Mijn Indonesische jaren: Een scala aan ontmoetingen in Jakarta

In Jakarta woonde ik in Menteng, de villawijk uit de jaren dertig. Ik heb daar op drie verschillende adressen gewoond. Van 1982 tot 1985 op Jalan Lembang, die rond een grote vijver liep; vervolgens op Jalan Sawo, vlakbij de spoorlijn; en in mijn laatste jaar op Jalan Malang.

Aan de oostelijke zijde van Menteng, bij Jalan Cikini, bevindt zich Taman Ismail Marzuki (afgekort TIM), een groot open terrein. ‘Taman’ betekent tuin. Daar staan diverse gebouwen met een culturele functie. Hier ging ik naar toneelvoorstellingen in theaters waar ’s avonds sigarettenrook omhoog kringelde en vleermuizen rondvlogen, en bezocht ik het letterkundig documentatiecentrum dat vernoemd was naar zijn oprichter, H.B. Jassin (1917-2000).

Jassin had niet alleen een indrukwekkende verzameling letterkundige documenten aangelegd: deze ‘paus’ van de Indonesische literatuur was ook de vertaler van Erasmus en Max Havelaar. Hij was een van de ondertekenaars van het Cultureel Manifest van 1963 en een collega van mij aan de Universitas Indonesia. Wanneer de kandidaatsscriptie over een letterkundig onderwerp ging was hij dikwijls mijn mede-examinator.

Eén keer verraste hij mij: de kandidaat die ik had begeleid had haar scriptie gewijd aan De voorstad groeit van Louis-Paul Boon. Nadat wij vragen hadden gesteld over haar analyse van structuur en stijl, had Jassin nog een toegift: hij ondervroeg de kandidaat over de ideologie van deze roman. Het kwam erop neer dat de ideologie die aan Boons roman ten grondslag lag niet strookte met de Pantjasila, de filosofische grondslag van de Indonesische staat. Uiteraard gaf de kandidaat dat grif toe, en ik luisterde geamuseerd naar deze korte gedachtewisseling. Jassin was een erudiet man met een gedrongen gestalte en een vriendelijk voorkomen. Ik kon het goed met hem vinden. Hij had een grote familie die leefde van zijn honoraria.

Behalve Jassin had ik nog een collega die haar sporen had verdiend op literair gebied. Haar naam is Toeti Heraty (1933-2021). Zij was de dochter van de beroemde architect Roosseno (1908-1996), die nog met Eddy du Perron in de redactie van het progressieve Bandoengse tijdschrift Kritiek en Opbouw heeft gezeten.

Toeti was in Leiden gepromoveerd op het begrip ‘ik’ in de cultuur. Zij doceerde filosofie aan de Universitas Indonesia, maar heeft vooral naam gemaakt als dichter en kunstverzamelaar. In 1979 publiceerde ze een tweetalige bloemlezing (Engels-Indonesisch) van poëzie geschreven door vrouwen. Zelf had ze, toen ik haar leerde kennen, twee bundels op haar naam staan. Ik waagde me aan een vertaling van enkele gedichten en besprak die met haar. Zij woonde net als ik in Menteng. Tot aan haar overlijden, op 13 juni van dit jaar, werkte zij nog aan diverse schrijfprojecten. 

Intussen voorzag ik me in boekhandels en in Jassins documentatiecentrum van Indonesische dichtbundels, en langzamerhand breidde ik zo mijn verzameling uit. Ik vertaalde gedichten van dichters die me aanspraken, zoals Abdul Hadi W.M. (*1946), B.Y. Tand (1942-2000) en Sapardi Djoko Damono (1940-2020). De laatste, die natuurgedichten schreef met existentiële, licht surrealistische accenten, doceerde Indonesische literatuur aan de Universitas Indonesia. Ook hij was soms mijn mede-examinator bij literatuurexamens. 

Op suggestie van Reny Poetiray, een Molukse dame die memoires had geschreven, hield ik in mei 1986 bij mij thuis een literaire salon, waarvoor ik zowel Nederlanders als Nederlands-sprekende Indonesiërs had uitgenodigd. Onder de deelnemers bevonden zich verscheidene mensen die creatief werk schreven, plus een aantal geïnteresseerden. We begonnen om zeven uur ’s avonds en mijn bedienden voorzagen de deelnemers van eten en drinken. De eerste avond was een succes, de kring breidde zich uit en de literaire salon werd een halfjaarlijkse traditie. Er zijn er in totaal acht gehouden, maak ik op uit mijn oude agenda’s. De kring was nooit groter dan twintig personen.

