Alsof er niets te gebeuren staat

Op de dag waarop ik mijn koffer in zou pakken, werd ik belabberd wakker. Een griepje, dacht ik nog, maar na een uur besloot ik toch even een wattenstaafje in mijn neus te schuiven. Terwijl ik voor mijn gevoel met het stokje tandsteen van mijn brein aan het krabben was, bedacht ik dat ik al een half jaar lang niet meer getest had.

Om de tijd tot de uitslag te doden besloot ik maar wat overhemden op te vouwen en mijn toilettas klaar te maken. Het zou vast een griepje zijn, bleef ik tegen mezelf herhalen: niets aan de hand. De dag erna zou ik gewoon op de achterbank van de Fiat van Ef en Het naar Normandië zitten, en reden we naar het chateau waar Ef met Lena vaak de jaarwisseling had doorgebracht. Dit jaar mochten Het en ik mee, en daar keek ik enorm naar uit. Ik zag ons al lopen over het strand, drinken aan de lange tafel in het chateau, en door de omgeving slenteren. We zouden allemaal aan Lena denken, zodat ze in gedachten nog een beetje bij ons was.

Na drie kwartier vouwen, proppen en inpassen, besloot ik te gaan kijken naar de uitslag. Dat virus zou me niet voor de éérste keer pakken op uitgerekend dit moment, dacht ik nog, maar toen ik keek, zat ik fout. Twee rode streepjes.

Ik appte Ef met het droevige nieuws, en belde even later ook nog met hem. De tranen hoopten op achter mijn ogen. Ondertussen bonkte mijn hoofd als een dansfeest, liep mijn neus als nooit tevoren en brak het zweet me uit. Ef was verdrietig, en ik ook. Ik vroeg hem of Het en hij voor drie wilden genieten, daar, in Normandië. En of hij veel foto’s wilde sturen.

Pas toen ik wat verloren aan de keukentafel zat, besefte ik dat ik voor het eerst alleen zou zijn tijdens de jaarwisseling. De voorgaande jaren was oudjaarsavond een blokkenschema geweest van familiebezoeken en feestjes. Met vrienden besprak ik dan het afgelopen jaar, haalden we herinneringen op en maakten we de balans op van weer een levensjaar. Op de achterkant van een tijdschrift begon ik na een tijdje haast therapeutisch een aantal gebeurtenissen van dit jaar op te schrijven. Toen ik alles doorlas, kon ik me amper voorstellen dat al die zaken in één jaar waren gebeurd. Het is grappig hoe herinneringen als een soort harmonica in elkaar worden gedrukt naarmate de tijd verstrijkt, maar dat je ze ook weer met één handomdraai uit kan trekken:  

Voor de poëzie mocht ik onder meer naar Brussel, Amsterdam en Lille. Mijn koelkast ging stuk. Ik mocht meeschrijven aan een cabaretvoorstelling, had mijn eerste, grote publicatie en begon wekelijks op deze plek te schrijven. Ik hield van drie meisjes, en elke keer dacht ik dat het niet meer zou kunnen. Ik leerde van een dichter op een gala dat dichters niet dansen. In de binnentuin van Nijgh en van Ditmar danste ik toch. Ik haalde weer een keyboard in huis. Ik at oesters én magnetronmaaltijden. Mijn fiets werd gestolen, en ik stal zelf een fietslampje voor mijn nieuwe fiets. Voor het eerst in mijn leven was ik op een bruiloft. De bardames en barmeneren in mijn stamkroeg gingen voelen als familie. Voor een documentaire ging ik naar concentratiekamp Neuengamme. Ik las bijna alles van Carmiggelt. Als stadsdichter schreef ik meer dan ik ooit had verwacht. Door de hele stad zag ik mezelf hangen op aanmoedigingsposters om te stemmen voor de gemeenteraadsverkiezingen. Ik vierde mijn verjaardag. Eén maand lang waande ik me een Amsterdammer. Ik bewerkte Shakespeare en las voor met een vrouwenkoor. Mijn vader gaf me een knuffel. Ik knuffelde de burgemeester. Ik huilde voor het eerst in jaren om een scène uit Casablanca. Madame Bovary was één dag kwijt. Lena en Roem raakten voor altijd kwijt. Ik vond nieuwe vrienden, en een reservesleutel die ik al vijf maanden kwijt was. En in de laatste stuiptrekkingen van het jaar kreeg ik dat virus, op het moment waarop ik het totaal niet had verwacht.

Wat ik nog ga doen, op de laatste dag van het jaar? Ik zet een fles wijn koud, en poets mijn mooiste glas. Dan proost ik met mijn kat. En daarna tuimel ik geruisloos het nieuwe jaar in, zo stil, dat het bijna lijkt alsof er niets te gebeuren staat.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Umwelt

Jakob Johann Freiherr von Uexküll bedacht het: het begrip Umwelt. In Ed Yongs Een immense wereld vormt het het centrale uitgangspunt: we leven in een wereld die elk dier anders waarneemt. Mensen hebben een beetje reuk, een aardig zicht, wat tast en een redelijk gehoor. Deze zintuigen definiëren, begrenzen de wereld die we waarnemen. Voor veel dieren ziet dat pakket er heel anders uit. Een hond heeft een zo ander en scherper toegerust systeem voor geur dat het moeilijk is je voor te stellen hij zijn wereld eruitziet. Misschien kun je het inderdaad nog het best vertalen naar zicht, als je die voorstelling wilt maken. Een hond loopt door een wereld waarin andere dieren en mensen potten verf hebben leeggegooid en er nog einden mee liepen, zodat er druppelsgewijs nog kilometers geel op de straat te zien is, naast oranje en bruin uit andere potten verf. Zoiets? Geeft dat de geurwereld van de hond in mensenogen adequaat weer? We leven allemaal op deze planeet met een geheel eigen waarneming ervan. Dit is in wezen ook waarom literatuur interessant is: de waarnemingen van een ander zien te begrijpen, haar umwelt waarnemen. Niet voor niets is schrijven over waarneming blijkbaar populair: ik kocht ook Ari Turunen De atlas van geur. Waar komen welke geuren vandaan? Hoe nemen we onze wereld waar?

IX
When the blackbird flew out of sight
it marked the edge
of one of many circles.

XII
The river is moving
the blackbird must be flying.

XIII
It was evening all afternoon.
It was snowing
and it was going to snow.
The blackbird sat
in the cedar-limbs.

