draaiende ogen’ ‘brekende ogen’ maakt is de kortste samenvatting van wat hij wil: onmiddellijk effect sorteren en bij voorbaat duiden, waar het ware beeld veel intenser is.

Reinout Oerlemans tenslotte, vermogend producent en jeugdster van ‘Goede tijden, slechte tijden’ verfilmde het verhaal in 2011. Ik zag de film niet, alleen de trailer, waarin het verhaal wellicht nog het best is samengevat in de uitgesproken zin: ‘Als er iemand is met een beter plan, moet ’ie het nu zeggen.’

Oerleman werd niet rijk maar was het al, Tollens had een goed leven dankzij zijn verkoopsuccessen, en ook De Veer en Claes voeren er wel bij.

Alleen Barentsz had er weinig aan, hij leed slechts kou, en moet het doen met de paar Amsterdammers die hun jas in de koude wind in de bocht naar de Barentszstraat nog eens hoger dichtknopen en denken aan het koudste leven, dat van Willem Barentsz…

Naar kaart 30

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Woorden

‘Zijn dat niet de mooiste woorden?’ vroeg goede vriendin Es, terwijl ze een slok nam van de afgekoelde thee en haar hand in de mijne vouwde, als twee mallen die net iets anders waren afgegoten.

‘De woorden die ik niet opschrijf, bedoel je?’ vroeg ik, wetend dat ze vermoedde dat ik dit gesprek zo goed mogelijk wilde onthouden voor een stukje, ook al ging het schrijven, ging het leven steeds stugger, trager, moeilijker de laatste tijd.

‘Ja, de woorden die alleen tussen jou en mij bestaan, zoals een geheim dat je een leven lang met je meetorst, een zoen die je aan niemand vertelt maar in je hele lijf bewaart, een verbond waar niemand weet van heeft, behalve wij.’

Ik knikte, niet omdat ik niet wist wat ik moest zeggen, maar omdat ik haar begreep.

‘Woorden die nooit worden doorverteld, bedoel je?’ vroeg ik, en zij knikte op dezelfde wijze waarop ik mijn hoofd had bewogen. ‘Omdat ze van ons zijn, van ons blijven, en sterven als wij sterven, zonder dat iemand ooit zal weten wat er is gezegd?’

‘Dat zijn de mooiste woorden,’ zei Es. En we spraken, zo lang en mooi en veel als nooit tevoren.

Ik heb alle woorden onthouden, en niets opgeschreven, maar ze bestaan, hangen voor altijd tussen ons in als een onbreekbaar draadje. Het zijn de mooiste, hoopvolste, troostrijkste woorden die ik nooit opgeschreven heb.

Twan neemt even zomervrij, de komende weken. Tot het volgende stukje.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Een vriend voor Boudewijn – over eenzaamheid en voetnoten

(De wereld in stukken 28)

De tienjarige Boudewijn Büch zou het eiland Bouvet, of, Noors: Bouvetøya voor het eerst hebben gezien in de Vollständige neue Ausgabe van de Knaurs Welt-Atlas 1936, waarna hij de Brockhaus’ Konversations-Lexicon ([1898], vierzehnte Auflage, dritter Band, p. 385] er enkele duistere regeltjes over kon lezen.

Het is dan misschien de geboorte van Büch’s nesofilie, zoals hij het noemt. Eilandliefde. Het resulteerde in wat mij betreft Boudewijns vier interessantste boeken, alle over eilanden, en idealiter nog eens in 1 band uit te geven: Eenzaam (1981, 1991), Eilanden (1992), Het IJspaleis (1993) en Blauwzee (1994.)

Bouvetøya is een eenzaam en onbereikbaar eiland en zo, met de status van Büch’s eerste eiland, misschien symbolisch voor hoe ik de man zie: eenzaam en onbereikbaar. Hij had wat vaker geknuffeld moeten worden, zeg je dan. Al sprak ik laatst een antiquair die nog duizenden guldens van hem tegoed had, dus niet zoveel aardigs over Boudewijn wist te vertellen.

Ik heb een redelijk grote tolerantie voor fabulanten. Men beweert dat Rišard Kapušćinjski – van wie ik een redelijk fan ben – het nodige bedacht in zijn reportages. Voor mij hoef je hem dan alleen maar een essayist, of reisschrijver te noemen in plaats van een journalist. In een krant kan het niet, in een reisverslag wat mij betreft wel. Büch fabuleerde zijn hele leven bij elkaar. En los van empathie voor wie daar persoonlijk door bedrogen is, voel ik daar geen weerzin bij.