Vaste gasten waren Jacob Vredenbregt (1926-2020) en Poncke Princen (1925-2002). Beiden waren met Indonesië vergroeid. Poncke was er gebleven sinds hij als Nederlands soldaat was overgelopen naar de Indonesische zijde. Jacob had er verschillende perioden doorgebracht en woonde er sinds de jaren zestig permanent. Hij had in 1984 onder het pseudoniem M. Jacob gedebuteerd met zijn roman Aan het einde van de middag. Deze roman was gebaseerd op zijn ervaringen tussen 1951 en 1956 als bemiddelaar bij arbeidsconflicten tussen Indonesische vakbonden en Nederlandse ondernemingen. In 1986 kwam zijn roman De opstand uit, over zijn tijd als krijgsgevangene tijdens de Indonesische Revolutie. Op de literaire salon las hij verhalen voor die in 1988 gepubliceerd zouden worden in De deftige kolonie en andere verhalen. Zijn boeken kwamen uit bij Nijgh & Van Ditmar en vanaf het laatste boek liet hij, op verzoek van zijn uitgever Vic van de Reijt, zijn pseudoniem vallen. Jacob was een groot en enigszins vilein causeur en las met veel brio zijn eigen verhalen voor, waarvoor hij uit zijn rijke levenservaring putte. Zijn finest hour zou hij beleven toen hij in 1989 werd geïnterviewd door Adriaan van Dis in diens bekende tv-programma.

Poncke las op de literaire salon zijn eigen gedichten voor, waarin hij vaak een droomsfeer opriep:

In dit morgenlicht rijden
en luisteren naar de muziek van eeuwen geleden
terwijl ik het klavecimbel van eigen gedachten bespeel.

Hoe ik in mijn laatste droom voor het ontwaken schilderde
en op de veranda in de koelte
voor het huis zat achter de witte rozen
en jij aarzelend vroeg of ik ze mooi vond.

Zullen de dingen worden zoals we wensen
of rennen we weer tegen de muren
van de onmacht op?

De muren van de onmacht maakte hij mee in de strijd die hij dagelijks vanuit zijn advocatenkantoortje in Menteng voerde, voor mensenrechten en tegen het regime van de Nieuwe Orde. In dat kantoortje kwam ik soms langs en één keer zei hij over Soeharto: ‘We hebben hem eindelijk bij de ballen.’ Dat bleek achteraf wel mee te vallen. Poncke was een ridder zonder vrees of blaam, die zowel onder de Oude Orde als onder Soeharto’s Nieuwe Orde ‘knijp heeft gezeten’, zoals hij dat in zijn karakteristieke Nederlands placht te zeggen. 

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Alles komt goed

Ik ben vaak bang dat Nadim (9) een zorgelijke man zal worden. Al toen hij drie was kon hij vanuit zijn autozitje vragen of we de paspoorten wel mee hadden.

‘We gaan naar Zeeland, jongen.’

‘Maar komen we dan niet te laat?’

‘Het huisje op de dijk is altijd open. En je weet toch dat we nooit ergens te laat voor zijn geweest? Probeer nou te slapen.’

Maar slapen in de auto kan hij niet. Daarin – en in dat zorgelijke – is hij net zijn vader. Ik zie niets positiefs in mijn gebroken nachten, geen winst in al die beren op mijn weg. Soms hoor ik ouders trots zeggen dat hun kind erg op hen lijkt. Die ouders zijn opvallend vaak niet al te slimme mannen. Trekken van mezelf die ik in mijn zoon herken, zijn veelal trekken die ik hem juist niet had toegewenst.

Dat een kind ook niet op je kan lijken, blijkt uit de persoon van Ada (4), die zich nooit ergens druk over maakt. Kwaad is ze vaak genoeg, maar zorgen had ik bij haar nog niet gezien. Tot vanochtend.

Ik bracht de kinderen naar school; Ada zat op mijn stang, haar tas lag in het fietskratje van Naad. Omdat de lage groepen een andere ingang hebben dan de bovenbouw, namen we op de hoek van de straat afscheid van Nadim. Met Ada reed ik door naar de ingang bij de steeg. Toen ik haar de stoep op tilde, miste ik opeens haar tas.