Dit zijn drie van de dertien manieren om naar een merel te kijken, volgens Wallace Stevens. Het is nogal bevrijdend je te verdiepen in een andere umwelt. Niet alleen omdat je even je eigen umwelt – naar vermogen – kunt verlaten, maar omdat het de wereld groter maakt. Omdat je vanuit een ander perspectief naar dezelfde dingen kunt kijken. Of eigenlijk: zijn ze nog wel dezelfde? Of worden het er meer? In welk geval onze wereld groter wordt: een immense wereld.


Toen de merel uit zicht vloog
markeerde het de rand
van een van vele cirkels.

Dit is bijzonder goed waargenomen, en de kortste samenvatting van de vele andere werelden die je opent door naar dieren te kijken. Wat wij nog net waarnemen in de wereld van een ander wezen, is de rand van maar een van zijn vele keuzes en waarnemingen. Daar begint het pas.

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Jarig

Al vijf jaar had ik mijn verjaardag niet gevierd – ik haat dat gedoe, heb een hekel aan kringopstellingen en vind het altijd een vreselijk geforceerd en gefingeerd moment. De laatste jaren heb ik me verscholen, ging ik heel even langs bij mijn ouders en verstopte ik me in de omhelzing van mijn woning.

Dit jaar heb ik me voor het eerst niet verscholen. In mijn stamkroeg praatte een vriendin haar mond voorbij, en vertelde dat ik binnenkort jarig was. Mijn gezelschap meldde luidkeels dat die dag niet geruisloos voorbij mocht gaan, en voor het eerst stemde ik in met een kleine festiviteit. Niet thuis, zonder die lullige kaasjes en worstjes en vooral zonder slingers en cadeautjes.

Ik zou, net zoals iedere andere, doodgewone doordeweekse dag, in de kroeg zitten, en wie wilde aanschuiven, was welkom. Omdat een aantal mensen die op het moment van de beraming van mijn verjaardag in de kroeg al had toegezegd, appte ik wat mensen met de mededeling dat ik niet ondergedoken zou zijn de nacht van mijn verjaardag, en dat ze welkom waren, als ze dat wilden. Ik had me vergist in de animo: als je vijf jaar je verjaardag niet viert, wil kennelijk iedereen erbij zijn, als je het wél viert. Later plakte ik er nog een dag achteraan, omdat een aantal mensen er graag bij wilde zijn, maar omdat ze van ver moesten komen of verplichtingen hadden, en omdat twaalf uur ’s nachts geen optie voor hen was, vroegen ze of ze ook op de dag zelf mochten komen. Geen verplichting, geen verwachting en vooral geen officiële viering van weer een jaar dat ik overleefd had, meldde ik er nog bij.

Op de avond voor mijn verjaardag streek ik neer in de kroeg, en tot mijn verbazing was ik razendsnel omring door een groep van fijne, lieve mensen die allemaal tot twaalf uur wilden wachten. Het was een bont gezelschap van vrienden, kroegmaten en gastheren- en vrouwen van mijn stamkroeg. Toen de klok twaalf sloeg, en ik al half van de kaart was, werd een halve liter bier gebracht met een brandende feestkoker die aan het glas was vastgeplakt. Op mijn verzoek werd er Maarten van Roozendaal gedraaid, en kwamen de flessen jonge jenever tevoorschijn. Er werd geknuffeld, gejuicht en vooral gedronken. Om drie uur wankelde ik tevreden naar huis, is me later verteld.

Ik heb mijn halve verjaardag geslapen. In de avond sleepte ik me naar mijn ouders, kreeg ik toch een cadeau, en was ik stiekem heel gelukkig dat ik het toch gevierd had, en dat ik even bij mijn ouders was. De kater bonkte tegen alle kanten van mijn hersenpan, maar toch liep ik om een uur of acht weer de kroeg binnen, omdat daar een groep van genodigden zich weer had verzameld.

De avond verliep net zoals de avond ervoor: er werd weer ongedwongen gedronken, geproost en gevierd. Ik voelde me jarig, maar op een goede manier. Bijna alle mensen die ik liefhad hadden zich ook op die avond weer verzameld, en dronken alsof het een lieve lust was. Ik heb geconstrueerd dat ik onomstotelijk gelukkig was, praatjes heb gemaakt met iedereen, en van alle kanten drankjes aangeboden kreeg. De kroeg werd een kolkend heelal en heel even had ik het gevoel dat ik het middelpunt mocht zijn. Mijn vrienden draaiden liefdevol om me heen.

Een van de weinige dingen die ik nog goed weet, is het moment waarop ik de kroeg rondkeek, al die lieve mensen zag, en dacht: dit is hoe ik het had gewild. Dit was hoe ik altijd mijn verjaardag wilde vieren. Geen gedoe, geen formaliteiten, maar mijn stamkroeg gevuld met de mensen zonder wie ik niet zou weten hoe te leven.

De kater duurde drie dagen, maar het was het waard. Ik was jarig geweest, had het verstrijken van weer een jaar gevierd, en ik was ontroerd door alle mensen die tijd hadden vrijgemaakt om naar de kroeg te komen. Ik was zelfs heel even emotioneel geweest, en had bijna gehuild, om het feit dat ik bestond, om het feit dat ik me mag omringen met zo veel lieve mensen, om hoe mooi het was geweest. En weer schalde dat nummer van Maarten van Roozendaal door de kroeg.

Het was mooi. Om te janken, zo mooi. Ik denk dat ik volgend jaar wéér mijn verjaardag vier.

Beeld: Chanou van Kampen

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Nadagen

Na een midweek schrijven in het ongelooflijk fijne Bergense familiehuis van Rinske, reed ik Ivo terug naar zijn huis in Oost. We praatten minder dan we meestal doen, misschien omdat we elkaar de afgelopen avonden veel gesproken hadden, misschien omdat we allebei sip waren dat onze tijd buiten de tijd erop zat.

Het was helder en koud geweest, het strand verlaten, het duinzand lag bezaaid met ijskristallen die schitterden in het maanlicht. Onze late wandelingen waren een hallucinante ervaring.

Dagenlang werkten we met zijn vieren in een woonkamer van dertig vierkante meter – Rinske en ik aan de uiteinden van de eettafel, Ivo en Rob aan bureautjes voor de ramen. Natuurlijk had Ivo de plek met het mooiste uitzicht en was hij daar totaal niet geconflicteerd over.

Als we hem niet gedwongen hadden, zou hij de kamer overdag alleen verlaten hebben om te roken of te piesen. De drang naar het grote buiten kwam van Rob en in mindere mate van Otis de Hond, wat best een verrassing was.

