Durf eens iets

Lachu!

‘Mensen willen alleen nog maar wat al bekend is, ’ wapperde onlangs een geslaagd theaterregisseuse mijn voorstel vriendelijk weg. Hoewel ik meestal wegzak halverwege een zin die begint met ‘Mensen willen…’ meende ik toch  dat ze een punt had. Een musical naar een boek, een toneelstuk naar een film, de televisie-non-persoon die een boek schrijft, althans daar een contract voor tekent. Uitgevers die stoer presteren met wat al bekend was.

Is dat nou waar? Wil men alleen maar herkauwen? Is de mens de culturele koe geworden? Herkauwen we grazend voor de tv, met glazige ogen in het theater het stuk naar de film, naar het boek?  En wat zegt dat dan over ons? Zijn we murw geslagen door teveel aanbod? Kiezen we voor veilig bekend omdat de keuze te groot is? Omdat de wereld onoverzichtelijk en gevaarlijk is? ‘Wil ik een bestseller uitgeven?, joeg ik mijzelf maar even schrik aan om niet in zelfvoldane borstklopperij te belanden? Ja, schoorvoette ik terug. Dat wil ik wel. Ik wil dus net als iedereen wel leveren aan de massamens, maar er niet een zijn.

Nee, ik vlei me liever met de gedachte dat ik een boek lees waarvan er maar 430 zijn gedrukt in 1986. En waarom is dat dan? Om mijn uniciteit te accentueren? Zitten dan niet in Nederland 17 miljoen mensen hun uniciteit voortdurend te accentueren? Sterker nog, is die geaccentueerde uniciteit — liefst op tv — niet de bron van het kwaad van de zompige uniformiteit?

Een wereld waarin iedereen uitzonderlijk wil zijn, en dat uit door naar dezelfde dingen toe te gaan, dezelfde dingen te zien. Hoe kan dat? We kijken dus eigenlijk graag naar wie het gelukt is zich te onderscheiden. En dat dat gelukt is, willen we bevestigd zien door veel mensen die dat vinden. En dus is talent soms tot armoede geboren.

‘And Folly (Doctor-like) controlling skill…’

Daar aanbeland haal ik graag een sonnet van Shakespeare aan (in vertaling van Peter Verstegen):

66

Moe van dit al roep ’k om de rust des doods:
Talent zie ik tot armoede geboren,
En pover niets opgetuigd als iets groots,
En ’t puurst geloof jammerlijk afgezworen,
En gulden ereambten zwaar misbruikt,
En maagdelijke eer rauw geschoffeerd,
En kracht door kreupele overmacht gefnuikt,
En wat volmaakt is smadelijk onteerd,
En kunst door hogerhand monddood gemaakt,
En zotheid die verstand pedant bepraat,
En simpele trouw als simpelheid gewraakt,
En goed als knecht van oppermachtig kwaad:
Moe van dit al ging ik het liefste heen,
Maar als ik sterf, laat ik mijn lief alleen.

 

Lekker meemekkeren met de meester! (Bezoek ook vooral het Shakespeare sonnettenfestival in Felix op 23 april.) Maar dit zoekende trof ik ook een ander sonnet aan, minder aansprekend mopperend, maar misschien in dezen juister:

59

Als er niets nieuws is, al wat is op aard
Reeds eerder was, hoe wordt dan ’t brein misleid
Dat, zwoegend op iets nieuws, een miskraam baart:
Na nieuwe dracht een kind uit vroeger tijd!
O als historie achteruit kon zien,
Tot in vijfhonderd zonsreizen gerekend,
Zag ik jouw beeld in een oud boek misschien,
Toen denken pas in schrift werd opgetekend.
Dan wist ik wat de oude wereld zei
Over wat ons zo wonderlijk bekoort,
En of zij beter schreven dan wel wij,
of brengt een kringloop steeds hetzelfde voort?
Vaststaat dat het vernuft van vroeger jaren
De lof zong van wie jou niet evenaren.

Er zijn vermoedelijk veel mensen die kiezen voor iets nieuws, (Shakespeare (1564-1616), om deze argumentatie kracht bij te zetten!) Want kijk, dat is een mooie omdraaiing van de kwestie: ‘Vaststaat dat het vernuft van vroeger jaren / De lof zong van wie jou niet evenaren.’

Dat is de hoogmis van het nu! Het bewijs van de kracht van contemporaine kunst. Van het nieuwe en niet het bekende. (Wel wat jammer dat het in een sonnet van eeuwen her gevonden moest worden.)

Ik bedoel maar, je hoeft toch alleen maar naar de poster van Intouchable met Huub Stapel en Cyriel Guds te kijken om zéker te weten dat die opvoering  niet alleen lichtjaren minder leuk is dan de film, maar ook om te vermoeden dat deze twee auteurs het geweldig zouden kunnen doen in een moderne toneelbewerking van iets dat heel goed is maar minder toffe verkoopcijfers als bewijs opvoert. Kortom waarvan minder  mensen bewezen hebben dat het goed is. Makers en producenten van kunst maken toch vanouds die gedurfde keuze? En niet de makkelijke keuze? Wat is hun kwaliteit dan? Hoe knap ben je als theaterproducent als je bedenkt dat een filmhit een goed idee is? Als je alleen maar geld wilt verdienen en niets te zeggen hebt, kun je toch ook verpakkingsmaterialen gaan verkopen?

Maar dan moeten wij wel naar iets onbekends durven toegaan. En soms je neus stoten. Want zonder een avontuurlijk publiek dat zoek naar iets wat precies haar raakt lukt het niet. Leve de niet gegarandeerd succesvolle poging!

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Dag, Tirade

IMG_0346Nummer 462, dat in de komende weken van de persen rolt, is het laatste waaraan ik heb meegewerkt. In de afgelopen drie jaar was ik met veel plezier betrokken bij ons tijdschrift, maar het werd me te druk op te veel fronten, en Tirade is niet iets wat je er even bij doet. Daarvoor is elk nummer te belangrijk.

Ik ga de redactie missen, en wens Wytske, Roos en Marko succes en plezier in de komende jaren. Als blogger blijf ik aan. De meeste woensdagen zal er op deze plek iets van me te lezen zijn.

 

 

 

______________________________________________________________________________
Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Brussel, zeg ik

Op de eerste dag dat ik naar meneer en mevrouw B. ga, worden er aanslagen gepleegd in Brussel. Er vallen doden op een vliegveld en bij een metrostation, het zijn terroristen, of strijders, gekken hoe dan ook. Het is dichtbij, Brussel. Na de eerste doffe schrik opent een vreemde angst zich in mijn borst – een onbekende angst, die in verte lijkt op wat ik voelde toen ze ons op de basisschool leerden over de oorlog, die zo bekend was van foto’s en verhalen dat het leek of hij ieder moment zomaar weer opgepakt kon worden.

Het is een samengestelde angst, Ankara, Parijs, Brussel, niet alleen daar maar overal. Het is een angst met kleine tandjes, die zich naar morbide gedachten vreet in mijn anders zorgeloze kop; ik zie Schiphol, lijn 53, Amsterdam Centraal, daar liggen mijn vrienden onder het puin, mijn ouders, mijn lief. Ik zie hoe de wereld, die al lang veranderd was of misschien altijd al rotte, nu ook onder mijn voeten bloedrood kleurt en ik zie hoe ik mijn handen op mijn oren houd als onze leiders met het schuim op hun lippen grenzen sluiten, slechteriken aanwijzen. Ik ben iemand die de handen op de oren houdt, lispelt die angst door dat akelige gebitje heen.

Als ik naar meneer en mevrouw B. loop ziet alles er echter en terloopser uit. In de flats die ik passeer wonen heel veel mensen. Iemand laat zijn hondjes uit, ze kijken nieuwsgierig naar me en ik mag ze aaien, dat zo enthousiast zijn komt volgens hun baas door het ras. Iemand kan zomaar zijn hondjes uitlaten, bedoel ik. Mensen vouwen hun was op in hun appartementen.

Het is mijn taak om te praten met meneer en mevrouw B., ze leren Nederlands maar spreken ook Engels, waardoor waar ze ook komen, mensen opgelucht op het Engels overstappen. Ik weet niet waar ik over moet gaan praten, we kennen elkaar niet. Zij zijn vluchtelingen, dat is wat ik weet en dat is het verhaal dat ik van ze gemaakt heb. Met ieder ander zou ik nog voor het begroeten over Brussel praten, nu weet ik niet hoe gevoelig het ligt. Ik maak me zorgen, tijdens mijn wandeling, het ongemak maakt mijn benen zwaar.

Als ik aankom, veegt meneer B. het trappenhuis aan en mevrouw B. zit naar het nieuws te kijken, Brussel.
‘Brussel,’ zeg ik.
‘Hier,’ zegt mevrouw B. in het Engels, ‘zijn wij voor gevlucht.’

We kijken even naar de beelden. Dan praten we. Over boodschappen doen, schoenen kopen, het verschil tussen een doos en een bakje, een van de zoons van meneer en mevrouw B., die op zijn zestiende alleen naar Nederland kwam, waarom je in het Nederlands het woord ‘aan’ zo vaak gebruikt, dat de familie B. over de hele wereld verspreid is, over waarom je als je elektronica koopt altijd het, niet de, bonnetje moet bewaren. Om ons heen wonen andere mensen, ze zijn niet thuis omdat ze werken of ze liggen te pitten of kijken tv, iemand zet z’n afval buiten. Na ongeveer twee uur keer ik huiswaarts, ik neem een omweg, er wordt aan de weg gewerkt omdat men goddank in principe aanneemt dat alles steeds beter kan.

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Hetzelfde dezelfde

Wat te doen als je jezelf wilt laten kennen?