‘Die zal Nadim je zo wel komen brengen,’ zei ik. ‘Hij weet waar je lokaaltje is.’

‘Maar nee,’ zei Ada met grote ogen. ‘Dat kan niet. Het moet van mijn juf. Iedereen moet een tas.’

Sinds deze week is er een nieuwe juf, en kennelijk is dat nog even wennen.

‘Aad,’ zei ik. ‘Maak je niet zo druk. Kom, ik breng je naar de poort. Je zal zien dat het goed komt.’

‘Papa. Ik wil nú mijn tas.’

Ik keek naar de poort, die nog dicht was. We waren kennelijk wat vroeg. Nadim zou nu waarschijnlijk óók voor een gesloten deur staan.

‘Goed,’ zei ik. ‘We fietsen wel naar de voorkant om je tas te halen.’

Toen ik haar weer op de stang wilde tillen, kwam haar broer om de hoek gerend. Hij hield de tas met een gestrekte arm in de lucht.

‘Ada!’ riep hij. ‘Je tas!’

Met glimmende oogjes trok ze de banden over haar schouders. Ze huilde bijna van opluchting.

‘Dat is lief,’ zei ik tegen Nadim. ‘Maar je had toch ook naar haar lokaal kunnen gaan?’

‘De deuren waren nog dicht,’ riep hij, en rende alweer naar zijn eigen ingang.

Terwijl we door de poort liepen pakte Ada mijn hand. Ze wilde niet loslaten toen het tijd werd om zich aan te sluiten bij haar groep.

‘Vind je het spannend?’ vroeg ik.

Een knikje.

‘Je weet dat je grote broer in de buurt is toch? Als Nadim erbij is kan je niks gebeuren.’

Misschien, dacht ik terwijl ik even later aanzette op weg naar huis, kwam de winst van al die zorgen onze geliefden toe.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Verschrikkelijk

De vakantie had niet gewerkt. Iedereen die ik sprak zei hetzelfde: het was dit jaar onmogelijk om weer te beginnen.

Hoewel ik geen uitsteller ben, schoof ik de klussen en mails als natte truien van me af. De kleinste moeite leek teveel, en zelfs het altijd zo helende koken vond ik stom.

Aanvankelijk dacht ik dat mijn malaise te maken moest hebben met het soort zomervakantie dat we hadden. Niet erg zuidelijk, niet erg zonnig, niet erg overweldigend in natuur en zonsondergangen. Maar twee weken in het bos, een aantal dagen op het platteland en een weekend Parijs zonder een letter te tikken – hoezo was ik ontspannen noch hersteld?

Ik sprak collega Irma, die me vanuit een Zwitsers vakantieadres belde. Ze had er net een maand in Griekenland op zitten, en probeerde nu te schrijven in een zijkamertje terwijl haar vrouw en zoons speelden in de tuin.

‘Het is verschrikkelijk,’ zei ze. ‘Alsof ik van binnen leeg ben, en er nooit meer iets zal komen.’

‘Precies,’ zuchtte ik. ‘De bodem lijkt eruit.’

‘Maar dit kennen we, toch? Dit gaat voorbij. Het beste wat je nu kunt doen is werken, gewoon beginnen. Bijt je vooral niet vast in de frustratie.’ Irma komt vaak snel tot een advies, wat aandoet als een mannelijke eigenschap, al mag je dat geloof ik niet meer zeggen. Hoe dan ook vind ik het prettig, omdat ze daarna niet stopt met luisteren, wat weer heel vrouwelijk van haar is.

Omdat Nadim de laatste maanden van het schooljaar last had van een spanningshoofdpijn die volgens de huisarts bij zijn schouders begon, was ik op zoek gegaan naar een kanootje. Zo eentje waar je óp zit en niet ín, zodat hij er niet mee zou kunnen kapseizen. De betaalbare bleken uitverkocht, dus had ik er voor ons vertrek naar Frankrijk een gereserveerd bij een bedrijf in Wormer.

Deze week kreeg ik een mailtje, en toog er met de kinderen heen om de kano op te halen. Ik spande hem op het dak van onze bejaarde Skoda. Ondanks een gebrek aan spanbanden bleef hij prima zitten tijdens de rit naar huis, en even later gleed de kano de Amsterdamse gracht op. Ik zette Naad erin, tilde Ada met haar zwembandjes op de punt en keek mijn kinderen na.

