Zo’n echte

Drie jaar geleden was ik voor het eerst in Aardenburg, een stadje aan de onderkant van Nederland. Op een literaire avond speelde ik liedjes en droeg ik voor de eerste keer twee gedichten voor – ik was net gedebuteerd in Meander, en had me voorgenomen om me op de poëzie te storten.

In de boekwinkel zat ik voor het eerst naast echte dichters, in het wild. Ik kon ze aanraken, zelfs. Het waren echte mensen. Ze dronken wijn, praatten over het schrijven en droegen voor. Philip Hoorne las ook voor, en toen ik wat rozig in mijn bed lag, dacht ik: later, als ik groot ben, wil ik Philip Hoorne worden.

Nu was ik terug. De treinreis leek korter dan drie jaar geleden. Bij Vlissingen hield het spoor op. Zo ziet het einde van het land er dus uit, dacht ik: een stootblok op het spoor. Voordat ik de boot nam naar Breskens – Vlissingen bleek niet het einde van de wereld – waaide de wind twee regels van Wigman voor me uit:

Ik hoor hoe Zeeland zucht: bewoners, kom terug.

Maar zelfs de zee nam hier de vlucht.

De boottocht verliep voorspoedig: we zonken niet, botsten niet op een andere boot, en niemand sloeg overboord. Toen ik in Breskens weer met mijn voeten op het vasteland stond, lag er een uitgestrekt landschap voor me, leeg en groen. Er liep één vrouw met één hond. Er kwam één auto aanrijden, van Ron, een van de organisatoren die me op kwam halen.

De boekwinkel lag er nog onveranderd bij, gelukkig. Het is vreemd hoe een plek waar je maar een keer eerder bent geweest een thuiskomst in zich heeft. Monica, de gastvrouw, omhelsde me, alsof ik gisteren was weggegaan en nu weer terugkwam. De drie jaar drukten in elkaar als de muizentrappetjes die ik vroeger vouwde.

Het voorlezen was heerlijk – een week eerder had ik voorgelezen in een kroeg, waar het publiek vooral bestond uit dronken Engelsen, verdwaalde pubers en een bejaarde vrouw die het twee gedichten volhield om enigszins te luisteren, maar Aardenburg was een en al oor. Ze klapten zelfs na een gedicht.

Na afloop luisterde ik gebiologeerd naar de verhalen van Job Degenaar, die ook had voorgelezen, en hoe. De wijn en de kaas waren op de tafel gezet, er was een haardvuur aangestoken en de ramen zagen mistig van de condens.

Toen ik buiten als enige een sigaret opstak, ik was de laatste roker in het gezelschap, besloot ik niet weer drie jaar te wachten. In de zomer zou ik teruggaan. Monica had verteld dat je prachtig in de omgeving kon fietsen, en dat zou ik gaan doen.

Om twaalf uur was het feest gedaan. Ik lag in hetzelfde bed en was weer wat rozig. Ik was groot nu, dacht ik, en Philip Hoorne was ik niet geworden, niet helemaal. Een beetje. Misschien, dacht ik, toen ik het licht uitknipte, was ik nu een dichter. Zo’n echte.

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn gedichten werden gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Hawaii, a crying shame

Voor wie wel eens een globe heeft vastgehouden is het een bekend gegeven. Je kunt de aarde zo draaien dat je vrijwel uitsluitend zee ziet. De Blue Marble, de foto die in 1972 genomen werd uit de Apollo 17 op 29.000 kilometer draagt niet voor niets die naam. 71% van het oppervlakte van de aarde is het niet. Maar is water. Wij zouden Earth beter Ocean kunnen noemen. Vanuit de verte dus blauw en op kaarten en globes blauw. ‘In de oceaan duiken is de grootste habitat op de planeet binnengaan – een rijk met ruim 160 keer méér leefruimte dan alle ecosystemen op het oppervlak samen.’* Dus 71% van deze stukjes zou over de zee moeten gaan.

Dat aangezicht van de globe toont nog een aantal dingen. Het randje land dat je dan nog ziet komt overeen met de ‘pacific ring of fire’. In een hoefijzervorm zie je dan dat er vulkanisme aan drie zijden van de grote oceaan te vinden is, de zuidkant blijft vrij omdat de Pacifische plaat daar niet onder een andere plaat kan duiken.

Maar eerst nog die globe van half water. In de meeste globes staat in die plas water even iets over waar de globe vandaan komt, plaats genoeg. De oceaan is er dus voor tekst en uitleg. De mijne is een Räth, Staatkundige globe uit april 1987, met geplakte papieren stroken, zodat je meteen ziet hoezeer mijn opgeknipte poster vertekent: de Mercatorprojectie, (waarover later meer). En als je goed gaat kijken zie je dat vrijwel in het midden van dat grote azuren vlak het eilandenrijkje Hawaii ligt. Er zijn nauwelijks plekken te noemen die geïsoleerder liggen, niets is zover van alles af als Hawaii.  En het moet er mooi en aantrekkelijk zijn. Aloha!

De bloemenslinger die je omgehangen krijgt geeft in zijn paradijselijkheid volgens Edward Wilson** echter meteen iets pijnlijks mee. De bloemen zijn niet inheems, ze hebben waarschijnlijk veel mooiere bloemen verdrongen.

Want achter de intense schoonheid die je je bij Hawaii voorstelt gaat volgens deze bioloog een tragedie van formaat schuil. In werkelijkheid, schrijft hij, is Hawaii een veld des doods van biodiversiteit. ‘Toen de eerste Polynesische reizigers er in het jaar 400 landden, benaderde deze archipel het paradijs zo dicht als nooit enig land had gedaan. In de weelderige wouden en vruchtbare valleien kwamen geen muggen, stekende wespen, gifslangen of gifspinnen voor en slechts weinig planten met doorn of gif.’ Dat is mooi om je voor te stellen: alle geneugten van de wildernis zonder enig ongemak. Hawaii is daarmee natuurlijk een schoolvoorbeeld van eiland biogeografie: waar vind je welke dieren en waarom? Het was niet alleen voor mensen lastig op Hawaii te komen, de afstanden zijn zo groot dat de archipel het heel lang zonder contact met de buitenwereld heeft kunnen stellen. Er ontwikkelde zich een ecosysteem dat toegespitst was op de omgeving, dieren pasten zich erop aan en het geheel leek op niets elders. Varkens, ratten, mieren, muggen, slangen hebben daar sinds 400 na chr. en versneld na 1492 een einde aan gemaakt. Het moet er mooi zijn en er is een aardige biodiversiteit, maar niet te vergelijken met hoe die was.

Niet teveel sombermannen, dat doen Wilson en David Quammen ook niet. Hoewel de grote Jack Johnson er wel wat van kan.

It is such a tired game
Will it ever stop
How will this all play out
of sight, out of mind now […]
It’s such a crying shame.

En toch wil ik ernaartoe…

Lezen

* Ed Yong Een immense wereld. Hoe dierlijke zintuigen de dimensies om ons heen onthullen.
**Edward O. Wilson De toekomst van het leven.
David Quammen The Song of the Dodo. Island Biogeography in an age of extinction.
Luisteren: Jack Johnson.
Kijken: The White Lotus, Seizoen 1.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Scholen kijken

De grote stoelendans is aangevangen. Wekelijks doen we vier middelbare scholen aan met onze zoon.

Nadim heeft een lijstje met punten waarop hij die scholen scoren kan, en omdat zijn lijstje op de eettafel ligt, kijk ik regelmatig naar zijn uitdijende aantekeningen.

God, wat houd ik van die jongen. Van zijn gebogen hoofd wanneer hij schrijft, wanneer hij leest – na Schaduw van de wind is hij nu aan mijn werk begonnen. Hij is daar te jong voor, maar als hij Het jasje van Luis Martín straks uitheeft zal hij zijn vader zien, zijn ouder kennen op een manier die niet zo vanzelfsprekend is. Het maakt me even huiverig als blij.

Ik houd van zijn lange dunne vingers, zijn altijd vuile, iets te lange nagels, van het litteken boven zijn wenkbrauw dat hij opliep toen hij in volle vaart tegen een picknicktafel klapte. Ik houd van zijn geur, als verse spekkies uit zo’n grote zak, maar dan net minder zoet.

Ze zeggen me, de ouders met kinderen op de middelbare, dat hij snel zal gaan stinken omdat alle pubers stinken. Ik kan me dat niet voorstellen omdat dit zijn geur is. Als hij straks anders ruikt dan moet hij ook iemand anders zijn.