Je zou je verhalen mee kunnen nemen naar een gezicht met grove poriën. In iedere kroeg zit wel zo’n man. Soms houdt hij zijn jas aan, zodat je hem nog makkelijker kan herkennen. Vertel hem dat je bang bent van de dood. Of iets anders waar hij niets mee kan. Je verstaat geen moer van wat-ie zegt, maar hij neemt de moeite om op de goede momenten te reageren. Of op zijn minst geluid te maken. Je zou een mes mee kunnen nemen; een snijplank en een uitje om na afloop te versnipperen. Het is al heel wat, los van alles is het toch al heel wat, om op hetzelfde moment, dezelfde waterige ogen te krijgen. Als je lang kijkt, doet de man je denken aan iemand die je beter wilt leren kennen.

Je zou de in de kroeg proefgedraaide verhalen in je jaszak verzamelen als felgekleurde snoeppapiertjes. Zo kan je ze in elk gesprek per ongeluk laten vallen. Voor je vrienden. Precies terloops genoeg om te laten liggen of verder op in te gaan. Herhaal het trucje in de kroeg, herhaal het trucje met je jaszak, tot je iemand bent waar een ander het over zou kunnen hebben. Dat je voor vrienden bestaat ook als je zelf afwezig bent.

Herhaal het trucje tot ten slotte iemand, iets van de man die jij zo graag wilt leren kennen, in jou herkent. Zijn inhammen, een uitdrukking, zijn warrige gedachten. Tenslotte dan toch. Onwillekeurig.

 

(Typografie door Sander Kuypers)

___________________________________


afbeelding6
Branko Van (1985) is dichter en aankomend kinder- en jeugdpsychiater. Hij werkt momenteel aan het afronden van zijn proefschrift over inter-individuele verschillen in de neurobiologie van ADHD. Gedichten verschenen eerder in o.a. Krakatau, Meander, Tirade en Hollands Maandblad. Lees meer van Branko op: https://vanbranko.wordpress.com

 

 

Truthiness

Op 18 maart schreef Marko van der Wal op dit blog het volgende: ‘Wanneer ik schrijf dat ik aan het verhuizen ben, of dat ik een bepaald boek in een bepaald huis heb gelezen, wie zegt dan dat dit werkelijk zo is? Misschien blijf ik wel waar ik ben, reizend door mijn kamer, alles belevend achter het bureau.’

De vraag of en in hoeverre een schrijver de waarheid – zelfs in autobiografisch proza – geweld mag aandoen, houdt ook mij als beoefenaar van dit genre regelmatig bezig. In alle eerlijkheid schuif ik zonder gewetensnood vrijelijk met tijden, personages en plaatsen, maar hopelijk altijd om een diepere, onderliggende waarheid te onthullen.

Politici pakken dat anders aan.

Truthiness, één van mijn favoriete Amerikaanse woorden, werd in 2005 voor het eerst gebruikt door Stephen Colbert in de pilot van zijn toenmalige show The Colbert ReportTruthiness is een retorische truc in het sociaal-politieke discours die inspeelt op de onderbuikgevoelens van het electoraat: het is de waarheid die een kiezersgroep graag zou willen zien, niet de werkelijkheid zoals die nu eenmaal is.*

Het verbijsterende in de laatste paar Amerikaanse presidentsverkiezingen is dat truthiness de norm is geworden, vooral bij Republikeinen. Toen Obama in 2012 door CNN werd uitgeroepen tot winnaar van de verkiezingen, beweerde de Republikeinse strateeg Karl Rove tegelijkertijd op Fox News dat – op basis van zijn eigen cijfers – Mitt Romney vér voor stond en zonder twijfel de nieuwe president zou worden.

Truthiness genereert zijn eigen bewijzen. Bij elke gewenste waarheidsillusie worden ondersteunende statistieken, polls en onderzoeken geproduceerd. Zo kan het dat bijna de helft van de Amerikanen in creationisme gelooft en de evolutieleer afwijst. Met gefabriceerd bewijsmateriaal overtuigde Colin Powell in 2003 de VN Veiligheidsraad van de aanwezigheid van (fictieve) massavernietigingswapens in Irak. Parlementariërs in Washington houden triomfantelijk een sneeuwbal omhoog ter ontkenning van klimaatverandering. Truthiness stelt iedere Amerikaan in de gelegenheid om in zijn eigen bubble een volledig fact-free leven te leiden.

Nu, met de entree van Donald Trump, is het allemaal nog idioter. Dat hij iedere vijf minuten een leugen vertelt, boeit hier niemand. Dat hij, geconfronteerd met videobeelden van die leugens, glashard ontkent dat hij ooit zoiets gezegd heeft, is volgens Amerikaanse logica zijn goed recht. Feiten hebben plaatsgemaakt voor meningen.

Truth is dead and the internet killed it’, zei de komiek Bill Maher eind januari, maar minstens zo schuldig is the First Amendment. In tegenstelling tot Europa is de vrijheid van meningsuiting (en godsdienst, de pers, vereniging) hier zó absoluut dat systemische desinformatie en misleiding door scholen, media en politici onbestraft kunnen blijven. Nationalistische volksmenners heb je overal, maar anders dan Geert Wilders zou Trump hier nooit voor de rechter hoeven te verschijnen, althans niet vanwege zijn uitspraken.

Vroeger was de encyclopedie de waarheid, nu is Wikipedia truthiness.** Wie op sociale media iets roept dat de ander niet aanstaat, krijgt een ban of wordt ontvriend. En zelfs universiteiten moeten eraan geloven. Steeds vaker weren a priori beledigde studenten ‘controversiële’ sprekers als Condoleeza Rice, Ben Carson en Ayaan Hirsi Ali van hun campus. Het gaat weliswaar om relatief kleine aantallen, maar toch: juist onderwijsinstellingen dienen afwijkende, storende en anderszins ongemakkelijke waarheden om de oren van studenten te smijten, in plaats van een safe space rond gelijkgestemden in te richten.

En the Donald? Trump wil de pers aan banden leggen om kritiek op zijn eigen gezwam te smoren. Op zich geen opmerkelijke uitspraak voor een man die zichzelf regelmatig in één en dezelfde zin tegenspreekt.

* Ik ga hier niet in op het filosofische verschil tussen waarheid en werkelijkheid.

** This page has issues.

 

Arjen van Lith is freelance journalist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Boek en kast

Het uitpakken na mijn verhuizing is nog maar nauwelijks begonnen of er dient zich een vraagstuk aan van levensbelang. De kastruimte. Je kan wel alle dozen, kratten en tassen leegkieperen, maar dan..? Zoals een boekenliefhebber betaamt heb ik een ruime collectie boekenkasten, die net als de boekencollectie zelf steeds blijft groeien. Sommige kasten had ik al, andere komen me op onduidelijke wijze aanwaaien. Daardoor ben ik nu eigenaar van een zwarte, een witte, een groene en twee grijze Billy’s (exclusief een knalrode verstekeling en die van berkenfineer.)

De Billy-boekenkast van Ikea is een ‘eikpunt’: zodra die verdwijnt zullen de dingen veranderen. Al was het maar omdat daarmee een pijler van het diep-Zweedse socialistische Ikeagedachtegoed teloor zou gaan. Op een verkapte manier biedt deze enorme heilstaatwinkel voor velen een uitkomst in de vorm van eenvoudig in elkaar te zetten en goedkope meubels. Denk je eens in hoe de wereld ervoor zou staan wanneer zoiets er niet meer was. ‘Rampen komen,’ zou mijn vader zeggen.

Voor mijzelf is het vooral een geruststelling dat de Billy eigenlijk nooit verandert en dat er dus altijd eentje bij kan. Dit is vooral te danken aan het werk van de onlangs overleden* ontwerper Gillis Lundgren. Hij bedacht in 1979 de eerste Billy – vernoemd naar de pr-jongen van Ikea – en zijn ontwerp is sindsdien praktisch ongewijzigd. Lundgren is ook een van de grondleggers van de platte dozen en zelfmontage, oftewel de genius achter het hele Ikeaconcept. Van zijn hand zijn onder meer klassiekers als de Ögla-stoel en Frosta-kruk.

Terug naar de kast. Er zijn wereldwijd tientallen miljoenen Billy’s verkocht, want die kast is bereikbaar voor iedereen, zeg maar de Bijbel onder het consumentenmeubilair. Als al die mensen er ook allemaal boeken in hebben staan dan maakt dat Lundgren tot ‘de grootste cultuurdrager sinds Erasmus’, om met Gerard Reve te spreken. Ik heb inmiddels de witte Billy al opgetuigd. Nu de boeken nog.

 

* Net als de uitvinder van de muurplug.
 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds twee jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Het detail om greep te krijgen op het geheel

Sinds ik bij de Breitner tentoonstelling in het Rijksmuseum – met 14 schilderijen van een meisje in kimono – 20 minuten naar de Brug van Utagawa Toyokumi (hiernaast een variant) stond te staren, ben ik steeds opzoek naar het detail.

Een betekenisvol detail; de zwarte linkerhandschoentjes van de aanslagplegers in Brussel. Had niemand dat kunnen interpreteren? Het verheffend detail: een opeens ontdekte antipathie tussen twee personages op zo’n print als hiernaast. Het schijnbaar zinloze detail zoals Reve bedoelde. En het detail dat in zichzelf weinigzeggend is, maar een kunstwerk helpt maken.

04624f64c62e3e97d5d43447254effb0Zoals de wat onbeholpen lijnen die de de kracht van Saruhashi-brug van Hiroshige uitmaken. De krassen in het water die de sterke stroom suggereren die de hoogte accentueren, die de dramatiek maakt. Een kras.