De zon rolde uit over het water, Nadims bootje leek er een stukje door te worden opgetild. Binnen een paar slagen voer hij recht, behendiger dan ik hem kende, en met een glimlach keek mijn jongen achterom. Al snel waren ze uit het zicht.

Ik wist welk rondje Nadim zou varen omdat ik het met hem besproken had. Over een kwartier zouden ze van links aankomen. Ik ging zitten en strekte mijn benen op de kade. Met mijn rug tegen een voorwiel van de Skoda voelde ik een bijna vergeten rust mijn lijf in wolken. Misschien, dacht ik, voeren ze straks nóg een rondje.

Misschien zou ik vanavond een begin maken aan dat verhaal voor Extra Extra.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Het genie van de Tuilerie

In de ronde vijver van het Tuilerieën park in Parijs varen bootjes rond, door wind aangedreven. Wanneer zo’n zeilbootje midscheeps een duttende eend raakt, zie je die werkelijk geïrriteerd kijken. ‘Weer zo’n snertboot’ zie je haar denken, wat een zeer eendse uitdrukking is. Ik zag nog meer gedierte denken.

We voerden de verwende eenden wat van het uitstekende Parijse brood, dat knispert in je oren, toen we op zeker moment een rijzige zilvermeeuw aan zagen komen varen. Zij posteerde zich tussen de eenden en wachtte netjes haar beurt af, wat al niet echt in character is voor een zilvermeeuw. Toen we haar een klein stukje brood toevoegde gebeurde er iets wonderlijks. De meeuw focuste haar blik op het stukje brood dat ze 15 cm voor haar snavel op het wateroppervlak liet liggen. De aanwezige eenden gingen er in twee rijen van drie naast haar naar liggen kijken.

Er dobberde verwachting…

Als je naar de snavel van de zilvermeeuw keek dan begreep je ook wel waarom ze geen poging waagden. Dit curieus opgestelde groepje hield zich een poosje in deze opstelling. De meeuw keek naar het broodje, de eenden bezaten hun ziel in lijdzaamheid…

We slaakten echt een gil van verbazing toen de zilvermeeuw een knaap van een vis uit de vijver pikte en opvloog, met enige moeite. Want ook een jonge goudkarper weegt wel wat. De eenden stortten zich op het brood.

We hadden een zilvermeeuw leren kennen die met aas vist! Is zij de enige daar, een meeuwgenie, of kunnen er meer dat? Het gedrag van de eenden verried dat het hun redelijk bekend was.

In Nina Burtons Levensmuren. De wereld rond mijn zomerhuis dat we recent uitgaven, staat een beschrijving die in de buurt komt (maar niet zo gewiekst als onze meeuw!) Het is een fijn boek met een plezierige wirwar aan soms ongelofelijke feiten en inzichten over dieren die de auteur aantreft rond het Zweedse huisje dat ze gaat bewonen. Van bijen en hommels tot een flink stuk over mieren. Over dassen en vossen en eekhoorns, geweldig voor wie graag naar diergedrag kijkt.

Diergaarde

Een leeg hok is het volst van kijken
je turen blijft je langer bij
dan alle beesten die je zag.

Chr. J. van Geel (uit Onverzamelde gedichten)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Exact die man

Voor het eerst in tien jaar ging er geen werk mee op vakantie, en dat was mede te danken aan de gruwelijke eindsprint die ik had getrokken. Met het geklik van mijn toetsenbord nog in de oren reed ik mijn gezin naar de Elzas, waar we zouden kamperen omdat doorreizen naar Italië ten tijde van onze planning onhaalbaar had geleken.

Op de camping in het kleine en begrijpelijk onbekende Wattwiller stond ook het gezin van Mark. Mark is directeur van mijn uitgeverij, en bleek in zijn vrije tijd net zo’n fijne gozer als wanneer hij aan het werk is. Onze Ada (4) ervoer haar eerste vakantieverliefdheid en was niet weg te slaan bij Marks zoon Kees (14). Met het oog op een toekomst waarin onze families aan elkaar verbonden zouden zijn, probeerde ik het voorschot voor mijn volgende boek op te krikken.