B en mijn schoonfamilie zijn nagenoeg geurloos. Mijn ouders ook. Misschien blijft mijn jongen wel naar spekkies ruiken.

Er staan kringetjes en uitroeptekens op Naadjes lijst, gekrabbelde aanvullingen en cijfers. Ik heb nooit veel gehad met school, en het is dan ook een wonder voor me hoe anders hij in de materie staat.

Oudergesprekken op zijn basisschool leken altijd meer op een collegiaal overleg tussen hem en de juf. Ik zat ernaast en werd terloops geïnformeerd, mocht aan het eind patat gaan eten met mijn man.

Het verwerven en inzetten van kennis voedt hem, Nadim gedijt erbij. De afgelopen jaren zag ik hem steeds meer ontvouwen – een torretje dat ontdekt dat er vliezen onder zijn rugplaten zitten, transparante vleugels. Ik durf niet uit te spreken dat hij op een dag zal vliegen, bang en bijgelovig als het me maakt zoveel van iemand te houden.

Een melancholischstemmend iets, te lopen door de gangen van zo’n middelbare school. Gekleurde kluisjes, boekenkasten, lessenaars en digiborden, het berghok van de schoolband en het kunstlokaal met al die spatten op het raam – zoveel ruimte midden in de stad, een plek voor opstartende levens, voor onrust, doldrieste* ontwikkeling.

Hoewel de taakverdeling soms anders uitpakt, wandel ik liever een uur rond door die hoge gangen dan dat ik naar het praatje van de rector ga. Plek is voor mij belangrijk, daarnaast let ik op de lichaamstaal van leerlingen en onderwijzers, juist als ze even níét met werving bezig zijn.

Uiteindelijk zoek ik een gevoel dat me vertelt dat dit de plek is waar mijn kind een jonge man zal worden. Zie ik hem hier lachen, huilen, kussen, vechten, verzoenen, dansen – worden wie ik voel dat hij kan zijn?

Hoewel de lat dan erg hoog ligt: soms wel, en ik doe dan mijn best om zijn beleving niet te sterk te kleuren. Zijn keus hoeft de mijne niet te zijn.

Met elke stap die een kind zet komt er een complexer soort loslaten bij, met op het oog steeds grotere implicaties.

Het ouderschap is om te janken.

* Ja, ik heb het woord doldriest gebruikt. Het leek het enige kloppende, en dus heb ik het gedaan.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Het wonder van de 64 velden

Mijn vader en ik stonden laatst in de keuken voor mijn laptop te juichen. Het halfuur daarvoor hadden we in enorme spanning voor het beeldscherm gestaan, terwijl we keken naar twee mannen die tegenover elkaar aan een tafel zaten met een schaakbord tussen hen in. Anish Giri en Magnus Carlsen. Giri stond gewonnen, volgens de computeranalyse boven in beeld. Dit soort spanning is vele malen erger dan de spanning die je voelt als je naar een voetbalwedstrijd kijkt. Wij weten namelijk meer dan de spelers zelf. Wij zien die analyse. De computer schaakt tegenwoordig veel beter dan de mens, dus wij weten welke zet Giri moet doen. En wij weten dus ook meteen of de zet die Giri doet goed is of niet. Giri stond dus gewonnen tegen Carlsen, de wereldkampioen. Als doorgewinterde Giri-fans weten wij echter ook dat Giri een gewonnen stelling nog wel eens weet te verkloten. Dus, iedere keer dat Giri zijn hand uitstak naar het bord om een stuk te verplaatsen, sloegen we hem gespannen gade. Hij ging toch wel dat paard pakken? Zou hij het zien? Ja! Hij ziet het! Hij doet het! Kijk, de analyse schiet verder omhoog. Wat doet Carlsen nu? En zo gaat dat door.

Een relativerende gedachte bij dit schaaktoernooi, het Tatasteel-schaaktoernooi in Wijk aan Zee (bijgenaamd het Wimbledon van het schaken), is dat de zetten en de live-camerabeelden dit jaar een kwartier op de werkelijkheid achterlopen. Dat is gedaan om valsspelen met hulp van een handlanger op afstand (die de computeranalyse kan zien) te bemoeilijken. Alles wat er gebeurt is al gebeurd! Niet dat dit de spanning minder maakt, maar toch.

Het commentaar van de twee grootmeesters op de livestream deed niet onder voor het sportcommentaar dat op de televisie en de radio te horen is. Ze waren reuze-enthousiast en zaten helemaal in de wedstrijd. Het grappige was dat ze volledig op de hand van Giri waren, net als wij. Zoals bij het commentaar bij voetbalwedstrijden moest ik me soms bedwingen om niet tegen hen te gaan schreeuwen als ze zeiden dat Giri op het punt stond te winnen (‘Dat weet je helemaal niet! Roep het nou niet over hem af!’). De varianten die ze op hun analysebord toverden volgde ik met interesse. De varianten die Carlsen een ontsnappingsmogelijkheid boden deden mijn zenuwen de pan uitrijzen, terwijl de varianten die lieten zien dat Giri huizenhoog gewonnen stond, mij rustiger lieten ademhalen. Een andere factor die de spanning verhoogde, was dat Giri nog maar weinig tijd had: slechts tien minuten voor tien zetten en het werd er niet beter op. Het is algemeen bekend dat men, en zelfs topschakers, fouten maakt onder tijdsdruk. (Carlsen had misschien wel minder tijd dan Giri, maar dat vond ik vanzelfsprekend niet erg…) 

Gelukkig won Giri. Hij deed steeds de beste zet en Carlsen maakte nog ergens een kleine fout, waarna hij de handdoek in de ring gooide.

Ik ben door Tonke Dragt aan het schaken verslingerd geraakt. Ik was dertien, veertien en terwijl ik bouwwerken maakte met Kapla en die vervolgens in grote veldslagen met soldaatjes liet instorten, luisterde ik naar luisterboeken: soms was dat Harry Potter, ingelezen door Stephen Fry, maar vaak was het De geheimen van het wilde woud, ingesproken door Victor Löw (tot mijn ergernis hadden we De brief voor de koning niet als luisterboek). Ergens halverwege het boek schaakt Tiuri met de vorst van Eviellan op leven en dood. Zeer spannende passages, maar wat mij echt tot het schaakspel aantrok was een gedicht, een mijmering. Een mijmering in dichtvorm over het schaakspel dat voor hem op tafel stond. Ik denk nog wel eens aan dat gedicht. Vooral de zinsnede: ‘Zwart-wit, wit-zwarte velden.’ Prachtig woordspel.

Gek genoeg was het pas bij de derde of vierde keer luisteren dat dat gedicht mij begon te intrigeren en ik bedacht mij dat we in de huiskamer een schaakspel hadden staan en dat mijn broer mij ooit de beginselen van het spel had bijgebracht. (Ik had verder eens op een lagereschooltoernooitje een aantal kinderen verslagen omdat ik als enige het herdersmat kende, maar daarna was de belangstelling verpieterd.) Die avond ging ik aan de slag. Gewapend met het boek Schaken voor Dummies, maakte ik mij het spel eigen. Toen ik dat boek uithad ging ik op zoek naar andere schaakboeken in onze kast – mijn broers hadden ooit enige jaren op een schaakclub gezeten en mijn opa was ook een fervent amateurschaker. Met mijn vader nam ik ondertussen Jan-Hein Donners De koning. Schaakstukken en een paar boeken van Jan Timman door, wat inhield dat mijn vader de verhaaltjes eromheen voorlas en we samen de partijen naspeelden. Ondertussen leerde ik Giri’s My Junior Years in 20 games uit het hoofd (ik heb zelfs bij het NK een handtekening van hem gescoord!).  

In de boekenkast stond ook een boekje van een zekere Peter van Foreest, over een schaaktoernooi in Groningen in 1946, geschreven voor amateurs (hij zal wel familie zijn van de huidige schakers Van Foreest). Het boek heeft zo’n heerlijk ouderwetse titel: Grote denkers binnen Neerlands grenzen. Het was een verjaardagscadeau voor de achttiende verjaardag van mijn opa. Ik heb dat boek met veel plezier van a tot z doorgenomen. Het boek ademt de sfeer van de schaaktoernooien van die tijd uit: sigaren- en sigarettenrook, drank en analoge schaakklokken. Bovenal spat het enorme plezier dat Van Foreest heeft in het vertellen over het schaken en het vertellen van anekdotes over de diverse schakers van de pagina’s af. 