Het is detailkunst zoals sommige literatuur dat kan zijn: romans van Edward StAubyn, als A clue to the exit, die vooral uit heel goede zinnen is opgebouwd. Krassen.

Het detail maakt gelukkig, je kunt je erin verliezen, en diep ongelukkig: je bent verloren als je het gemist hebt, als de taxichauffeur die het detail waarneemt dat hij de koffers niet mag aanraken, daar de politie voor waarschuwt, maar  het drama niet kon voorkomen.

 

 

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Haas

IMG_1433Sinds kort werk ik anderhalve dag per week bij een wijnhandel. Ik miste de horeca, wilde niet meer altijd in mijn eentje werken, maar heb B beloofd niet meer te zullen koken voor mijn geld. De uren, weet je. We kennen dat te goed.

Dat ik thuiskom en haar zie slapen, dat zij opstaat en mij ziet slapen. Dat we op zondag asynchroon doodmoe zijn.

Mijn eerste beurs was vorige week. Prowein, in Dusseldorf, is stuitendgroot en verstikkend druk. Gelukkig had vriend en nieuwe baas Olle een helder plan en een lijst met namen en stands. Het was leuk om hem aan het werk te zien; een goede manier om alle producenten en hun nieuwe jaargangen te leren kennen.

De werkdag was een paar uur te lang. Olle zit zo in elkaar dat hij kan besluiten ergens weg te gaan en dan nog twee uur blijft rondhangen. Ik zit zo in elkaar dat ik besluit te gaan en eigenlijk al weg had willen zijn. We gaan hier samen wel uitkomen. Daar heb ik vertrouwen in. Hoe dan ook: we hadden honger, moesten naar Keulen omdat er in Dusseldorf geen hotelkamers meer waren en werden weggestuurd bij een maanden tevoren gereserveerd restaurant omdat we te laat kwamen.

Nou heb ik in mijn verleden als gastheer bij een drukke zaak meermaals tafels weggegeven omdat mensen een kwartier te laat kwamen. Wat je dan doet is dat je de situatie uitlegt, ze een drankje aanbiedt en aan de bar laat wachten tot er weer iets vrijkomt. Je haalt een voordeel uit een nadeel: dubbele bezetting van een tafel zonder dat de rechtmatige reserveerder daarover mag klagen.

Zo niet in Keulen. De Duitser (ook al was deze van Italiaanse herkomst) wil niet dat je met zijn regime fuckt. Olle baalde. Hij zit zo in elkaar dat hij zonder eten heel sjagrijnig wordt. Ik word vooral laconiek. We gaan hier samen wel uitkomen. Daar heb ik vertrouwen in.

Bij het hotel bleek een van onze kamers vergeven. Ze hadden maar één bed ter beschikking. Toen Olle tegen de baliemedewerker zei dat we een probleem hadden, stond de medewerker op. Hij kwam achter zijn balie vandaan en ging dreigend voor ons staan. Wat hij miste in lengte, maakte hij meer dan goed in overtuiging. Kennelijk had hij verstaan dat we hem een teringlijder vonden. Dat was niet wat we gezegd hadden. Wij benadrukten dat. In het Engels. Daarna in het Duits.

Het wilde er niet meer in. We kregen hem niet terug op zijn stoel. De Duitser (ook al was deze van Filippijnse herkomst) wil niet dat je met zijn regime fuckt.

We liepen naar buiten, tuurden over het plein waar drie maanden geleden massa-aanrandingen plaatsvonden. Nu stond er achterlijk veel oproerpolitie. Ik schatte vier zwaarbewapende agenten voor elke burger.

‘Misschien zijn ze nog wat gespannen,’ zei Olle. ‘Door recente gebeurtenissen.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Ze lijken niet te willen dat er met ze wordt gefuckt.’

Het leek best een goede grap, tot ik vandaag de krant van de mat haalde.

 

______________________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

7 april: Tirade in levenden lijve

Proza, poëzie, een zondagblogger op donderdagavond en muziek die je maar beter nu vast kunt leren kennen: we gaan het podium op! Met in levenden lijve een groep jonge, inspirerende auteurs die iets hebben bijgedragen aan recente nummers van Tirade.

Op donderdag 7 april kunt u ons vinden in het mooie theater van de Centrale Bibliotheek van Amsterdam. De avond begint om 20:00 uur, uiterlijk 21:30 laten we u weer gaan, maar u bent ook welkom om met ons ‘t glas te heffen.
De toegang is gratis (hoera!). Er is ook een Facebook-event met allemaal extra weetjes, zoals: waar moet je op letten bij een voordracht van Mathijs Gomperts?

Voordrachten van Wytske Versteeg, Maurits de Bruijn, Mathijs Gomperts en Wieke van der Linden. Onvergetelijke muziek van de band Roosmarijn. Presentator: Roos van Rijswijk.

Grenzen aan waarschijnlijkheid

Wat te doen als je iemand beter wilt leren kennen?

Je zou voorzichtig kunnen beginnen. Beginnen met een oefening. Je hoeft je jas maar aan te trekken en je kan graven in de tuin van je geheugen. Je loopt langs de verhalen waarin hij figureert, bekijkt ze van dichtbij. Steek ze als planten uit de aarde, plaats ze op een rij in het gras. Waar stond hij in de kamer? Wie waren er toen bij? Hoe voelde de stof van de bank waar je op zat? Je zou het almaar zekerder willen weten, je zou grenzen willen aan waarschijnlijkheid. Dat je uiteindelijk de planten net iets dichterbij plaatst, dichter bij hoe het ooit echt is gegaan.

De tuin zou er wel wat verlegen bij staan. Er zijn wortels doorgestoken. Nee dan de tweede oefening, al is-ie wat gevaarlijker, al kun je daarna niet echt meer terug. Je verzint zijn verhalen. Je herinnert je dingen die nooit zijn gebeurd*. Diep ze uit tot ze bijna echt zijn. Steek alles wat je van hem weet als een schep in de aarde, plaats je voeten aan weerszijde van de steel, voel de druk van het ijzer door je zolen en spring. Het blad verdwijnt volledig in de grond. Trek nu aan de bovenkant, de schep en daarmee de grond op spanning. Laat los. Verhalen trillen als vanzelf, als wormen uit de grond. Wie vertelt jou dat ze nooit zijn gebeurd? En wat dan nog? Het resoneert. Het raakt aan alles wat je van hem weet.

*Niet zo vrij naar Harry Mulisch in De Ontdekking van de Hemel

(Typografie door Sander Kuypers)

___________________________________


afbeelding6
Branko Van (1985) is dichter en aankomend kinder- en jeugdpsychiater. Hij werkt momenteel aan het afronden van zijn proefschrift over inter-individuele verschillen in de neurobiologie van ADHD. Gedichten verschenen eerder in o.a. Krakatau, Meander, Tirade en Hollands Maandblad. Lees meer van Branko op: https://vanbranko.wordpress.com

 

 

Pest Control

‘Hou je van dieren?’, vroeg onze Indiase vriendin S. tijdens een vegetarisch diner naar haar keuze. Ik wist meteen dat het een strikvraag was. Terwijl ik nadacht over een passend antwoord manoeuvreerde ik met mijn vork een tofuballetje door de zoetzure saus.

‘Alleen van zoogdieren’, antwoordde ik, en daar is niets van gelogen.

Eekhoorns gelden in Texas formeel als ongedierte, maar voor mij zijn ze een onuitputtelijke bron van vermaak. Ze hebben geheimen. Elk nootje wordt nerveus maar toch grondig verborgen voor de buren en verrassend liefdevol toegedekt onder een stapeltje bladeren. Hun achtervolgingen zijn behalve acrobatisch ook klassieke slapstick, zoals Laurel steeds net uit het zicht van Hardy draait rond een dikke boomstam.

Van reptielen en vissen hebben we in hartje Austin weinig last, maar de vogels – met name de great-tailed grackles* – mogen wat mij betreft allemaal uit de lucht geschoten worden. Dat is hier gewoon legaal. Zij zijn ook zwart.

Gisteren was ik getuige van de wrede paringsdrift van twee exemplaren op de parkeerplaats onder ons appartement. Het mannetje vernederde zijn wanhopig spartelende vrouwtje nog eens extra door haar poot in zijn snavel te nemen terwijl hij haar met ijskoude ogen verkrachtte. Mijn man M. zag er een onschuldige voetfetisj in, maar ik zag pijn en doodsangst. Het hele drama duurde bijna een half uur, wat máánden is in vogeljaren.

Mijn diepst gewortelde angst heb ik gereserveerd voor insecten, en dan vooral voor kakkerlakken: groot genoeg om al hun monstrueuze details met het blote oog waar te kunnen nemen, klein genoeg om zich een weg in elke lichaamsopening te graven. Twee keer per jaar komt een zwijgende Mexicaan bij ons langs om het appartement met insecticiden te impregneren.**

Eerder vandaag, op weg naar de broodjeszaak om de hoek bij Martin Luther King Boulevard, zag M. er al vanaf twaalf meter afstand eentje zitten. Een kakkerlak. Minimaal zes centimeter, midden op het trottoir, schaamteloos badend in de zon. Ik weet niet of alle kakkerlakken vleugels hebben, maar deze had de zijne uit puur lentegenot maximaal gespreid om zo veel mogelijk warmte op te vangen.

M. bevroor onmiddellijk. Ik voerde op mijn beurt een combinatie kort opeenvolgende vluchtreflexen uit, gevolgd door het type hupje dat schoolmeisjes maken als ze op het punt staan om in te voegen bij het touwtjespringen. De kakkerlak verroerde geen spriet. Met zijn lengte blokkeerde hij bijna de volledige stoep, dus zijn we vroegtijdig overgestoken.

Het is helemaal geen schande om de confrontatie uit de weg te gaan.