Voor mij was dit de tweede keer dat ik met andere schrijvers ergens aan de slag ging. We werkten ieder aan ons eigen project, dus je zou je af kunnen vragen wat er dan qua werk te winnen is, maar er was iets met de stilte. Die was dieper dan alleen de afwezigheid van geluid, leek een eigen textuur te hebben: alsof normale stilte van gebleekt papier was en de onze van corduroy, een bedding die uitnodigde tot werken en het makkelijk maakte om te blijven zitten. In de woonkamer werd tot zeven uur ‘s avonds getikt en gezwegen.

Ik heb mijn vrienden beter leren kennen: Ivo ratelt op zijn toetsen en zucht zo nu en dan, staat op, gaat elders zitten, tuurt van een afstandje verstoord naar zijn scherm, maar keert er altijd weer naar terug. Rinske brandt een kaarsje naast haar laptop waardoor ze nét genoeg licht heeft om te kunnen werken en verdwijnt dan in die cocon van kaarslicht, in een capuchon van haar eigen haar. Rob tikt snel en vrij geruisloos met die lange dunne pianistenvingers van hem, daarna wil hij steevast weten wie er mee naar buiten gaat.

Wat ik herkende in de anderen: we doen dit werk om erin te kunnen verdwijnen, en dat gaat op een of andere manier nog beter als je met zijn allen in één ruimte zit. Ik geloof dat ik na een dag of twee – omdat ik degene was die kookte – als enige nog ongeveer wist hoe laat het was.

Het huis was een omhelzing, de vriendschap ook – het werk, niet te vergeten.

Toen ik Ivo had afgezet en thuiskwam had ik voor het eerst in maanden een gevoel van ruimte om me heen. Alsof ik iets van dat corduroy, van die tijdloosheid mee kon nemen het gewone leven in. Die nacht sliep ik dieper dan ik meestal doe, en ontwaakte uitgerust. Ik stapte op de fiets en reed naar de markt voor mijn wekelijkse boodschappen. Het licht in de Jordaan was om te janken, zo mooi. Ik maakte er een foto van.

Omdat B naar een hotel was met haar zus draaide ik de zaterdag alleen met de kinderen, nam ik mijn tijd voor alles. Pas toen ik met de mooiste groenten die ik had kunnen vinden thuiskwam en alles weg begon te bergen besefte ik dat Ada twee uur geleden al naar zwemles had gemoeten.

Ik vertelde B erover toen ze thuiskwam, en zij herinnerde zich wat ze die nacht had gedroomd: bij mij was beginnende dementie vastgesteld, voor de kleine dingen kon ze niet meer op me bouwen.

Hoezeer ik ook hoop dat ik niet dement word: zo’n fijne zaterdag heb ik tijden niet gehad.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.

Osipov!

Ik had een aantal studiegenoten van biomedische wetenschappen verteld dat ik woensdagavond naar een feestje bij Maxim Osipov zou gaan. (Osipov gaf het feestje ter afsluiting van het vak over Russische korte verhalen en novelles dat hij het afgelopen semester in Leiden had gegeven.) Dus, toen ik de dag erna, moe, na college met hen zat te praten, vroeg een meisje: ‘En? Hoe was het feestje in Amsterdam, nog veel wodka gedronken?’ Terwijl ik een wegwerpgebaar maakte, antwoordde ik: ‘Ach man, veel te veel gedronken.’ Het hele groepje barstte in lachen uit.

Maar ik hoorde ergens een haan kraaien. En op mijn tong lagen de woorden die ik aan mijn zin wilde toevoegen, maar ik kreeg de kans niet; het groepje was op een ander gespreksonderwerp overgeschakeld, een of andere kerstballenborrel en hoeveel zin ze daarin hadden. Ik deed er het zwijgen toe en schaamde me.

Ja, ik had meer gedronken dan ik normaal drink (normaal drink ik namelijk niet, dus meer drinken is makkelijk). Ja, iedereen op dat feestje zat lekker te drinken. Maar daar ging het helemaal niet om, het was bijzaak. Het drinken was, in ieder geval totdat ik wegging, ondergeschikt aan het gesprek. En de gesprekken gingen over literatuur, van Tolstoj en de dagboeken van Casanova die iemand aan het lezen was tot Arnon Grunberg, Tommy Wieringa en Simon Vestdijk; over muziek, van de kamermuziek van Beethoven en de strijkkwartetten van Sjostakovitsj tot de grote symfonieën van Mahler. De drank was ik allang vergeten toen ik thuis in bed lag. Maar waarom zei ik dan dat ik te veel had gedronken? Omdat zij daarnaar vroeg natuurlijk. Maar dat is niet het hele antwoord. Ik zei het ook omdat ik het gevoel had dat het raar zou zijn als ik eerlijk was. Het is wellicht stoerheid, maar veel van de gesprekken die ik bij mijn studie en elders hoor, gaan over hoeveel iemand nu weer heeft gezopen en hoe die van zijn fiets is gelazerd en alles heeft ondergekotst en waar en wanneer het volgende feestje is. Er is een jongen die altijd smakelijk vertelt hoe hij de avond tevoren is getript op wiet en drank. Hij gebruikt dan steevast het woord ‘escaleren’ (‘toen escaleerde het echt enorm’). Een soort van Niemand in de stad, maar dan slecht.

Toen ik voor het eerst de collegezaal bij Maxim Osipov betrad, merkte ik al meteen dat daar over hele andere dingen werd gepraat. Ik had me ingeschreven voor het vak omdat ik erg onder de indruk was van Osipovs eerste bundel korte verhalen en omdat ik wel eens wat literatuuronderwijs wilde volgen. Ik viel in een warm bad. Hier kon ik de naam Kafka laten vallen terwijl ik wist dat iedereen die aanwezig was, wist dat hij (1) een schrijver was en (2) dat hij De gedaanteverwisseling had geschreven; hier had men (1) van Oorlog en vrede gehoord en (2) men had het gelezen! (Of was het aan het lezen.) En belangrijker nog: de meeste mensen die ik sprak hadden meer gelezen dan ikzelf. Ik kon mijn hart ophalen.

En ik weet heel goed dat ook onder literaire figuren en literatuurstudenten veel gefeest en gedronken wordt, ik probeer niks te romantiseren, maar het verschil is, zo lijkt het: ze doen het, maar praten er niet over, ze praten over andere dingen.