Een ander toernooiboek dat wij hadden was het toernooiboek van het AVRO-schaaktoernooi van 1973, samengesteld door Max Euwe. Dat boek is zowaar nog leuker om te lezen. Per ronde worden er een paar partijen volledig geanalyseerd, maar iedere partij wordt van een korte omschrijving voorzien. Zo loop je, als was het een roman (op de achterflap noemt Euwe het zelf ‘een film’), met de gebeurtenissen in het toernooi mee. Wat aan het filmische bijdraagt is dat er ook enkele niet-toernooi-gerelateerde stukjes instaan, zoals een stukje van Hans Böhm, dat beschrijft hoe de schakers in het hotel elkaar zelf-gecomponeerde eindspelpuzzels laten zien en elkaar uitdagen om ze op te lossen. Het is eigenlijk net literatuur.

Wat mij eraan herinnert dat ik tot mijn schande Stefan Zweigs Schaaknovelle nog niet gelezen heb. Hij ligt al jaren op mijn bureau. Binnenkort ga ik hem lezen. Echt.

En nu ga ik weer voor Giri juichen.

Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Zijn moeder komt uit Hongkong. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Momenteel studeert hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. In juli werd een Friestalig essay van zijn hand gepubliceerd in het Fries literair tijdschrift Ensafh.

Een nieuwe brief

 Amersfoort, 19 januari 2023

Lieve Helene,

Het is vreemd om te beginnen aan een brief die je nooit zult lezen. De laatste brief die je aan me schreef heb ik wel honderd keer gelezen – ik kan ieder woord dromen. Mijn laatste brief aan jou, deze kleine, gevleugelde brief, zul je niet eens één keer lezen. Anderen zullen dat voor je moeten doen.

Laatst was je een jaar dood. Ef had een herinneringsbijeenkomst georganiseerd met al jouw dierbaren. Iemand verzuchtte dat het even leek of je er weer bij was, en eigenlijk was je dat ook: in onze verhalen, in onze gedachten, in de kamer, even. Ef heeft een prachtig monumentje voor je gemaakt, in het midden van die kamer. We stonden voor je foto en proostten op je, zo luid, omdat we hoopten dat je het ergens zou horen.

Zijn nieuwe liefde, Het, was er ook bij, en hij hield haar stevig vast. Het ontroerde me, hoe hij dapper zijn blik weer op het leven heeft gericht, en een nieuwe liefde heeft gevonden, zonder de oude liefde kwijt te raken. Ik dacht aan de momenten waarop jij hem door het leven hebt gedragen. Nu draagt hij jou, zijn hele leven lang.

Een jaar is niet samen te vatten in één brief. Er is te veel gebeurd. Ik ben al tien keer aan een nieuwe brief begonnen, als ik de behoefte voelde om je toch te schrijven. Om te vertellen over nieuwe gedichten, nieuwe liefdes, nieuwe gebeurtenissen. Om te vertellen over kleine onbenulligheden in mijn bestaan. Om je grote levensvragen te stellen. Om gewoon te zeggen dat ik je mis, en dat het nu wel lang genoeg heeft geduurd. De ijzige stilte die zou volgen op die brieven weerhielden me om ze af te maken.

Als ik naar de Kruiskamp fiets, om Ef te bezoeken, verwacht ik je nog steeds in de deuropening. Bij het binnengaan denk ik soms nog dat je boven zit te werken. Als Ef koffie zet of bier inschenkt, hoop ik altijd dat je naar beneden komt, met je hoofd nog in een boek of een stuk tekst, en hoor ik je bijna verontschuldigend de kamer binnenkomen. Het gebeurt nooit.

Als ik in Van Zanten zit, ben je er bij. Je zit aan de bar, of aan een tafel, en krijgt nooit een biertje. Soms draaien ze jouw lievelingsmuziek, vertelt iemand die je heeft gekend een verhaal over je dat ik nog niet ken, of wordt er op je geproost.

Als ik vertel over mijn leven, praat ik je weer een beetje tot leven. Met mensen die je hebben meegemaakt haal ik herinneringen op, maar meer nog vertel ik de mensen die je niet hebben gekend over het feit dat je bestond. Het voelt als iets wat ik moet doen, omdat ze je niet meer kunnen ontmoeten. Ik weet zeker dat je ze had gemogen, en zij jou.

Nu, een jaar later, heb ik pas een beetje het gevoel dat het echt tot me doordringt dat je weg bent. Rouw is een onvoorspelbaar, onpeilbaar en haast onmogelijk iets, en dat de tijd niet alle wonden heelt, heb ik nu wel geleerd. Er hoeft ook eigenlijk helemaal niets geheeld, want dat zou betekenen dat je een gemis kunt genezen. Dat er een pleister kan op het gat dat je achterliet. Ik heb nog geen pleisters gevonden van dat formaat.

Ik wil deze brief niet eindigen. Nu ik dit schrijf, heb ik het gevoel dat ik niet meer zo dicht bij je ben geweest sinds het moment waarop ik je voor de laatste keer zag. En ik ben bang dat dit gevoel ook niet meer terug zal komen. Ik wil niet weg uit deze woorden. Maar: het moet. Ik heb nog tijd, en tijd is kostbaar, tijd is alles wat we hebben, zei je altijd: ik moet daar zorgvuldig mee omgaan. Het leven wacht, buiten deze brief. Ik ben er nog. En ik moet door, of ik nu wil of niet.

Het is vreemd om te beginnen aan een brief die je nooit meer zult lezen, maar het is nog vreemder om een brief die je nooit meer zult lezen af te ronden. Ik heb een jaar lang gedacht dat ik het niet zou kunnen.

Maar kijk, lieve Helene, kijk: het leven weet me nog altijd te verbazen. Zelfs nu. Ik sluit deze brief af, maar jou niet. Er waren twaalf maanden, zeshonderdnegentig woorden en duizend tranen nodig om dat in te zien.

Een laatste, lieve groet,


T.

Voetnoot: Dit stuk droeg eerst de titel ‘Een laatste brief’, omdat ik dacht dat deze brief de afronding van ons schrijven zou zijn, een laatste, geschreven groet aan een vriendin. Maar: het schrijven hoeft niet te stoppen, weet ik nu, dankzij een nieuwe vriend, die kwam nadat Helene vertrok. Hij schreef me: ‘Je kunt haar nog houden, als je wilt. Als je schrijft dan wordt het waar.’ En: ‘Je kunt zo veel inhalen door te schrijven aan iemand die er niet meer is.’

Het is waar. Hij kan het weten, want hij doet het ook. In zijn stukken, in een roman, in een gedicht. Dit is geen laatste brief, maar een nieuwe brief. Ik blijf haar brieven schrijven. Ik weet nog niet wanneer, en waar, en zelfs waarover, maar dát ik zal schrijven, dat weet ik wel. Dat is eigenlijk ook al terug te lezen in de brief, al wist ik het zelf toen nog niet. De brief wist het wel. En Helene misschien ook.

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn gedichten werden gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Sranan Tongo

Lobi, feti en libi. Bekende Sranan Tongo woorden die sinds enkele jaren onderdeel zijn van het algemeen taalgebruik in Nederland. Met het Sranan Tongo, ook wel het Sranan genoemd, heb ik een haat-liefdeverhouding. Ik kan de taal spreken en verstaan, maar kan nog steeds bepaalde woorden en zinnen niet zo goed uitspreken, wat soms klungelig overkomt. Dan druk ik mij uit in het Nederlands. Desondanks praat ik ook toch vaak Sranan Tongo met vrienden, familie en collega’s. In bepaalde situaties kan je jouw gevoelens het best uitdrukken in het Sranan Tongo, omdat ik vind dat de zinnen wat meer lading hebben in die taal. Het komt sterker over. A wroko broko mi skin tide, het werk heeft me vandaag gesloopt. In het Sranan tongo is de tekst veel krachtiger.