___________________

* Een immorele, magere kraaiensoort met een geluid dat rechtstreeks afkomstig is uit de douchescène van Psycho (Hitchcock, 1960, vanaf 0:57).

** Het is onverstandig kakkerlakken simpelweg plat te slaan. Ten eerste hebben ze een gepantserde rugplaat en zeer elastische kniebanden waarmee ze bijna elke klap kunnen opvangen. Ten tweede heb ik gelezen dat ze – wanneer ze een gewelddadige dood sterven – nog snel even al hun eitjes lozen, zodat je een week later zit opgescheept met dubbel gemotiveerd, extra rancuneus nageslacht. Een bus Elnett Satin Extra Strong Hold haarlak met een aansteker werkt veel beter.

Arjen van Lith is freelance journalist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Het privédomein

Een goede vriend zei naar aanleiding van mijn stukjes over de verhuizing dat hij het soms wat te veel inkijk in mijn privédomein vond geven. Hij haalde een gedicht van Piet Gerbandy aan: ‘Wij weten waar u vlees koopt en hoe vaak.’ Moeten wij dat weten? Tja nou, de schrijvers die aan het woord kwamen in Kijken in de ziel bijvoorbeeld waren over die kwestie nogal verdeeld.

Ik heb een natuurlijke voorkeur voor het egodocument. De laatste tijd (her)lees ik onder meer de brieven van August Willemsen en de herinneringen van Paustovski. Het autobiografische werk van deze twee werd gepubliceerd in de onvolprezen reeks Privé-Domein van De Arbeiderspers. De delen die onder die vlag verschenen bevatten brieven, dagboeken, memoires en biografische teksten: je kunt er een schrijver écht mee in de ziel kijken en zo leren kennen.

Maar werkelijk inzicht in een schrijver is tegelijk een utopie. Het laatste deel van Privé-Domein, Brieven uit Genua van Ilja Pfeijffer maakt dat fraai duidelijk (los van de zeer wisselvallige ontvangst). Daan Doesborgh vraagt zich in VN af hoe het nu zit met dit boek: is het een brievenbundeling – echt of bedacht – of een versneden roman? Het antwoord is wat mij betreft dat het alles tegelijk is. Brieven in Genua is echt, nep, waarachtig, ongeloofwaardig, autobio, banter, essayistiek en doorgecomponeerd verhaal.

Pfeijffer pleurt de hele flikkerse bende op één hoop en giet daar brieven van. Hij creëert een ‘schijnduidelijkheid’, zoals Doesborgh het treffend noemt. Pfeijffer belicht hetzelfde probleem van verschillende kanten, in verschillende brieven. Zijn financiën beschrijft hij in een brief aan zijn accountant, vervolgens keren deze op een andere manier terug in een brief aan het Nederlands Letterenfonds. En die passages weer zijn heel anders dan wat hij over geld schrijft in Hoe word ik een beroemd schrijver? Wat waar is zullen we kortom niet weten.

Wat Brieven in Genua ook laat zien is hoezeer de klad in Privé-Domein is gekomen. Pfeijffer neemt de uitgever die begonnen is met de egodocumenten-inflatie, Ronald Dietz, in zijn brieven genadeloos op de hak. Vanaf de late jaren negentig zorgde Dietz ervoor dat jongere Nederlandse auteurs op bestelling een Privé-Domeindeel gingen schrijven (Giphart, Wieg). Daarvóór ging het om werken die als uit zichzelf waren ontstaan. Pfeijffer maakt er geen geheim van dat hij vier jaar aan het boek heeft gewerkt, zoals gepland. Er staat zelfs een brief in aan zijn uitgever, die gaat over het schrijven van het brievenboek dat we nu kunnen lezen en waardoor we nu des te meer in het duister tasten over de aard van dit boek.

‘Moeten wij dat weten?’ zou ik liever veranderen in: ‘Kunnen wij dat weten?’ Bij Pfeijffer weet je het nooit, bij Jeroen Brouwers ook niet. En wanneer ik schrijf dat ik aan het verhuizen ben, of dat ik een bepaald boek in een bepaald huis heb gelezen, wie zegt dan dat dit werkelijk zo is? Misschien blijf ik wel waar ik ben, reizend door mijn kamer, alles belevend achter het bureau. Laat ik in dit geval maar een slag om de arm houden ook.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds twee jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Het blijkbaar aantrekkelijke van taboes

Een taboe lijkt me ook iets waarmee de schender ervan over zijn eigen graf regeert. Taboeschendende handelingen, incest, kindermisbruik, zorgen ervoor dat er nog generaties later schade ondervonden wordt. Ik vind dit een bijna biologisch-anthropologische  verklaring van waarom het eigenlijk taboe is.

In de Oscarwinnende  film Spotlight van Tom McCarty en het boek A Little Life van de Hawaiaans-Amerikaanse  Hanya Yanagihara  ligt misbruik door Rooms-Katholieke geestelijken aan de basis van een verhaal dat zich veel later afwikkelt, lang na de gebeurtenissen waarop het taboe rust. Daarmee is de tijd die vergleden is, en ook het taboe zelf een element in de verhaalkracht geworden. In beide verhalen wordt een verzwegen geheim langzaam afgepeld als de rokken van een ui.

In Spotlight besluit een club onderzoeksjournalisten van de Boston Globe begin jaren nul van deze eeuw het stilzwijgen over een reeks misbruikgevallen in de van oudsher katholieke Amerikaanse stad te doorbreken. Het is een zinderende journalistieke thriller waarin twee zaken bijzonder opvallen: 2002 lijkt nog voor de grote internationale ontwikkeling van het Ego te zijn: de groep werkt samen als bijen in een korf, er is er niet een die tracht de credits naar zich toe te trekken. De film problematiseert het begrip schuld, door elk van de betrokken verzwijgers ergens een aandeel in de ontmanteling te gunnen.

SpotlightEWFallPreviewA Little Life maakt eveneens op een narratief interessante wijze gebruik van het taboe op misbruik, 800 bladzijden lang wordt steeds mondjesmaat een klein tipje van de sluier gelicht onder welke het gruwelijke verleden van de hoofdpersoon Jude verborgen gaat. Er zitten gewoon heuse misbruikcliffhangers in! Veelzeggend in deze is ook wel de cover, een man die ik eerst veronderstelde in pijn te verkeren, maar het is een kunstwerk dat ‘Orgastic Man’ heet. En dat eerste  – de pijn –  is relevant in het verhaal, het tweede is duidelijk juist precies het logische probleem van Jude, hij kan natuurlijk geen plezier meer aan sex beleven. Het omslag lijkt een bevestiging van de gedachte dat de pijn die als motor onder dit verhaal schuilgaat, ook ergens geassocieerd is met genot.  Narigheid wekt genot op.

Wat mij tot de ongemakkelijke vraag brengt (zie ook succes van Het hout van Jeroen Brouwers) dat een moeilijk fenomeen als een taboe dus ook de intense interesse ernaar losmaakt. Het taboe als motor voor een verhaal. En dat de lezer daarmee ergens naast zijn hoop op de berechting van de schuldigen dus eveneens een beter begrip voor wat de schuldigen dreef zou moeten krijgen? Of althans tegen zijn zin moet toegeven dat wat deze maatschappij als zeer ongewenst beschouwt bij hem/haar toch ook een diep gevoelde fascinatie loswrikt.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Elfie Tromp – Ich bin von Kopf biss Fuss

1947. Perron 6 in Arnhem is gevuld met petten, gleufhoeden en een enkele kale knar. Het is druk op de zakenlijn naar Mannheim; na zo veel jaren schaarste is de toekomst een koortsdroom die iedereen druk doet voortijlen. Zo ook mijn opa. Daar staat hij, onze Harry, onder de smeedijzeren bogen van de restauratie. Precies zo oud als ik nu en net getrouwd. Hij draagt zijn driedelig gekamd wollen pak. De pijp van zijn linkerbeen tien centimeter langer dan de rechter. Daaronder de orthopedische klompschoen, hoogglanzend opgewreven. Een zijden das met bloemmotief strak om zijn nek gestropt. Gouden dasspeld. Zijn onderkin hangt als een bleek servet over de stijve boord van zijn overhemd. Ook al is zijn huwelijk nog maar een jaar voltrokken, zijn trouwring snijdt nu al in zijn vlezige vinger. In de Wederopbouw geen gebrek aan biefstukken. Zeker niet in zijn keuken. De kinderpolio heeft hem vervormd, maar de vetzucht houdt hem gevangen. Zijn leven zal hem altijd te strak blijven zitten. Toch mag hij niet klagen. De Trompjes zijn de eerste met een Bentley in de straat, en als hij voor het familiebedrijf vandaag de deal sluit, hebben ze er vanaf volgend jaar een chauffeur bij. Hij staat rechtop, zover dat gaat. Snuift de frisse lentelucht op. Hij twijfelt of hij nog tijd heeft voor een broodje in de uitspanning, maar belooft zichzelf een hapje in de restauratiewagen. Kaiserbrötchen met worst en scherpe mosterd. Iets om naar uit te zien.

Mokkend had Joke gisteren tegenover hem gezeten.
‘Hoe moet ik je leren kennen,’ had ze geroepen, ‘als je er nooit bent?’