Ik heb al die dinsdagmiddagen van de colleges genoten. Ik heb schrijvers gelezen die ik anders pas veel later of misschien wel nooit gelezen zou hebben: Babel, Leskov, Platonov. Vooral van Platonov ben ik erg onder de indruk en ik denk dat ik zijn verzamelde verhalen op mijn verlanglijstje zet. En ik heb werken gelezen die ik anders misschien wel links zou hebben laten liggen: Hadzji Moerat van Tolstoj, De zachtmoedige van Dostojevski, verhalen van Nabokov. Er is zoveel geschreven, dus het is goed als je soms ‘verplicht’ wordt iets te lezen.

En het heeft mijn liefde voor korte verhalen extra aangewakkerd omdat ik ontdekt heb hoeveel er mogelijk is binnen een verhaal. We hebben een heel spectrum aan verhalen besproken, van de absurditeit van Gogol en de alledaagsheid van Tsjechov tot de emotionele, bijna dichterlijke verhalen van Platonov.

En de colleges hebben ervoor gezorgd dat ik nog meer van de Russische literatuur ben gaan houden. Ik zal er nog meer van lezen. Dat weet ik zeker. 

Terug naar mijn ‘moment of shame’. Terwijl mijn studiegenootjes een spel kaarten tevoorschijn haalden en verder spraken over hun kerstballenborrel, wilde ik zoveel zeggen. Dat het mij niet ging om het drinken. Dat het mij ging om de colleges van Osipov en zijn diepe basstem die hilarische en ontroerende anekdotes over zijn eigen leven en de levens van de schrijvers vertelde. Dat ik Platonov had ontdekt. Dat ik nu veel aan Platonov dacht, aan hoe zijn verhalen mij zo raakten en dat ik nog steeds niet snapte waarom. Dat ik voor het feestje anderhalf uur met iemand door een ijskoud Amsterdam had gelopen, terwijl we spraken over Heijermans en over Frank Martinus Arion. Dat ik die jongen eigenlijk nog niet heel goed ken, maar dat we ondanks dat een gesprek gaande konden houden, omdat we literatuur geweldig vinden.

Maar ik zei niks en keek toe hoe zij de kaarten deelden. Ze vroegen aan mij of ik meespeelde, maar ik schudde mijn hoofd en keek toe hoe ze speelden. En om een of andere reden, moest ik denken aan De schoppenvrouw van Poesjkin. Stiekem hoopte ik dat ze na dit potje, faro/stoss zouden spelen… Dat zou bijna van een Gogoliaanse absurditeit zijn.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

Een oude kaart van de riviermonding van de Marowijnerivier, waar het wrak van het schip in de buurt zou liggen

Lading

Wanneer schrijfster en historicus Cynthia McLeod je vraagt om langs te lopen voor een gesprek maak je je agenda vrij. Dus rij ik richting het huis van McLeod op een bewolkte vrijdagochtend.

Vanwege het herdenkingsjaar slavernijverleden komend jaar is er veel belangstelling vanuit onder meer de Nederlandse media voor Suriname. Er komt weer een Nederlandse filmploeg naar Suriname en zij gaan op een aantal plekken opnames maken, waaronder opnames in het district Marowijne. Daar willen ze stilstaan bij de tragedie van het slavenschip Leusden. McLeod vertelt mij aan de telefoon dat ze graag wil dat ik, aangezien ik in de media werk en mij ook bezig hou met de geschiedenis en cultureel erfgoed, de ploeg ondersteun. Zij heeft het zelf druk met andere zaken dus kan zich niet volledig toeleggen op het project.

“Wat weet je precies over het slavenschip Leusden, Kevin?,” vraagt McLeod. Ik zeg dat ik wel weet dat het schip gezonken is in de Marowijne rivier met een groot aantal tot slaafgemaakten aan boord. Ik weet ook dat jaren later Leo Balai onderzoek ernaar heeft gedaan en gepromoveerd is op dit onderwerp, dus dat vertel ik haar ook. Of dit een goede zet was weet ik niet, maar McLeod geeft aan dat ze mij van wat meer context wil voorzien, dus als ik even langs kan lopen.

Ik parkeer mijn wagen op het grasperk voor het huis van McLeod dat deels uit hout is opgetrokken en statig staat op de hoek van twee bekende straten van Suriname. Bij de poort word ik welkom geheten door twee blaffende honden. McLeod haar kleinzoon die enkele ogenblikken daarna naar buiten komt, verleent mij toegang tot het terrein. De honden volgen nauwlettend mijn tocht naar binnen, ze vallen mij niet aan. Ik loop naar het achterterras waar ik McLeod aantref die mij aangeeft om tegenover haar plaats te nemen.

De masterclass gaat van start. Ze schuift twee boeken naar mij toe, het proefschrift Het slavenschip Leusden van Leo Balai en het boek Tutuba, het meisje van het slavenschip Leusden van haar.  Die moet ik gaan lezen. In grote lijnen brengt ze mij wat details bij. Ze legt uit dat het slavenschip speciaal gebouwd was om grote aantallen tot slaafgemaakten te vervoeren. Leusden had al negen keer succesvol tot slaafgemaakten vervoerd van Afrika naar Suriname. Bij de tiende keer nam een andere kapitein de leiding over, kapitein Jochem Outjes. Na bijkans zevenhonderd tot slaafgemaakten te hebben ingeladen vertrok het schip. Een stuks of achttien goed uitziende tot slaafgemaakte vrouwen werden ergens anders op het schip ondergebracht. Tijdens de reis mocht de bemanning van hen gebruik maken. De reis was voorspoedig, het weer werkte mee, ze waren al binnen zes weken voor de kust van Suriname en waren maar een klein aantal, maar twintig tot slaafgemaakten, kwijtgeraakt.

Muisstil luister ik naar hoe McLeod het aangrijpende verhaal vertelt. Het is moeilijk te beschrijven hoe fascinerend ze haar vertellingen doet.

De plekken, omgeving en personages: aan het beschrijvingen daarvan besteed ze haar tijd waarna ze het verhaal in een mooi tempo vervolgt. Het kost me geen moeite om me in te leven.

Tijdens de jaarwisseling slaat het noodlot toe, de  kapitein komt erachter dat ze niet binnenvaren in de Suriname rivier, maar in de Marowijnerivier. Bij het keren kwam het schip vast te zitten bij een zandbank, tijdens de manoeuvres om het schip los te krijgen ontstond er een gat en begon het schip te zinken. De kapitein gaf de bemanning de opdracht om de benedenruimtes waar de tot slaafgemaakten waren dicht te spijkeren want hij wilde niet het risico lopen dat de tot slaafgemaakten hen zouden aanvallen. De bemanning en enkele tot slaafgemaakten overleefden de ramp uiteindelijk. Het slavenschip Leusden was zijn lading kwijtgeraakt, zo werd de kwestie afgedaan. De bemanning werd niet gestraft en er werd niet meer over gesproken. Eeuwen niet. Tot Balai stuitte  op de ramp tijdens zijn onderzoek en het uit de doeken deed.