Net als bij vele Surinamers het geval was, werd mij ook thuis verboden Sranan Tongo te praten. ‘Ontwikkelde en beschaafde’ personen spraken namelijk geen Sranan Tongo, punt. Algemeen Beschaafd Nederlands was de norm en dat moest je zo goed mogelijk proberen te spreken. Op de Froweinschool, school voor meer uitgebreid lager onderwijs, werd ik geconfronteerd met klasgenoten die Sranan Tongo spraken en mij ook stimuleerden (lees hebben verplicht) dat ik met hen Sranan Tongo sprak. Ze lachten mij vaak eerst uit als ik een fout maakte en corrigeerden mij daarna. Hierdoor leerde ik de taal beter beheersen. Voor mijn werk in de media kwam het me kunnen uitdrukken in die taal, me goed van pas. 

Op een heleboel plekken is het praten in het Nederlands een drempel: velen schamen zich namelijk als ze het niet goed kunnen spreken en sluiten zich af wanneer je hen aanspreekt in het Nederlands. Praten in het Sranan Tongo opende deuren voor mij en zorgde ervoor dat de afstand tussen mij en anderen verdween. De taal is ook nauw verbonden met het Surinamerschap, de Surinaamse identiteit. Dat zag ik ook in Nederland. Het spreken van de taal is voor Surinaamse Nederlanders een uiting van waar hun roots liggen. De taal is door de jaren heen bijna mainstream geworden in Nederland, niet alleen Surinamers praten het. Een aantal woorden zijn zelfs toegevoegd aan het Nederlands en ook in series in Amerika kom je de taal tegen. Een aantal films en series die zijn uitgebracht in Nederland dragen zelfs Surinaamse namen zoals De Libi en Kofi’s Tori. Een mooi voorbeeld en een hoogtepunt was de deelname van zanger, componist Jeangu Macrooy aan het Eurovisie Songfestival met het lied Birth Of A New Age, met daarin Sranan Tongo teksten: Yu no man broko, broko mi (mi na afu sensi).

Voor de korte docuserie Wi Kondre, over het immaterieel erfgoed van Suriname, die ik samen heb geproduceerd met het Nationaal Archief Nederland, het Nationaal Archief Suriname en Beeld en Geluid, wijdde ik een aflevering aan de ontwikkeling van het Sranan Tongo in de literatuur. Volgens linguïst Renata de Bies is Sranan Tongo een contacttaal geweest van de tot slaafgemaakten met als basis woorden in de talen Portugees, Engels en Nederlands. Bij het Winti geloof zijn veel Sranan Tongo woorden intact gebleven om bepaalde rituelen te benoemen. De taal heeft een mooie ontwikkeling doorgemaakt, onder meer dat woorden met ‘oe” erin nu worden geschreven met u zoals luku, kijk, yuru, tijd en buku, boek. Tijdens de researchperiode van deze productie ben ik de taal meer gaan waarderen. Een mooie activiteit in Suriname waar er liederen worden gemaakt met het Sranan Tongo is tijdens het tweejaarlijks componisten festival Suripop. Elke editie heeft weer aantal composities met prachtige Sranan Tongo teksten. 

In de planning is de productie van een lange documentaire over de ontwikkeling van het Sranan Tongo in Suriname en waarom deze lingua franca spreekt tot het gevoel van de Surinamers. Ik wil met dit product vastleggen hoe deze verboden taal uiteindelijk een belangrijke taal voor de Surinamer werd. Ik wil met dit product ook de grote Surinamers Julius Gustaaf Arnout Koenders (Papa Koenders), Henri Frans de Ziel (Trefossa), Hein Eersel en Eddy van der Hilst eren aangezien zij hun leven hebben gewijd aan het onderzoeken en ontwikkelingen van de taal. 

Al met al, het is belangrijk deze taal levendig wordt gehouden, niet alleen door het te praten, maar ook door deze vast te leggen voor volgende generaties. Het is belangrijk nu te beseffen dat taal onze identiteit bepaalt.  Mijn beheersing van het Sranan Tongo is niet perfect, ik maak nog steeds taalfouten, ik maak nog steeds fouten, maar is dat erg? Het is een leerproces, dat ik met alle liefde aanga.

Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

A Giant Leap for Mankind – de Beringstraat

Dit is waar het gebeurt. Wanneer is nog wel een punt van discussie*. Tussen de 16.500 en 25.000 jaar geleden loopt een clubje Homo Sapiens over een drooggevallen vlakte, waarschijnlijk achter een groep grote landdieren aan, voor de jacht, grote ossen of reuzenherten. Wandelend of rennend zoals homoniden doen achter prooidieren aan, om ze uit te putten, bewegen ze zich van wat we nu kennen als het meest oostelijke stukje van Siberië naar het meest westelijke stukje van wat nu Alaska, en dus VS is.  Ze komen op onbekend terrein maar zullen zich niet realiseren dat ze bezig zijn een nieuw continent te bevolken. Want een heel groot percentage van de mensen die in de millennia die volgen tot aan de grote migraties vanaf 1492, op het Amerikaanse continent rondlopen, zullen een paar genen delen met deze eerste mensen. En een deel van de talen die gesproken worden door de First People in de VS delen speciale syntactische en grammaticale aspecten uitsluitend met talen die in Oost-Siberië gesproken worden.

Het was misschien met grote voorzichtigheid lopen in dat vochtige drooggevallen deel voor die pioniers, niet minder gevaarlijk is de tocht door het mijnenveld van gevoeligheden thans. Westers superioriteitsdenken claimt het liefst een zo kort mogelijke en onbeduidende geschiedenis voor 1492. Dus hoe langer geleden je denkt of tracht te bewijzen dat deze oversteek was, hoe meer je vindt dat de America’s zich voor een belangrijk deel hebben ontwikkeld voor dat die Italiaan met zijn schip in 1492 voor de kust verscheen. Het eerste wat de bemanning zag van dat continent waren overigens enorme zwermen vogels.

Het is een aardige pubquiz vraag, hoe ver je denkt dat de VS en Rusland van elkaar verwijderd zijn. 88,5 kilometer meet dat stukje daar maar. Twee dagen lopen voor die club.

Amerika kocht de anderhalf miljoen vierkante kilometer in 1867 van Rusland, voor een ruime 7 miljoen dollar, die in 2021 wel 140 miljoen zouden zijn waard geweest. Met name tijdens de Koude Oorlog zal menig Rus zowel als Amerikaan zich nog wel eens achter de oren gekrabd hebben om ‘Sewards Folly’ zoals de deal bij totstandkoming genoemd werd. (Maar zoals op de kaart te zien, werd er wel een Peninsula naar hem genoemd…) Toen werd die dwaasheid geacht goed geld weggooien voor waardeloos land te zijn, later en nog steeds, is het de folly van Sewards gespreksgenoot de Russische diplomaat Stoeckl. Alaska als ‘Stoeckls dwaasheid ‘dus.

Hoe is het daar en wil ik er heen? Ja en nee. In Kathleen Jamies meesterlijke essaybundel Surfacing staat een stuk dat ‘In Quinhagak’ heet en waar gezocht wordt – in dat dorp, dat net ten zuiden ligt van wat we op deze kaart aan Alaskaanse kustlijn zien – naar resten die door dooi vrijkomen van nederzettingen van jagers-verzamelaars die de voorouders van de mensen in dat yup’ik dorp zijn. Die van de wandeling van 88,5 kilometer dus misschien. Een schitterende sfeertekening, met hervonden artefacten als een prachtige brug naar het verleden. Het voelt er warm en koud. De kleine gemeenschap is plezierig.

Dat is niet altijd zo, met name Alaska’s grootste moderne schrijver wat mij betreft – David Vann – toont een wereld die grimmig is, naast mooi. Een van Van Oorschots schrijvers werkt aan een boek over een atolletje dat half Russisch en half Amerikaans werd. De bevolking versnipperd door de geschiedenis.

Er zitten veel boeken in deze kaart, veel geschiedenis. En als we door een opwarmende aarde noordwaarts trekken blijft ons weinig over dan: Point Hope.

(zie hier voor eerdere kaartstukken)

Leestips:

*Alexander Nieuwenhuis Winterthur
Kathleen Jamie Surfacing
David Vann Caribu Island

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In it to Guinness 4

Sinds hij in Los Angeles woont lukt het Col niet vaak om hierheen te komen, maar vorige week had ik geluk: weinig is zo fijn als een van je oudste vrienden op je stoepje treffen. Ik kwam mijn huis uit en daar stond hij, ontspannen leunend tegen mijn geparkeerde fiets.

Ik keek achterom naar de ramen van ons appartement, waarvan er een openstond. B straalde me aan, haar onderarmen op de leuning – ze had me onder valse voorwendselen naar beneden gestuurd.