Hij was door blijven kauwen. Zij had de porseleinen schaal met rosbief opgepakt en tegen de muur gekwakt. Het was het derde stuk van het trouwservies dat ze opzettelijk brak. Ze had nog 69 delen te gaan. Hij had het aan haar jeugd in de kampong geweten. Zo’n warm klimaat doet wat met je bloed. Dat stijgt sneller naar je hoofd. En dan was er natuurlijk dat gedweep met Hollywoodfilms. Daarin ging nooit eens iets pais en vree. Maar nu is hij te midden van een kudde even optimistische mannen als hij. En de belofte van een broodje worst. De trein van Duitse makelij rolt het station binnen. Glanzend donkerrood met vuurhouten randen en tafeltjes, stalen uitklaptrapjes. Hij zoekt zijn plaats. Eersteklas in een privé-coupé, zodat hij zijn benen kan strekken. Hij houdt van reizen. De rust in transit, de vlucht naar de toekomst, daar zit iets hoopvols in. Dat zijn vader juist hem, de dauphine, naar de Duitse klanten stuurt, spreekt voor zich; hij had zijn Duits geperfectioneerd met behulp van de ingekwartierde officieren. En ook al waren hun schepen gevorderd en na de oorlog tot zinken gebracht, hij koesterde weinig wrok. Dat had geen zin. Hij hield zijn blik hardnekkig op de toekomst gericht. Ook als het hier en nu niet meewerkte.

Harry neemt zijn bril af, poetst de glazen met zijn pochet. En dan komt ze binnen. Hetzelfde permanent als Joke, maar dan platinablond. Een zijden lila shawl over de stijfgelakte krullen. Ze is rank, zeker twee koppen langer dan hij. Draagt een zonnebril. Dat vindt Harry vreemd. Het is mooi lenteweer, maar de zon steekt niet. Streelt hooguit de bleke huid tot kippenvel. Een Louis Vuitton-hutkoffer wordt achter haar naar binnen gekruid. Hij knikt haar toe. Zij knikt terug. Geeft de buigende kruier een muntje. Neemt haar zonnebril af. Hoge, opgetekende wenkbrauwen onder een laag poeder. Ze lijkt permanent wat verbaasd te kijken. Alsof ze constant, halfserieus zegt: ‘Oh, werkelijk?’

Ze strijkt haar rok glad en gaat tegenover hem zitten. Slaat de benen over elkaar. De nylonkousen knisperen. Ongewild rilt Harry van het luxe geluid.

Het ochtendritueel van zijn vrouw; dat vindt hij het fijnst aan getrouwd zijn. We zijn nog zeker twee kinderen verwijderd van de eerste affaires. Van de privédetectives en haar vlucht naar Zwitserland. Nu heerst er in de slaapkamer van mijn grootouders nog een verwachtingsvolle rust. In het nachtkastje dat hun ledikanten scheidt, liggen haar kousen. De bovenste la een landschap van bruintinten in verschillende deniers. Hij kijkt altijd gretig toe als ze haar ochtendjas openslaat en haar voet in zo’n kwetsbare huls steekt. Hoe ze zich klaarmaakt voor de dag, windt hem meer op dan wanneer ze zich van haar kostuum ontdoet. Hoe ze transformeert naar gelang de afspraken van de dag, vindt hij verbazingwekkend. Soms is ze ingetogen en degelijk, andere keren verschijnt ze kleurrijk en flamboyant aan het ontbijt. ‘s Avonds is ze altijd teleurstellend zichzelf.

De conducteur blaast op zijn fluitje. De deuren worden dichtgeklapt als de vrouw tegenover hem haar lange arm uitstrekt en haar witte, strak gesneden handschoentje, tergend traag, uittrekt. Ze doet het even achteloos als beheerst. Verleidt ze hem? Sappig buigt het kalfsleer. Handen als tortelduiven verschijnen. Met nagels als glanzende snaveltjes.

Wat had hij vorig jaar beloofd in het gemeentehuis, daar voor de gesloten toiletdeur? Frunnikend aan de anjer in zijn knoopsgat luisterde hij naar het snikken van zijn aanstaande. ‘Joke,’ had hij gezegd. ‘Joke, het zal je bij mij aan niets ontbreken.’

Het was een moment stil geweest.

‘Ik zal voor je koken,’ voegde hij eraan toe. ‘En de was doen.’

Hoopvol kierde de deur open.

‘En je hoeft nooit meer naar kantoor.’

Hij hield zijn arm als een uitnodiging naar voren. Aarzelend verscheen daar de witte, gehandschoende hand van mijn oma. Langzaam haakte ze bij hem in. Liet ze zich meeleiden door de lange, hoge gangen van het gemeentehuis. Twintig minuten later waren de ringen uitgewisseld. ‘Een goede investering,’ had de oude Tromp gezegd nadat Harry zijn verloofde voor het eerst aan zijn ouders had voorgesteld.

En nu trommelt die blondine met haar vogelvingers op het tafeltje tussen hen. Alsof ze ergens op wacht. Hij kent de mannen van de beurs die een meisje van de straat meenemen als ze naar buitenlandse klanten gaan. Er zitten niet voor niets gordijntjes voor zo’n privé-coupé. En je hebt een leuk zakengeschenk voor de klant bij aankomst. Harry slikt. Hij kijkt haar nog eens aan. Ziet dan pas wie ze is. Of op wie ze lijkt, want vrouwen zijn zelden wie of wat ze pretenderen te zijn. Hij kucht en Marlene kijkt op. De godin die zingend uit een apenpak tevoorschijn kwam. Tientallen erecties in een filmzaal. Een ingebrand beeld voor zijn geestesoog. Als hij zin heeft, ziet hij haar weer wiegend transformeren. De trein begint te bewegen. Hij krijgt het heet.

Daar zit mijn opa. Toekomstig havenbaron van Rotterdam. Nazaat van zeeheld Maartenharpertszoon. Vijf uur lang in een gesloten coupé met een van de grootste sterren van dat moment. Hij weet niet dat dit een gemiste kans is. Marlene viel ook op lelijk. En het had niet tot romantiek hoeven leiden. Misschien gewoon een goed gesprek. Ze kende haar klassiekers, las drie kranten op een dag. Dit was de kans om een vrouw te kennen die liever lachte dan huilde. Maar hij zal zijn hele leven verlegen blijven als het op het andere geslacht aankomt. Zijn vrouw zal hij niet kunnen troosten. Zijn dochter niet begrijpen. En zijn kleindochter. Ach, hij zal zijn adem inhouden als ze naast hem zit.

Hij pakt een rapport om zich een houding te geven. Blijft naar de cijfers op de pagina staren. Slaat voor de vorm een bladzij om. Ziet hoe ze ademt, hoe ze brieven schrijft, een boek leest, haar gezicht bijpoedert. Hij vergeet zijn broodje worst. Komt hongerig en hol in Mannheim aan. Als de trein vertraagt, geeft ze hem nog eenmaal die verbaasde, hautaine blik en zet haar zonnebril weer op.

‘Gutentag, mein Herr,’ zegt ze.
‘Gutentag,’ mompelt hij.
Op een afstandje schuifelt hij achter haar aan naar buiten. Bekijkt de haag fotografen die haar staat op te wachten. Keert zich dan naar de uitgang van het station.

Romantiek is voor een jongen zoals hij niet weggelegd. Rendement, dat is uiteindelijk waar je mee vooruit komt.

 

Foto door Keke Keukelaar
Foto door Keke Keukelaar

 

Elfie Tromp (1985) studeerde psychologie en toneelschrijven. Ze werkt als romancier, columnist, toneelschrijver/maker en presentator. Underdog is haar meest recente roman.

Deze tekst werd voorgedragen op het Boekenbal 2016. 

 

 

Thin mint

foto via https://www.flickr.com/photos/library_mistress/525385533

Hier in huis liggen, zoals in de huizen van alle fanatieke lezers die ik ken, stapels ongelezen boeken. Op alle vloeren, in de gang, op de eettafel, op de verwarming, naast de stereo, naast de bedden en onder de bedden, in de klerenkast, nou ja, overal waar het enigszins droog is.  Ik houd een mentaal archiefje bij van de volgorde waarin ik die boeken wil lezen, waar ik ze kan vinden (Zweig – onder de bank) en wanneer het tijd wordt mijn voornemen tot lezen te verlaten en het boek in een boekenkast te zetten of weg te geven aan iemand die er wel met hart en ziel voor gaat. Het is geen waterdicht systeem maar werkt.

Behalve nu. Die stapels zijn de afgelopen tijd zo hard gegroeid en de boeken die ik om een of andere reden naast wil, ook moet lezen zijn zo groot in aantal dat ik er een beetje paniekerig van word. Dit resulteert in dan maar niet lezen, zoals ik op festivals wegens een overschot aan culturele keuzemogelijkheden dan in godsnaam maar de hele dag met mijn vingers in mijn oren naast een vreettent ga zitten, en bij een veel te uitgebreid lopend buffet maar gewoon het eerste dat voorhanden is op mijn bord hark, om vervolgens ergens grienend m’n maaltijd te doen met een bak yoghurt vol kappertjes en oude kaas.

Deze leespaniek is een jaarlijks ongemak, besef ik. Het komt door het boekenweekgeschenk, dat het literaire equivalent is van de thin mint die meneer Creosote in Monty Pythons the Meaning of Life aangeboden krijgt. Creosote, een monsterlijk dikke restaurantganger, is zo verzadigd dat hij na het eten van die thin mint explodeert, wat voorzien wordt door het personeel dat hem het snoepje aanbood. In afwachting van de knal schuilt het achter restauranttafels.

Daar ligt ‘ie: Broer. Weifelend reik ik ernaar. Van achter diverse meubelstukken klinkt nerveus gegiechel. En zag ik daar Van Nispen met een snoekduik onder mijn bed verdwijnen?

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Klok met kruisje

Wat te doen als je iemand wilt leren kennen?