Er werd gruwelijk weer voorspeld dat uitbleef – Wattwiller ligt in een extreem gelukkig hoekje van een Alp-uitloper, één en al loefzijde. B en ik deden een wijnhuis aan en aten twee keer verrassend goed zonder in gidsen te hebben gekeken. Zoals altijd verging ik elke ochtend van de rugpijn omdat ik uit een geslacht van niet-kampeerders kom en mijn lichaam niet zo adaptief is als mijn geest.

Na twee weken Fruitsland togen we, mild uitgerust, verder naar de meest noordelijke Bourgogne, waar we een huisje gehuurd hadden met een veranda – toch het fijnste woord ter wereld – die uitzag op glooiende graanvelden. Ook hier was het ondanks alle waarschuwingen heerlijk weer.

Na drie dagen Bourgogne kwam Parijs, de etappe waarop de kinderen zich het meest verheugd hadden. Ada kijkt een superheldenserie die zich afspeelt in die stad, en kon niet wachten om er rond te lopen. Nadim (9) had eigenlijk alleen de Eiffeltoren voor ogen. We installeerden ons in een huizenruil-appartement in het vijftiende en liepen er onmiddellijk heen.

Ik herinnerde me de Eiffeltoren veel kleiner en was nog meer onder de indruk dan de kinderen, maar misschien hadden we Nadim moeten voorbereiden op alle clochards en alle Afrikaanse immigranten die prulletjes verkopen. Zwaar getroffen door de ongelijkheid in de wereld sjokte mijn jongen mee. Naast Eiffeltorenaandenkens werden er ook suikerspinnen, crêpes en absurde hoeveelheden snoep aangeboden, een palet dat zo overweldigend was dat Ada er kortsluiting van kreeg.

Ze zeurde om alles wat werd aangeboden, eiste het daarna met gebalde vuisten en wees aansluitend de citroengranité die ze wél van me kreeg af. Daarna nam ze hem toch aan, zoog het rietje vol citrusijsschilfers en spoog die tegen mijn mouw.

Het is belangrijk dat ik eerlijk ben. Ik hoop op je begrip en vergiffenis, maar de lelijke waarheid is dat ik Ada’s granité uit haar hand heb gemept. Ik mepte de granité, niet de hand, als dat nog uitmaakt.

Nadim was hierdoor (en door de ongelijkheid in de wereld als geheel) zó aangedaan dat hij het op een deerniswekkend wenen zette. Nu had ik twee gierende kinderen en een ontstemde vrouw, en op dat moment – dat exacte moment – zag ik mezelf zoals een passant me zou kunnen zien.

Mijn nijdigheid, mijn vermoeide kop, mijn vlekkige campingkleding. Mijn huilende zoon, mijn roodaangelopen krijsende dochter, mijn vrouw die er nu even het zwijgen toe deed om me later nog de oren te wassen. Ik was die man geworden. Exact die man, daar in Parijs, bij de Eiffeltoren.

De kinderen herpakten zich zoals kinderen dat kunnen en de rest van onze dag verliep wrijvingsloos, maar het kan ook zijn dat ze alleen maar probeerden te voorkomen dat ik nog meer snoep tegen de grond zou meppen. In de avond, voor het slapengaan, zei Nadim dat hij wel erg geschrokken was, en Ada moest nog even huilen om haar citroenijsje, waarvan ze nu zei dat het haar absolute lievelingsijs ooit was geweest.

Hoewel ik nog een stevig gesprek verwachtte, zei B alleen dat ik zoiets maar niet meer moest doen. Ze klonk boos noch teleurgesteld, en dus lag ik die nacht lang wakker, me afvragend wat er erger kon zijn dan woede en desillusie.

De volgende ochtend was de lucht strakblauw. We wandelden tot het niet meer ging en huurden toen elektrische stepjes. Na het Orsay kregen de kinderen een suikerspin. Parijs was groot en goed en ik was niet meer die man, maar ik wist nu dat hij nog in me sluimerde, verzekerd van het komen van zijn kans.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

In the woods

Draad

1.

De eerste keer dat ik las over het ‘wood wide web’ was in Robert Macfarlane’s Benedenwereld (2019); de tweede keer was in De eik was hier, het kinderboek dat Bibi Dumon Tak schreef voor de maand van de filosofie 2021. Zij noemt het het ‘wortelwijdeweb’. 

