Knaller

We hadden de kerst te vol gepland. De avonden ervoor, kerstavond, eerste en tweede, de avonden erna: steeds zouden er eters komen, mensen op wier komst we ons heel erg verheugden, maar eigenlijk waren we voor aanvang van de feestdagen al te moe, kon dat hele sociale er niet goed meer bij.

In de nacht van de tweeëntwintigste wilde de slaap B maar niet vinden. Ze trok haar kussen over haar hoofd en gromde wanhopig. Ik lag ook wakker en schrok omdat mijn vrouw nooit wanhoopt.

Uiteindelijk moet ik tóch in slaap gevallen zijn, want anders had ik niet om om halfvijf wakker kunnen worden van Ada (6), die zich met oorpijn in onze kamer meldde. We gaven haar een sabbelpijnstiller, trokken haar tussen ons in en schreven de nacht verder af. Een bed delen met Aad is waken naast een hyperkinetische zeester.

‘Sjezus,’ zuchtte B. ‘Hoe kom ik straks mijn werkdag door?’

Omdat onze dochter ook een loopneus bleek te hebben, deden we gezellig coronatests bij het ontbijt. Rond de pot met pindakaas gistten onze covid-domino’s. Nadim tuurde hoopvol naar de zijne, somde al films op die hij de komende dagen in zijn bed zou kijken, maar hij kreeg één lullig streepje en schoof het ding balend van zich af. Ada en ik bleken ook onbesmet – B had keihard Corrie.

Alles werd afgezegd, de druk was van de ketel, maar blij leek ze daar niet mee. B meldde zich ziek en toog naar onze slaapkamer, probeerde daar nog wat te werken.

De quarantainetijd ging in en ik vroeg me af hoe lang we dit nog zouden blijven doen, als samenleving. Van mijn zwager, die op dit moment in Colombia woont, hoor ik dat ze daar niet testen. Dat ze geen verschil zien tussen corona en griep. Ik wil hier geen discussie aanzwengelen, ik vroeg het me gewoonweg af.

Omdat B verder symptoomvrij bleef, kon onze huizenruil met Parijs na de kerstdagen doorgaan. Montmartre bleek een fijne uitvalsbasis van waaruit we tientallen kilometers liepen. Nadim (11) is al jaren een goede wandelaar, en voor iemand die veel liever danst deed Ada het ook prima.

Er speelden zorgen in Nederland, maar toch waren er momenten waarop ik nergens aan dacht, de tijd uit het oog verloor en loskwam van alles behalve mijn gezin hier in de straten van Parijs. Het waaide en regende, de hemel was loodgrijs. In de middagen rustten we uit in het appartement met uitzicht op de Sacré Coeur. Tegen beter weten in probeerde ik Mohamed Sarr te lezen – inmiddels had ik het zeker tien keer van me afgeworpen en weer opgepakt.

Ik begrijp dat er flink geboden is op de rechten van deze Goncourtwinnende roman, en dat Atlas-Contact die biedingsfrenzy won. Ze zullen er geen spijt van hebben, want iedereen die ik ken leest op dit moment De diepst verborgen herinnering van de mens.

Ik wierp Sarr in een hoek van de bank en las het nieuwe The Unfolding van A.M. Homes, dat me tegen had gestaan vanwege het politieke gehalte, maar in positieve zin verraste. Homes balanceert knap tussen het absurde en realistische, tussen hoogdravendheid en fijngevoeligheid. Daarna begon ik aan de nieuwe Strout – niet gedacht dat ik het ooit zou zeggen, maar misschien word ik Lucy Barton een beetje moe. Dat begon al bij haar vorige Oh, William.

Omdat de kinderen daar nog niet geweest waren, sloten we op een ochtend van zware regenval aan in een rij voor het Louvre. We hadden voor een vaste tijd gereserveerd, maar stonden niettemin drie kwartier onbeschut om vlak voor binnenkomst te ontdekken dat we waren voorgedrongen: de werkelijke rij liep om de glazen piramide heen.

Ouder worden is jezelf omarmen. Omdat ik dit jaar vijftig word, zal ik omarmen dat beeldende kunst vrijwel niets met me doet. Ik snap dat er bij de lezer allerlei verweer opborrelt, maar laat me je verzekeren: ik heb het al die jaren écht geprobeerd.

Op oudejaarsavond aten we bij een klassieke brasserie een assiette fruits de mer. Om ons heen zaten veelal bejaarde mensen uit de buurt, die zich voor de gelegenheid in hun beste kloffie gestoken hadden. Nadim had zijn haar gekamd en Ada droeg een goudplissé feestjurk – van de obers en passerende gasten kreeg ze uitgebreide complimenten.

Na het eten keken we Amélie in ons appartement terwijl de bejaarde kat des huizes ronkte bij Nadim op schoot. Voor het eerst bleef Ada wakker tot het twaalf-uurmoment, en vanaf ons balkon keken we naar de flikkerende lichtshow op de Eiffeltoren. Het gebrek aan vuurwerk dat ik een vorige keer als anticlimactisch had ervaren stoorde me nu totaal niet, maar we spraken wél af dat we er volgend jaar weer een groot feest van zouden maken.

Op nieuwjaarsdag reden we een nagenoeg verlaten stad uit. Ook de autoroute was leeg. Toen B het stuur bij de Belgische grens overnam, pakte ik mijn telefoon en scrolde door beelden van een heel Amsterdams oud en nieuw: vuurwerk, lichtkogels en bezwete koppen, salontafels vol flessen, peuken en ponypacks – ik voelde verrassend weinig spijt het allemaal gemist te hebben.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).