Niet te veel. Liefst niet te veel. Het beste is jezelf een magere veertiger, een lange man bij de inlichtingendienst te wanen. Zo één met bril, maar zonder montuur om de glazen, die werkweken lang door een stroom aan beeld- en geluidsfragmenten van een enkele verdachte waadt. Je kan maar zoveel van iemand zien zonder gesteld op hem te raken. De man hoort wat zijn vrienden horen, de lange man hoort hoe de verdachte consequent ‘wagen’ en geen ‘auto’ zegt. De vrienden praten. De man hoeft niet zoals de vrienden steeds zo op zichzelf te letten. De man weet dat de verdachte zijn broekspijpen optrekt voor hij een verhaal vertelt.

Misschien zou je zo te werk kunnen gaan, misschien kom je verder. Zoals op tv de mimiek en die raar expressieve handbewegingen altijd duidelijk worden als je het geluid uitzet. Megafoon met kruisje. Zo zou je interactie juist uit kunnen zetten als je iemand wilt leren kennen. Een pictogram van twee pratende profielen van gezichten. Kruisje. Voel de tegenreactie van de knop, een goede knop praat terug. En dat iemand dan ook de aanvoer van nieuwe materialen uitzet. Geen nieuw beeld. Geen nieuw geluid. Vang hem eerst maar eens in de tijd voordat je verder gaat. Klok met kruisje. Bekijk de filmpjes die je hebt, luister een keer alleen naar het geluid van de filmpjes, terugspoelen en afspelen. Herhalen. Tot je op een borrel plots aan hem refereert, tenminste, een zin van hem gebruikt. Een zin die niet direct vanzelfsprekend is, die niet zondermeer aansluit. Een citaat van een man zonder roem, een zin die daar kaal hangt zo zonder context.

 

(Typografie door Sander Kuypers)

___________________________________


afbeelding6
Branko Van (1985) is dichter en aankomend kinder- en jeugdpsychiater. Hij werkt momenteel aan het afronden van zijn proefschrift over inter-individuele verschillen in de neurobiologie van ADHD. Gedichten verschenen eerder in o.a. Krakatau, Meander, Tirade en Hollands Maandblad. Lees meer van Branko op: https://vanbranko.wordpress.com

 

 

Vers

Een van mijn beste vrienden is behalve begenadigd schrijver ook één van de beste koks van Amsterdam. Wanneer ik in Austin ben, mis ik niet alleen zijn gezelschap, maar ook de maaltijden die hij met een uitgestreken smoel serveert alsof het van de afhaalchinees komt.

We zijn al ruim 25 jaar bevriend, maar we hadden elkaar na onze studietijd uit het oog verloren. Tien jaar geleden kwam ik hem opnieuw tegen. Ik was net verhuisd naar de rand van de Jordaan toen ik hem op kerstavond 2006 over de Tichelstraat zag lopen met een dooie geit over zijn schouders. Hij was behaarder dan vroeger, een beetje zoals Leonardo diCaprio in The Revenant, en hij droeg een grote wollen trui die in de schemering mooi ton sur ton bij die geit kleurde. Daar let ik dan weer op.

Als hij bij mij komt eten, krijgt hij zonder uitzondering kip, omdat ik me daar geen buil aan kan vallen, en omdat zijn vrouw dat zo lekker vindt. Thuis krijgt ze nooit kip.

Mijn vriend bakt ook zijn eigen brood en plaatst daarvan foto’s op Facebook. Normaal is dat aanleiding voor onmiddellijke ontvriending, maar voor hem maak ik een uitzondering, want zijn brood is behalve lekker ook heel fotogeniek. Laatst ging ik zelfs zover dat ik een Amerikaanse vriendin zo’n foto liet zien.

What is that?’, vroeg ze zonder een spoortje ironie in haar stem.

In Amerika is men niet bekend met het concept ‘vers’. Hier haalt men ’s morgens een literbeker koffie verkeerd bij de Starbucks, drinkt er een paar slokken van en zet het vervolgens in de koelkast om het de volgende ochtend in de magnetron op te warmen.

Zelf koken is hier niet te doen. De dichtstbijzijnde supermarkt, Whole Foods – in de volksmond ook wel Whole Salary genoemd – is veertig minuten fietsen en onbetaalbaar: voor een pak gedroogde pasta, een pond gehakt en wat Parmezaanse kaas ben je veertig dollar lichter. Downtown zijn er wel een paar kleinere voedselboetiekjes, maar hun aanbod is zó minimaal, dat ze vol trots één enkele ui in de etalage zetten alsof het een Manolo-schoen is.

Gezond eten is in Austin een lifestyle, alleen weggelegd voor slanke, milieubewuste wereldverbeteraars met een bodemloze portemonnee. Omdat mijn man vandaag jarig is, eten we vanavond bij hoge uitzondering een sappig stukje humanely raised Texas grassfed Longhorn biefstuk à 67 dollar. Tijdens het inpakken adviseerde de slager me om bij thuiskomst liever niet de lift te nemen, aangezien een plotseling luchtdrukverschil de vleeskwaliteit niet ten goede zou komen.

Wanneer ik eenmaal terug in Amsterdam ben en weer eens binnensmonds sta te schelden op die chagrijnige kutcaissière van de Albert Heijn, help me dan herinneren om in stilte de zegeningen van de Nederlandse buurtsuper te tellen. En om de stoere nonchalance van mijn kookvriend te beantwoorden met een on-Hollandse lofzang op zijn dagverse gastvrijheid.

________________

Arjen van Lith is freelance journalist en schrijver. Vorig jaar debuteerde hij bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Boek en behang

Verhuizingen zorgen voor tussenstanden van zelfbegrip. Een overzicht van waar je hebt gewoond en hoe dat voelde, maar ook een balans van wat je eigenlijk bezit en waarom. Eens schreef ik op een briefje voor een logee: ‘Zoals je ziet staan hier nogal wat boeken. Pas er goed op, het is het enige wat ik heb.’ Hoe pathetisch dat ook moge klinken, het is waar. Ik heb hier al eens gepleit voor weinig spullen, en die opvatting resulteerde er voor mij in dat ik vooral (maar niet uitsluitend) boeken bezit.

Voor mijn verhuizing heb ik tot nu toe de volgende maatregelen getroffen. Het grootste deel van mijn boeken in dozen stoppen; het behang van de muren in de slaapkamer pulken. Die twee bezigheden lijken ook sterk op elkaar. Er zaten op sommige muren zes lagen. Eerst blauw-grijs met een motiefje, dan ergens lichtblauw met bloemetjes en ten slotte benepen lichtbruin met ruitjes uit de jaren zestig. Duidelijk niets aan gedaan sinds de bouw van het pand, en op Amsterdamse wijze laten aanslepen. Ik was bang dat de hele flikkerse bende zodra ik ging schilderen naar beneden zou komen.

Mijn boekenkast gaf eindelijk zijn dubbele rijen prijs. Een grote verrassing zat er niet bij maar het was goed om exact te weten wat er allemaal staat. In een heleboel klassiekers zit wel een boekenlegger, of iets wat al zodanig dienstdoet. Ansichtkaarten, kassabonnen, losse blaadjes, tandenstokers, andere boekjes. Helaas geen grote bedragen gelds, zoals mijn ouders die wel eens hebben aangetroffen in hun boekenkast. Gezien het vrijkomende stof was het hoognodig de boel eens door handen te nemen.

Van het uiterlijk naar het innerlijk behang dan. Ik vond een enkele herinnering in de categorie niet af te pulken plaksel, zoals het fijne zand in boeken die ik las op het strand. In een tijdschrift stond een verborgen boodschap in de vorm van een overgeschreven gedicht. ‘Sic noctem patera, sic ducam carmine, donec / iniciat radios in mea vina dies,’ het einde van een gedicht van Propertius, waarschijnlijk uit mijn dichterlijke periode.

De leggers in de verzamelde Hanlo zitten uitsluitend op plaatsen waar hij het over zijn motors heeft. Boeken van anderen overgenomen: talloze. Gesigneerde: evenzoveel. Maar welke mij het meest dierbaar is? Wie zal het zeggen. Mijn tot op de draad versleten Loeb-deeltjes Pindaros moeten in de nieuwe kast in ieder geval een prominenter plekje krijgen. In de brieven van Ilja Pfeijffer las ik een passage over een zinsnede (genoi’ hoios essi mathôn) uit zijn tweede Pythische ode. ‘Werde welcher du bist erfahren,’ vertaalt Hölderlin, zoals alleen Pindaros zoiets kan uitdrukken – een stapje verder dan ‘ken uzelve’.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds twee jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Zeeuws licht

Met Nadim en Otis de Hond logeer ik in een klein dijkhuis in Zeeuws Vlaanderen. De zee is zo dichtbij dat je haar in je wasgoed kunt ruiken- als je dat wasgoed tenminste buiten durft te hangen, want maart verloopt hier nogal regenachtig.

Ook als het niet regent lijkt de lucht beladen met koud water. Vanochtend, toen we een wandeling maakten, vroeg ik me af bij welk percentage vochtigheid de lucht eigenlijk meer water is. Boven de vijftig procent, zou je denken, maar zo werkt het blijkbaar niet.

Ik ben vast niet de enige die gelukkig wordt van het plotselinge wijken van de wolken op een grijze dag. Hier in Zeeland wordt de zon ook nog weerspiegeld door de kilometers ondiep water voor de kust, en zo ontstaat Zeeuws licht, een vorm van uitstraling die alle dingen een paar meter boven zichzelf uit lijkt te tillen: het strand, het helmgras en de duinen. Een vader, een zoon, een middelgrote hond.

B is in de stad gebleven en Whatsappt dat ze ons mist. Morgen zal ze na een lange treinrit met het veer uit Vlissingen komen. Zoals altijd zullen we te vroeg op de kade van Breskens staan, met een doosje oesters en een biefstuk achterin de auto.