Toen hij doorkreeg dat ik aan hem voorbij wilde lopen, veerde Colin op. ‘Waar ga je heen, Gil?’

‘Boter halen,’ zei ik. ‘Want dat moest van B.’

‘Zal ik met je mee?’

Ik trok een schouder op. ‘Het is een vrij land.’

‘Je weet dat je een knuffel wilt,’ zei Col, en hield me staande. ‘Je hebt me vreselijk gemist.’

De laatste keer dat ik met jou op pad ging, liep ik gekneusde ribben op.’

Ik maakte een schijnbeweging en stapte hem voorbij, maar Col rende vooruit, draaide zich om en ging met gespreide armen voor me staan. Zijn omhelzing was warm en duurde lang; mijn vriend rook naar heel lang in het vliegtuig zitten, en ik vroeg me af waar hij zijn koffers had gelaten, of hij dit keer een hotel genomen had.

De traditie wil dat Colin op het onderste matras van Nadims stapelbed logeert, iets waar mijn zoon zich altijd vreselijk op verheugt, ook omdat Col erg goed kan gamen en zich nimmer aan de afgesproken bedtijd houdt.

‘Dus,’ zei Col toen we aankwamen bij Rief op de Marnixstraat. ‘Heb je hem al gezien?’

Abdellatief leek goddank niet door te hebben wie er in zijn winkel stond, en had dan ook Nederlands gesproken tegen Colin. Een dame met een gehaakte tas in rastakleuren probeerde heel erg niet naar hem te kijken, en bloosde daar ook bij.

‘Je film?’ zei ik, terwijl ik een pak boter uit de koeling haalde.

Col hield een paar stevige aubergines op. ‘Deze zien er lekker uit.’

‘Het is januari, gek. En ik heb hem nog niet gezien, maar ik hoor dat het over oude vrienden gaat, waarvan de een de ander saai vindt. Die saaie is nog rossig ook.’

Colin mikte vier aubergines is zijn mandje en zocht ook een doos frambozen uit. Hij weet dat Ada (6) die dingen niet kan weerstaan. ‘Ik denk dat je er wel iets in zult herkennen.’

‘Kwam je helemaal naar Amsterdam om het met me uit te maken?’

Hij trok een dikke wenkbrauw op, stopte een aardbei in zijn mond en kauwde. Aan zijn grimas te zien viel het winterkoninkje wat zuur uit. ‘Dat nooit, Gil. Wij blijven altijd samen.’

Met onze inkopen wandelden we terug naar huis, waar Colin besprongen werd door Nadim (11) en in haar kamer werd opgewacht door Ada, die zich altijd eerst verkleedt en opmaakt voordat ze haar oom onder ogen komt. Hoewel hij geen woord Nederlands spreekt, babbelt ze heel graag met Col, en als ze de kans krijgt is ze altijd in zijn buurt te vinden.

Colin las haar voor uit Foeksia de miniheks en kreeg bij het uitspreken van die naam steeds de slappe lach. Misschien hadden we op weg naar huis geen jointje moeten kopen. Uiteindelijk gaf hij het op en las Fred het hert, waarna hij aanschoof bij Nadim voor een paar rondjes op de playstation.

Omdat het feest was maakte ik een pasta met wangspek en Spaanse artisjokjes, waarbij we misschien iets teveel wijn dronken. Toen onze glazen leeg waren zei Colin dat hij Otis de hond wilde uitlaten, dat hij nog iemand moest bellen voor werk; een uurtje later kwam hij terug met twee flessen Chianti van San Giusto a Rentennano.

‘Ik ken een gozer,’ zei Col toen hij mijn verbazing zag. Hij had ook een grammetje Bel Dia van de coffeeshop op de hoek. Een echte vriend weet wat je lekker vindt.

Toen de kinderen in bed lagen klommen we het dak op om daar nog een tijdje te lullen. B kwam melden dat ze ook maar eens ging slapen en kreeg een kus van Colin, die net een klunzig jointje draaide, me onderwijl verzekerend dat het perfect ging worden. Opeens besefte ik dat het voor het eerst in weken niet geregend had.

‘Wat een dag,’ zei ik, en nam het broddelwerkje van hem aan. Hij gaf me vuur, ik inhaleerde. Withete hompen hasj rolden als nagloeiende lava over mijn trui.

‘Is het oké als ik onder Nadim crash?’ vroeg Colin.

‘Maar natuurlijk,’ zei ik. ‘Volgens mij heeft hij je bed al opgemaakt.’

‘Episch.’

En dat was het – het was een epische dag geweest en straks zou ik – ook voor het eerst in weken – groots en meeslepend slapen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Sorry

Na een ruzie met een jeugdvriendin besloot ik naar de boekwinkel te gaan om een poëziebundel te kopen. Het een had niet veel met het ander te maken, maar ik was gefrustreerd, wilde er even uit en baalde van het feit dat ik nooit excuses kon maken: ik had iets venijnigs gezegd over haar nieuwe vriend. Roestige, lelijke jaloezie, die terugging naar de vierde klas, een soort jaloezie die ik in al die jaren niet meer had gevoeld, maar ineens weer was teruggekeerd als een hardnekkige jeugdpuist. Met een vijfletterwoord was de situatie misschien opgelost, maar ik had niets gezegd en was weggelopen.

Toen ik de deur van de boekwinkel opentrok, liep er een grijze dame tegen me aan. Ze wierp een geagiteerde blik, maaide met haar handen en wurmde zich langs mij heen, de deuropening door.

‘Van sorry ga je niet dood, hoor,’ siste ik haar toe, terwijl ik van mezelf schrok, en omdat ik daar, gezien haar verlopen voorkomen, wel eens ongelijk in kon hebben. De dame reageerde niet, stak een kraslot in haar jaszak en slofte weg. ‘En veel geluk,’ mompelde ik haar sardonisch na.  

In de rij voor de kassa stond een meisje. Ik hield de uitgekozen bundel tegen mijn buik als een baby, alsof de gedichten beschermd moesten worden tegen iets of iemand. Het meisje plukte wat neurotisch aan haar kortgeknipte haar, bewoog onrustig en tikte met haar voet onophoudelijk op het platgetreden tapijt dat in de winkel lag.

De man voor haar in de rij bestelde een pakje sigaretten, griste zijn verslaving van de toonbank en beende de winkel uit. Het meisje deed een stap naar voren, keek naar de kaartenmolen en draaide het ding rond. Voor bijna alle grote én kleine momenten in het leven bleek een stuk papier te zijn: geboortes, sterfgevallen, verjaardagen, het slagen voor de middelbare school, een rijbewijs en een examen, beterschapswensen, verhuisberichten – bijna alles.

 ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ vroeg de bebrilde man achter de kassa, nadat het meisje de molen drie keer had rondgedraaid, alsof ze hoopte dat na ieder rondje uit het niets nieuwe kaarten in de rekjes zouden verschijnen.

‘Hebben jullie ook sorrykaarten?’ hoorde ik haar zacht vragen, en ze gaf de molen een laatste, zachte zwaai.

‘Sorrykaarten?’ vroeg de bebrilde man, en krabde aan zijn ongeschoren gezicht.

‘Ja, sorrykaarten. Een kaart met Sorry erop. Een soort van bedankkaart, maar dan net anders.’

De man gaf nu zelf de molen een zwaai, schoof zijn bril wat verder naar het puntje van zijn neus en ging met zijn knoestige vingers langs de kaarten, terwijl hij wat onverstaanbare woorden mompelde. Ik vroeg me af in welke situaties je iemand een sorrykaart zou sturen. Een vergeten verjaardag? Een ruzie? Of iets veel ergers? Het was duidelijk dat het meisje dat vijfletterwoord niet in het echt tegen iemand wilde zeggen. Dit excuus moest met enige afstand gemaakt worden, met een postzegel, of werd snel en haast onzichtbaar door iemands brievenbus gedaan, of zou als een vondeling in een postvakje gelegd worden, misschien. Schaamte, misschien? Of lafheid? Of juist een oprecht excuus? Een kaartje sturen is een handeling, kost moeite, geeft het excuus wat meer gewicht. Woorden zijn terug te nemen, postzegels niet.

En: hoeveel jonge mensen zouden er nog kaarten versturen? Het meisje was waarschijnlijk niet ouder dan twintig, en ik had voor mijn twintigste één keer een kaart gestuurd, aan mijn jeugdliefde, toen ik op vakantie was.