Ze neemt een adempauze. Ik blijf ook stil. Het voor mij bekend verhaal raakt mij toch weer. Kroesvee en lading, zo werden de tot slaafgemaakten omschreven in de archieven. Zo werden ze gezien, ze waren geen mensen. McLeod heeft na toestemming van Balai de novelle geschreven waar ze het onderzoek persoonlijker maakte door het vanuit het perspectief van een tot slaafgemaakte te bekijken. Sindsdien zijn er al drie zoektochten naar het slavenschip georganiseerd. Gelokaliseerd is het nog altijd niet.

Ik vertrek met huiswerk, het lezen van de aangeboden literatuur en het besef dat er zich veel wreedheden hebben voltrokken tijdens het slavernijverleden van Nederland in Suriname.  Het gedeelde verleden waarbij mensen door Nederland als handelswaar werden beschouwd: lading die voor productie en winst bij voorkeur levend aankwam op de bestemming. Maar niet ten koste van alles: liever dood dan vrij, want ze zouden zomaar in opstand kunnen komen, en dat zou onfortuinlijk zijn.

Als we dit verhaal in context plaatsen van de kwestie rond de excuses begrijp je hoe belangrijk het bieden van excuses door Nederland aan Suriname is. Het zijn excuses voor alle misstanden die hebben plaatsgevonden in het slavernijverleden, voor alle misdaden door mensen tegen andere mensen, en de pijn die daarvan het gevolg is. Pijn waar mensen nog steeds aan lijden vandaag de dag. Dus er kan en er mag niet licht worden omgesprongen met de excuses. De lading moet goed worden gedekt dus moet er genoeg tijd worden uitgetrokken om het rechtvaardig te doen en met respect voor de nazaten van de tot slaafgemaakten in Suriname.

Foto van Kevin Headley
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Sjaal

Terwijl de feestvierders zich volgoten en zich lieten dragen door de ondraaglijk harde, haast toonloze muziek, stond er een meisje stilzwijgend naast me. Ze drukte haar lichaam net zo krampachtig tegen de muur, werkte net zo vastberaden biertjes naar binnen en stond net zo ongelukkig naar de vierkante postzegel te kijken waarop de aanwezigen stonden te pronken met hun losse, soepele ledematen. We spraken niet, maar ik voelde in onze opstelling een vage vorm van verbondenheid.

Na een paar biertjes was ik aangeschoten, en vond ik het tijd om het huisfeest gedag te zeggen en ik tijgerde naar de deur. Ik trok mijn jas onder de stapel van andere jassen vandaan, zocht naar mijn sjaal, die ik in mijn mouw had gestopt, maar vond niets. Na wat binnensmonds gevloek begon ik te graaien in de jassenhoop.

Mijn sjaal leek te zijn opgelost in het niets. Ik hoorde hoe de deur openging en de muziek de smalle gang vulde. Toen de deur weer dicht ging, leek de herrie uit de huiskamer weer verder weg. Er stond een meisje naast me. Het was het meisje dat eerder naast me tegen de muur had gestaan.

‘Zoek je iets?’ vroeg ze, terwijl ze in één keer haar jas vond, de sjaal uit haar mouw haalde en omknoopte.

‘Dat,’ zei ik, ‘dat zoek ik.’ Ik wees naar haar sjaal.

‘Hoe ziet ‘ie eruit?’ vroeg ze en ik wees weer naar haar sjaal.

‘Een beetje zoals die van jou, dezelfde kleur Alleen met strepen, in plaats van ruiten.’

‘Ik help wel even zoeken,’ zei ze en hurkte naast me. We ploeterden ons samen door de jassen.

Na een minuut hadden we alles doorgespit, maar niets gevonden. Ik begon te twijfelen of ik het ding wel om had, toen ik aankwam.

‘Laat maar,’ zei ik, en kwam weer omhoog. ‘Ik koop wel een nieuwe.’

‘Weet je het zeker?’ vroeg Sjaal en ik knikte vastberaden.

We liepen samen naar buiten, waar ik een sigaret opstak. Sjaal keek het pakje bijna uit mijn zak.

‘Wil je er een?’ vroeg ik, en ze lachte.

‘Eigenlijk wel. Maar ik rook alleen op feestjes, hoor,’ mompelde ze.

‘Dat zeggen ze allemaal.’ Ik gaf haar een sigaret en hield mijn vuurtje bij haar gezicht. Ze had kleine sproetjes rond haar neus, lange wimpers en felblauwe ogen. Ik voelde hoe er een vraag over mijn tong kroop en tegen mijn lippen aandrukte.

‘Nou, ik denk dat ik dan maar moet gaan,’ zei Sjaal, maar bleef staan.

‘We kunnen ook nog even wat gaan drinken? Misschien valt de avond nog te redden,’ zei ik zo zelfverzekerd mogelijk, en haar mondhoeken krulden.

‘Ik ken wel een leuke kroeg,’ zei ze en begon te lopen. Ik versnelde mijn pas om naast haar te komen en we liepen samen de binnenstad in.

We streken neer in een kroeg waar ik nog niet eerder geweest was, en kozen een tafeltje achterin. De muziek stond zacht, zodat we elkaar goed konden verstaan. Sjaal bestelde een witte wijn en stak een vermakelijke tirade af over het gebrek aan wijn op huisfeestjes, en ik bestelde een biertje en gaf af op huisfeestjes in het algemeen. Ze vertelde over de vriend die haar had uitgenodigd op het feestje, ik vertelde over de vriendin, en we verbaasden ons over het feit dat we allebei vaak op plekken kwamen, waar we eigenlijk helemaal niet wilden zijn. We spraken over bijna alle grote thema’s in het leven, behalve over de liefde.  

Het verbaasde me hoe soepel en fijn ons gesprek verliep. Sjaal stelde goede vragen, leunde op haar gebalde vuist als ik antwoord gaf en lachte veel. Ik probeerde uit te leggen wat voor werk ik deed en maakte wat grapjes over dichters. Ze vertelde dat ik de eerste dichter was die ze ooit had ontmoet. Sjaal was niet de eerste rechtenstudente die ik had ontmoet, maar wel de leukste, biechtte ik op. Ze bloosde toen ik het zei. Na ieder leeg glas liepen we naar buiten om samen te roken, en dat loopje werd gedurende de avond, die al bijna nacht was geworden, steeds minder recht, maar dat deerde ons niet.