Het leidde tot een eigenaardig gevoel dat ik heb voor deze figuur door dit viertal boeken. Een soort genegenheid ondanks of deels door zijn stuitende pedanterie. In zijn pedanterie toont hij zich juist zo mooi. Dit uit zich naast in overdreven precisie, zoals boven getoond, ‘vierzehnte Auflage, dritter Band, p. 385’ – waarvan ik niet zeker weet of je eruit zou moeten concluderen dat dat ook onzin is, of juist altijd precies waar – in passages als:

‘Over Bouvet-eiland [Bouvetøya, Bouvet Øy(a) (incorrect); Øy(a)’ = Noors voor ‘(het) eiland’] – genoemd naar Bouvet de Lozier – heeft slechts één mens een dissertatie geschreven die het eiland enigszins compleet behandeld moet hebben. Het is Gerhard Engelmanns Die Bouvet-Insel (Dissertation, Leipzig 1923). Dit proefstuk wordt in de Bouvet-literatuur zelden genoemd. ik kwam het tegen in voetnoot 1 op bladzijde 134 van Georg Wüsts artikel ‘Das Bouvet-Problem’ in Zeitschrift der Gesellschaft Für Erdkunde zu Berlin (1929), nr. 3/4). Ik belde wat bibliotheken in Duitsland op die zich specialiseren in dissertaties en verdacht vlug kreeg ik antwoord terug: men kon het proefschrift niet vinden, waarschijnlijk was het in de Tweede Wereldoorlog ‘verschwelt’ [langzaam verbrand] of eenvoudig ‘verschwunden’. In Het IJspaleis staat een 65 pagina’s lang essay over Bouvet, dat een schitterend voorbeeld van Boudewijns bibliofiele reislust geeft. Tegelijkertijd aandoenlijk zoekend als blufferig precies.

BB corrigeert graag: ‘(incorrect)’. En door een gevoel dat compensatie nodig is, is heel wat groots naar voren gekomen. Naar verluidt leed Thomas Mann aan het zelfde euvel. Zou Boudewijn meer of minder eenzaam zijn geworden als hij, als ik, de technische middelen tot zijn beschikking had gehad om zijn eilandenvriend Gerhard Engelmanns persoonlijk te ontmoeten? Want nu komt dat proefschrift makkelijk naar boven in de digitale bibliotheken, en ik hoor een geestverwant, die eveneens graag corrigeert:

‘Bouvet Island werd ontdekt op 1 januari 1739 door de Franse kapitein Lozier Bouvet (1-4), de nestor van Antarctische verkenning, beschouwd als een voorgebergte van de “Terra Australis Incognita,” en na de dag van ontdekking ‘Cap de la Circoncision’ gedoopt. Oriëntatie en grootte van het land zijn onzeker en spreken elkaar tegen. De onzekerheid in de bepaling van de positie (volgens de meest nauwkeurige bepaling door Bouvet’s metgezel La Haye in 50° 6′ Z en 40 15′ O van Greenwich) wordt niet alleen verklaard door de fouten die werden gemaakt met het meegevoerd bestek vanuit de vertrekhaven Santa Catharina vanwege het constante manoeuvreren in de met ijs gevulde Zuidzee, maar ook door het gebruik van de West-Indische Paskaert door Pieter Goos (Amsterdam z.d.), die de Atlantische Oceaan bevoer en waardoor deze oude zeelieden niet in de gaten hadden dat hun platbodems waren verleierd door de Zuid-Equatoriale stroming en de zuidoostelijke passaatwinden en ze dus hun parcours op de kaart als te smal waarnamen en aldus kwam de Amerikaanse kust te dicht bij de Europees-Afrikaanse tegenoverliggende kust. Maar Bouvets beschrijving van de landwaarneming als een hoog en steil land met met sneeuw bedekte bergen, en de schets van het eiland, gemaakt door de kapitein van zijn escorteschip – dat ook het eerste is van elk Antarctisch land – laten zien dat Bouvet het later door Valdivia opnieuw gevonden eiland eigenlijk ontdekt had. Ondanks de geringe omvang van deze ontdekking, sterkten Bouvets rapporten de contemporaine geleerden van Frankrijk (Ruffon 1749, Maupertuis 1752, Philippe Buache 1739, 1757) in hun aanname van een groot zuidelijk continent, dat zich zou moeten uitstrekken tot lagere zuidelijke breedtegraden.’

Verder speurend vind ik deze huiveringwekkende zin. ‘Rond het eiland Bouvet is het mogelijk een cirkel te tekenen met een straal van duizend mijl (met een oppervlakte van 3.146.000 vierkante mijl, of bijna die van Europa) waarbinnen zich geen enkel ander landoppervlak bevindt. Geen enkel ander punt op het aardoppervlak heeft deze bijzonderheid.’

Boudewijns fascinatie verklaard. Met de gedetailleerde zoektocht naar in bibliotheken vervatte kennis bezweert Büch de ultieme eenzaamheid. Hopelijk heeft het voorgeborchte breedbandinternet.

Lezen: Eenzaam (1981, 1991), Eilanden (1992), Het IJspaleis (1993) en Blauwzee (1994) en nog een blogje over Boudwijn Büch.

Naar kaart 29

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.