De bebrilde man had de molen al twee keer rondgedraaid. Ook nu waren er geen nieuwe kaarten verschenen na het ronddraaien. Geen magie in deze boekwinkel op een woensdagmiddag, dacht ik. Hij drukte zijn bril weer omhoog, pakte een kaart uit het rek en keek het meisje aan.

‘Hier staat Het spijt me op, is dat ook goed?’

Het meisje schudde resoluut haar hoofd.

‘Nee, er moet echt Sorry op staan,’ zei ze en slaakte een geknepen zucht. ‘Wat moet ik nu?’ vroeg ze, met de grondtoon van beginnende wanhoop. Haar stem trilde en het leek alsof ze elk moment in tranen uit kon barsten. De bebrilde man werd een beetje zenuwachtig.

Het spijt me lijkt erg op Sorry,’ probeerde hij nog, maar het hielp niet.

‘Nee, laat maar. Bedankt,’ mompelde het meisje en liep met korte passen de winkel uit. De bebrilde man keek haar wat onbegrijpend na.

‘Sorry. Succes, dan,’ riep hij, zich ogenschijnlijk niet bewust van de ironie van zijn uitspraak. Het meisje had een punt: er is een groot verschil tussen Sorry en Het spijt me. Sorry is makkelijker dan Het spijt me. In Het spijt me ligt een zwaarder gewicht dan Sorry, een mens kan Sorry zeggen, en het tegenovergestelde denken, maar in Het spijt me ligt een vorm van berouw die onomkeerbaar is. Kennelijk had ze ook weer niet zó veel berouw dat Het spijt me ook een optie was.

Ik had het te doen met het Sorrymeisje. Toen ik weer buiten stond, werd ik gebeld door de vriendin met wie ik ruzie had gemaakt. Ik nam niet op. Vandaag was geen dag voor excuses, dacht ik, zowel voor het Sorrymeisje als voor mij. Maar: ik begreep haar wel. Soms is een kaartje de juiste oplossing. Morgen, misschien. Dan zou ik, wie weet, een kaartje sturen. Niet met Sorry, maar met Het spijt me erop, want mijn berouw was eigenlijk al onomkeerbaar. En: ik wist nu waar ik moest zijn om dat kaartje te halen. 

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn gedichten werden gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

De wereld in 48 stukken – 0

In een van mijn vroegere huizen had ik een kaart van Zuid-Amerika boven mijn bed hangen. Dat betekent dat ik inslapend of zojuist ontwakend de landen kon oefenen, zodat ik zou weten welke daar allemaal lagen, en zodat ik kon dromen dat ik daarheen zou reizen. Colombia, Paraguay, Brazilië, Suriname. In mijn huidige huis hing een grote wereldkaart op zachtboard geplakt aan de muur. Er staken spelden met vlaggetjes in op plaatsen waar ik was of heen wilde. Die moest eraf omdat de muur geverfd werd. Ik trok die grote kaart langzaam van het zachtboard af en hij stond een weekje opgerold in een hoek, te twijfelen over hoe nu verder. Totdat ik hem vanmiddag neerlegde en met een schaar stroken knipte, zodat ik de stukjes passend kon maken om een voor een in mijn dagboek te pakken.

Mijn dagboek dicteerde de omvang: ze zijn gemiddeld 19 bij 11 centimeter. Twaalf stroken van noord naar zuid, vier uit elke strook. De kaart is natuurlijk 180° van noord naar zuid, 360° van west naar oost. Een strookje is meestal een stuk aarde van 45° hoog en zo’n 30° breed. Later ga ik nog eens goed rekenen welk oppervlak dat is.

Waarom kaarten zo’n onstilbare aantrekkingskracht op mij uit oefenen denk ik wel te kunnen achterhalen als ik 48 weken lang (vier weken vakantie, waar zou ik eens heen gaan…?) steeds zo’n stukje aarde of zee goed bekijk. Van mijn grootvader heb ik een oude Leopoldsatlas waarop hij netjes aantekende hoe snel de reis per bananenschip door het Panamakanaal vorderde toen hij in 1953 een jaar op reis was. Dus misschien zijn het de genen after all.

En ik zal steeds een week naar de kaart moeten kijken voordat ik weet wat dat stuk wereld me te vertellen heeft. En ik zal wat problemen moeten overwinnen: wat te schrijven over de grote hoeveelheid blauwe stukken? Of wat te schrijven over een strook waar ongeveer heel Europa op valt? En er moet veel aan poëzie gerefereerd worden, deze van Mary Oliver bijvoorbeeld:

The old poets of China

Wherever I am, the world comes after me.
It offers me its busyness. It does not believe
that I do not want it. Now I understand
why the old poets of China went so far and high
into the mountains, then crept into the pale mist.

Maar waar het te plaatsen? Op de eerste kaart, linksbovenaan, waar Amerika voor het eerst in zicht komt, of eerder ergens in de 40 als we bij China zijn aanbeland?

Bij de eerste maar, want de wereld komt achter ons aan. En het zou over geschiedenis moeten gaan, over reizen, over boeken ook. En over boeken over kaarten (zoals Milo van Bokkums onvolprezen Grensstreken, of On the map van Simon Garfield)

Maar volgende keer dus eerst over de Tsjoektsjenzee, en de grens tussen Amerika en Rusland, in Kaart nummer 1.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Knaller

We hadden de kerst te vol gepland. De avonden ervoor, kerstavond, eerste en tweede, de avonden erna: steeds zouden er eters komen, mensen op wier komst we ons heel erg verheugden, maar eigenlijk waren we voor aanvang van de feestdagen al te moe, kon dat hele sociale er niet goed meer bij.

In de nacht van de tweeëntwintigste wilde de slaap B maar niet vinden. Ze trok haar kussen over haar hoofd en gromde wanhopig. Ik lag ook wakker en schrok omdat mijn vrouw nooit wanhoopt.

Uiteindelijk moet ik tóch in slaap gevallen zijn, want anders had ik niet om om halfvijf wakker kunnen worden van Ada (6), die zich met oorpijn in onze kamer meldde. We gaven haar een sabbelpijnstiller, trokken haar tussen ons in en schreven de nacht verder af. Een bed delen met Aad is waken naast een hyperkinetische zeester.

‘Sjezus,’ zuchtte B. ‘Hoe kom ik straks mijn werkdag door?’

Omdat onze dochter ook een loopneus bleek te hebben, deden we gezellig coronatests bij het ontbijt. Rond de pot met pindakaas gistten onze covid-domino’s. Nadim tuurde hoopvol naar de zijne, somde al films op die hij de komende dagen in zijn bed zou kijken, maar hij kreeg één lullig streepje en schoof het ding balend van zich af. Ada en ik bleken ook onbesmet – B had keihard Corrie.

Alles werd afgezegd, de druk was van de ketel, maar blij leek ze daar niet mee. B meldde zich ziek en toog naar onze slaapkamer, probeerde daar nog wat te werken.

De quarantainetijd ging in en ik vroeg me af hoe lang we dit nog zouden blijven doen, als samenleving. Van mijn zwager, die op dit moment in Colombia woont, hoor ik dat ze daar niet testen. Dat ze geen verschil zien tussen corona en griep. Ik wil hier geen discussie aanzwengelen, ik vroeg het me gewoonweg af.

Omdat B verder symptoomvrij bleef, kon onze huizenruil met Parijs na de kerstdagen doorgaan. Montmartre bleek een fijne uitvalsbasis van waaruit we tientallen kilometers liepen. Nadim (11) is al jaren een goede wandelaar, en voor iemand die veel liever danst deed Ada het ook prima.

Er speelden zorgen in Nederland, maar toch waren er momenten waarop ik nergens aan dacht, de tijd uit het oog verloor en loskwam van alles behalve mijn gezin hier in de straten van Parijs. Het waaide en regende, de hemel was loodgrijs. In de middagen rustten we uit in het appartement met uitzicht op de Sacré Coeur. Tegen beter weten in probeerde ik Mohamed Sarr te lezen – inmiddels had ik het zeker tien keer van me afgeworpen en weer opgepakt.

Ik begrijp dat er flink geboden is op de rechten van deze Goncourtwinnende roman, en dat Atlas-Contact die biedingsfrenzy won. Ze zullen er geen spijt van hebben, want iedereen die ik ken leest op dit moment De diepst verborgen herinnering van de mens.