Het www is een verborgen netwerk van wortels en schimmeldraden waarmee, schrijft Macfarlane, bomen voedingsstoffen aan elkaar kunnen doorgeven. Het is, voegt de eik van Dumon Tak daaraan toe, ‘mijn ondergrondse krant’. Het is van levensbelang.

2.

We hebben thuis een stukje grond kunnen bijkopen, wat onze achtertuin met een meter of tien verdiept heeft. Prachtig. Blij mee. Vrije momenten in de tuin: tegels en stenen eruit, planten eruit, oude schuttingen weg, nieuwe erin, dertig kruiwagens zand voor nieuwe terrassen en tegelpad erin gekiept, rug nog steeds oké, sierappelboom laten staan, pruimenboompje verplaatst. Zomerweer. Ik besloot dat tuinieren mijn nieuwe hobby is. Straks fijn de hele zandbak herbeplanten tot een waar Arcadië.

 Het pruimenboompje is twee jaar oud, een meter of drie hoog, iel nog. Ik had hem er al uit, toen ik bedacht eens te gaan googelen wanneer je bomen kunt verplaatsen. Níet in de zomer! ‘Dan gaat hij dood,’ staat op groenepassies.nl. En áls ik een boom wil verplaatsen, dan zou ik al een jaar eerder de wortels ervan hebben moeten ‘rondsteken’, zegt internet. 

Dezelfde dag dat ik de boom uitgroef en een meter of wat achterwaarts weer in de kleigrond plantte, hingen alle bladeren slap. Ik heb hem dagelijks met een gieter vol water verwend, tot het ging regenen en hij dagenlang in een diepe plas stond. Nu zitten er nog een paar bruine blaadjes aan.

3.

Groep acht heeft afscheid genomen. Ouders coronaproof in de zaal, broertjes, zusjes, soms een extended family. Kinderen voor het laatst toegesproken. We noemen dat bij ons de ‘schoolverlatersavond’. Zoals ieder jaar slaap ik de nacht die erop volgt nauwelijks. Behalve het eindeloos terugspoelen van wat er gezegd was en van de emoties die opspeelden, piekerde ik deze keer over iemand die er niet was. Laat ik haar Aisha noemen. Zo aanwezig ze de drieënhalf jaar bij ons op school was, zo afwezig was ze deze avond.

Aisha kwam vier jaar geleden vanuit Syrië, via tentenkampen in Turkije en Griekenland, naar Nederland, samen met haar moeder en twee broertjes. Haar vader was omgekomen bij een bombardement. We vermoedden een trauma, maar hulpverleners hebben tot nog toe hun tanden op haar stukgebeten. Aisha vertelde dat ze vaak nachtmerries had, ze was voor niemand op school bang, erkende gezag als het haar uitkwam, manipuleerde, maakte ruzie, stal als de raven, leek vijftien op haar twaalfde – ze was zo’n meid die van ons vroeg standvastig, ja onvermurwbaar te zijn en haar tegelijk te omarmen. Te verwennen.

Ze was niet op de afscheidsavond. Toen de school eerder die dag uitging, had ze huilend het lokaal verlaten.

4.

Aan welke draden zitten wij vast? En áls het al moet: wanneer moeten wij worden rondgestoken?

Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Voer voor filmfanaten

Mijn reis naar Parijs viel op een uiterst hedendaagse manier in het water. Coronagevallen in de familiesfeer – geen drama verder, iedereen is inmiddels hersteld. Wachtend op het bevrijdende teken had ik alle tijd om enkele dierbare herinneringen aan de stad na te lopen, te mijmeren over de plekken die ik de volgende keer wil bezoeken of terugvinden. Trekt Parijs me juist omdat alles wat ik er beleef gekleurd is door eerdere ervaringen? Kan ik niet beter een plaats bezoeken die geheel nieuw is, proberen te reizen zonder ballast van het verleden? 