Na de laatste ronde werden we vriendelijk verzocht om te vertrekken, en dat deden we, licht mokkend. Buiten sloeg de vrieskou ons om de oren. Onder de blikken van de straatlantaarns stonden we stilzwijgend tegenover elkaar. Het duurde maar een paar seconden, maar het leek een kleine eeuwigheid, en ze keek me de hele tijd recht in mijn ogen aan.

‘Ga je me nog zoenen?’ vroeg ze, en ik zoende haar. Ze zoende terug, ging met haar koude hand door mijn haar, en streek daarna zacht over mijn wang. Ik legde mijn hand op haar dij, schoof voorzichtig door naar haar billen en raakte met mijn andere hand haar oor aan. Sjaal liet haar hand van mijn wang afglijden naar mijn kraag, greep de stof vast en trok me nog dichterbij.

‘Misschien,’ zei ze na een minuut, toen ze haar voorhoofd tegen mijn voorhoofd drukte, met haar hand nog steeds door mijn haar ging en licht hijgend warme wolkjes in mijn gezicht uitademde, ‘misschien moeten we het hier bij laten.’

Ik boog mijn hoofd iets naar achter, keek haar aan, beet even op mijn lip en knikte.

‘Sorry,’ zei ze, terwijl ze haar lijf nog steeds tegen mijn lijf aan had gedrukt.

‘Waarvoor?’ vroeg ik.

‘Gewoon.’

‘Niet nodig.’

Ze knoopte haar sjaal los, en bond het om mijn nek.

‘Hier,’ zei ze. ‘Dan heb je er weer een. Niet kwijtraken!’

Ik wilde alles zeggen, maar zei niets. Ze trok de sjaal recht, stopte het uiteinde in mijn jas en zoende me kort, voor de laatste keer.

‘Misschien kan je me ooit nog een keer bellen,’ zei ze, draaide zich om, en liep weg. Ik keek haar na en plukte wat aan de sjaal. Vlak voordat ze de hoek omsloeg, keek ze kort achterom. Ik zwaaide, op de meest onflatteuze manier, maar ze zwaaide net zo onhandig terug.

Pas halverwege mijn wandeltocht naar huis, toen de kou zich over mijn hele lichaam had verspreid, realiseerde ik me dat we geen nummers hadden uitgewisseld.

Ik had alleen de sjaal. En die zou ik niet meer kwijtraken.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Dat Amersfoortse

Ik was er al om halfzeven – vroeger dan aangekondigd, maar de stadsdichter haalde me zonder morren op bij het station. Terwijl we door het donker liepen, het generieke stationsplein achter ons latend, vertelde Twan dat hij die ochtend rond vijven was gaan slapen. Ik keek zijdelings naar zijn heldere oogopslag en verzorgde uiterlijk, zijn vlotte pas. Vierentwintig, dacht ik. Jezus.

Twan Vet is zo’n twintiger bij wie ik mezelf er steeds aan moet herinneren hoe jong hij is, waarschijnlijk omdat hij de zelfoverschatting en semi-leugenachtigheid mist die ikzelf op zijn leeftijd had. Misschien is het inderdaad beter om niet te bukken als het leven klappen uitdeelt. Dan heb je die maar vast gehad en zit je later met veel minder gêne.

Als aangenomen Amsterdammer ben ik van het ergste slag: vaker in het buitenland dan buiten de ring, en altijd schichtig als ik naar een andere Nederlandse stadskern moet. Liever naakt door Teheran dan naar de Hilversumse kermis. Maar Twan had zo liefdevol geschreven over zijn Amersfoortse stamcafé Van Zanten dat mijn bezoek vanavond voelde als een bedevaart. Daarnaast was ik als gast van de stadsdichter onschendbaar.

De lockdowns tijdens de pandemie hebben me laten zien hoe wezenlijk het cafébedrijf is, hoe cruciaal zo’n huiskamer voor een buurt kan zijn. Zowel op het internet als live dwalen we steeds rond in de bubbel die ons wordt aangedragen; zelfs als we uit eten of naar het theater gaan is dat zo. Alleen in buurtwinkels die geen supermarkt zijn en in het café op de hoek is er nog kans op een gesprek met omwonenden uit een andere laag.

Na tien minuten lopen door een binnenstad die verbaasde door schoonheid en een bijna gewijde stilte op deze vrijdagavond, kwamen we langs een afgeladen café. Het zal aan onze route gelegen hebben, maar het voelde alsof we uit de tijd gevallen waren en nu – al was het maar voor even – droomden van een vol café.

‘Hier is het,’ zei Twan, en drukte zijn sigaret uit in de asbak van een terrastafeltje. Hij hield de deur open en ik stapte naar binnen. Vanavond, besloot ik, zou ik Twans gastvrijheid belonen met de beste versie van mezelf.

Elk oogcontact bleek vriendelijk. Hoewel er geen zitplek meer vrij was vonden we na één biertje al twee krukken. Twan stelde me voor aan de barmannen, die meteen mijn naam onthielden. Steeds als we naar buiten gingen zodat ik een jointje kon roken, waren onze zitplaatsen daarna bezet en moesten we verkassen; de hele kroeg leek verwikkeld in een goedmoedig soort stoelendans.

Het personeel was vriendelijk, gul en zeer professioneel. Nooit meldde ik me met tegenzin aan de drukke bar – ik twijfelde er niet aan dat ik gezien werd, zo snel mogelijk geholpen zou worden. Had je eenmaal een zitplaats dan kwam er altijd wel iemand met een schort langs om je lege glas te vervangen door een vol.

Ik leerde Twans vrienden kennen en vond het uitstekend volk. Hoewel sterk uiteenlopend van leeftijd waren ze allemaal warm en geïnteresseerd. Ik kreeg zin om meteen een tweede bezoek aan Amersfoort vast te leggen, maar ken mijn eigen kroegenthousiasme inmiddels wel en wist me in te houden. Morgenochtend zou ik een heldere evaluatie maken en verdere excursies op basis daarvan plannen.

Toen het in me opkwam te vragen hoe laat het was, bleek de laatste trein al weg. Mijn beoogde vertrek was daardoor opgerekt met tweeënhalf uur, wat ik als uitstekend nieuws opvatte. Ik vroeg Twan of hij de tijd voor me in de gaten wilde houden – hoe heerlijk is dat? – en verloor me weer in het Amersfoortse.

‘Gil,’ zei hij na schijnbaar vijf minuten. ‘We moesten maar een beetje gaan wandelen.’