Ik wierp Sarr in een hoek van de bank en las het nieuwe The Unfolding van A.M. Homes, dat me tegen had gestaan vanwege het politieke gehalte, maar in positieve zin verraste. Homes balanceert knap tussen het absurde en realistische, tussen hoogdravendheid en fijngevoeligheid. Daarna begon ik aan de nieuwe Strout – niet gedacht dat ik het ooit zou zeggen, maar misschien word ik Lucy Barton een beetje moe. Dat begon al bij haar vorige Oh, William.

Omdat de kinderen daar nog niet geweest waren, sloten we op een ochtend van zware regenval aan in een rij voor het Louvre. We hadden voor een vaste tijd gereserveerd, maar stonden niettemin drie kwartier onbeschut om vlak voor binnenkomst te ontdekken dat we waren voorgedrongen: de werkelijke rij liep om de glazen piramide heen.

Ouder worden is jezelf omarmen. Omdat ik dit jaar vijftig word, zal ik omarmen dat beeldende kunst vrijwel niets met me doet. Ik snap dat er bij de lezer allerlei verweer opborrelt, maar laat me je verzekeren: ik heb het al die jaren écht geprobeerd.

Op oudejaarsavond aten we bij een klassieke brasserie een assiette fruits de mer. Om ons heen zaten veelal bejaarde mensen uit de buurt, die zich voor de gelegenheid in hun beste kloffie gestoken hadden. Nadim had zijn haar gekamd en Ada droeg een goudplissé feestjurk – van de obers en passerende gasten kreeg ze uitgebreide complimenten.

Na het eten keken we Amélie in ons appartement terwijl de bejaarde kat des huizes ronkte bij Nadim op schoot. Voor het eerst bleef Ada wakker tot het twaalf-uurmoment, en vanaf ons balkon keken we naar de flikkerende lichtshow op de Eiffeltoren. Het gebrek aan vuurwerk dat ik een vorige keer als anticlimactisch had ervaren stoorde me nu totaal niet, maar we spraken wél af dat we er volgend jaar weer een groot feest van zouden maken.

Op nieuwjaarsdag reden we een nagenoeg verlaten stad uit. Ook de autoroute was leeg. Toen B het stuur bij de Belgische grens overnam, pakte ik mijn telefoon en scrolde door beelden van een heel Amsterdams oud en nieuw: vuurwerk, lichtkogels en bezwete koppen, salontafels vol flessen, peuken en ponypacks – ik voelde verrassend weinig spijt het allemaal gemist te hebben.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Toevallige ontmoetingen

Ik was op een gala. Het was het gala van Sempre Crescendo, het studentenmuziekgezelschap waar ik bij zit. Het is een open subvereniging van Minerva, het Leidse studentencorps, dus het gala zelf was op Minerva en ook Minervanen waren welkom. (Ik zit zelf niet bij Minerva.) 

De muziek stond hard en het was niet het soort muziek waar ik meestal naar luister (normaal gaat mijn voorkeur uit naar klassieke muziek). Het was een uur of twaalf ’s avonds en ik stond te dansen en te springen met een groepje meisjes en jongens. Het was meer een soort hupsen, want we stonden dicht opeengepakt. Plotseling hoorde ik rechts van mij iemand schreeuwen: ‘Sybren! Hé Sybren!’ Ik keek om en daar baande iemand zich een weg door de menigte. Ik herkende hem. Het was een oud-klasgenoot. Maar hoe heette hij ook alweer? De naam ‘Diederik’ kwam in mij op, maar waarom is mij een raadsel, want ik wist ook meteen dat hij helemaal niet zo heette. Hij was wat dikker geworden. Ik schreeuwde een vraag in zijn oor. Wat deed hij hier? Hij zat bij Minerva. Aha, vandaar. Hij riep, stelde vast dat ik wel bij Sempre zou zitten. Ik beaamde dat. Hij zei dat ik vroeger ook al zo goed speelde. Ik bedankte hem en vroeg wat hij studeerde. Biologie. Ik verklaarde dat ik Biomedische Wetenschappen deed, maar dat ik eerst een jaar aan het conservatorium had gestudeerd. We schreeuwden nog wat dingen naar elkaar en daarna vervolgde hij zijn weg naar de tap. Ik heb hem de rest van de avond niet meer gezien.

Een kleine week later stond ik bij een zelfscankassa in een supermarkt en ik herkende een van de medewerkers: zij had op de middelbare school bij een paar vakken bij mij in de klas gezeten. Ik groette haar, stak mijn arm op. Ze keek me heel gek aan; zij herkende mij duidelijk niet. Ik liet mijn arm zakken en ging door met betalen. Zou ik naar haar toestappen? Hoe heette ze ook alweer? Ik besloot niks te doen.

Een paar weken later appte een studiegenootje mij over een bepaald essay dat wij moesten schrijven. Ik keek naar haar profielfoto op WhatsApp (want waar zijn die anders voor) en wie stond er op die foto daar links van haar? Verdomd, dat meisje. Hoe heette ze nou? Het studiegenootje zou het vast weten. Dus voor een volgend college zei ik tegen haar:

‘Dat meisje dat links op je profielfoto staat, heeft bij mij op school gezeten.’

Ze zocht de foto op en zei: ‘Oh, Victoria, ja die zit in mijn ploegje.’

Oh ja, Victoria. Zo heette ze.

‘Wat studeert ze?’ vroeg ik.

‘Biologie.’

Soms weet ik de naam wél meteen. Zo ging ik laatst met de trein naar Utrecht. Er stapte een jongen in, ongeschoren, met een grote tas.

‘Dat is Cas R!’ dacht ik. Maar ik heb hem niet gegroet, want ik had op dat moment geen zin in een gesprek.

Er zijn nog vele andere voorbeelden van dat soort ontmoetingen. Zo ging ik laatst naar de kapper, en degene die mij knipte kende ik van de basisschool: ze had een klas hoger gezeten. Dat leverde een maf gesprek op. We hebben zo’n tien jaar na het verlaten van de basisschool over de meesters en juffen zitten praten, voor zover we die ons nog konden herinneren, natuurlijk. 

Verreweg de raarste ontmoeting met een oude klasgenoot had ik ooit op Romereis. Ik stond met mijn vrienden in de avond op een of ander plein en plots hoorde ik mijn naam. Daar kwam een klasgenoot van de basisschool mijn kant opgelopen; hij was ook op Romereis met zijn school. In Leiden hadden we elkaar jaren niet gezien, maar in Rome, toch een stad van grotere afmetingen, liepen we elkaar opeens tegen het lijf.

En dan zijn er nog de ouders van mijn oude schoolgenoten die ik zie lopen en groet en soms een praatje mee maak. Een van hen werkt bijvoorbeeld bij de boekhandel die ik frequenteer. We wisselen altijd enige wederwaardigheden uit en dan hoor ik ook altijd hoe het met haar dochter gaat. Zij studeert in Utrecht. 

Ik blader door het jaarboek van mijn middelbare school. Ik ben op zoek naar de naam van de jongen op het gala. Ik bekijk de foto’s en de namen. Ik zie de studiekeuzes die overal onder de namen staan. Ik lees de boodschappen die hun vrienden voor hen hadden geschreven. Veel namen en gezichten komen mij slechts vagelijk bekend voor. Slechts vier jaar. Slechts vier jaar is blijkbaar genoeg om mensen van mijn harde schijf te wissen. Zo zal ik ook van heel wat harde schijven verdwenen zijn.

Daar. Hij heet Sander. Diederik was het dus inderdaad niet. Sander. Er staat dat hij in Utrecht geneeskunde wilde studeren. Was hij er niet ingekomen? Of had hij toch besloten om iets anders te gaan doen?

Het is gek om zo door het boek te bladeren. Soms is er een gezicht dat een herinnering bij mij oproept. Soms hoor ik plots een stem of flitst er in mijn geestesoog een beeld voorbij. Nu terugdenkend durf ik bij sommigen wel een voorspelling te doen over de vereniging waar zij zich bij hebben aangesloten. Dat meisje was bijvoorbeeld echt een Corpsmeisje. Die jongen zal hoogstwaarschijnlijk ook bij het Corps zijn gegaan. Dat soort dingen realiseer ik me nu pas; nu ken ik het type, toen nog niet. Maar bovenal vraag ik mij af hoe het met iedereen gaat. Ik ben bijna geneigd om een berichtje in de Whatsappgroep van onze zesde klas te zetten (ja hij bestaat nog, maar ieder jaar verlaten enkelen de groep. Er moet uit te rekenen zijn wanneer hij leeg is.).