‘Je kunt een stad onbevangen tegemoet treden, die bekijken zoals die je voorkomt en de herinneringen zo goed mogelijk verdringen, de vergelijking met de eerste steden uit de herinnering halt toeroepen. Je kunt er ook in opgaan, de stad een nieuw decor laten zijn voor jouw oude theaterstuk,’ las ik diezelfde dagen in 51 manieren om de liefde uit te stellen, de nieuwe roman van Erik Lindner (1968). De stad die in dit boek centraal staat is niet Parijs maar San Sebastián, een kustplaats in het Baskenland. Lindners verteller, een naamloze Nederlandse journalist, is daar om een artikel over de Baskische onafhankelijkheidsstrijd te schrijven. In een café ontmoet hij Karmele, een lokale make-upartieste voor arthousefilms. Ondanks bemoeilijkte communicatie – ‘Karmele spreekt geen Engels en ik geen Spaans, we schuiven voorzichtig wat woordjes Frans naar elkaar toe.’ – is er contact, waar in korte tijd een intense verhouding uit voortkomt. De minnaars zeggen elkaar enkele dagen later noodgedwongen vaarwel, hun werkzaamheden wachten, maar daarmee komt de liefde niet ten einde. Terug in Nederland en op reis denkt de verteller steeds weer aan Karmele. Hij verlangt ernaar haar weer terug te zien en wil haar echt leren kennen.

In een poging dat laatste te bevorderen kijkt hij zoveel mogelijk films waaraan zij heeft meegewerkt. Hoewel Karmele zelf nooit in beeld komt en haar kunst alleen kortstondig op andermans gezichten te zien is, hoopt hij zo nader tot haar te komen. Door te kijken, te interpreteren, te peinzen en te herinneren kan de verteller zijn geliefde nog iets langer vasthouden, en verhinderen dat hun geschiedenis tot het afgeronde verleden gaat behoren.  

De schrijver stelt zich met deze opzet in staat om vrijelijk uit te waaieren. ‘Er dringen zich onophoudelijk verhalen voor de werkelijkheid, films die naverteld moeten worden, scènes die een symbolische lading kunnen krijgen in herinnering gebracht,’ denkt de journalist, en Erik Lindner neemt het allemaal in de tekst op. In korte hoofdstukken essayeert hij soepel en sierlijk over schrijvers als Walter Benjamin, Cesare Pavese en Paul Bowles, de psychologie van de reiziger en het wezen van de herinnering. Maar vooral vat hij een groot aantal van de gekeken films samen. Het relatief elementaire verhaal van de liefdesgeschiedenis wordt daarmee onderbroken door een hele hoop microvertellingen die voor afwisseling en verdieping zorgen – de grote hoeveelheid trivia maakt deze roman absoluut voer voor filmfanaten. Maar ook muziekliefhebbers kunnen in 51 manieren om de liefde uit te stellen aan hun trekken komen. De titel knipoogt vanzelfsprekend naar het bekende liedje van Paul Simon, met dat melige refrein dat Lindner terloops heel treffend typeert, en ook de fenomenale art-punkband Wire speelt een belangrijke rol in het verhaal. 

Toch wordt Lindners proza vooral gekenmerkt door beschrijfkunst. Op een manier die lezers van zijn poëzie bekend zal voorkomen, registreert hij steeds minutieus wat zijn verteller ziet. Veel stadsgezichten, in dit geval, en al is de vertelstem naar mijn smaak te sereen en afstandelijk voor het gekozen onderwerp, weet Lindner met deze passages wel fraai het verlangen naar het vreemde vast te leggen en, in mij althans, op te wekken:

‘Ik parkeer de auto op de rondweg aan de achterkant van de berg, onder de kin van Jezus, en loop langs de weg de stad in. Huizen kruipen tegen de berg op, de hoogte van de daken verschilt. Kinderen kaatsen zwarte schijven tegen een blinde muur, katten slapen op de trappen, hun rug tegen de hoek van de trede. In de kerk waar ik langsloop wordt het orgel gestemd, er klinken langgerekte tonen die op het einde worden bijgebogen. Het pension is een etage waar een familie woont, ik krijg de oude kinderkamer. Een deur in de gang staat open, erachter draait onafgebroken een wasmachine. De knal van de dichtslaande deur klinkt in het trappenhuis als een geweerschot.’ 

De voorkeur van de verteller gaat voortdurend heen en weer tussen herinnering en ervaring, heden en verleden. Op een moment citeert hij enkele prachtige regels van Kees Ouwens (1944-2004), en daarmee lijkt het pleit beslecht: “Ga de zee niet weerzien veertig jaar later. / Geoordeeld zal worden: het is niet de zee, het is water.” Het verrassende einde laat echter zien dat het er in werkelijkheid genuanceerder aan toegaat. De conclusie zal ik niet verklappen, maar voor mij was het reden om na alle overwegingen toch vast te stellen: volgend jaar moet ik weer naar Parijs. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.