Hoewel B zal zeggen dat ze mij het meest gemist heeft, zal ik weten dat het haar vooral aan Nadim ontbrak. Als er daadwerkelijk fases zijn in de ontwikkeling van een kind, dan zit onze zoon nu in zijn tofste: meerdere keren per dag spreekt hij zijn geluk uit, soms ook tegen vreemden.

‘Ik vind het zo fijn in Zeeland,’ zegt hij dan. ‘Er zijn heel veel boeken in het huisje, en ik heb Cars-lego gekregen. Het is echt fantastisch.’

Nee. Ik weet wat je denkt, maar dat zegt hij letterlijk: Echt fantastisch.

Zeeuws licht, man. Ik zweer erbij.

______________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind.

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Wild

Voor de film begon, in één van die prachtige zalen van Eye aan het IJ, was er een inleiding. Nogal provisorisch want de bioscoop was vergeten dat die kwam en niemand in het publiek had erop gerekend. Ik mopperde tegen I. want ik wilde gewoon die film kijken en niet eerst naar een uiteenzetting luisteren – mijn warme gevoelens jegens cinema zijn pas recentelijk aangewakkerd en ik vreesde spontane uitdoving als er iets anders bij kwam kijken dan bewegend beeld. Maar toen begonnen Merel Westrik en Martin Melchers te vertellen over hun Amsterdam Wildlife  en dat was zo enthousiast dat ze dat ook twee uur lang hadden mogen doen. Melchers is de stadsbioloog van Amsterdam en wees op zijn valse voortanden, een brug: ‘ik ben een soort konijn nu,’ zei hij in de licht Mokumse tongval waardoor ik me altijd direct op mijn gemak ga voelen, ‘want ik ben met een camera voor mijn neus tegen een boom aangelopen.’ Westrik, die ik herkende uit haar AT5-tijd, vertelde dat ze voor het perspectief van de film een duif die over de stad vliegt hadden gekozen. Ik vond dat uitermate leuk gevonden maar moest ook lachen toen de film eenmaal begon, want dat is onder water, over de vissen en beesten in de gracht en ik zag gelijk voor me hoe die vette Amsterdamse dakballen erin geslaagd waren te evolueren tot iets met kieuwen, om ook de zanderige bodem van de stad leeg te pikken.

Amsterdam Wildlife is echt een fantastische documentaire. Melchers is zo begeesterd over de beesten in en rond de stad z’n toeschouwers niks anders kunnen dan zich voornemen een stel lieslaarzen aan te schaffen en óók het brakke water van de Afrikahaven in te wandelen. Westriks commentaar over een naaktslak die een tijgerbrood aanvalt en de pogingen een ijsvogel te filmen (spoiler: hij landt óp de camera in plaats van ervoor) is liefdevol en grappig. Na beelden van vosjes, vogels, vissen en slangen (Melchers, die de camera op een uitkomend slangenei heeft scherpgesteld: ‘godverdomme, nou komt dat ándere ei uit’) besluit de film met de conclusie dat je misschien niet beseft hoeveel ogen er, naast die van alle mensen in de stad, op je gericht zijn.

Gek, dacht ik. Het fijne aan al die beestenbeelden is juist dat dat wild helemaal niet met ons bezig is, althans niet op die manier. Dat scharrelt en leeft maar, dat broedt en schijt en vecht, net als de mensen, maar doet dat onzichtbaar en zonder zich iets aan te trekken van stakingen van het GVB, debatten in De Balie en V&D-cadeaubonnen. Althans, dat hoop ik toch.

De duif op de foto komt niet in de film voor.

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Sticht een land

Waar te beginnen als je iemand wilt leren kennen?

Dat zal dan wel, dat zal dan uiteindelijk wel heel goed kijken zijn, heel lang kijken zijn. Je bouwt iets op, een oppervlak onder een grillige curve. Je weet dat hij het pak zo raar hoog vasthoudt als hij sap inschenkt. Je denkt tijden niet aan hem. De curve vormt de grens van het land dat je zo sticht, maar waar nou te beginnen?

Dat moeten de gegevens zijn, je moet op zijn minst zoveel weten als de overheid. Dat is de regel. Geslacht: man; nationaliteit: Nederlandse; geboortedatum; geboorteplaats enzovoorts tot je plots bij iets moois uitkomt, tot je plots pal voor zijn burgerservicenummer staat. Voor de negen cijfers waarmee jij je kan verankeren, welbewust een pen kan slaan in iets dat alleen van hem. Ga zitten als voor huiswerk. Schrijf het getal over met blauwe ballpoint in een lijntjesschrift.

Kijk. Die eerste vier getallen? Dat kan een jaartal zijn. Komen de cijfers in drietallen? In strikte regelmaat? Drie, drie, drie. Of toch: vier, twee, drie. Wat klinkt eigenlijk het beste, hoe heeft hij het nummer voor het eerst bekeken? Zie je de losse getallen, dat de eerste zes oneven zijn? En dat de laatste vijf aflopend, onregelmatig aflopend, maar toch, aflopend zijn. Hoe heeft hij het nummer voor het eerst onthouden? Kijk. Hebben de getallen veel bolle buiken of juist kale strepen? Hoor je al een ritme van getallen of van de klank van de namen van getallen? Kijk. Het heeft zich in je hoofd gezet. Onwillekeurig als het refrein van een lied. Tenslotte dan toch. Onwillekeurig.

 

(Typografie door Sander Kuypers)

___________________________________


afbeelding6
Branko Van (1985) is dichter en aankomend kinder- en jeugdpsychiater. Hij werkt momenteel aan het afronden van zijn proefschrift over inter-individuele verschillen in de neurobiologie van ADHD. Gedichten verschenen eerder in o.a. Krakatau, Meander, Tirade en Hollands Maandblad. Lees meer van Branko op: https://vanbranko.wordpress.com

 

 

Weesbril

 

Beeld weesbril

Toen ik nog op de basisschool zat, gingen mijn tweelingzus en ik iedere zomer een paar weken naar mijn vader, die in die tijd aan de Nieuwkoopse plassen woonde – de ideale omgeving voor iedere luie opvoeder: ‘s morgens smeet hij vanaf zijn balkon een luchtbed in het water en wij waren verder de hele dag zoet.

Tijdens die vakanties was ik bang dat ik, als ik te lang in Nieuwkoop zou blijven, op den duur zou vergeten hoe mijn moeder eruitzag. Iedere avond voor het slapen gaan probeerde ik me haar gezicht voor de geest te halen: grote groene ogen, volle lippen en lang, zwart haar dat toen al een beetje grijs aan het worden was. Ik kende het werkwoord ‘romantiseren’ nog niet, maar eenmaal terug in Krommenie viel ze me toch een beetje tegen.

Mijn vader overleed op 3 juni 1990, de dag na een onvergetelijk concert van Prince in de Kuip. Dat herinner ik me nog precies, omdat ik die ochtend hinderlijk in mijn lyrische ontbijttafelrecensie werd onderbroken door een telefoontje vanuit het ziekenhuis. De timing van iedere dood is ongelukkig, maar mijn vader spande de kroon: ik zat midden in mijn eindexamens.

Nu, in 2016, ben ik vergeten hoe mijn vader er precies uitzag. Ik heb geen enkele foto van hem. Ook op internet is niets over hem te vinden. Google genereert weliswaar 17.700 hits op “Pieter van Lith”, maar geen één daarvan gaat over hem. Op zijn 47ste is hij zó vroeg overleden, dat het lijkt alsof hij nooit bestaan heeft.

(…)

Kortgeleden kreeg ik post op mijn werk. Ik krijg nooit post op mijn werk. Het pakketje was simpelweg geadresseerd aan Arjen van Lith, RTL Nieuws, Hilversum. Geen afzender. Erin zat een suède etuitje dat me vaag bekend voorkwam, met daarin een transparante leesbril die me eveneens vaag bekend voorkwam.

Een opgraving, anders kan ik het niet noemen. Iemand – geen flauw benul wie – heeft me zomaar, uit het luchtledige, een artefact van mijn vader in de schoot geworpen, ruim 25 jaar na zijn dood. Anoniem en overduidelijk met de vaste bedoeling om niet achterhaald te worden. Geen handschrift op de envelop, geen begeleidend briefje, geen vingerafdrukken, niets.

Ik zou niet weten wie ik hiervoor moet bedanken, dus doe ik dat maar langs deze weg, in het openbaar op dit blog. Heel hartelijk bedankt, lieve meneer/mevrouw, voor deze archeologische schat die voor mij niet alleen van grote emotionele waarde is, maar ook van zeer praktische: papa’s bril komt precies op het moment dat mijn eigen sterfelijkheid me dicht genoeg genaderd is om hem binnenkort daadwerkelijk in gebruik te nemen.

_______________________

Arjen van Lith is freelance journalist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

De spiegel van de zee – Joseph Conrad

Dit is een ontstellend mooi en interessant boekje. Om minstens 7 redenen.

1. Joseph Conrad bracht een groot deel van zijn leven op zee door. Een memoire-achtig boek van Conrad over de zee is dus bijna iets als  ‘het beste managementboek ooit’. Tegenwoordig zou een TED talk het beste alternatief zijn: Conrad praat je in een half uur bij over wat hij allemaal geleerd heeft op zee over: het Anker, De Aankomst , het Gewicht van de lading, Vermist raken, Westen en Oostenwind, de Rivier, etc.

De spiegel van de zee is een schitterende liefdesverklaring aan de zee en aan de zeevaart. Je kunt het boek lezen als een wijze verzameling inzichten met een sterk aforistische aard. Maar ook werkelijk als een ultiem management boek, wat Conrad over de zee weet, vertelt veel over wat je ook maar doet.