Hoe dan ook, ik zal de komende jaren nog wel wat meer oude klas- en schoolgenoten tegen het lijf lopen. Ik ben benieuwd wie het zullen zijn, en of ik nog weet wie zij zijn en of zij nog weten wie ik ben. 

Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Zijn moeder komt uit Hongkong. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Momenteel studeert hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. In juli werd een Friestalig essay van zijn hand gepubliceerd in het Fries literair tijdschrift Ensafh.

De bestelling

Mijn hart slaat twee slagen over wanneer ik de zaak binnenstap. De rij van de kassa is tot de ingang. Alle zitplekken zijn bezet, enkele met personen die op hun bestelling wachten, anderen eten er. Ik zucht en sluit mij aan in de rij. Vijf personen voor mij. Ik hoor de deur achter mij opengaan. Nu is er iemand na mij. Ik ga ervan uit, aangezien ik een uur geleden een bestelling heb geplaatst,  dat die al klaar is. De zaak is op een hoek van twee straten en heeft een gevel van deels donker getint glas en deels beton. Aan de binnenkant heb je ongeveer acht zitplekken. Op de vloer heb je tegels met de kleuren blauw en crème gecombineerd. De muren zijn verder wit geschilderd. Het plafond is ook wit. Tegen de twee muren hangen lijsten, een met een foto van Mahatma Gandhi, een met een foto van Barack Obama en uitgeknipte recensies uit verschillende kranten over de plek. De balie waar de kassa staat is gemaakt uit mahoniehout en erop de lijst met gerechten die de zaak verkoopt. De prijzen zijn steeds met een marker aangepast in plaats van een nieuwe lijst uit te printen met de nieuwe prijzen. Een televisie waarop videoclips te zien zijn hangt vanuit het plafond. Ik kijk al de hele week uit naar het gerecht verrijkt met boulanger. Ik heb mijn ontbijt overgeslagen om het verlangen ernaar te vergroten. Nu twijfel ik of dat wel zo’n goed idee was.

“Hoe bedoel je “mijn bestelling is nog niet af”?!” schreeuwt een vrouw met een beetje vol postuur in een geruite jurk tegen de kassière. “Ik heb ruim twee uren geleden besteld. Jullie zeiden dat mijn bestelling op tijd af zou zijn en nu zeg je mij dat het nog niet klaar is. Het kan me niet schelen dat het druk is.”

Ik zie haar al over de balie springen om de kassière die haar aankijkt met grote ogen te wurgen. Ze heeft een haarnet om waar je haar sluike haar nog erdoor kan zien. Ze heeft ook  een bruine schort. Een tatoeage, een naam, in de buurt van haar sleutelbeen, wordt deels bedekt door haar rode blouse met bloemenmotieven. 

“Momentje”, zegt de kassière na enkele seconden. Ze loopt daarna naar de keuken. Die is een paar stappen naast de kassa. Ik vraag me af of ze is gaan vragen hoe ver ze zijn met de bestelling of dat ze is gaan schuilen. De klant kijkt even om zich heen. Haar ogen spuwen vuur. De kassière komt terug met de mededeling dat de bestelling binnen vijftien minuten af is. De vrouw draait om, trekt een gezicht zolang als de Henck Arronstraat, neemt plaats bij een tafel naast de kassa en wacht haar bestelling af. De gezichten van de andere klanten in de rij zien er ook niet fraai uit.  Ik kijk even naar het plafond. Mijn maag begint te draaien. Ik veeg mijn gezicht even af met mijn blote hand. Zweet begint mijn poriën uit te komen ondanks dat de airco aan is in de zaak. De kassière gaat een tafel schoonvegen van een koppel dat hier wil eten. In harmonie zuchten de mensen in de rij. Ik besef nu dat ik geen ander personeel op de vloer zie. De kassière moet alles zien te doen. De bestelling van  tien roti’s van de klant die volgt, is wel af. De rij gaat een stukje naar voren. De twee klanten die daarna volgen hebben het geluk ook mee. Een reikt ze dienblad met twee porties aan voor consumptie op de plek en de ander krijgt zijn bestelling van zes porties direct. Ik kruis mijn vingers dat het universum mij vandaag goedgezind is.

De zaak verkoopt naar mijn mening de beste roti’s in Suriname. Zachte rotiplaten. Lekkere kip met  aardappel in masala, niet te zout of te pittig. Keuze uit de groenten, boulanger of kousenband of beiden. Ik neem altijd boulanger. In het weekend hebben ze ook doks en schaap. Vergeleken met andere rotizaken zijn wel open tot een uur of drie. Op de zaterdag is het extra druk met bestellingen. Ik twijfel of het wel een goed idee was om juist op deze zaterdag roti te bestellen. Zo’n laatste weekend van de maand waarbij ook de meeste mensen salaris hebben ontvangen. Men wil meestal buiten eten halen. 

De man voor mij moet ook even wachten op zijn bestelling. De kassière gaat weer de keuken in en komt daarna triomfantelijk de keuken uit lopen. Ze houdt een zak met vier porties omhoog. Ze geeft die af aan de vrouw en gaat. Wanneer ik eindelijk aan de beurt ben, na twintig minuten staan in de rij, geef ik mijn bestelling door.

“Bestelling van Kevin. Twee roti extra, een met kousenband en een met boulanger, aubergine.”

Ze kijkt me aan alsof ik Mandarijn praat. Ze bekijkt daarna een aantal briefjes naast haar met bestellingen, maar vindt blijkbaar die van mij niet.

“Nog een keer uw bestelling?” vraagt ze.

“Tweemaal roti extra, een met kousenband en een met boulanger. Op naam van Kevin.”

Ze loopt naar de keuken en wanneer ze weer terug is, zegt ze “we zien uw bestelling niet. Heeft u wel de bestelling bij ons geplaatst?”.

Mijn binnenste begint te borrelen.  Mijn handen trillen.

“Ik heb mijn bestelling hier geplaatst. Onder de naam Kevin. Anderhalve uur geleden.”

Ze loopt weer naar de keuken. Ik adem in en blaas uit. Ik kijk naar de klant die voor mij was en ook nog even moest wachten. Kale man met een stoppelbaard. Hij lacht. Ik zie een gouden tand uitsteken. Hij schudt zijn hoofd. De kassière komt weer naar buiten met twee porties. Mijn vreugde wordt direct de grond in geboord wanneer ze het aan die andere klant geeft. 

“Sterkte” zegt hij wanneer hij langs mij loopt. Ik wil ontploffen. Rustig, kalm, relax, adem in, adem uit zeg ik tegen mezelf. Ik wil het voorkomen want de schade zal niet te overzien zijn.

“Vijf minuten”, zegt ze. “We hadden uw bestelling verlegd, hoor. Het is druk toch. Inmiddels hebben we die gevonden en we maken het in orde. U kunt even aan de linkerkant van mij plaatsnemen.”

Ik zucht en neem plaats. Even aan wat anders denken.

De eerste keer dat ik mij kan herinneren dat ik het Surinaams gerecht dat meegekomen is met de Hindostaanse Immigratie at was toen ik vijf of zes was. Mijn oma bracht mij naar een roti shop aan de overkant van de centrale markt. De shop is er niet meer. De roti plaat was enorm. Erop een eiland van aardappelen en kip met masala. En boulanger. Mijn oma scheurde een stuk van de plaat en rolde een beetje van het eiland erin. Ze voerde mij het. Het moment dat het op mijn tong belandde, wist ik niet wat er met mij gebeurde. Een explosie van verschillende smaken. Ik at de roti binnen de kortste keren op, bijna zonder te kauwen. Mijn oma volgde het spektakel met grote ogen en een brede lach. Het gerecht meegekomen met de Hindostaanse Immigranten had mijn hart veroverd. Elke keer wanneer ik een roti eet word ik, al is het voor maar drie seconden, naar deze herinnering teruggevoerd.

“Uw bestelling is af”. Ik kan rondhuppelen alsof ik het winnend doelpunt heb gescoord in het FIFA-wereldkampioenschap voetbal. Ik sta op en neem de bestelling. Net wanneer ik wil weglopen met mijn prijs zegt de dame “we hadden geen boulanger meer hoor, dus hebben voor de andere portie ook kousenband gezet.”

Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.