Ik scheurde me los uit Van Zanten, liet me naar de trein lopen en merkte dat ik misschien wat veel gedronken had. De vertrektijden op de informatieborden wilden niet stilstaan, maar goddank was er personeel dat gewend leek aan lamme Amsterdamse bijna-vijftigers. Niet veel later zat ik in de intercity die me – over Utrecht, dat dan weer wel – om halfvijf terug in mijn stad zou hebben.

Ik was verre van alleen in het treinstel. Tegenover me zaten twee studentenmannen die terugkwamen van een tegenvallend feest; de jongens waren zó chagrijnig dat ik er de slappe lach van kreeg, daarin de dame naast me meetrekkend.

Toen ik een uurtje later mijn elektrische tandenborstel in mijn mond stond te houden schaalde ik de omvang van de kater die me wachtte best hoog in, maar bij ontwaken viel het mee: de opgedane oxytocine woog ruim op tegen de brakheid en het slaapgebrek.

Ik appte Twan dat hij zijn stad uitmuntend vertegenwoordigd had, bakte een ei en vertelde B over Van Zanten, beseffend dat ik toch écht een stamcafé mis, eigenlijk al sinds de sluiting van BAR BEP op de Nieuwezijds.

Het ergste sloeg pas later in: Twan was tien toen dat gebeurde.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.

Kostbare kleinoden

Wachtend op een reactie van enkele literaire tijdschriften, ben ik maar begonnen een wat langere tekst op papier te zetten. Ik heb de afgelopen maanden zoveel korte verhalen geschreven dat ik nog zeker een jaar lang teksten naar tijdschriften kan blijven sturen (zeker als de tijdschriften op dit tempo blijven reageren).

Ik loop al lang rond met dit verhaalidee. In een van mijn eerste pennenvruchten beschreef ik dit thema al en de afgelopen jaren zijn er steeds kleine nieuwe elementen bijgekomen: iets wat ik heb meegemaakt dat er goed inpast, een bepaald beeld of een indruk, een uitspraak van iemand, een nieuwe gedachte die ertoe leidde dat ik meer diepte in het verhaal kon leggen. Ik hoop dat het de lengte houdt die ik nu voor ogen heb: een korte roman. Ik houd van korte romans.

Uiteraard, Oorlog en vrede is schitterend en ook over De ontdekking van de hemel hoor je me niet klagen, maar er is iets aan korte romans dat mij enorm aantrekt (laat ik een korte roman definiëren als een boek van maximaal 200 pagina’s). Een kleine zijweg: ik kom tegenwoordig, op borrels en laatst ook bij mijn studentenbadmintonvereniging, regelmatig mensen van mijn leeftijd tegen die Oorlog en vrede hebben gelezen en het schitterend vinden. Een van de badmintonners zei dat hij nu bezig was in Dode zielen, ook geen dunnetje. En afgelopen mei had ik zelfs met iemand een gesprek over Doctor Faustus (de rechtenstudent in kwestie probeerde mij ervan te overtuigen dat ik dat boek móest lezen). Het zijn overigens voornamelijk mensen die een studierichting in de geesteswetenschappen of rechten doen die die dikke boeken lezen: bij mijn eigen studie (biomedische wetenschappen) zijn de literaire geesten ver te zoeken. De enige lezers daar zeggen dat ze alleen in het Engels lezen omdat het Engels een wereldtaal is en daarom een betere literatuur heeft. Het Nederlands is geen wereldtaal en daarom is onze literatuur slecht. (Dat literatuur uit Scandinavische landen internationaal hoog wordt aangeslagen en dat de IJslander Halldór Laxness ooit de Nobelprijs voor literatuur heeft gekregen weten ze niet, net zomin als dat ze ooit van Rijneveld en zijn Booker Prize hebben gehoord.) Ook onder de docenten is de kennis van literatuur wat dun gezaaid: laatst hadden we een inleidend college over wetenschapsfilosofie waarin een arts een citaat van Bertrand Russell gebruikte en hij sprak (echt waar) de naam van deze Nobelprijswinnaar uit als Bertrân Ruselle (op zijn Frans dus). Maar wat ik wil zeggen: onder de studenten die niet aan de medische faculteit studeren valt de leescrisis waar veel over gesproken wordt volgens mij wel mee.

Terug naar de korte romans. Een andere badmintonner, een Amerikaan, vertelde me afgelopen zaterdagnacht (tijdens een studentikoos glow-in-the-dark-badmintontoernooi) dat in Zuid-Korea, waar hij enkele jaren als journalist heeft gewerkt, novelles en korte romans worden beschouwd als volwaardige, grote literaire werken: ‘They are looked upon as novels, as a separate art form,’ zei hij. Na hier nog wat over doorgepraat te hebben, verklaarde hij dat mensen in Zuid-Korea ervan houden om korte verhalen en korte romans te lezen. Hijzelf ook. Ik vroeg hem waarom. Mijn vraag bleef helaas onbeantwoord, omdat we op dat moment weer moesten gaan badmintonnen, maar laat ik die vraag eens aan mijzelf stellen. Ik houd ook van korte verhalen en kortere romans. Waarom?

Ik vind het leuk als een verhaal plotseling midden in een bepaalde situatie begint en dat die situatie onder het lezen steeds duidelijker wordt (zoals bij De gedaanteverwisseling van Kafka) of juist steeds absurder (zoals bij De neus van Gogol). Daarnaast heb ik het gevoel dat er in korte verhalen en korte romans vaker een grote drive naar voren valt te ontdekken: er is maar één verhaallijn die het verhaal voortdrijft en het verhaal ontvouwt zich daardoor ook sneller, wat leidt tot vaart. Ik ben minder geneigd om het boek even te laten rusten (De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa heb ik bijvoorbeeld in één avond uitgelezen). Paradoxaal genoeg gaat het mij niet per se om het verhaal zelf, maar meer om hoe het verhaal is uitgewerkt: de sfeer, de beelden, de taal. Misschien kan er zelfs beargumenteerd worden dat een goede uitwerking ook zorgt voor een zekere drive of drang: een mooie beschrijving kan ervoor zorgen dat je blijft lezen, omdat je benieuwd bent naar de volgende mooie beschrijving. Wellicht is ‘interesse’ de juiste term: het is bij een korte roman of kort verhaal makkelijker om interessante elementen in het verhaal in te bouwen omdat je ze niet hoeft uit te werken of uit te melken. Als je van De neus of De gedaanteverwisseling een roman zou maken, zouden de verrassende elementen denk ik verwateren, waardoor deze werken niet meer die frisheid zouden hebben die ze nu hebben.