‘Like all true art, the general conduct of a ship and her handling in particular cases had a technique which could be discussed with delight and pleasure by men who found in their work, not bread alone, but an outlet for the peculiarities of their temperament.

Conrad maakt wat hij heeft geleerd heel breed bruikbaar.

2. Conrad’s Engels is zo bijzonder juist omdat de man een Pool was. Hij heeft nooit zonder accent leren spreken, maar de schoonheid van zijn taal is vrijwel dezelfde als wat hij roemt in de wereld van de scheepvaart: precies en aandachtig. Voor elk gebruik een ander woord. Ik vind dat je kunt lezen dat Engels zijn tweede taal is, zoals je dat ook bij Nabokov kunt, er zit plezier en welbewuste constructie in elke zin. Dat komt omdat hij zijn taal bewust heeft moeten verwerven. Daarbij zijn er weinig boeken met een zo ruim vocabulaire die je toch heel goed kunt lezen, ook zonder woordenboek.

3. Het is een mooi ding, dit boek. Gemaakt door J. M. Dent & Sons Ltd. te ‘Aldine House Befordstreet London’, in 1933, in een reeks die The Open Air Library heet, boeken over de natuur. Klein van formaat, gebonden, Stofomslag, met ‘wood-engravings’ door…

4. Eric Fitch Daglish, die een fraai graveur was, maar bovenal een man met een groot ego, een groot probleem in het boekenvak. Daglish gaat redelijk ver – en we komen nu op het vlak waarin we vooral genieten van iets dat te erg is, meer dan dat het om de kwaliteit van het boek gaat:

Zie dit plaatje eens, het is de achterflap van het boek, waarin alle eer uitsluitend naar de redacteur gaat. Vier quotes over hoe goed de redacteur het wel niet doet!

Het brengt mij een lievelingscitaat in gedachten van de dichter Chr. J. van Geel: ‘Redacteurs, als ze niet vooringenomen zijn,  zijn stumperige ontdekkingsreizigers, vooral wanneer zij hovaardig de hulp der inboorlingen afslaan.’

StocklessAnchorEric Fitch Daglish zijn naam komt in binnenwerk en omslag elf maal voor. En er is een voorwoord van hem.

5. Het voorwoord van Joseph Conrad zelf is hilarisch. Ongetwijfeld is hij door Eric Fitch Daglish gedwongen het te schrijven, en hij antwoordt met een voorwoord van 5 pagina’s waarin hij uitlegt dat een voorwoord voor dit boek onzin is.

6. Vooral het hoofdstuk over het anker is schitterend, een combinatie van irritatie over het slecht begrijpen van het instrument door derden, journalisten, prutschrijvers en anderen,  en een diepe liefde voor wat het is en doet en hoe alles heet. ‘Let go!”

7. Dit is een boek in de categorie,  ‘boeken die je steeds kunt blijven herlezen’.

8. Nou vooruit. Het zijn ook wel mooie gravures. Conrad3

 

 

 

 

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Huis en boek

In Het Parool stond altijd een rubriek onder de kop ‘wooncarrière’. Amsterdammers vertelden daarin over de huizen die ze in de loop van hun leven hadden bewoond. De krant maakte er dan een uitgebreid plattegrondje bij. Soms leverde het ook een bekentenis op, bijvoorbeeld wanneer zo iemand helemaal niet oorspronkelijk uit Amsterdam kwam terwijl je je dat haast niet kon voorstellen. Of dat er dingen werden opgetekend als ‘Ik ben en blijf een Zaans arrebeierskind’, uit de mond van een vastgeroeste grachtengordelbewoner.

Inmiddels ben ik toe aan mijn vijfenhalfde* onderkomen in de stad. Tijd voor een tussenstand – beginnend met de mededeling dat ook ik niet oorspronkelijk uit de hoofdstad kom – een tussenstand niet zozeer van huizen als wel van boeken. Hoe las ik mijn weg door Amsterdam? Een selectie.

Mijn eerste plek was een schots en scheef kamertje op de Zeedijk, tweehoog achter, schuin boven de Casablanca (karaokebar) maar met het mooist denkbare uitzicht. Op een plank die elk moment naar beneden kon komen had ik een rijtje boeken, maar meer nog had ik stapels van de bibliotheek, maar kwam er nooit toe ze te lezen. Er was het jaar dat ik er woonde slechts een schrijver die ik, studiegewijs, las: Plato. Te zien aan mijn uitgave van het Symposium waarop iemand destijds rode wijn morste, deed ik dat met veel plezier.

In een Nieuw-Westse buitenwijk begon ik aan Moby-Dick. Ik las het uit op een strand van een waddeneiland tijdens een hittegolf.

Op de boot in de Amstel las ik Het Martyrium van Elias Canetti. Het verhaal staat symbool voor de onderdrukking van intellectuelen aan de vooravond van de WOII in Duitsland. Mij blijft het vooral bij vanwege de ‘salamitactiek’ waar het boek om draait: de inwonende huishoudster neemt steeds een spreekwoordelijke vinger van de professor voor wie ze werkt, en eindigt met de hele hand. Het werd een symbool voor mijn tijd daar. Hij steekt uiteindelijk zijn bibliotheek in de fik; ik verhuisde.

Terug binnen de grachtengordel, Waterlooplein, bevond ik met tussen toeristen, marktkooplui en Mossad-agenten. Los en vast las ik Oorlog en vrede van Tolstoj én De broers Karamazov van Dostojevski, deels professiegewijs, waarna ik het jammer vond dat ik beide nu nooit meer voor het eerst kan lezen. Maar een van de belangrijkste was ‘Reis door mijn kamer’ van Maarten Biesheuvel – geen boek maar een verhaal – omdat het net zo compact is als mijn kamer was.

Nu ik weer verder trek denk ik aan reizen door de belsotenheid van een kamer. Verhuizen brengt je misschien ergens anders, maar binnenshuis kan ik des te verder reizen. Of zoals Biesheuvel zegt: ‘Ik zou in een vliegtuig kunnen stappen en naar Sjanghai vliegen, ik zou scheep kunnen haan en naar Port Churchill in de Hudsonbaai varen, ik zou in een auto kunnen stappen en naar Parijs rijden. (…) Ik ga niet reizen. (…) Wat doet het ertoe hoe groot het heelal is als mijn kamer voor mij al zo belangwekkend is?’

* Het halfje is het huis waar ik af en toe op pas. Ik probeer er zo lokaal mogelijk te lezen, in casu met de Oude Pijp als decor. Mijn eeste poging was Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan. Een vervelend boek waarvan beide hoofdpersonen mij al na een paar bladzijden danig de keel uithingen. Ik stapte over op het herlezen van Van der Heijdens Het Hof van Barmhartigheid: Albert Egberts woont als kraker in de Van Ostadestraat en geeft en passant prachtige beschrijvingen van de buurt.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds twee jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Tirade zwaait Sonja uit en verwelkomt Branko Van

afbeelding6De redactie dankt Sonja Schulte hartelijk voor haar prachtige vierluik over de rouw dat op de zondagen van de afgelopen maand op deze plek verscheen. In maart zal Branko Van voor ons bloggen, en ook hij maakt een vierluik. Prozagedichten, worden het, over wat te doen als je iemand wilt leren kennen. 

Branko’s werk verscheen eerder in Tirade, Meander, Krakatau en Hollands Maandblad. Mocht je je voor zondag in zijn werk willen verdiepen, kijk dan op zijn site.

 

 

Yangtze

Het nieuwe kijkcijferkanon van de publieke omroepen heet Langs de oevers van de Yangtze. Elke zondag kijk ik in verrassende vervoering naar de avonturen van een tot nog toe onbekende Nederlandse reiziger, die China’s moederrivier volgt van haar monding bij Shanghai tot aan de bron.

Het zal ongetwijfeld niet zo zijn, maar in elke aflevering lijkt een aantal ijzersterke personages met levensgrote conflicten heel toevallig op zijn pad te komen. De reiziger schiet mensen aan, raakt in gesprek en valt van de ene tragedie in de andere. Door wat de in beeld gebrachte Chinees allemaal niet zegt over zijn loodzware leven wordt de pijn sterk voelbaar. Regelmatig schiet de presentator vol, wat de kijker op moet maken uit zijn lichaamshouding, omdat ook dát verdriet niet direct in beeld gebracht wordt, of in ieder geval niet wordt uitgemolken.

Het programma heeft een hart. Geen dik vet 3-D Technicolor All you need is love-hart, maar een echte, werkende en feilbare spier: het soort orgaan dat alles waarmee het verbonden is van warmte en zuurstof voorziet. Van leven, eigenlijk.

Afgelopen zondag werd aflevering 4 uitgezonden, waarin een grote dam in de rivier centraal stond, die tal van levens heeft ontwricht. Weinig zo tragisch als een arme vrouw die in een betonnen flat woont, vlak boven de plek waar ooit haar geboortedorp was. Waar het nog steeds is, moet ik zeggen, omdat het al weer jaren onder water ligt.

Na de uitzending keken B. en ik elkaar aan.

‘Jezus,’ zei ik. ‘Wat doet die jongen dat goed.’ Ik doelde op de reiziger.

‘Ja,’ zei B. ‘En zo knap dat hij Chinees spreekt.’

In stilte knikten we een tijdje.

‘Weet je wat heel gek is?’ zei ik.

‘Dat we niet weten hoe hij heet,’ zei B.

En dat was precies wat ik wilde zeggen. De naam van de reiziger is geen geheim en verschijnt gewoon bij de aftiteling, maar kennelijk hebben we hier te maken met iemand die een verhaal vertelt – en daar zelfs voortdurend bij in beeld komt – zonder met zijn persoon de aandacht van de kijker af te vangen.

Uniek, in deze tijd.

______________________________________________________________________________
Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.