Kroeggeluk

Al vanaf het moment dat ik legaal mag drinken, kom ik in dezelfde kroeg in Amersfoort: Van Zanten. Mijn vrienden gingen in de laatste stuiptrekkingen van hun tienertijd naar clubs, naar cocktailbars, naar loodsen waar zo hard gesprongen werd op stampmuziek, dat je er waarschijnlijk centimeters korter vandaan kwam. Ik zat in die tijd al in de kroeg met wat gelijkgestemde leeftijdsgenoten, maar vooral met mensen die mijn vader of moeder hadden kunnen zijn, of ouder – ik kreeg gratis levenslessen van ze, en soms ook gratis bier.

Een goede kroeg is meer dan een overkapte bar. Overal kan je naar de toog lopen, een biertje bestellen en gaan zitten, maar in mijn stamkroeg is dat voor mij maar een klein onderdeel van het kroeghangen. Het is een van de weinige openbare plekken waar ik zonder twijfel naar binnen stap. Het interieur is dat van een ouderwetse, bruine kroeg, het licht is gedimd en de muziek is bijna altijd fijn. Vaak zit er iemand die ik ken – van gezicht, of van de vage gesprekken die we eerder hebben gevoerd. Vaste kroeglopers onthouden elkaar, denk ik, misschien zelfs als een soort vergeefse geheugentraining.

Deze week zat ik er met een jeugdvriendin, die ik had meegesleept om bij te praten. Toen we aan een tafeltje in een hoek zaten, vroeg ze me waarom ik hier eigenlijk zo vaak kwam, en wat er zo speciaal aan was. Van Zanten is zo’n vast gegeven voor me geworden, dat die vraag niet eens meer in me opkwam. Ik boog wat naar voren, vouwde mijn handen in elkaar, en probeerde uit te leggen waarom ik zo van die plek hield.

‘Omdat iedereen achter de bar aardig is,’ mompelde ik.

‘Dat heb je wel op meer plekken,’ antwoordde de jeugdvriendin snel.

‘Omdat ze de moeite nemen om mijn naam te onthouden, en ik die van hen. En omdat ze altijd een praatje aanknopen.’

‘Dat is beroepsdeformatie,’ lachte ze snedig.

‘Omdat ik het gevoel heb dat dat niet zo is. Omdat het altijd lijkt alsof ze het fijn vinden dat ik er ben. Omdat ik het fijn vind dat zij er zijn. Omdat ze tot mijn leefwereld en mijn bestaan zijn gaan behoren. Omdat ik ze op een vreemde manier vertrouw, en dingen toevertrouw.

‘Daar heb je ook vrienden voor.’ Ze nam een slok van haar Guinness.

‘Omdat ze Guinness hier op de tap hebben,’ vulde ik aan. ‘En omdat ze hier de mooiste kopstootjes inschenken, met een kop en belletjes. Omdat ze altijd iets aanraden wat goed is.’

‘Alleen daarom?’

‘Omdat,’ ging ik verder, ‘hier nooit rottigheid is. En omdat er altijd een gemoedelijke sfeer hangt.’

‘Oké, maar dat heb je ook in –’

‘Omdat ze hier de beste tosti’s maken. Omdat ik, wanneer ik buiten sta te roken, naar een uitzicht kijk dat niet gaat vervelen. Omdat ik hier, toen ik negentien was, de eerste date had met mijn eerste grote liefde. Omdat ik hier zat nadat ze mijn hart brak. Omdat ik hier ook kwam, nadat anderen mijn hart braken, of toen ik de harten van anderen had gebroken. Omdat ik hier kwam met Helene en Fred, en nu met Fred alleen, en ik altijd het gevoel heb dat ze nog bij ons zit. Omdat het licht ’s middags, als ik zit te schrijven, zo mooi door het glas-in-lood op de tafel kan vallen. Omdat ik hier nieuwe mensen heb leren kennen. Omdat ik hier afscheid heb genomen van mensen. Omdat ze geen frituursnacks serveren, maar gehaktballetjes, nacho’s en oesters. Omdat ze een schuifdeur hebben, en omdat mevrouw Van Zanten daar de wacht houdt. Omdat ieder moment hier een schouwspel is, en omdat hier verhalen wonen. Omdat hier heel Amersfoort samenkomt, wie je ook bent en wat je ook doet. Omdat ik hier ook altijd terecht kan. Omdat het leven hier op z’n krappe plek lijkt te vallen, als ik in het schip van deze kroeg zit en de wereld ongenadig langs ons heen snelt. Omdat ik me hier altijd thuis voel, een gevoel van thuis dat ik zelfs niet in mijn eigen huis heb. Omdat ik hier, op een goede avond, het gevoel heb dat ik een beetje besta.’

De jeugdvriendin zweeg en keek me aan. Het leek alsof ze alle redenen in haar hoofd opstapelde tot een wankele toren. Ze keek even de kroeg rond, nam een slok van haar doodgeslagen bier en tooide zichzelf met een begripvolle glimlach.

‘Ik denk dat ik het begrijp,’ grinnikte ze, licht van haar stuk gebracht. ‘Wil je nog een kopstootje?’

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn gedichten werden gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Hij blogt wekelijks voor Tirade.