Tot slot vind ik raamvertellingen prachtig en ik heb tot nu toe weinig dikkere romans gevonden die als een raamvertelling zijn opgebouwd terwijl er veel korte romans zijn die deze vorm hanteren (mijn korte roman is overigens ook een raamvertelling). Ik heb bij raamvertellingen altijd het gevoel dat ik naar iemand zit te luisteren die een verhaal vertelt of een geschiedenis op papier heeft gesteld (zoals in Ethan Frome van Edith Wharton). Er klinkt voor mijn gevoel een duidelijke stem in door en dat vind ik prettig: het verhaal voert me dan veel meer mee.

Ik moet echter wel zeggen dat ik na enkele korte romans gelezen te hebben, ook altijd weer zin heb in een langere. En omgekeerd geldt dat ook: na enkele langere romans heb ik weer zin in een korte. Maar goed, hierdoor ontstaat er balans.

En nu ga ik weer schrijven.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

Vijftien jaar

Na een slopende schrijfavond schuifelde ik de Boothill binnen en hees mezelf op een kruk. Ik wilde eigenlijk niet gaan, want ik was vermoeid, lag overhoop met een gedicht en wilde verdwijnen in het werk van iemand anders, maar toch was ik gegaan.

Er werd me een koud flesje toegeschoven over de bar. Jol, Swiet en Eef zaten er al en waren druk in gesprek. Omdat ik altijd even tijd nodig heb om uit mijn hoofd te raken na het schrijven, luisterde ik naar hun gesprekken en keek tevreden wat rond.

Aan mijn rechterkant zat iemand een glas rode wijn te drinken. Ik knikte even, herkende haar nergens van en draaide me weer naar de rest toe. Swiet was uitgedost in het oranje: er was net voetbal gekeken – er was iets met het Nederlands elftal en de winst – en ik biechtte op dat ik sinds mijn vijftiende niet meer naar voetbal had gekeken, en dat dit WK wel het slechtste toernooi zou zijn om weer te gaan kijken, maar dat ik vroeger wel Van der Sar wilde worden. Het werd me vergeven.

Ik raakte met Eef, huisgenoot en vriendin van Swiet, aan de praat. Ze haalde Hegel aan, citeerde Aristoteles en Plato en ik probeerde mezelf vrij te pleiten met het feit dat ik Latijn in mijn eindexamenpakket had, in plaats van Grieks. Eef bleek een fervent lezer, en ze liet me wat verlegen haar Goodreads (mijn favoriete app na Thuisbezorgd) zien: Orwell, Tolstoj, Austen, maar ook Marx, Fry en Darwin. Dit was een serieuze lezer, dacht ik, en weinig dingen maken me zo gelukkig als leuke gesprekken met leuke mensen over boeken met een biertje voor mijn neus, dus vuurden we boekentips op elkaar af, gaven af op dat boek van Bregman en ventileerden onze fascinatie voor 1984. Eef met al haar aandoenlijke bescheidenheid, ik nog net niet met dubbele tong. Het meisje aan mijn rechterkant had zich inmiddels voor ons langs in een gesprek gestort met Jol en Swiet en ik herkende haar nog steeds niet.

Na ongeveer een uur sprak een van de barmannen me aan.

‘Jij bent Twan, toch?’

‘Ja, dat ben ik, denk ik,’ zei ik en perste een glimlach op mijn gezicht.

‘Ik heb bij jou op de basisschool gezeten! Wesley, weet je nog?’ zei hij en zijn ogen begonnen te fonkelen.

‘Jezus, ja!’ riep ik uit. ‘Wes! Van De Marke!’

Wes knikte en schudde me de hand. Vanaf groep drie was ik bevriend geraakt met Wes, maar ik verhuisde en sindsdien hadden we elkaar nooit meer gesproken. Het meisje aan mijn rechterkant wendde zich naar me, en staarde me een tijdje aan.

‘Wacht, heet jij Twan?’ zei ze, en bleef me aankijken. Ik knikte bevestigend. Er viel niets meer te ontkennen.

‘Sharon! Ik ben Sharon! Ik ben je oude buurmeisje!’ riep ze nu uit. Haar ogen werden groot en ze sloeg haar hand voor haar mond.

‘Jij was vroeger mijn beste vriendin! Sharon! Jeetje, Sharon!’ stamelde ik, terwijl er flitsen van mijn jeugd door mijn hoofd schoten. Het leek alsof de verwarming tien graden hoger was gezet. We omhelsden elkaar, bleven nog ruim een uur in een bijna verlammende staat van verbazing en blijdschap en probeerden vijftien jaar bij te praten in één avond. Sharon was mijn oude buurmeisje, en we waren vroeger onafscheidelijk. Er waren weinig dingen die we zonder elkaar deden. Omdat ik verhuisde rond mijn achtste, had ik haar nooit meer gezien. Toch was ik haar nooit vergeten: zij was de dappere, ik de bange en ik had meerdere malen geprobeerd haar op te zoeken de afgelopen vijftien jaar, maar het leidde altijd tot niets.

Ik was nooit vergeten dat ze, wanneer ik iets niet aandurfde, altijd zei: ‘Als ik het kan, kan jij het ook.’ Door haar had ik mijn zwemdiploma gehaald, omdat ze die woorden tegen me riep toen ik het water niet in durfde te duiken. Ik had die zin in de jaren daarna nog vaak tegen mezelf herhaald, met haar in mijn achterhoofd. Tot het moment waarop ze al een uur lang naast me had gezeten, en we elkaar totaal niet meer hadden herkend.

Bijna was ik niet de stad ingetrokken, en dan had ik Sharon gemist. Wie weet hoe lang het had geduurd voordat we elkaar dan waren tegengekomen, sterker nog: of we elkaar ooit nog waren tegengekomen. Maar het was gebeurd: na vijftien jaar zat mijn beste vriendin weer naast me op een kruk. We waren allebei groter, ouder en een beetje wijzer geworden, maar het voelde nog steeds als vroeger. Als ik met mijn ogen knipperde, zat dat meisje van negen weer naast me, met haar lange haren, in een bloemenjurkje, met de onbevangenheid die toen om haar heen hing. En ik was weer heel even het jochie met de stekeltjes, in een tuinbroek, met zwemangst.

Ik keek de hele avond opzij, om er zeker van te zijn dat ze er écht was. Het was zo. En ze ging niet meer weg. We wisselden nummers uit, omhelsden elkaar nog een keer stevig, en spraken af om de volgende ontmoeting niet weer vijftien jaar uit te stellen.  

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman