Anne-Marieke Samson zondagse gastblogger april 2014

Anne-Marieke Samson, die in het jongste nummer van Tirade haar papieren prozadebuut maakt, die vorige week in de Van Oorschot Pop-Up Store haar literaire voorleesdebuut maakte, en die dit najaar als romancière zal debuteren met De val van Jacob Duikelman, debuteert aanstaande zondag als blogster op Tirade.nu.

Gedurende de maand april zal Samson iedere zondag een nieuw stukje voor ons schrijven.

Tirade kijkt ernaar uit!

Anne-Marieke Samson (1981) studeerde Nederlands en taalwetenschap en werkt bij het Ministerie van Justitie.

Tiradethe choice of a new generation.

Une journée à Paris

Mijn dochter had één of ander filmpje gezien over een sierraad van Van Cleef & Arpels. Of ze dat via internet mocht bestellen. Anders moest je er helemaal voor naar de Place Vendôme, Parijs. Juwelen via internet? Nee. Dat vond ik te kil.

‘Weet je wat? Papa gaat die glittertjes gewoon even zelf voor jou ophalen.’

‘En mag mama dan mee?,’ zei mijn vrouw.

‘Van mij mag alles, lieve schat, dat weet je.’

Zoals gewoonlijk – comme d’habitude, zou ik haast zeggen – boekten we een suite in het *****.  Van te voren nog even overleg: pakken we de auto? Of nemen we de trein? Maar ik ben gek op rijden. En met mijn weggedrag ligt Parijs om de hoek, dat kan ik je verzekeren.

Eenmaal daar: beetje flaneren in het park en langs de Seine, lekker in de zon zitten. Lichtgele omeletten eten in één of andere brasserie en elkaar ’s nachts, op de hotelkamer, eindeloos voorlezen uit dat heerlijke, Franse deel van Julio Cortázars Rayuela (1963).

Parijs is best een romantische stad – als je er maar oog voor hebt. Én als je bereid bent er zelf ook een beetje je best voor te doen!

Na het ontbijt keken we nog eens naar dat filmpje over die ketting en dat hangertje die de aanleiding vormde voor onze reis. Het gaat om deze zestig seconden: 

 

 

 

Kale bomen, keihard licht, lange schaduwen. Modellen in plaats van acteurs – geen mensen als protagonisten, maar bewegende etalagepoppen. In visueel opzicht is het filmpje weinig geslaagd. Toch fascineert het.

Waarom? Waar gaat het over?

De commercial opent met een camerastandpunt boven de hoofdrolspelertjes, dat geeft meteen het terugblikgevoel van de volwassene. Toepasselijk, want dit filmpje gaat over liefde die bleek voorbestemd.

De manier waarop de jongen en het meisje in het openingsshot vanuit de schaduw het licht in lopen, versterkt de sensatie van een opgeroepen herinnering. Let op de ballonnen: op 0.04 sec, als de tros in de volle zon komt, strijkt het licht er zo snel overheen dat het net is of er in de ballonnen lampjes aangaan.

Vanaf het moment dat het jongetje het meisje aanraakt lijkt hun liefde gepredestineerd. Iedere Freudiaan ziet dat er wel eerst twee blauwe ballonnen moeten rijpen voordat de romance werkelijk opbloeit. Dit alles voltrekt zich tegen de achtergrond van het grootste fallussymbool van Frankrijk.

Mijn vrouw en ik hebben het filmpje (laptop, hotelbed) wel dertig keer bekeken. Op het laatst kregen we er helemaal de slappe lach van – bij die glimlach + kus aan het eind stroomden de tranen over onze wangen. Wat een onhandige pumps draagt dat meisje! Wat een raar sjaaltje heeft die jongen! Wat een mal filmpje! Wat een lieve, dromerige, rare dochter hebben we eigenlijk!

Eenmaal voorbij de lach kwamen we tot de slotsom dat we het slechte filmpje erg goed vinden.

Het wordt gemaakt – of gered – door de onderliggende waarheid: iedereen is voorbestemd zijn oudere zelf te worden. Je hele leven verander je en tegelijk blijf je je oude zelf – die verwarrende, universele metamorfose hebben de makers gevangen in een piepklein verhaal. De relatie die de protagonisten met zichzelf hebben is eigenlijk belangrijker dan de relatie met de ander. Opeens voel je de spanning tussen het relatief onvergankelijke (gebouwen, conservatieve mode, menselijke drijfveren en dromen) en de sterfelijkheid van het individu.

Mijn vrouw en ik zijn ons hier natuurlijk zo goed van bewust omdat we dit proces van opgroeien en veranderen – van aankondigen en inlossen – zelf van dag tot dag volgen bij onze eigen dochter.

Het beste moment in dit filmpje: het meisje dat de jonge vrouw die zij zelf geworden is passeert. Allebei in regenjas, allebei in panty. Het meisje op platte schoenen, de vrouw op hakken. In deze sequentie wordt opeens wél goed geacteerd, vooral door de aarzeling die uit de lichaamstaal van beiden spreekt. Wil ik jou wel worden? Wil ik jou wel geweest zijn? Kun je je voorstellen dat ik ooit jou was? Kun jij je voorstellen dat je op weg bent mij te zijn? Dacht jij dat ik jóu wilde worden? Dramatisch: de regie volgt de jonge vrouw, voor het meisje zijn the fifteen seconds of fame voorbij.

Nou ja, kijk zelf nog maar een keer:

 

 

Het afstandelijke en statische camerawerk, de bleke art direction en de houterige montage – we krijgen in één minuut 23 knips en, aan het eind, één overvloeier te verwerken –  worden opgepept door de soundtrack van The Chase (Marseille). Meisjesstemmen, gitaren, handengeklap, het ruisen van de maracas. Een vervormd kopstemmetje en natuurlijk het elektronische orgel dat aan het einde bijna als een accordeon klinkt.

Lekker. Maar ook interessant. De tweede stem die er vanaf 0.31 bijkomt, lijkt namelijk een elektronisch bewerkte afsplitsing van de stem van leadzangeres. Zoals kind/puber en puber/jongvolwassene steeds samen in beeld verschijnen en één personage vertolken, zo is ook het zingen een gespleten eenheid. Als dat geen diepere waarheid uitdrukt, dan weten mijn vrouw en ik het ook niet meer!

Nog één keer kijken dan.

Hé… wat een raar einde eigenlijk… zo met die paraplu! Wat moeten we daar nou weer van denken? Dichtgeklapt is het een fallussymbool, uitgeklapt een regenscherm… Waarom heeft die keurige jongen op een mooie dag een paraplu bij zich? Is hij een meteorologisch genie? Of gewoon een zware pessimist?

De paraplu is hier een symbool van bescherming, exclusiviteit en intimiteit. En van controle. Want een vrouw mag natuurlijk best nat worden – graag zelfs! – maar liever niet door factoren van buitenaf. En bovendien graag op het moment dat het de man het best schikt. Samen onder een symbool van vochtigheid naar het grootste fallussymbool van Europa staren. Ik vind het romantisch.

‘En die ballonnen met die draadjes eraan zijn net zaadcellen,’ zei mijn vrouw.

‘Als in sperma?’

Uiteindelijk hebben we maar een ander sierraad meegenomen. De subtekst van dit werkje werd ons een beetje te goor voor een schoolmeisje!

Zo, nu ga ik snel weer verder met mijn liefdesgedicht voor Birre van der Loo.

‘Hahaha, schitterend!’

Tirade – oog voor schoonheid.

Soundtrack: Patricia Fromage – Mon mec à moi.

Volgende week: ‘Che sorpresa!’ – Francesco Lucarotti in de bocht.

Het opgroeien van de schrijver (V, slot)

Vorige week zondag maakte ik een aantekening – “De noodzaak!!” omdat mijn vriendin het daar over had. 

Ik heb er een week over na kunnen denken, maar ik kwam er niet uit. De noodzaak. Ik weet nog niet hoe ik dat voor mezelf toe moet passen, dat begrip.

Ik ben gaan schrijven omdat ik als kind tekende. Poppetjes op grote vellen papier, en terwijl ik tekende, beleefden die poppetjes avonturen in mijn hoofd. Ik ontdekte dat je die poppetjes nog een keer kon tekenen in een andere situatie en dat je dan een strip had. Toen ik vijftien, zestien was, liep ik vast met strips, omdat de poppetjes niet beter werden, maar de verhalen in m’n hoofd vroegen om betere poppetjes. Ik ben toen de verhalen in m’n hoofd op gaan schrijven. Veel science fiction, grote gebeurtenissen. 

Na dat tekenen was het schrijven een noodzaak, kan je zeggen. Ik had verhalen in mijn hoofd die eruit moesten. 

Pas later ben ik van de SF afgestapt en ben ik gaan schrijven wat ik ken, en daar werden de verhalen een stuk beter van. Wat ik ken is Amsterdam Nieuw-West, grauwheid, geweld. Ik ken nog veel meer, natuurlijk, ik heb liefde, geluk en schoonheid leren kennen. Maar liefde en geluk, dat schrijft niet, en ik heb niet de aandrang daarover te schrijven, niet de noodzaak. Ik wil over die wereld schrijven omdat die wereld me fascineert. Maar als je het over deze noodzaak hebt, heb je het al over een noodzaak die binnen in de grotere container van het moeten schrijven zit. 

In de papieren Tirade die nu in de winkel ligt, staat een artikel van Martijn Knol over Infinite Jest van David Foster Wallace, en Martijn zegt in dat stuk: “Wallace was ervan overtuigd dat geen kunstvorm je indringender kan laten ervaren hoe rijk de innerlijke wereld van andere mensen is dan de roman.” Dat vond ik wel mooi: misschien heb ik de maatschappelijke noodzaak om met mijn laatste roman (Van dode mannen win je niet) de lezer indringend te laten ervaren hoe een vrouwenmepper in elkaar zit. 

Misschien word ik ongelukkig als ik niet schrijf. Dat zou kunnen; ik heb vaak sterke behoefte te schrijven en ik weet niet precies wat er gebeurt als het schrijven me om de een of andere reden onmogelijk wordt gemaakt. Het zou aan alle ideeën en verwachtingen over de romantiek van het schrijven voldoen als dat mijn noodzaak blijkt te zijn.

Bij het opgroeien van de schrijver hoort het ontdekken van je eigen noodzaak, denk ik. Maar wat is nu mijn noodzaak? En als nu blijkt dat ik geen behoorlijke noodzaak heb, kan ik dan niet beter stoppen?

Ik ben er nog niet uit. Ik ben nog aan het opgroeien.

———————-

Walter van den Berg (1970) is deze maand Tirade’s zondagse gastblogger. Van den Berg publiceerde tot op heden – behalve vele kortverhalen, columns en reportages – drie romans: De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2013). In Tirade 449 vind je zijn prachtige kortverhaal Voetbalkantine, in Tirade 450 een heftige ‘tirade’.

Dit was de laatste zondagse gastblog van Walter van den Berg. Later deze week maken we bekend wie onze ‘aprilse’ gastblogger wordt.

Austin, 29 maart 2014

tegelwijsheid-brief3Lieve Gilles,

‘Alles van waarde is weerloos’, ken je die uitdrukking? Deze woorden staan op de binnenkant van je onderarmen getatoeëerd. Ik herinner je er nog maar even aan, want je weet hoe het gaat: zodra je iets opschrijft, is de kans groot dat je het meteen weer vergeet. Het staat genoteerd, dus hoef je het niet meer te onthouden.

Ik ben bepaald niet het type dat te pas en te onpas klassieke filosofen aanhaalt, maar Socrates koesterde om bovenstaande reden een diepgeworteld wantrouwen jegens het geschreven woord. De retorica, de kunst van het spreken, zou erdoor verdwijnen, vreesde hij. In zijn tijd was het normaal dat politici en wijsgeren urenlange redevoeringen uit het blote hoofd konden voordragen. Tenminste, dat heb ik ergens gelezen. Zoiets vergt veel tijd en oefening, dus schoten andere, eveneens belangrijke bezigheden zoals scheren en persoonlijke hygiëne erbij in. Op mij komen al die wijze Grieken nogal smoezelig over. Vieze ouwe mannetjes met opgeheven vingertjes en luizen in hun baard. Maar Socrates had wel een punt. 

Zelf heb ik geen tatoeages. Mijn lichaam is – op een paar ontsierende littekens na – nog net zo’n onbeschreven blad als toen ik werd geboren. Wel beschik ik over een sterrenstelsel aan moedervlekken, vooral op mijn rug. Als je al die stippen met een viltstift met elkaar zou verbinden, krijg je een treffend portret van Michael Gorbatchov, inclusief wijnvlek op zijn voorhoofd. Fraai is het allemaal niet, maar zo is de natuur. Ik zie geen enkele reden om daar iets aan toe te voegen.

In Austin ben ik een buitenbeentje. Iedereen ouder dan veertien heeft hier minstens drie tatoeages. Alsof het bij wet verplicht is. Sommige mensen lopen erbij als een wandelend kladblok vol gedachteloze doodles, doorhalingen en half afgemaakte zeemeerminnen. ADHD op de huid. Die figuren doen me denken aan Leonard (Guy Pierce), de verwarde hoofdpersoon uit de film Memento, die hopeloos verdwaalt in de geheugensteuntjes op zijn lichaam. Wanneer is een boodschap belangrijk genoeg om onuitwisbaar op je lijf te schrijven?

Afgelopen weekend heb ik een jongen ontmoet die zich bewonderenswaardig goed heeft weten te beheersen. Van tepel tot tepel, in een halve cirkel op zijn perfect gemouleerde, karamelkleurige borstkas stond slechts één rijkelijk gekrulde tekst: ‘Wit beyond measure is man’s greatest treasure’. En inderdaad, hij bleek een zeer vermakelijke gesprekspartner, zeker voor zijn leeftijd. Voordat ik hem wilde uitnodigen om op een rustig plekje wat dieper op de zaken in te gaan, vroeg ik hem waar hij dat citaat vandaan had.

Its from the Bible”, antwoordde hij met de zelfverzekerdheid die bij een twintigjarige hoort, terwijl jij en ik allebei weten dat het uit Harry Potter komt. Het leek me niet opportuun hem hierop te wijzen, dus zei ik maar dat ik zelf niet religieus ben opgevoed.

Behalve een gemankeerd historisch besef kan ook een gebrek aan een vooruitziende blik problemen opleveren. Jaren geleden werd mijn moeder, die zelf goed kon tekenen en schilderen, voorgesteld aan het nieuwe vriendje van ons buurmeisje. Of liever gezegd: vriend, want hij was de maanden ervoor flink aangekomen. Ze kon haar ogen niet van die jongen afhouden.

“Wat heb jij daar een rare, scheefgetrokken leeuwenkop op je schouder”, merkte ze op. Diplomatie was niet haar sterkste kant. Door zijn toegenomen vetreserves was de afbeelding compleet uit proportie gegroeid. Mijn moeder is nu dood, maar die leeuw is misvormd voor het leven. 

‘Alles van waarde is weerloos’. Soms denk ik dat jij hier zoveel beter zou aarden dan ik. Je hebt er in ieder geval het hippe baardje en de tatoeages voor. In dat geval zou jij – en niet ik – verworden tot een fictief, translucent karakter, een zelfgecreëerd monster dat kleine kinderen uit hun slaap houdt. Ik koester onze vriendschap, dus doe ik mijn best om de cowboy te zijn die je voor ogen hebt. Ik oefen mijn turende blik in de verte van de prairie, maar sla stuk tegen de Wells Fargo toren aan de overkant van de straat. Ik drink lokaal gebrouwen bieren direct uit het flesje, maar snak naar een glas melk. Niets van hier is mij op het lijf geschreven. Wat je ook probeert, lieve Gilles, en waar ik ook ga; ik blijf wie ik ben. Een provinciaal in den vreemde, een tabula rasa waarop jouw inkt maar niet wil drogen.

 Ondanks alles, dikke zoenen,

– Your man in Texas –

 

Arjen

 

 

 ___________________________________________________________________________________________________

 Elke zaterdag op Tirade.nu: de briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Een gedicht over de liefde

Op dit moment – terwijl u nog vol bent van nummer 453 – wordt er door de redactie gewerkt aan het volgende Tiradenummer. 454 zal voor een groot deel gewijd worden aan het in mei in Amsterdam te houden Amsterdams Poëziefestival. Ik als poëzie-analfabeet bewaar respectvol afstand bij de inrichting van het nummer, en probeer me van de kleine taak die ik heb zo goed mogelijk te kwijten. 

Van ieder van de redactieleden zal een gedicht worden opgenomen, en aangezien mei de maand van de liefde is… Nou ja.

Ik weet niet hoe Marko zich erover voelt, maar voor Lieke is dichten aangetoond geen probleem. Martijn maakt nergens een probleem van, hij zal deze uitdaging aangaan met hetzelfde enthousiasme waarmee hij dagelijks zijn veters strikt, zijn tanden poetst en zijn vaste drie bladzijden Nietzsche uit het hoofd leert* nog voordat de rest van Nederland de ogen opent.  

Een liefdesgedicht schrijven als je gelukkig getrouwd bent met degene waarvan je houdt  is vreselijk lastig. Mocht een belangrijke ander nog niet weten van je gevoelens of er niet van willen weten, blij zijn met je gevoelens maar een terminale ziekte hebben, blij zijn geweest met je gevoelens maar liever met een ander verdergaan of overleden zijn, dan is het makkelijk. 

Aangezien de deadline voor 454 voor de deur staat, heb ik me er de laatste dagen – Kom op Gil! Denk als Martijn Knol! Schouders naar achter! Grrrr! – aan gezet. Het pijltje is al bijna van mijn backspaceknop gesleten. Tot dusver heb ik dit:

 

Op onze eerste ochtend zei ik nooit naar het examen 

van een gezamenlijk kind te zullen gaan

 

je antwoord, wat je verder zei,

niets wilde irriteren

gekmakend hoe je niet

voorspelbaar werd

 

je rolde naar me toe

als jonge lijven na het buitenzwemmen

waardoor opeens ook: zon en touw en natte planken

warme cassis, zonnebrand

een harde baddoek,

rimpelhanden… 

 

soms vroeg je me

waarheen ik dwaalde

en ik haatte je dan niet

 

zoveel geduld, wilde ik weten,

wil ik nog steeds: waarom je bleef

 

 

Om wanhopig van te worden. Op het moment van schrijven doet het al geen recht meer aan mijn relatie of zelfs maar het begin ervan. Ik maak de dingen zowel te klein als te groot, en het einde is een inkopper. Ik weet ook dat Birre er meer van verwacht. In die zin is zo’n gedicht als het vinden van het perfecte cadeau voor iemands laatste verjaardag**. 

Gelukkig heb ik één ding mee: ik heb het telefoonnummer van Lieke Marsman. En daarna bel ik Martijn Knol, om me moed in te laten spreken. 

 

 

 *Als u hem tegenkomt: vraag het eens. Ik geloof dat hij nu halverwege  Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben is. 

** Onmogelijk.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Waarom ben je boos op mij, liefste?

Leigh Fermor op Ithaka in 1946

Patrick Leigh Fermor rookte 80 tot 100 sigaretten op een dag en was befaamd om zijn sterk gestel. Op zijn 96ste overleed hij, de avond dat hij overleed had hij eerst nog aan tafel gedineerd. In 1933, op 18-jarige leeftijd besloot jij van Hoek van Holland naar Constantinopel te lopen. Leigh Fermor publiceerde daar twee boeken over, recentelijk verscheen postuum het derde Broken Road. From the Iron Gates to mount Athos. Het is samengesteld uit aantekeningen en korte stukken die hij schreef, het is hem bij leven nooit gelukt het af te maken. De eerste twee boeken, A Time of Gifts (1977) en Between the Woods and the Water (1986), waren een groot succes. Dit derde boek is ook erg goed. Leigh Fermor beschrijft in zijn reis door Bulgarije een van de zalige reismomenten dat hij na dagenlange ontberingen onderdak komt bij een Brits diplomaat, en daar tot grote begeestering een Encyclopedia Brittanica aantreft: ‘What miracles such things appear after a primitive life!’ Dit reis boek bestaat uit encyclopedische informatie over de geschiedenis van de bewoners van de gebieden die hij bezoekt. En uit prachtige ontmoetingen, en droevig afscheid nemen.

‘I went to say goodbye to Nadejdas grandfather next day. He had insisted that I should do so although it was hardly dawn (I had been to see him often during my three days’ stay). He gave me an old leather-bound copy of Fauriels Chants populaires de la Grèce and asked me to greet the Parthenon for him when I reached Athens. He had never been there, ‘et maintenant je ne le verrai jamais…’ He uttered this with the sadness of a Muslim speaking of Mecca. Nadejda kept me company as far as a little wood about three miles to the north of the town, walking arm in arm. Here she gave me a parcel of bread, halva, cheese, boiled eggs, apple, a circular wooden flask full of slivo and, as a parting present, some six packets of English cigarettes which she must have slipped out and bought in secret. The bearded bluejacket’s head on the packet was hidden under band upon band of import- duty stamps: she could no more afford them than I could. I was deeply  moved. We were both overcome by emotion; we parted only after many long and only half twin-like hugs. Slowly and very reluctantly we turned away at last to our opposite directions, feeling suddenly forlorn, and looking round to wave: hoping that, from a distance at any rate, these flourished arms looked more cheerfull than their owners felt.’

In de bus iets eerder hort hij de boeren een liedje zingen waarvan hij de woorden Зашто Ми Се Срдиш Либе (Waarom ben je boos op mij, liefste?) en de melodie onthoudt om het later na te zingen, en zingen kon hij, zie P.S. Onze eigen Encyclopedia Brittanica stelt mij  makkelijk in staat het gewoon te horen. Mooi! Dit reis boek van Leigh Fermor is rijk van taal en biedt ongelofelijk veel informatie over de achtergronden van de gebieden die hij bezoekt. Leigh Fermor schrijft niet te persoonlijk, blijft in zekere zin zelfs weg uit zijn boek,  maar weet zich slechts oor en oog te maken voor zijn lezers.

Het boek verschijnt in vertaling deze zomer bij Atlas/Contact.

 

ps: ‘After a splendid dinner by the fire he starts singing, songs of Crete, Athens, Macedonia. When I go out to refill the ouzo bottle…I find the street completely filled with people listening in utter silence and darkness. Everyone seems struck dumb. ‘What is it?’ I say, catching sight of Frangos. ‘Never have I heard of Englishmen singing Greek songs like this!’ Their reverent amazement is touching; it is as if they want to embrace Paddy wherever he goes.” Lawrence Durrell in Bitter Lemons

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Nu te koop: Tirade 453

Tirade 453 Omslag Plano-1Lente. Narcissen, check. Lammetjes, paashazen, kastanjeknoppen. Check, check, check. Nieuw blad, check.

Vanaf vandaag te koop: Tirade 453

De volgende auteurs hebben een bijdrage geleverd aan ons lentenummer: Hassnae Bouazza, Piet Gerbrandy, Kerim Göçmen, Michiel Heijungs, Martijn Knol, Arjen van Lith, Gilles van der Loo, Friederike Mayröcker, Carel Peeters, Daniël Rovers, Anne-Marieke Samson, Astrid Staartjes, Iván Thays, Milou Voskuilen en Joost Zwagerman.

De tekeningen in, op en achterop Tirade 453 zijn van de hand van kunstenares en illustratrice Lotte Klaver.

Losse nummers van Tirade zijn te koop in iedere serieuze boekwinkel en in De Oorshop.

Een abonnement op Tirade bekom je hier.

Tirade – floreert.

Soundtrack: ‘Spring maar achterop’ – Gers Pardoel.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot.

P.S. Op vrijdag 9 mei 2014 verschijnt Tirade 454, een themanummer vol Nieuwe Liefdespoëzie. Volgende maand vertellen we wie er allemaal aan het nummer meewerken.

De vader van Fatima

Ik lig – de boog kan niet altijd gespannen staan – op de bank wat te lezen in Yasmina Reza’s Gelukkig de gelukkigen. Het boek hangt van de clichés en stereotyperingen aan elkaar en hoewel het eerder kluchtig dan geestig is – bijna een transcriptie/ bewerking van het improvisatieprogramma De vloer op – amuseer ik me er erg mee. Na ieder hoofdstuk kijk ik even naar buiten. In het harde voorjaarslicht lijken de knoppen van de esdoorns groter dan ze in werkelijkheid zijn. Voor een enkel huis vlamt een struik (forsythia, kerria).

Ik neem een slok thee en wil net een lange streep naast een grappige passage over Pim’s chocoladekoekjes trekken als ik Fatima hoor schreeuwen: ‘Ik ga bij de buurman aanbellen!’

Aanbellen betekent bij mij: met de brievenbus klepperen. Een jaar of twee, drie geleden is er in de transformator die de deurbel van stroom voorziet een draadje losgesprongen en door alle hectiek (YouTube filmpjes kijken, op twee stoelpoten balanceren) ben ik er nog altijd niet aan toegekomen om dat ordentelijk te herstellen.

Klepklep. Klepperdeklep. De klank van paniek.

Ik steek m’n gun in m’n schouderholster en loop rustig de trap af. Fatima op de stoep. Dochter van een Marokkaanse moeder en een Spaanse vader. Zwarte broek, zwarte trui, lang zwart haar. Haar grote ogen groot opgezet.

‘Mijn kat zit in de dakgoot… zou u d’r alstublieft willen vangen?’

Ik loop naar buiten, de straat op en kijk omhoog. Inderdaad: in de dakgoot, ter hoogte van de dakkapel, zit een sneeuwwit, jong poesje. Ze kijkt ons aan. Om haar kopje zo’n lampenkapachtige plastic kraag die huisdieren omkrijgen als ze zijn geopereerd.

‘Ze heet Sunny.’

‘Mooie naam.’

Fatima vertelt dat haar broertje het raam van zijn slaapkamer open had laten staan. Daardoor is Sunny naar buiten geglipt en over de rand van de dakgoot naar mijn huis gewandeld – nu durft ze voor noch achteruit, alsof haar kattenpootjes zijn vastgevroren.

‘Wilt u d’r alstublieft vangen?’

‘Natuurlijk.’

Ik loop het huis in, laat de voordeur openstaan. Met drie treden tegelijk bestijg ik de twee trappen, loop de studeerkamer met het dakkapelletje in. Mijn bureau ligt bezaaid met aantekeningen en opzetjes voor dit verhaal. Ik hoop maar dat het goed afloopt!

Als ik het raam open, kijkt het slanke poesje met grote, blauwe ogen naar me op. Van goot naar raam is ongeveer een meter. Dat haalt ze nooit. Met d’r malle kap. In de diepte zie ik Fatima staan. Meisje van veertien. Uit de manier waarop ze haar hoofd in haar nek heeft gelegd, spreekt het vertrouwen op een goede afloop.

‘Spring maar,’ zeg ik tegen Sunny.

Vanuit die krater van plastic kijkt ze me bang aan, schat dan de afstand in – en springt… voor ik ’r kan grijpen, landt ze op het daklood onder het raamkozijn en begint over de dakpannen terug naar de dakgoot te glijden. Fatima gilt. Sunny komt tot stilstand tegen de rand van de goot, kukelt er net niet overheen – hijgend blijft ze zitten.

‘Pakt u haar alstublieft,’ roept Fatima. Ze huilt bijna.

Sunny kijkt over de rand van de goot en dan weer naar mij. Het beestje kan zich nauwelijks oriënteren met die kraag – grijp ik zo weer mis, dan valt ze misschien wel te pletter.

Ik moet aan Fatima’s vader denken. Vorig jaar zomer werd longkanker bij hem geconstateerd. Na de diagnose zat hij van zonsopkomst tot zonsondergang op een bankje in het Borg-plantsoen. Zwijgend, starend. Drie weken lang. Daarna klonk, van de ene op de andere dag, opeens weer gelach, geruzie en gezang uit de open ramen van mijn buren. Totdat een ambulance Fatima’s vader naar het ziekenhuis reed en het maanden stil bleef bij Fatima thuis. Nu heeft ze Sunny.

‘Alles of niets, Sunny,’ fluister ik.  ‘Kom op!’

De poes springt, ze komt niet ver, maar ik heb me, tegelijkertijd, zo ver mogelijk uit het raam geworpen en weet Sunny, voor ze weer achterwaarts over de dakpannen richting goot begint te glijden, bij haar satijnen vacht te grijpen. Ik til ’r over de vensterbank naar binnen.

‘Hij heeft ’r!,’ roept Fatima. Ik houd de poes vast, leun naar buiten. Naast Fatima: de moeder van Fatima. Op blote voeten.

‘Ik heb ’r!,’ roep ik. De vrouwen zwaaien.

De poes springt uit mijn armen op een witte, linnen leesstoel. ‘Je bent net een Zeeuws meisje met die malle kap,’ zeg ik. Sunny mauwt. Ik mauw terug. Ik til haar weer op. Haar pootjes hebben vier cartooneske stempels achtergelaten op de bekleding van de stoel. Sunny was here.

Onder mijn hand haar bonzende hartje. Bovenaan het trapgat begint ze te kronkelen en met haar poten te maaien. Dat houdt ze twee trappen vol. De deur naar buiten staat nog open. Als ik Sunny aan Fatima overgeef – haar moeder is alweer foetsie – zie ik pas dat ze, de poes, een groot litteken op haar witte buik heeft. Ik zou nog wel even willen napraten – vertellen hoe Sunny langs de dakpannen naar beneden kabbelde, net of er een liter melk wegstroomde – maar Fatima heeft de poes al van me overgenomen om ermee naar haar moeder, naar huis te rennen.

Twee dagen later – het schemert, vanaf daken en uit bomen het waanzinnige, apocalyptische gezang van merels – wordt er opnieuw geklepperd. Fatima. In haar handen een wit doosje met een lichtblauw lint erom.

‘Omdat u Sunny heeft gered.’

‘Ach, dat hoeft toch helemaal niet.’ Ik schiet in de lach. ‘Het is… hoe gaat het nu met ’r?’

‘Veel beter. Dag!’

‘Dag!’

Ik loop naar boven om mijn jas aan te trekken. Even later zit ik in het Borg-plantsoen, op het bankje onder de robinea’s. Ik trek het blauwe lint los, doe het doosje open. Vierentwintig crèmekleurige bonbons. Ik stop er één in mijn mond. En dan nog één. En nog één – dat doosje moet leeg.

—————-

Tirade – redt.

Soundtrack: Kom van dat dak af.

Volgende week: ballonnen, juwelen, een paraplu – naar Parijs.

Het opgroeien van de schrijver (IV)

Ik stuurde ooit een brief naar Mickey Mouse Maandblad, en ik hoopte dat ie geplaatst werd in de brievenrubriek, maar ik kreeg een nette brief terug, ondertekend door de muis met de grote oren. Toen ik wat ouder werd, las ik iedere maand X-mannen, een vertaalde superheldenstrip, en daar lukte het me wel in de brievenrubriek te komen. Ik was toen zestien of zeventien, denk ik, en ik weet niet meer waar de brief over ging; ik weet alleen nog dat ie heel, heel wollig was. Toen ik ‘m las, tussen de andere brieven van jongetjes voor wie Wolverine de grootste held na Mickey Mouse was, was ik aanvankelijk trots — maar dat duurde heel, heel kort: ik zag dat het lelijk was.

Gelukkig gebeurde dat al op m’n zeventiende. Maar er zijn bakken vol schrijvers out there die nog een brief naar de X-mannen moeten sturen.

Wolligheid mag als je jong bent, want dat hoort bij het opgroeien van de schrijver: je moet alles wat er mogelijk is met woorden verkennen, afstrepen, en overboord gooien. 

Er zijn een paar uitzonderingen, mensen die hun wolligheid binnenboord mogen houden, maar dat zijn mensen die iets anders hebben losgelaten: hun pretentie. 

Pretentie is onlosmakelijk verbonden met het schrijverschap: gaan zitten om iets te schrijven waarvan je vindt dat het gelezen moet worden, daar begint de pretentie al. Dit stukje staat er bol van. Maar de wollige schrijver die niet wil irriteren, is weggezwommen van de pretentie. De mooi bedoelde zinnen zijn daar ook daadwerkelijk mooi geworden. Maar pretentie, daar begint het allemaal mee. 

Schrijven is een arrogante bezigheid: je tikt 50.000 woorden en je vindt het volstrekt normaal, wenselijk zelfs, dat duizend mensen (of nog veel meer, natuurlijk) die woorden lezen, een uur of tien in die bezigheid steken, en daarna je boek dichtslaan en zeggen: mooi hoor.  Dat waren tien uur die ze volledig in jouw hoofd doorbrachten, lieve schrijver. Dan heb je kapsones, hoor.

Pretentie hoort dus bij het schrijven, maar het loslaten van de pretentie, of beter gezegd: het loslaten van de juiste dosering pretentie hoort bij het opgroeien van de schrijver. Als er te veel pretentie doorlekt in je woorden, ben je onleesbaar, dan worden je boeken geïrriteerd in een hoek gegooid door de lezer. 

Hou de pretentie van het willen schrijven vast, laat de pretentie van groots willen schrijven los. 

Volgende week: Het opgroeien van de schrijver (V, slot)

———————-

Walter van den Berg (1970) is deze maand Tirade’s zondagse gastblogger. Van den Berg publiceerde tot op heden – behalve vele kortverhalen, columns en reportages – drie romans: De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2013). In Tirade 449 vind je zijn prachtige kortverhaal Voetbalkantine, in Tirade 450 een heftige ‘tirade’.

 

Amsterdam, 22 maart 2014

Optie 8Lieve Arjen, 

Missen is het nog steeds niet, maar de afgelopen week heb ik veel aan je gedacht. Hoofdzakelijk omdat onze zoon na het zien van de foto boven je laatste brief om de haverklap kwam melden dat ome Arie een cowboy geworden is.

Gehoorgevend aan je verzoek heb ik hem verzekerd dat zoiets niet bestaat; dat een mens van vlees en bloed als jij niet zomaar iets anders kan worden, kan transformeren. Daarna liet ik hem wat beter naar de foto kijken. 

‘Als je oplet,’ fluisterde ik, ‘zie je ook dat deze meneer doorzichtig is.’

Nadim schreeuwde het uit en mepte mijn laptop van tafel.

Nou ja, ik heb in ieder geval geprobeerd het real te houden voor ons jongetje van twee. Dat leek me beter, zoals het me ook beter lijkt hem nog niet bloot te stellen aan verhalen over vampiers, of aan die ene overbelichte foto van Vladimir Poetin.

Toch baat het allemaal niet. Zo’n klein kind hongert al naar het fantastische, en zelfs naar de angsten die daarbij komen kijken. Bij gebrek aan klassieke boemannen bedenkt Nadim ze zelf, waardoor hij nu iedere nacht krijsend wakker wordt met een bezweet gezichtje en naar talg riekend plakhaar. Na veel troosten vertelt hij ons hikkend over cowboy ome Arie, waar je doorheen kunt kijken. 

Je zult in mijn woorden – gezien je opgroeien in Krommenie – ongetwijfeld passieve agressie vermoeden.

‘Waarom schrijft hij dit?’ hoor ik je zeggen. ‘Het is vast niet eens waar.’

Lieve vriend, het spijt me: Still keeping it real.  

Wat ik bedoel te zeggen is dat de mens een aangeboren behoefte aan fictie heeft. We omarmen het onware, zelfs als het licht dat het verspreidt de schaduwen doet groeien, en voer is voor de monsters onder ons bed. Wees niet bang voor je door mij bedachte alter, hij is je noch goed-, noch kwaadgezind. Ik wil je geen geweld aandoen, maar je fictionalisering is onvermijdelijk. Take it like a man.

Dit is de laatste brief waarin ik tijd neem om je overgang van persoon naar personage te begeleiden. De volgende keer dat ik je schrijf zul je Arjen Vanlith geworden zijn, stadscowboy en semitransparante held van Austin. Wees welkom in de wereld die ik voor je schep. 

Een (vreemd genoeg) vaak aan Salman Rushdie toegeschreven citaat luidt: “Vertigo is the conflict between the fear of falling and the desire to fall.” 

Mag ik daar Angst is de spiegel van het verlangen van maken? 

 

Een warm hart onder een wat krappe riem,  

je vriend,

 

Gilles

__________________________________________________________ 

Elke zaterdag op Tirade.nu: een briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

May we be forgiven

Ik ben een vergevingsgezind persoon. Althans, dat is hoe ik mezelf zie. Ik vind het helemaal geen probleem om samen met iemand ergens een ontzettende rotzooi van te maken en diegene vervolgens te vergeven, mits die vergeving natuurlijk wederzijds is, en mits we tijdens die ruzie evenredig hebben bijgedragen aan de rotzooi. Ook mezelf vergeef ik graag en makkelijk. Dat stelt mij in staat om fouten te maken en de volgende ochtend toch met mezelf wakker te kunnen worden. Proost op onze/mijn sukkeligheid, wat waren we weer stom.
 
Maar onlangs zei een vriend tegen me: “Ja, jij zegt altijd dat je zo goed bent in vergeven, maar als ik iets stoms doe en je vergeeft het me, en ik doe een half jaar later nog een keer zoiets stoms maar dan wel veel minder stom, dan word je nog bozer dan de eerste keer. Alsof je dat oude er bij haalt.” Daar ging ik over nadenken. Het was waar. Als het eenzijdig wrongdoing betreft vergeef ik mensen vaak al heel snel omdat dat me wel goed uitkomt, dan kan ik op dat moment de energie die anders naar woede en/of sadistische wraakplannen zou gaan voor iets anders gebruiken, maar op de vergiffenis volgt vervolgens wel een levenslange proefperiode. Mocht diegene ooit nog een keer iets kleins fout doen, dan kan ik woedend worden, want hallo, nu doe je het weer, ik was de vorige keer al zo coulant en heb daarmee credit opgebouwd om je in het nu af te mogen blaffen. Het voelt als mijn goed recht.
 
‘Forgiven, not forgotten’ zou je kunnen zeggen. Maar dus eigenlijk ook niet forgiven. Àls ik heel eerlijk ben zet ik misschien wel juist altijd in op ‘forgotten, not forgiven,’ omdat ik weet dat ik geen supergoed geheugen heb/juist een heel goed geheugen dat gemakkelijk nieuwe herinneringen maakt. Zand erover, opdat we de oude fouten niet meer hoeven te zien – maar ergens op mijn idyllische zandstrand liggen een paar flinke landmijnen, waarvan ik allang niet meer weet wie ze er precies plaatsten, maar waardoor ik desalniettemin niet meer van mijn handdoekie afdurf.    
 
Onlangs las ik een essay van de Amerikaanse filosoof Stephen Crites waarin hij het boek Den Ulykkeligste (‘De ongelukkigste’) van Soren Kierkegaard bespreekt. In dit boek houdt een jonge man een toespraak over geluk voor de zogenaamde Symparanekromenoi, een groep levende doden die bijeenkomsten houdt in het holst van de nacht:
 
“The unhappy person is one who has his ideal, the content of his life, the fullness of his consciousness, the essence of his being, in one way or another outside himself. He is always absent, never present to himself.” Kierkegaard maakt vervolgens onderscheid tussen twee typen ongelukkige mensen, namelijk de mensen die in het verleden leven en de mensen die in de toekomst leven. Ook binnen deze typen is weer onderscheid te maken: er zijn immers mensen die leven in een verleden dat gelukkig was en mensen die het maar niet lukt een traumatisch verleden van zich af te schudden – en mensen uit de laatste groep zijn het ongelukkigst.
 
Crites legt uit: “(…) The second type of unhappiness consists in the failure to pro-ject myself hopefully into the future. I cannot, short of death, fail to have a future, but I can ignore or actively resist its claim and live from day to day without any projective scenario, or I can devote all my energy to protecting and reiterating the identity I have recollected out of the past. In either case I live without risk and without hope, doing only what is necessary to subsist more or less in the manner to which I am accustomed. Here the self loses its adaptive nimbleness, and grows too heavy and dense to improvise.”*

Er zijn in dit verband dus twee mogelijkheden om ‘type 2 ongelukkig’ te zijn: je negeert het gegeven dat je een toekomst hebt en leeft van dag tot dag, of je neemt jezelf halsstarrig voor om in de toekomst precies zo te blijven als je in het verleden al was. Aangezien ikzelf een te angstig en hoopvol persoon ben om te kunnen negeren dat ik een toekomst heb, ben ik meer van de tweede optie: om de toekomst minder onzeker te maken, neem ik me voor om dan maar in ieder geval zelf hetzelfde te blijven. 

Er is echter een probleem: doordat ik in de toekomst leef, ben ik veel van de dingen die ik denk dat ik ben alleen nog maar in potentie. Dus hoewel ik eigenlijk hoop dat ik in de toekomst ooit een vergevingsgezind persoon zal zijn, laat ik in het nu die hoop tellen als het uiteindelijke doel. Dit is misschien een beetje vergezocht, maar ik denk wel degelijk dat veel van de keren dat we iets willen veranderen, de realisatie van een probleem de opluchting teweeg brengt die eigenlijk bij de oplossing van het probleem zou moeten horen (“Ok, ik geef het toe, ik ben een driftig persoon.” Maar wat heb je aan de bekentenis?). Kierkegaard schrijft: “(…) he constantly recollects what he ought to hope for; for he has already anticipated the future in thought, in thought he has experienced it, and this experience he now recollects, instead of hoping for it. So what he hopes lies behind him, what he recollects lies before him.” Wie hoopt ooit zijn slechte karaktereigenschappen uit te bannen, moet zich realiseren dat alleen die hoop niet genoeg is en alles op alles zetten om ook daadwerkelijk te veranderen.

Tot slot, de laatste zin van een van de bekendste gedichten van Rilke (Archaischer Torso Apollos) luidt: Du musst dein Leben ändern. Ik heb het altijd heel interessant gevonden wat er gebeurt met die zin als je de klemtoon op een ander woord legt. Afhankelijk van de klemtoon geeft de zin antwoord op verschillende vragen (dat geldt natuurlijk voor veel zinnen, maar hier gebeurt er iets moois vind ik):
 
Wat moet je veranderen? Je leven.
Wat moet je doen met je leven? Het veranderen.
Wiens leven moet je veranderen? Jouw leven. 
Moet je of mag je je leven veranderen? Het moet.
Wie moet je leven veranderen? Jij.
 
De laatste tijd kan ik de zin eigenlijk alleen nog maar lezen met de klemtoon op het woordje ‘du’. Jij moet je leven veranderen. Maar goed. Dit is een blog, geen zelfhulpboek. Vergeef me.
 
 
 
*Crites, Stephen, ‘Storytime: Recollecting the past and projecting the future’, in Narrative Psychology, ed. Theodore Sarbin, 1986, p. 172

De merel

Ondanks Menno Hartmans sterke Stemmen, moraal voor gevorderden op deze site, heb ik gisteren mijn kruisje niet gezet. Ik wil graag kwijt dat ik mij daar niet voor schaam. Overigens zou ik toch D66 gestemd hebben, door Sylvia Witteman in haar schitterende column van vandaag Het laffe alternatief genoemd.

Ik geloof in het nut van stemmen, en in de vrijheid voor alle burgers om de koers van hun gemeente/land te beïnvloeden.

‘Het is zelfs je plicht te ftemmen,’ zei Birre terwijl ze met Nadim en Otis de Hond de trap afdaalde, haar stempas tussen haar tanden geklemd. ‘Weet je in hoeveel landen de menfen dat recht niet hebben?’ 

Om een of andere reden dacht ik niet na over in hoeveel landen het stemrecht niet bestond. Ik dacht meteen aan Noord-Korea, waar een stemplicht geldt terwijl er maar één partij is, en één persoon om op te stemmen. Opkomst bij de laatste verkiezingen aldaar: 99,98%.

‘Ik heb het recht om niet te stemmen,’ zei ik. ‘Dat is ook vrijheid. Kim Jong-un zou…’ 

Maar de voordeur klapte al dicht. Aangezien er niemand meer was om me tegen af te zetten, bleef ik alleen met de vraag waarom ik niet ging. Mijn stem zou nu verloren zijn, en voor elke redelijk geïnformeerde kiezer (wat je al snel bent) die niet naar het stemhokje ging, zou er een toekomstige Almeerder opstaan die niet bang was om achter een gordijntje aan te vinken dat hij minder Marokkanen bliefde. 

Ik kneedde brooddeeg en zette het in de zon te rijzen; staarde een tijdje uit het keukenraam met mijn handen op het aanrecht. Een merel landde op het platje van de buren, waar hij met zijn kraaloog knipperde voor hij op het meranti scheet. Naast me begon onze rode kater – die met de komst van warmer weer uit een slaap van maanden lijkt te zijn ontwaakt – naar het halfopen raam te sluipen.  

Als ik niet ingreep zou de merel in een kleine minuut uiteengereten op het platje liggen. De lentebries zou zijn donsveertjes langs de gevel opstuwen en als de sporen van een paardenbloem uiteenblazen over de daken van de stad. De merel pikte naar een takje vogelmuur dat rond een overleden vijgenplant groeide, trok het uit de dorre aarde en begon de blaadjes eraf te trekken, terwijl hij het takje met zijn klauw tegen de grond hield.  

Joris de Kat zakte door zijn schouders en heupen tot zijn buik op het aanrecht lag. Zijn staart zwiepte hevig. ‘Akkakkakkak,’ zei hij. ‘Arrrrr-kakkakkakk.’

De merel at een van de blaadjes, daarna nam hij het takje in zijn snavel en hipte naar de rand van het platje.  

Joris schoot in actie. Ik greep naar zijn staart, miste en moest toekijken hoe hij zich uit het raam stortte.

Zonder de kat gezien te hebben steeg de merel op. Joris, die flink moest remmen om niet van het dakje te vallen, leek minder opgelucht dan ik. 

Boven ons, in de strook blauw tussen de huizen, vloog een tevreden vogel. Het was lente en hij had een takje voor zijn nest gevonden. Zijn vrijheid had geen moment in het gedrang geleken.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Stemmen, moraal voor gevorderden

Ostracisme, het is een prachtwoord. In het klassieke Athene was het gebruikelijk een ongewenste inwoner van de stad weg te stemmen door zijn naam op een stuk aardewerk te krassen. Als er 6.000 van die stemmen waren moest zo’n burger ook echt voor 10 jaar de republiek verlaten. Een heel aanvankelijk en principieel en aansprekend soort democratie, de basis ook. Wilders heeft het van geen vreemden.

In de verkiezingsprogramma’s die je kon lezen als voorbereiding op de gemeenteraadsverkiezingen gaan veel zaken mij boven de pet. Politiek voeren is een dagtaak en veel meer dan dat, landelijke politieke partijen zijn grote organisaties met veel geld en expertise. Sinds jaar en dag stemmen mensen dan ook op wie men vertrouwt of waar men bij wenst te horen. En niet zozeer op waarmee je het eens bent. Als je inhoudelijk gaat vragen naar standpunten dan kan je bij vrijwel welke burger standpunten in het programma van zijn partij vinden waarover hij zich ernstig verbaast.  Relhistoricus Thierry Baudet schreef twee weken terug in de krant dat gemeenteraadsverkiezingen decentraal getimed moet worden: op die manier kan de landelijke politiek niet meer meedoen en zijn gemeenteraadsverkiezingen meer dan een populariteitspoll van de landelijke politiek. Lokale partijen zullen dan ook groter worden. Met als nadeel dan wel voordeel dat de kiezer zich moet verdiepen in de programma’s. Of op zijn buurman stemmen omdat dat een aardige kerel is. Misschien geen gek idee. Alleen weten we van kleine jonge partijen die groter worden dat ze veel moeite hebben fatsoenlijk volk te rekruteren.  Media gaat zich dan toeleggen op het onderuithalen van kandidaten, ook altijd leuk.

Verkiezingen zijn schijnvertoningen geworden die veel te complexe zaken veel te eenvoudig maken. Dat geeft niet, want stemmen moet je toch. Als je niet stemt heb je geen historisch besef en ben je mondiaal onnozel.

Zoals het idee van democratie als een jaar of 3.000 oud is, zo is moraal ouder dan de religie, beweerde Nietzsche in Genealogie der moraal al, en recenter Frans de Waal in De bonobo en de tien geboden. Het is een inspirerende gedachte dat goedheid lang op religie vooruitloopt.  Moraal dus op religieuze systemen vooruitliep en dat apen een rechtvaardigheidsgevoel hebben.

Grieken wilden dus net als Wilders mensen het land uit hebben. Maar anders dan bij Wilders moest je het met 6.000 mensen eens zijn over 1 naam. Hoe overwin je nu het makkelijke effect van Wilders framing: onmogelijke plannen maken die mensen met weinig neiging tot logisch doordenken kunnen aanspreken? Ik denk niet door vergelijkingen met Nazi-Duitsland. Maar door hem vaker te vragen naar hoe het moet. Als journalisten er de komende jaren een hobby van maken Wilders te vragen hoe-het-moet is Wilders de enige die onaangename vergelijkingen gaat maken.  En daar houden veel mensen niet van, want moraal is oud.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Zeer beknopte beschrijving van Skopopolis

In Skopopolis weten ze zo veel van je, dat iedereen voorspelbaar is. Zo goed en zo kwaad als het gaat tenminste, want niemand is ten volle te doorgronden, zelfs niet als je halve leven zich afspeelt in enen en nullen.

Voordat je er zelf erg in hebt weet het scherm je vertellen dat je dorst hebt, welk bier je gaat drinken en in welk café. Je blijft thuis, maar de volgende dag vragen je kennissen waar je was. Je gaf aan dat je gisterenavond naar drie verschillende evenementen zou gaan. Heb je een verklaring voor je afwezigheid? Waarom heb je niet gereageerd op hun berichten – je hebt ze toch gelezen? Ja, je weet dat zij weten dat je ze gelezen hebt. Dat zij er wél waren heb je net gezien op de foto’s. Een geheim hebben is hetzelfde als liegen.

De berichten gaan vergezeld van advertenties die beweren je impulsen meteen te kunnen beantwoorden. Er is een tandartspraktijk die al je tanden trekt voor een vast bedrag. Het is al twee jaar geleden sinds de laatste controle. Je vindt dat je geen tandarts nog hebt, maar begint nu te twijfelen. De verkiezingen komen eraan; de campagnekreten sluiten precies aan bij je dosis progressiviteit dan wel behoudzucht en bij je neiging naar rechts of links. Wanneer je het nieuws van de dag bekijkt, word je om de oren geslagen met je verhuisdrang en specifieke woonwens, voor zover dat gaat in Skopopolis. Ten slotte zie je een hele trits uitnodigingen van datingsites. Ze weten dat je single bent omdat je zo veel porno kijkt. De privésfeer is diefstal.

De situatie is tweeslachtig. De inzage die je hebt verleend is versleuteld met fantasieloze wachtwoorden, die opgeslagen zijn op plaatsen die niemand kent. Iedereen weet van het bestaan van zulke dataverzamelingen maar niemand weet waar ze zijn of wie ze beheert. Soms kopen ze (iets van) elkaar of houden ze juist uitverkoop. Dat maakt je leven dan nog een haartje gemakkelijker. Alleen: zij houden de kaarten ferm aan de borst, terwijl jij de armen dient te spreiden. Geslotenheid bestaat op straffe van foltering.

Er ontstaat een tegenbeweging. Ze predikt dat iedereen zich zo veel mogelijk voor zichzelf zou moeten houden, ook al levert dat enorme risico’s op voor de staatseconomie en -veiligheid. Anonimiteit is het parool – en zelfs dat zou een voorwendsel kunnen zijn. De beweging grijpt in met ideologische guerilla-acties. Langzamerhand zal ze radicaliseren en zich bekennen tot het standpunt dat alleen kluizenaarschap verlichting kan brengen. De aanhangers bekeren zich tot definitieve onverschilligheid, komen op den duur aan de Skopopolische samenleving niet meer te pas.

Onmiddellijk wordt iedereen die niet meer in de pas loopt achter een hek gezet. Een acuut probleem verlangt immers een directe oplossing, in plaats van een structurele. Pas naderhand zullen ze naar de verklaring zoeken en zeggen: ‘wie weet is ons onvermogen om te wachten, om uren af te tellen, het verstrijken van de tijd te erkennen, ons te vervelen, wel de oorzaak van alle ellende’.

 

* Bovenstaande is geïnspireerd op een essay van Willen Jan Otten.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Tirade Pop-up – programma bekend

We gaan naar Gouda toe: programma

Aanstaande zaterdag organiseert Tirade een feestelijk literair programma in de pop-up store van uitgeverij Van Oorschot (zie hieronder). Vanaf 14.00 uur zullen daar voordragen uit eigen werk: dichteres Milou Voskuilen en debutante Anne-Marieke Samson. Ook de kanshebbers van de Pop-up Schrijfwedstrijd mogen hun verhaal ten beste geven. We zullen dan de winnaar bekendmaken. De voltallige redactie van Tirade is aanwezig: Martijn Knol, Gilles van der Loo, Lieke Marsman en Marko van der Wal, en oud-redacteur Menno Hartman.Naderhand is er gelegenheid om te borrelen, boeken te kopen en literair advies in te winnen. Iedereen is van harte uitgenodigd om hierbij aanwezig te zijn!

De kanshebbers

Toen Tirade een krappe maand geleden de Pop-up Schrijfwedstrijd uitschreef, had de redactie niet durven dromen van de enorme stapel inzendingen. Vanaf deze plaats willen we alle inzenders nogmaals bedanken voor hun bijdragen! Vandaag presenteren we de shortlist met de drie beste inzendingen.

Gert-Jan van den Bemd – ‘Het raadsel’

Kyra de Kruif – ‘Verzet’

Wiebe Brouwer – ‘De hond’

Van Oorschot pop-up store nog t/m 29 maart in Gouda

Op 22 februari werd op initiatief van Boekhandel Verkaaik aan de Lange Tiendeweg 23 in hartje Gouda de Van Oorschot pop-up store geopend. Vijf weken lang is het complete boekenaanbod van Uitgeverij Van Oorschot aldaar te zien en te koop. Iedere zaterdagmiddag komen er schrijvers langs voor interviews, voorleesbeurten en signeersessies. Op 22 maart is het de beurt aan Tirade om het programma te verzorgen.

 

Tirade Pop-up – vertrokken voor je het weet.

I’m gonna blow off your candy-ass right now’ – The Grand Budapest Hotel

Proloog

‘Tyn!’

‘Lezeres!… wat toevallig!… ik zat me net af te vragen: heb jij misschien zin om met mij naar The Grand Budapest Hotel te gaan?’

‘WAT!?!?’  klats, klats, klatser-de-klats. ‘Ordinaire viespeuk! O, wat valt me dat ontzettend van jou tegen! Jij bent wel de aller, allerlaatste van wie ik een dergelijk oneerbaar – ’

‘De film! Ik bedoel de film van Wes Anderson: The Grand Budapest Hotel.’

‘O, haha! De film! Nee, haha, dan is ’t goed!’

‘Hahahaha! Pjoei! Misverstandje!’

‘Ik kon het al helemaal niet rijmen met die onschuldige oogopslag van je!’

 

The Grand Budapest Hotel

Film: The Grand Budapest Hotel (TGBH)

Genre: ha! Regie: Wes Anderson.

Alle superlatieven nog eens aan toe… wat een godengeschenk van een film is The Grand Budapest Hotel! Wat een zeldzaam begaafde cineast is Wes Anderson! Het is vast een beetje een temperamentskwestie maar TGBH is zo’n intens-esthetische filmervaring dat ik tijdens de vertoning een paar keer bang was dat ik een hartaanval zou krijgen. Van geluk.

TGBH is een raamvertelling. De buitenste twee lijsten laat ik hier buiten beschouwing, want die tonen bovenal wat Wes Anderson in een vraaggesprek met Raymond van den Boogaard (NRC Handelsblad, 12/03/14) zo formuleert: ‘Elke film is tenslotte toch nep natuurlijk, zelfs als het een documentaire is. Ik ga ervan uit dat het publiek weet dat film altijd kunstmatig is.’

Kranige zwier – Gustave H.

De protagonist van TGBH, Gustave H., is ooit zelf in het Grand Hotel Budapest begonnen als piccolo. Hij is liefhebber van romantische poëzie, hij houdt graag stichtende toespraken (lees: preken) voor zijn personeel en beijvert zich voor een mooiere wereld door, zoals dat in consultancytaal heet, de ‘standaard’ van zijn somptueuze hotel te ‘bewaken’ door zich met ieder detail te bemoeien. Van zijn achtergrond weten we niks, maar vermoeden we veel: hij is een klimmer, zijn leven is zijn eigen creatie.

Gustave’s aard/optreden laat zich het best karakteriseren door de naam van het parfum dat hij gebruikt: L’air de panache… zo beweegt hij zich door hotel en buitenwereld… met kranige zwier…

Wat voor liefde Gustave nu precies opvat voor zijn jonge hulpje, piccolo Zero, is niet helemaal duidelijk – voor de zekerheid laat Anderson de bromance simultaan plaatsvinden met een romance tussen Zero en Agatha, een mooi meisje met een litteken op haar wang dat bij patisserie Mendl’s werkt.

Voor verhaal & verwikkelingen van en in TGBH kun je terecht in iedere serieuze bios. Wat ik erg interessant vind – en nu wordt dit toch nog een beetje een raamvertelling – is dat de oudere Zero in de jaren tachtig aan de auteur van The Grand Budapest Hotel vertelt hoe Gustave het in de trein voor hem opnam tegen soldaten die zijn (Zero’s) identiteits/reispapieren wilden zien. Ze namen de trotse Gustave mee naar buiten. ‘And what happened then?,’ vraagt de auteur. Zero: ‘And then they shot him.’

Gustave sterft voor zijn principes/illusies. Misschien maakt dat hem tot het toonbeeld van beschaving.

Goudkijker

Alles aan TGBH is – de melancholische onderstroom (ook Agathe en het kind dat zij met Zero krijgt sterven) ten spijt – plezierig… de art direction, set design, camerawerk, verhaal & verwikkelingen, de personages, het tempo van de dialogen. En dan zijn er nog de woordspelingen, pastiches en naamgrappen… mijn favoriete* grapje is toch wel de naam van de schilder, een renaissancemeester. Hij ‘heet’ Johannes van Hoytl. Het doet denken aan de fantasienaam van de schilder uit Maria Goos’ Cloaca (2003): Van Goppel. Pierre Bokma, zuchtend: ‘Een echte Van Goppel…’

Wes Anderson is het tegendeel van een cynicus, een somberaar, een zeikerd, een jankerd of een zwartkijker. Hij is een goudkijker. En daar hebben we er, wat mij betreft, veel te weinig van in de kunsten .

Ik zag TGBH vier dagen geleden en loop nog steeds door Anderson land. De film verhevigt en intensiveert je waarnemingen. Het is net of de Goden een paar scheppen suiker over de wereld hebben gestrooid. Life imitates art.

TGBH ontroert en betovert, denk ik, omdat de film op een geloofwaardige manier over Liefde gaat – over personages die kunnen liefhebben en hun lijden met liefde overstijgen – én met Liefde gemaakt is*.

Vorm is inhoud.

Als je van plan bent om in 2014 één keer naar de film te gaan, ga dan naar The Grand Budapest Hotel. En blijf tijdens de aftiteling rustig zitten, want dan word je getrakteerd op een vrolijke animatie van Oostblokse volksdans (onder in beeld, rechts).

Epiloog

‘Zo blij word ik normaal gesproken eigenlijk alleen van een goed boek.’

‘Ja, ik ook! Het is net of je een hele avond Nabokov of Salinger hebt zitten lezen hè?’

‘Zoiets ja.’

‘…’

‘Ik zou ook wel weer es een boek van Stephan Enter willen lezen. Spreek jij hem nog weleens?’

‘Afgelopen dinsdag nog, hebben we bij hem een hele cake zitten wegkanen.’

‘Space-cake?’

‘Zeker weten. We hebben ons helemaal gek gelachen.’

‘Werkt ie op het moment aan iets nieuws, Stephan?’

‘Hij werkt aan drie boeken tegelijk, geloof ik. Drie losse projecten. Toen ie even naar de WC ging, heb ik een tijdje achter z’n computer zitten scrollen door ’t boek waar ie momenteel druk mee is en volgens mij wordt ’t nog beter dan Grip.’

‘Mmm… en wanneer verschijnt jouw nieuwe boek eigenlijk?’

‘Nou zeg! Laat zich eerst maar es een uitgever melden om mijn verzamelde blogs uit te geven!’

‘Haha!’

Tirade – welkom.

Soundtrack: Rameau. Op spinet.

Coming soon: Maarten Baas in Milaan.

Volgende week: Hoe de vader van Fatima bijna uit de dakgoot viel – een waargebeurd verhaal. En meer.

Noten

* De titel van dit blogje is een uitroep van bad guy Brody als hij zijn vuurwapen op de als patissier vermomde Gustave richt. In de sequentie is het oorlog – op micro- en macroniveau.

*Tien jaar geleden maakte Dirk Tanghe/De Paardenkathedraal een zeer gestileerde enscenering van Gogols De Revisor. Voor die voorstelling gold hetzelfde als voor de films van Anderson: dankzij de kunstmatigheid ging zij over abstracties en essenties in plaats van over de waterige ‘werkelijkheid’.

*Ook leuk: op een tankstation waar Willem Dafoe zijn motor voltankt staat Fuelitz. Hahaha! Vroeger moest je je voor zulke grappen verlaten op de Donald Duck.

* Geen toeval dat het schilderij dat de plot van TGBH deels voortstuwt Boy with apple is/heet. De appel is een klassiek symbool voor de liefde.

In aantocht: Tirade 453

Volgende week – op dinsdag 25 maart 2014 – verschijnt het nieuwe nummer van Tirade, Tirade 453. Het nummer viert de lente van 2014 met ruim honderd pagina’s literatuur en tekenkunst.

Tirade 453 bevat verhalend proza van: Kerim Göçmen, Michiel Heijungs, Arjen van Lith, Anne-Marieke Samson en Iván Thays.

Bovendien brengt het nummer poëzie van: Friederike Mayröcker, Astrid Staartjes, Milou Voskuilen en Joost Zwagerman.

Ook presenteert Tirade 453 beschouwend proza/essays van: Hassnae Bouazza, Piet Gerbrandy, Martijn Knol, Carel Peeters en Daniël Rovers.

De teksten in dit lentenummer zijn verlucht met tekeningen van kunstenares en illustratrice Lotte Klaver.

Tirade 453 – nu al een collectors item.

Een abonnement op Tirade bekom je hier.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot.

Het opgroeien van de schrijver (III)

Als je jong en onbezonnen bent, ben je ervan overtuigd dat je alles anders gaat doen. En dat dat anders vernieuwend gaat zijn, dat de interviewers aan je lippen gaan hangen en zullen beamen dat het inderdaad bijzonder is, dat anders van jou. Toen ik zeventien, achttien was, was RUR nog op televisie; Jan Lenferink interviewde elke week drie gasten en ik stelde me voor dat ik een van die gasten zou zijn, maar mijn eerste boek verscheen op mijn 34ste en RUR bestond niet meer, dus Jan Lenferink heeft nooit kunnen beamen hoe bijzonder mijn anders was. Maar mijn anders was ondertussen ook al niet zo anders meer.

Toen ik mezelf had voorgenomen schrijver te worden, las ik belachelijk weinig boeken. Ik vond dat a good thing, want het was anders. Ik las strips en ik keek films en ik  bedacht hoe dat dat dan ging zijn, Jan Lenferink vertellen waarom ik toch Heel Erg Goeie Boeken kon schrijven. Nou Jan, ik kijk liever naar de verhaalstructuren die Frank Miller toepast in zijn Dark Knight-cyclus. 

Ik lees eigenlijk niet zoveel. Je hoort/leest het mensen die vinden dat ze boeken kunnen schrijven regelmatig zeggen. Ze zouden een flink pak slaag moeten krijgen.

Een timmerman die zijn vak leert, gaat eerst naar school en leert zagen, schaven, houtverbindingen, en als hij dan bij een leermeester gaat werken, kijkt hij goed hoe die meester het doet: hij hoeft zelf niets meer van de basistechnieken uit te vinden; hij wordt klaargestoomd om zijn werk goed te doen en, als de jonge timmerman een groot talent blijkt te zijn, nieuwe technieken uit te vinden. Een simpele vergelijking, maar schrijven werkt ook zo. Je moet lezen om te leren wat de basistechnieken zijn, en je moet goed lezen om te zien hoe de meesters het doen. 

Iedereen die goed schrijft, weet dat of ontdekt dat gaandeweg. Dat ontdekken gebeurt bij jonge eikels die eerst ik lees eigenlijk niet zoveel zeggen en er daarna achterkomen dat dat een uitspraak is waar je je knalhard voor moet schamen. Dat hoort allemaal bij het opgroeien van de schrijver. 

Ik denk wel dat bij de mensen die het lezen aanvankelijk niet zo nodig vonden misschien wat vaker spannende dingen gebeuren (maar dat kan een combinatie van excuus en arrogantie zijn, omdat ik ooit Jan Lenferink wilde vertellen dat al dat lezen maar onzin is), als ze maar verdomd goed door hebben dat ze het fout hadden. 

Uiteindelijk moet er een allesoverweldigende liefde voor boeken boven komen drijven, zo heftig dat je wel moet lezen; gebeurt dat niet, zoek dan een andere hobby. 

Volgende week: Het opgroeien van de schrijver (IV)

———————-

Walter van den Berg (1970) is deze maand Tirade’s zondagse gastblogger. Van den Berg publiceerde tot op heden – behalve vele kortverhalen, columns en reportages – drie romans: De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2013). In Tirade 449 vind je zijn prachtige kortverhaal Voetbalkantine, in Tirade 450 een heftige ‘tirade’.

 

Austin, 15 maart 2014

Lieve Gilles,

Onze briefwisseling is nog maar net begonnen en nu al bekruipt me een ongemakkelijk gevoel. Dat ik sinds mijn vertrek naar Austin niet meer voor je besta, doet me weinig, maar dat ik al in je allereerste brief transformeer van een persoon tot een personage komt keihard aan.

Ik weiger me zonder slag of stoot neer te leggen bij mijn eigen fictionalisering, hoe rijk en betekenisvol je die ook zult invullen. Ik weet maar al te goed waar je toe in staat bent: met het prachtboek Het Laatste Kind heb je bewezen dat je vanuit je keuken hele steden uit je duim kunt zuigen, compleet met plattegrond, sociaalgeografische geschiedenis en inwoners. Voor een verre vriend draai je je hand niet om, vrees ik. 

Ergens kan ik het wel verklaren. Je bent enig kind, opgegroeid zonder broertjes of zusjes, dus de kans dat je als peuter al imaginaire vriendjes had, is levensgroot. Ook toen we nog allebei in Amsterdam woonden, merkte ik dat je fantasie regelmatig met je op de loop ging, vooral als we een jointje hadden gerookt. Met iedere hijs werd je stiller. Er trok dan een dun, melkglazen vlies over je ogen en om je mond speelde een teruggetrokken lachje dat alleen voor jezelf bedoeld was. Niemand kan zo intens van zijn eigen broedproces genieten als jij. Begrijp me niet verkeerd: ik heb daar veel bewondering voor. 

In je column The One (2) zei je eerder: ”Zo gauw je iets opschrijft, moet je accepteren dat het fictie wordt.” Dit is waar wij hemelsbreed van elkaar verschillen. Voor jou is alles fictie, voor mij is alles realiteit – zelfs als die op gespannen voet staat met de beleving van anderen. Zo herinner ik me een traumatisch kringgesprek op de basisschool, waarin ik vertelde over mijn belevenissen van het voorbije weekend. De klas zat ademloos te luisteren naar mijn gevecht met een school haaien in de Nieuwkoopse plassen, totdat mijn tweelingzus haar vinger opstak: 

 “Zo is het helemaal nooit gegaan.” 

Ik registreer niets meer of minder dan wat ik ervaar, al moet ik hierbij wel opmerken dat ik sterk bijziend ben. Ondanks die handicap durf ik te stellen dat ik in mijn hele leven nog nooit iets heb verzonnen. Dus beperk ik me graag tot de feiten, want die zijn al raadselachtig genoeg. Zeker hier in Texas. 

Zomaar een voorbeeld: 

Naast ons woont een zwaarlijvige homo van midden vijftig met donker geverfde krullen en een deegachtig, intens droevig gezicht. Hoewel ik hem nog nooit heb gezien, staat dit toch onomstotelijk vast, omdat hij onder de naam AustinFun op de dating app Grindr minder dan twintig meter van me verwijderd is. Als ik op het balkon een Lucky zit te roken, is hij zelfs nóg dichterbij. 

Om de eenzaamheid te verdrijven, heeft AustinFun zich ontfermd over een dakloze heterojongen. Zijn geaardheid is eveneens een feit; zoiets zie ik zelfs zonder bril. Die jongen heeft geen sleutel en dus zit hij iedere middag sidderend van de ontwenningsverschijnselen op de galerij te wachten tot de buurman hem binnenlaat voor een maaltijd en een potje anale seks. Ook dit is een feit, want bij een pijpbeurt zouden zijn protesten wat gedempter doorklinken. 

Een junk voor de deur staat nogal slordig, dus om klachten van omwonenden te voorkomen, verandert die jongen af en toe in een kat. Nogmaals: ik verzin dit niet. Ze lijken sprekend op elkaar. De kat en de heterojongen zijn allebei lijkbleek, hebben dezelfde diarreebruine zweren in hun gezicht en maken precies hetzelfde blaffende geluid als ze hoesten. Ik wist ook niet dat zoiets kon, maar dit is duidelijk het land van de onbegrensde mogelijkheden. 

Lieve Gilles, zoals je merkt, kan ik jouw fictie er echt niet bij hebben. Het is hier allemaal al erg genoeg. Daarom heb ik, totdat we elkaar komende zomer in Amsterdam weer zullen omhelzen, maar één dringend verzoek: keep it real.

Dikke zoenen,

– Your man in Texas –

Arjen

 

Elke zaterdag op Tirade.nu: een briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Courtesan au chocolat – een recept, een kortfilm

Taarten, patisserie en cinema… je zou er een fraai essay over kunnen schrijven.

Maar dat doen we een andere keer.

Eerst maar es ‘n paar uur de keuken in. Hieronder het recept voor courtesan au chocolat. Tevens de jongste kortfilm van Wes Anderson. Veel plezier ermee. En… succes!

 

 

Drie wat oudere kortfilms van Wes Anderson vind je hier.

 

I.M. Gijs Jan Thio

Ik smste je omdat jij de grap wel zou begrijpen.

Omdat ik M zag, en niemand anders haar hier kent.

Het was al vroeg, ik ging naar huis,

de wolken roze-oranje,

de zon achter het station, ik smste je.

Ik sms je nu. 

 

Ik weet welke berichten in mijn oude telefoon

van jou zijn,

kende je nog uit de tijd

dat mensen nummers waren. 

 

Straks krijgt iemand anders jouw getallen, hij zal

gaan praten, schrijven, leven.

Ik blijf berichten sturen.

Zeker saai, daar?

Kom met je echte vrienden feesten.

 

Wie is dit? 

zal hij me schrijven.  

Herken je nummer niet.

 

Het kan niet anders of

hij gaat mijn tekstjes grappig vinden.

Misschien wordt hij benieuwd naar wie ze schrijft.

Gozer, zal hij sturen.

Onbekend 

is geen belemmering voor bier.

 

Breed zal ik grijnzen voor ik terugstuur: 

Eindelijk, daar ben je weer.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Reizen en vertrouwen

Het volgende citaat hebben veel Amsterdammers paraat: ‘ Like all great travellers, I have seen more than I remember, and remember more than I have seen.’ Het citaat is van Benjamin Disraeli en hangt geschilderd op een muur over wel 20 m2 in de Pijp in Amsterdam.

Mijn jaren ´80 stonden in het teken van liften, waar het reizen aanging. Omdat ik de jongste van 5 kinderen ben, en de twee oudste in die periode veel op twee andere continenten verbleven, maakten mijn ouders zich over mij niet zo’n zorgen. Vanaf mijn 14 liftte ik. Eerst naar de grote steden nabij  mijn dorp, later, toen ik aan het mislukken was op de middelbare school en al mijn vrienden al studeerden naar andere grote steden. En al snel door heel Europa. Ik ken geen mooiere manier van reizen. Het gevoel van vrijheid dat ontstaat doordat je niet weet hoe het zal gaan, waar je uitkomt, is onvergelijkbaar. Vaak blijft ook lang onbekend waar je zult slapen die nacht. Ik heb meer in vreemde talen gesproken in die tijd dan ooit daarna nog. Waaraan dacht ik die lange uren langs de snelweg? Aan Jung en Freud, dat is niet onmogelijk, want omdat ik op school aan het mislukken was, verkeerde ik in de veronderstelling dat je Freud en Jung in het Duits moest lezen. Ter compensatie. En aan seks, en een goede maaltijd, drank en sigaretten, getuige een lied dat we maakten in het Frans, ik zal het hier niet herhalen. Er waren dagen dat liften zo goed ging dat je een ondergrens kon instellen: dat je alleen maar je duim opstak bij een auto van boven de 50.000 gulden, of alleen als er twee dames inzaten. In Lübeck op weg naar Zweden werden we door een jong stel meegenomen die vervolgens vanwege het late uur niet vonden dat we nog verder konden. We sliepen in de woonkamer in een waanzinnig appartement en ´s ochtends schepten ze er behagen in ons een ongelooflijk ontbijt op bed te brengen. In Eger in Hongarije kregen we veel geld, bij een benzinestation  nadat we geduldig over de glorieuze overwinning van Ischtwan op de Turken hadden geluisterd. Wandelend langs de snelweg in Luxemburg vond ik een koffer waardepapieren die later uit een roofoverval bleken te stammen, ik heb de Luxemburgse politie moeten tonen waar ik ze precies vond.

Een eng mannetje met witte handschoentjes heeft me laten zien dat je 270 km per uur kunt rijden, op weg naar München. Op de grens van Italië naar Zwitserland heb ik me helemaal laten uitkleden om te bewijzen dat ik geen drugs bij me had, ik had daar toen geen dubbele gevoelens bij. Ik heb een Spaanse vrachtwagenchauffeur zien huilen toen hij zijn hele levensverhaal aan me verteld had. Ik kon maar net wakker blijven. Dat ging veel makkelijker in een Duitse cel, nadat ik met twee stonede automobilisten een politieauto rechts over de vluchtstrook had ingehaald. De trappen van het station in Milaan slapen daarentegen weer heel redelijk, totdat die arrogante carabinieri je wakker poken  met een ploertendoder.

Ik leefde in een wereld waarin niets mis kon gaan. Hoe kon dat nou?  Ik heb absurde dingen meegemaakt in de overtuiging dat er niets mis kon gaan. Vreemd genoeg, in mijn herinnering eigenlijk vooral omdat ik wist dat mijn lot in handen van anderen lag.

Op een goede dag, toen ik 28 was, bleef ik staan in Parijs, waar ik misschien al wel 10 keer zonder enige moeite naar en van terug gelift was. Het was op, ze wilden me niet meer. Ik was te oud geworden, men zag aan me dat ik eigenlijk een kaartje moest kunnen willen kopen. De wandeling naar het Gare du Nord voelde als een vernedering: 28 zijn en al iets afgesloten hebben. Van de treinreis terug herinner ik me niets.

 

 

ps

Mijn twee beste reisboeken die een liftgevoel kunnen oproepen hoewel er niet zoveel in gelift wordt: De wegen der wereld van Nicolas Bouvier, Lubberhuizen, en De weg naar Oxiana, Robert Byron, Atlas.

Film: On the Road. (Jack Kerouac)

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Ground Control to Major Tom

‘De maanlanding? Nee, ik weet niet meer precies waar ik toen was. Maar ik was acht of negen. Ik weet alleen nog dat ik een keer met mijn ouders en beppe in de auto zat. De maan was heel helder. We keken naar de maan en mijn beppe zei: “Nou, ik zie niets.” En toch moesten er mensen rondlopen,’ zei mijn vader aan de telefoon. We hadden het over David Bowies nummer Space Oddity.

Toen mijn vader werd opgenomen in het ziekenhuis kwam hij terecht in een speciaal geïsoleerde kamer, waar de kans op infecties tot een minimum beperkt is. Hij moest daar wekenlang blijven. Voor het bezoek betekende de ‘veiligste’ kamer van het ziekenhuis: als een chirurg handen schrobben in een luchtsluis, eventueel mondkapjes en een schort aan. Dan naar binnen. De klimaatbeheersing zorgde voor continue overdruk in de ruimte. We noemden het al snel ‘de isoleer’, ‘de separeer’ en ‘het hok’.

Een collega van mijn vader dacht aan een ruimteschip, maar mijn vader voelde zich nog lang niet als Major Tom. Space Oddity was waarschijnlijk het eerste nummer van Bowie dat hij hoorde, op een woensdagmiddag in 1969. Hij was bij pake en beppe thuis en zag daar de clip op de televisie (zijn grootouders waren naar verluidt de enige met een toestel in de hele straat). Die vreemde reflecterende bol in zwart-wit op het scherm. Veel kon hij overigens niet van het nummer verstaan, dat kwam later wel.

Mijn vader hoefde zich in zijn hok geen verloren astronaut te voelen. Er waren altijd mensen bij hem over de vloer; wanneer er geen bezoekers waren dan was er wel de verpleging om mee te geinen. Met telefoon en laptop stond hij voortdurend in nauw contact met Ground Control, meer dan ooit waarschijnlijk. Toch denk ik dat die collega wel een punt had, al was het maar omdat ik zelf wel eens dacht dat ik, op bezoek, een capsule binnenging. De ruimtebezoeken waren mooi, ook was het nooit helemaal duidelijk waar het ruimteschip eigenlijk naar op weg was. Toen was de situatie nog ongewis, of zoals Major Tom zegt: ‘For here / Am I sitting in a tin can / Far above the world / Planet earth is blue / And there’s nothing I can do.’

David Bowie laat zijn astronaut al zwevend door de ruimte verdwijnen achter de maan. Mijn vader mocht ten langen leste gewoon naar buiten, net als Major Tom. ‘Now it’s time to leave the capsule if you dare.’ Geen astronautenvoedsel meer. Hij ging meteen op pad om enthousiast het halve ziekenhuis door te banjeren terwijl dat van de artsen eigenlijk nog niet mocht. Aan het eind van de lange gang naar de afdeling maakten we een foto van onszelf via de bolle spiegel aan het plafond. Momenten van stoutmoedigheid zijn er immers om vast te leggen.

Bij nader inzien is die foto net zo buitenaards als het eerste shot van de clip. ‘I’m stepping through the door / And I’m floating in a most peculiar way / and the stars look very different today.’

 

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

You don’t wanna know.’ – de eetleesclub

 

in een nieuw land een winkel beginnen

daar ’s ochtends de luiken openen

zien dat het lente is

 

Lieke Marsman, De eerste letter (2014)

  

1) De Tirade Leesclub

Utrecht, dinsdagavond 11 maart 2014. Zodra ik vanuit de muur het restaurant in stap, word ik door de leesclubleidster aan mijn mouw getrokken en langs de tafeltjes met etende lezers (m/v) geleid. Hallo, hallo, hallo.

2) Twee sterke vrouwen

Miek Zwamborn en Isa Hoes hebben – op een paar verschillen na – hetzelfde boek geschreven. In zowel De duimsprong als in Toen ik je zag, mijn leven met Antonie probeert een vrouwelijke vertelster in het reine te komen met het verlies van een overleden/verdwenen man. Beide boeken zijn gelardeerd met foto’s.

Maar in de kunsten en de letteren gaat het natuurlijk altijd om de verschillen. Om de details.

Het boek van Zwamborn is literatuur, in de modernistische traditie, het boek van Hoes is lectuur. Het ene is cerebraal, artistiek en intellectueel, het andere emotioneel, toegankelijk en volks. Het boek van Hoes had bij veel uitgeverijen kunnen verschijnen, aan projecten als dat van Zwamborn durven alleen zelfstandige uitgeverijen zich te wagen.

3) Echo, echo (1/2)

‘De cabrio wordt gestart, het dak gaat open en de muziek gaat aan: ‘Lose Yourself’ van Eminem schalt uit de speakers. (…) Ik hoor ze wegrijden, met de muziek snoeihard aan. Vader en zoon, de berg af, keihard meezingend en met de grootste lol.’ (Toen ik je zag, p.159)

En:

‘Ik reed over Zürich terug naar Amsterdam (…) In de achteruitkijkspiegel zag ik de velden als een reusachtige muur van gras liggen. Ik luisterde naar Bach met het volume helemaal open. De oude Golf maakte zoveel lawaai dat alleen de lage tonen te horen waren.’ (De duimsprong, p.150).

4) Frits (63)

‘Maar die Heim… heeft die nou echt bestaan of niet?’

5) Annechien (27)

‘De hersenen van Miek en het hart van Isa… dat lijkt mij wel een ideale combi.’

6) Steen

De duimsprong. Jens – een Bas Jan Ader-achtig personage – lijdt, als ik het goed zie, aan depressies en paniekaanvallen en is op een dag verdwenen. De reizen en wandelingen die de vertelster van De duimsprong daarna maakt, de fascinatie die zij opvat voor, onder andere(n), de geoloog Heim helpen het verdwijnen van Jens te verwerken. Bergen en stenen lijken aanvankelijk symbolen voor dood en verstarring, later voor kracht en onvergankelijkheid. Steen, gedenksteen.

7) Ruben (42)

‘Persoonlijk vond ik het boek van Isa Hoes een beetje zeurderig… als ik emotionele vrouwenpraat wil horen, kan ik net zo goed een halve liter witte wijn in m’n vrouw gieten. En dat zeg ik met alle respect.’

8) Sez Ner

Miek Zwamborn schrijft niet alleen, ze vertaalt ook. Dit schreef Tirade over de door Zwamborn in het Nederlands omgezette Sez Ner Trilogie: Sez Ner (SN I), Achter het station (SN II), De laatste (SN III). De wereld van Zwamborn is een heel andere, ernstiger, dan die van Camenisch, maar soms slingert een zin van Zwamborn zomaar richting Sez Ner:

‘Ik nam niet de snelle route maar het weggetje waarover ook de schapen en de koeien in de vroege zomer naar boven gingen.’ (De Duimsprong, p.221)

9) Echo, echo (2/2)

Het gaat niet goed met Antonie Kamerling. Zijn vrouw, Isa, wil weten wat er in hem omgaat. Ze vraagt het. Hij antwoordt (TIJZ, p. 252): ‘Dat wil je niet weten.’

Het doet denken aan een passage uit de biografie die D.T. Max schreef over David Foster Wallace (Every Love Story is a Ghost Story, 2012; p.299). In juni 2008 – drie maanden voor Wallace’s zelfmoord – vraagt redacteur Michael Pietsch, na afloop van een dinertje, aan zijn auteur hoe het met hem gaat. Wallace antwoordt: ‘You don’t wanna know.’

Hoe is het om aan depressies te lijden? Is het alsof je van binnen helemaal kapotvriest? Of eerder alsof je vanuit een vliegtuig naakt in de prikkelstruikjes bent geflikkerd? – blijven liggen doet pijn, bewegen doet pijn. Het boek van Hoes brengt ons niet veel verder – Kamerling lijkt zijn demonen vooral te bestrijden door te gaan slapen – maar draagt, geloof ik, wel bij aan het slechten van het taboe en de schaamte rond depressie. Hulde voor Hoes.

10) Eva (51)

‘Eerlijk gezegd had ik tijdens het lezen van Isa’s boek een heel dubbel gevoel… aan de ene kant had ik met Isa te doen, ik heb een paar keer echt zitten snikken, mogen jullie best weten… maar aan de andere kant was ik ook een beetje jaloers… Van zo’n knappe, artistieke Antonie is het zonde dat ie dood is, maar mijn eigen saaie kutFrans zal nooit zelfmoord plegen… daar issie veel te laf voor… dus voor mij is het wachten tot ie eindelijk kanker krijgt of een keer verongelukt. Lekker dan! Dat heb ik weer!’

11) Evaluatie

Het inleiden en bijwonen van een leesclubavond was een interessante en leerzame ervaring. Ik hoop in mijn werkzame leven nog veel avonden in de stimulerende aanwezigheid van boekenliefhebbers door te mogen brengen. Daarom vanaf deze plek heel veel lieve knuffeltjes voor eenieder die Het Betere Boek én Het Goede Gesprek een warm hart toedraagt. Knuf, knuf. Knuf, knuf.

Tirade – monter.

Soundtrack: Don’t Worry, Be Happy.

Ik wilde je tot besluit van mijn stukje – bij wijze van experiment, via de reactiemodus – uit twee mogelijke blogonderwerpen voor volgende week maandag laten kiezen. INTERACTIEF BEZIG ZIJN! Maar dat gaan we volgende week pas proberen, want aanstaande donderdag gaat de nieuwe film van Wes Anderson in première.

Volgende week: The Grand Budapest Hotel – Wes Anderson. En: hoe gaat het eigenlijk met Stephan Enter?

Het opgroeien van de schrijver (II)

Toen ik voor de eerste keer ging praten bij de Bezige Bij, vroegen ze me of ik meer boeken ging schrijven, of het niet alleen bij die ene roman bleef die ze nu hadden gelezen. Ja, tuurlijk, ik ga meer boeken schrijven, dat is toch logisch? Maar heel logisch bleek dat niet te zijn; in 2004, het jaar dat ik debuteerde, waren er nog een stuk of zestig andere debuten, en van de meeste debutanten uit dat jaar zijn geen boeken meer uitgegeven.

In Nederland zijn een hoop mensen die zichzelf schrijver willen noemen, maar er zijn vooral heel veel mensen die een boek hebben geschreven.

Frank Heinen heeft in de boekenweek-special van Vrij Nederland een stuk geschreven over de klas van 2004, de debutanten van tien jaar geleden dus, en door de melancholische inslag van Frank zelf is het vooral mooie mistroostigheid om te lezen, maar een opvallend feit uit het stuk is hoe weinig mensen door zijn gegaan met uitgegeven worden. Niet gek natuurlijk: zestig debutanten, stel je voor dat die allemaal op drie, vier boeken zouden zitten nu, plus alle debutanten voor en na hen, die ook allemaal zouden blijven produceren (en uitgegeven worden): dat zouden angstwekkende hoeveelheden boeken zijn geworden, en het is al zo dringen in de boekwinkel.

Dat gesprek bij de Bezige Bij – ik had toen het gevoel dat ik een briljant en wereldschokkend boek had getikt, en dat was het natuurlijk niet. Het was zelfs schokkend normaal, achteraf bezien. Maar zo zat ik er wel, met dat gevoel: mijn debuut komt eraan en literair Nederland gaat schudden op de grondvesten. De redacteuren met wie ik toen sprak, wisten wel beter: dat wordt een aardig debuut, want die jongen kan schrijven, maar z’n goeie boeken moeten nog komen. 

Een aardig debuut: als ze dat toen hardop tegen me gezegd hadden, was mijn wereldje even ingestort, natuurlijk. Maar ik denk dat een aardig debuut de ideale uitgangssituatie is voor den schrijver. 

Volgens mij zijn er drie soorten debuten.

Het aardige debuut: een prima geschreven boekje waar niet veel reuring over zal ontstaan. Het verhaal is bij voorkeur van de coming-of-age-variant, jonge man of jonge vrouw maakt niks bijzonders mee en is een tikje ongelukkig. Zie: mijn debuut. 

Het wereldschokkende debuut: een briljant boek dat de schrijver nooit meer zal kunnen overtreffen.

Het wereldschokkend bedoelde debuut: een boek waarin vooral heel veel gebeurt, met malle personages en gekke wendingen, omdat de schrijver absoluut niet tussen de aardige debuten wilde eindigen. 

En hoe ziet de carrière van de schrijver er na zo’n debuut uit?

Bij het aardige debuut volgen meer boeken, die langzaam beter en beter worden (met vast wel een misser ertussen). 

Bij het wereldschokkende debuut volgen meer boeken die soms wel, soms niet goed zijn, maar de schrijver moet altijd vragen beantwoorden over zijn eerste boek.

Bij het wereldschokkend bedoelde debuut: geen vervolg van de schrijfcarrière.

 

Volgende week: Het opgroeien van de schrijver (III)

———————-

Walter van den Berg (1970) is deze maand Tirade’s zondagse gastblogger. Van den Berg publiceerde tot op heden – behalve vele kortverhalen, columns en reportages – drie romans: De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2013). In Tirade 449 vind je zijn prachtige kortverhaal Voetbalkantine, in Tirade 450 een heftige ‘tirade’.

Amsterdam, 8 maart 2014

Lieve Arjen,

Vrienden die voor lange tijd naar het buitenland gaan, mis ik niet. Dit zal je kwetsen, maar het is beter dat je het meteen weet. Scheelt in de verwachtingen. Je hield op te bestaan op het moment dat je je immer staalbeslagen hakjes lichtte. Gelukkig leest er niemand mee – het is tenslotte zaterdag –  en kan ik dit soort dingen in de veilige ruimte van onze briefwisseling kwijt.

Op dit moment zit ik in de paaskipgele badjas die je me voor mijn verjaardag gaf aan tafel, en probeer met het klapscherm van mijn laptop mijn ontbijtende gezin te blocken. Nadim is zojuist van de trap gedonderd en heeft zijn eerste bloedlip. Prachtig rood bloed, heeft onze jongen. Van binnen is hij ook al zo goed gelukt.

Omdat je niet meer voor me bestaat, vraag ik me af wie ik eigenlijk schrijf. Misschien is de ‘persoon’ Arjen van Lith niet meer dan een filmdoek voor me geworden, een blank doch smaakvol vlak waarop ik mijn gedachten projecteer. 

Zal ik je met Jezus vergelijken? Ook moeilijk te vinden, maar altijd aan te roepen als je met zijn zwijgen genoegen neemt. In ieder geval heb je hetzelfde fysiek (al ben je waarschijnlijk langer): dat tanige, ascetische. 

Jezus zou Luckies roken, denk ik. Of Caporals.

Wat rook je, daar in Austin? 

Zeg maar niets. Als schrijver kan ik dat soort dingen prima zelf bedenken. 

Je rookt Luckies, natuurlijk. De zon staat laag aan de middaghemel terwijl je het vuur in je getoaste tabak zuigt. Ik verwacht dat je langzaamaan begonnen bent met het dragen van een lichtkomisch (eventueel strooien) cowboyhoedje. Overhemden droeg je hier ook al, maar heb je bij dat kleine boetiekje aan de rand van de campus al een denimshirt gekocht met een subtiel net Texaans borduursel over de schouders?

Na hoe lang is een Nederlander in rodeolaarzen officieel geen toerist meer? Maakt het uit als die laarzen van paars lakleer zijn?

Welke ongeschreven regels er in Austin ook gelden, Arjen van Lith zal ze binnen de kortste keren doorgronden om ze vervolgens te breken*. Nee, nooit breken. Te pletten. Nee. Om ze vervolgens licht in te deuken.

Ach, je zou eens moeten weten hoe helder ik je voor me zie.

Hoe karakteristiek je naar huis stapslentert. Niemand kan zo casual bewegen en toch zo heel erg rechtop lopen als jij. Dat is een gave, Arjen. Weet dat alsjeblieft.

Is stapslenteren misschien Nederlands voor moseyen? Ik begrijp dat men moseyt, waar je nu woont. Zou je daarover in je volgende brief meer kunnen vertellen? Is jouw manier van lopen daar eigenlijk wel bijzonder? Ik heb nog zoveel vragen. Zo vreselijk veel belangrijke vragen.

Maar maak je geen zorgen over mij, als ik nog voor je besta. Je bent net thuisgekomen en rookt op het balkon, met je ellebogen op de afbladderende verf van de reling. De minste beweging doet bloedrode snippers op de stoep regenen. Geniet van nog zo’n Lucky, en van het evenzo gefilterde zonlicht onder je strooien Stetson. 

De sproeiers in het parkje voor je huis gaan aan. Ettelijke regenboogjes komen boven het Kermitgroene gras te hangen. Je verheugt je op het perfecte moment om die rodeolaarzen te gaan dragen; denkt na over de kleur. Misschien toch maar geen paars.

Rood, denk je nu, aangespoord door de bladders op de stoep. Dan zeg je het hardop:

Kleuterbloedliprood.’

Je glimlacht. Neemt je voor het woord straks op te schrijven.  

En nu, Arie, terwijl ik deze woorden tik, kantel je je hoed een graad of drie voorover. Net ver genoeg over je klamme voorhoofd om de perfecte hoeveelheid Texaanse avondzon door te laten. Je legt je vingertoppen op de deuk in het gevlochten stro, en geeft me met toegeknepen ogen een net zichtbaar knikje.

Liefs,

your man in Amsterdam,

 

Gilles

 

 

* Ik vermoed dat amerikanismen als regels breken in mijn brieven steeds vaker zullen voorkomen. Het is een wezenlijk onderdeel van het me eigen maken van mijn nieuwe personage Arjen Vanlith. De klemtoon zal in je nieuwe achternaam overigens op de a gaan liggen. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Samenwerking Amsterdam Poëziefestival & Tirade

Van 9 t/m 11 mei 2014 vindt in De Nieuwe Liefde, centrum voor debat, bezinning en poëzie, het eerste Amsterdam Poëziefestival plaats. Het festival en literair tijdschrift Tirade bereiden ter gelegenheid daarvan een Tirade special voor met als thema ‘Nieuwe Liefdespoëzie’. Het Tirade liefdespoëzienummer, Tirade 454, wordt gepresenteerd op de openingsavond van het festival: vrijdag 9 mei 2014.

Op het Amsterdam Poëziefestival treden dichters op als Eva Gerlach, Remco Campert, Nachoem Wijnberg, Anne Vegter en Micha Hamel. De openingslezing wordt verzorgd door K. Schippers. Verder is er een programma over en met Joke van Leeuwen, over de poëzie van Duizend-en-één-nacht, over vrouwelijke dichters en de liefde en over poëzie en democratie. Tirade redacteur Lieke Marsman is festivaldichter, oud-Tirade redacteur Mirjam van Hengel programmeert het Amsterdam Poëziefestival.

Meer informatie over het Amsterdam Poëziefestival vind je op de site van De Nieuwe Liefde.

Je duurzame relatie met Tirade begint hier.

Tirade – houdt van literatuur

Tirade – verliefd op poëzie.

Soundtrack: ‘We will live each day in springtime‘ – Minnie Riverton, Lovin’ you.

P.S. Op dinsdag 25 maart 2014 verschijnt Tirade 453 – details (genres, namen) volgen binnenkort.

The One (2)

Een weekje terug schreef ik op deze plek vol enthousiasme over de James-Brownbiografie The One. Mijn grotendeels denkbeeldige publiek zou ik tekortdoen als ik niet even terugkwam op het boek, dat ik inmiddels uitheb. Zo halverwege die 400 bladzijden gebeurt er namelijk iets eigenaardigs.

Omdat James Brown vreselijk oud was (geboren in 1933 te Barnwell, South Carolina) en zijn eerste jaren in volstrekte onbekendheid doorbracht op een plek waarover niemand in die tijd schreef (de zwarte kant van Augusta, Georgia), was het aan biograaf R.J. Smith om – steunend op de paar feiten die hij bijeen kon schrapen – een verhaal te maken van de stormachtige lente van Browns leven. J.B. zelf was notoir onbetrouwbaar waar het ging om zijn eigen verhaal, dat van de inconsistenties en romantiseringen aan elkaar hing.

Smith, die al van meerdere boeken auteur of co-auteur was voordat hij The One schreef, heeft zich voor zover ik heb kunnen achterhalen nooit aan fictie gewaagd. Maar Jezus, wat zou hij er vlammend goed in zijn. Hij zuigt je de wereld van Brown in met een gelaagd en levensecht personage dat belachelijk, beminnelijk, ontroerend en stuitend kan zijn zonder het minste hobbeltje van een overgang. 

Wanneer Brown (rond bladzijde 150) zijn eeltige voeten echter eindelijk in de glimmende loafers van de roem steekt om te ontdekken dat ze hem als gegoten zitten, verandert er iets fundamenteel in Smiths manier van schrijven. Ik kan alleen maar aannemen dat er vanaf die periode in het leven van Brown een bulk aan informatie over de hardest working man in showbusiness te vinden is. Tourschema’s, financiële gegevens, krantenartikelen, loslippige collega-beroemdheden en boze ex-bandleden (waarvan J.B. er een leger zou verzamelen), zorgen samen voor een van-minuut-tot-minuutdekking van Browns hoogtijdagen.

Het is hier dat R.J. Smith mijn aandacht begint te verspelen. Hier gebeurt precies wat biografieën voor mij doorgaans zo oninteressant maakt. Door de overstelpende hoeveelheid werkelijkheid die Smith aanvoert, verliest hij het personage van Brown dat hij zo zorgvuldig en talentvol opvoerde. Natuurlijk zijn de feiten nog steeds om van te smullen en houd je aan het lezen van The One nog jaren anekdoten over voor elke gelegenheid, maar het hart – vergeef me het drama maar even –  wordt door de feiten uit het boek gesneden. 

Zo gauw je iets opschrijft moet je accepteren dat het fictie wordt. Het verslaan van de waarheid is niet alleen een illusie, de poging ertoe ondergraaft ook de doeltreffendheid waarmee je je verhaal vertelt. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Het vingertje van Ouariachi – hoe Jamal Ouariachi toch geen feminist werd

In de boekenweek-special van Vrij Nederland die vandaag verscheen staat onder andere een stuk van schrijver Jamal Ouariachi met als titel ‘Vrouwen, leg de lat eens hoger! (de parttime-mentaliteit van vrouwen in de Nederlandse literatuur)’. Gisteravond kondigde Jamal het stuk op zijn facebook aan door te zeggen: ‘Ik ben vanaf morgen feminist. Maar dan net even anders.’

Mijn nieuwsgierigheid was meteen gewekt. Afgelopen maandag bezocht ik een avond in de Rode Hoed over de ondervertegenwoordiging van vrouwen op hoge posities in de wetenschap en na een blik in de zaal moest ik toen tot mijn grote frustratie concluderen dat er in die zaal vrijwel alleen maar vrouwen zaten. Waarom waren er geen mannen die dit onderwerp interessant vonden? Het was me al eerder opgevallen: als er een avond over de ongelijke behandeling van vrouwen plaatsvindt blijft manlief opeens wel thuis bij de kinderen. Een gemiste kans, denk ik altijd. Hoe kan het dat een probleem dat in ieder geval de helft van de bevolking aangaat niet automatisch de hele bevolking zorgen baart? Maar nu, gelukkig, zou daar het stuk van Jamal zijn – feministe in hart en nieren.

Dat dacht ik tenminste. Maar toen las ik het stuk. Voordat ik zal beargumenteren waarom het stuk me zo tegen de borst stuit, zal ik het eerst kort samenvatten:  

Ouariachi haalt allereerst twee stukken van respectievelijk schrijfster Saskia de Coster en recensente Fleur Speet aan waarin zij beschrijven hoe vrouwen vrijwel nooit literaire prijzen winnen en minder vaak gerecenseerd worden dan mannen. Hij stelt daar vervolgens tegenover dat het met die prijzen al misgaat bij het inzenden. Er worden nu eenmaal minder boeken van vrouwen uitgegeven (man/vrouw ratio 2:1) dan van mannen – het probleem ligt dus niet bij de jury’s en recensenten, maar bij de uitgevers. Oh nee, het probleem ligt toch niet bij de uitgevers, want Ouariachi zit zelf bij een uitgeverij waar een hele hoop vrouwen rondlopen, en die geven ook vrouwen uit, en die vrouwen winnen ook nog eens prijzen. Daar gá je, met je masculiene blik op literatuur.” Een nieuwe verklaring ligt op de loer… Hij vervolgt: “Waarom zou je ook eigenlijk de schuld leggen bij kwade krachten die er in al hun masculiniteit op uit zijn vrouwen hun plek in de literatuur te ontzeggen? Waarom zijn het altijd vrouwen die deze ongelijkheid aankaarten en waarom komt de schuld steevast bij mannen of in ieder geval ‘het mannelijke’ te liggen? Zou de oorzaak ervan niet óók, in elk geval ten dele, bij vrouwen zélf te vinden kunnen zijn?”

Het artikel gaat verder met een vergelijking tussen de boeken van mannen en vrouwen: mannen schrijven dikke boeken, (Nederlandse) vrouwen schrijven dunne boeken, want in Jamals boekenkast staan meer dikke boeken van mannen dan van vrouwen. Dikke boeken zijn, nou ja, dikker dan dunne boeken, en nemen dus meer ruimte in beslag, waardoor ze meer opvallen. Boeken van vrouwen vallen trouwens sowieso al niet op, want ze zijn minder experimenteel en vernieuwend dan de boeken van mannen. Jamal schrijft: “Een schrijver die recensies wenst in landelijke kranten en tijdschriften, en die graag eens een plaatsje op een long- of shortlist van een literaire prijs wil veroveren, kan zich geen half werk permitteren. Het is alles of niets. Het is: uitblinken in stijl, compositie, originaliteit, experiment, desnoods in zoiets schijnbaar banaals als omvang. Wie de aandacht van de wereld wil, moet opvallen. En dan red je het niet met eens in de drie jaar een traditioneel romannetje van 250 pagina’s (al kun je zelfs dáár al een heel eind mee komen). Misschien moeten vrouwelijke auteurs en critici eens ophouden mannen aan te wijzen als het grote kwaad. Leg de lat voor jezélf eens wat hoger, zou ik zeggen.” De rest van het artikel is dan ook een oproep aan vrouwen om meer op te vallen en harder danwel langer te werken – dan komen die prijzen vanzelf.

Goed, aangezien ik niet enkel door het artikel samen te vatten al mijn kruit al wil verschieten, is het misschien interessant om te kijken wat het nou precies is dat Ouariachi zo vervelend vindt. Hij heeft het over prijzen (denk aan de Anna Bijnsprijs, de Opzij literatuurprijs) die speciaal voor vrouwen zijn en over de Libris jury die een longlist samenstelde met evenveel mannen als vrouwen erop, hetgeen ‘naar beleid riekt’. Wat betreft de prijzen heeft hij misschien gelijk, dat vind ik zelf ook altijd een moeilijk punt, maar de uitspraak over de Libris Prijs vind ik vreemd voor een auteur die aan het begin van zijn stuk nog stelt dat hij zich ‘niet bezighoudt met het geslacht van zijn literaire collega’s’. Zolang een longlist met daarop evenveel vrouwen als mannen de schijn van beleid wekt, is er iets goed mis. Is het werkelijk zo moeilijk om je voor te stellen dat vrouwen ongeveer evenveel goede boeken schrijven als mannen? En al is het beleid – Ouariachi lijkt te vergeten dat er al sinds jaar en dag een weliswaar ongeschreven beleid heerst dat zegt dat mannen de voorkeur genieten (en nee, ik wil niet beweren dat dit badwill is van mannen ten opzichte van vrouwen, ze doen het heus niet expres, maar juist het feit dat mannen zich vaak van geen kwaad bewust lijken en zich zodoende onheus bejegend voelen wanneer iemand iets zegt over de ondervertegenwoordiging van vrouwen in welke sector dan ook, geeft aan dat er sprake is van onbewuste processen die doorbroken moeten worden).

Als Ouariachi stelt dat vrouwen de lat hoger moeten leggen, verbaast me dat dan ook ten zeerste. De lat ligt volgens alle cijfers die hij noemt volgens mij al hoog genoeg – je moet wel heel erg goed zijn als vrouw, wil je nog een beetje kans maken. Uit zijn artikel blijkt eerder dat mannen de lat nogal laag leggen voor elkaar: joe, schrijf een dik boek, heb een grote mond – and you’re in. Een spel dat ik in dit kader de laatste tijd graag speel is het spel ‘Zou hij ook…?’ . Kijk een willekeurige aflevering van De Wereld Draait Door of Pauw en Witteman en vraag je bij elke man die in beeld komt af ‘Zou hij daar ook zitten als hij een vrouw was geweest?’ In meer dan de helft van de gevallen zal het antwoord ‘nee’ luiden. Betekent dit dat mannen misogyne misbaksels zijn? Nee, het betekent dat de mannen en vrouwen die in de redacties van dit soort programma’s zitten er simpelweg niet aan denken om vrouwen met evenveel of zelfs meer kwaliteiten uit te nodigen. Is dat onaardig van ze? Nee, er zit vast geen bewuste vrouwonvriendelijkheid achter. Is het kwalijk? Ja, dat wel.

In een essay van Margot Dijkgraaf dat ik onlangs las in het boekje ‘Vrouwen, mannen en de Libris Literatuur Prijs’ (een boekje dat ter gelegenheid van de 20e Libris Literatuur Prijs afgelopen jaar werd uitgegeven) staat het volgende stukje dat ik in dit verband erg treffend vind:

Arnon Grunberg gaf onlangs op zijn blog een schitterend gesprek weer dat hij had met een vriendin, ook een auteur. ‘Mannen lezen geen vrouwen,’ zei ze tegen hem, ‘ze hebben niets tegen me, ze vinden me zelfs wel aardig, ze lezen me alleen niet.’ Nee, het had niet te maken met misogynie. ‘Onbewust komen ze gewoon niet op het idee, het is gewoon een ander universum dat ze niet willen binnengaan.’ Het zijn, met andere woorden, gewoon twee compleet andere werelden, met eenrichtingsverkeer ertussen, een brug waarop vrouwen richting mannen lopen, maar niet omgekeerd.’

Verderop in het boekje blijkt dat jury’s waarin meer dan één vrouw zit ook al niet significant meer vrouwen nomineren. Dijkgraaf geeft zelf als een mogelijke reden dat vrouwen al van jongs af aan jongensboeken lezen (Dick Trom, de Kameleon, etc.), terwijl dat omgekeerd niet het geval is, waardoor vrouwen misschien ook op latere leeftijd gevoeliger zijn voor ‘mannenboeken’ (je kunt je afvragen waarom we avonturenboeken nog jongensboeken noemen als ze ook massaal door meisjes verslonden worden, maar dat is een vraag waar ik hier verder niet op in zal gaan). In dit korte gesprekje tussen Grunberg en zijn vriendin en in het essay in z’n geheel wordt in ieder geval geraakt aan de complexiteit van het onderwerp.

Maar volgens Jamal Ouariachi is het gelukkig allemaal niet zo complex. Vrouwen werken gewoon niet hard genoeg – de zogenaamde ‘parttime-mentaliteit’ uit de titel van het stuk. En ze laten zich ook nog eens betuttelen:

“(…) vrouwelijke collega’s: laat je toch niet zo verschrikkelijk betuttelen. Schrijf een boek waar recensenten niet omheen kunnen. Schrijf een boek dat een echte prijs wint, (…) En spoel die parttimementaliteit door de plee: dump eventuele kinderen bij je geliefde (m/v) en schrijf de beste roman ooit. Maar ja. Ik ben natuurlijk maar een man. Trek je van mij niks aan.”

Ik kan me de laatste keer dat ik een stukje las dat ik zo betuttelend vond echter niet herinneren (oh nee, toch wel, zie hieronder), noch kan ik me herinneren ooit een vrouw te hebben ontmoet die zich liet betuttelen – alsof dat iets is wat je gewillig ondergaat -, noch kan ik me voorstellen dat het parttimeprobleem dat Jamal hier aan de kaak stelt zich zo gemakkelijk laat oplossen. En ik heb ook al niet het idee dat je betere boeken gaat schrijven als schrijven het enige is wat je op een dag doet. Er zijn genoeg schrijvers (‘m/v’) die naast schrijven ook nog andere bezigheden hebben – of ze nou lange dagen als hoogleraar of journalist maken of de hele dag in het café doorbrengen. Schrijven lijkt me juist een beroep waarin je ook parttime kunt uitblinken, als je uiteindelijk maar genoeg tijd aan je boek besteedt. Bovendien wekt Jamal de suggestie dat vrouwen vaak parttime werken uit luiheid – en niet omdat ze ervoor kiezen voor hun kinderen te zorgen, of omdat de kinderopvang in Nederland slecht geregeld is. Ik zou mijn parttimementaliteit dan ook graag weer uit de plee halen, om Jamals tips er voor in de plaats door te spoelen. Ik weet natuurlijk niet hoe het is om een man te zijn, maar het zichzelf-overschreeuwen dat Ouariachi in dit stuk doet en dat hij vrouwen lijkt aan te raden zou ik ook mannen niet willen aanbevelen. Wat dat betreft lijden mannen net zozeer onder het soort stereotyperingen dat Jamal in zijn stuk tentoon spreidt. Je zou maar een man met een genuanceerd verhaal zijn! Maar wacht – daar zijn er een heleboel van. Jamal lijkt me in zijn stuk dan ook meer een advocaat van de vergeenstijling van de samenleving dan van ‘mannelijk proza’.

De toon die Ouariachi op dit punt van het stuk aanslaat doet me denken aan het interview van Sara Berkeljon met Jan Cremer dat afgelopen week in het Volkskrant magazine stond. Voor wie het nog niet gelezen had, ik citeer:

(SB) Is schilderen mannenwerk? (JC) ‘Ja.’
En schrijven? ‘Ook. Ik weet dat ik me nu op glad ijs begeef, maar het is zo. Mannen zien helderder. Vrouwen worden te veel geleid door emotie. Een vrouw zit te keutelen over een lieveheersbeestje, bijvoorbeeld, waar een man gewoon recht op zijn doel afloopt.’ Dit meent u serieus? ‘Ik heb er eigenlijk geen mening over, ik heb nog nooit literatuur van een vrouw gelezen.’
U zegt net wel dat vrouwen minder helder kunnen denken dan mannen. ‘Dat zeg ik helemaal niet, ik zeg: mannen kijken helderder. Kijk eens naar buiten.’ Cremer wijst naar een boom aan de overkant van de gracht. ‘Zie jij die boom daar? En zie je dat blauwe zeil daar onder die boom hangen, over dat bootje? Nou, ik zie die boom. Jij ziet alleen maar die lap, en jij denkt: ik ga die lap opvouwen. Waar of niet?’ Nee, ik zie die boom ook. ‘Ik, man, zie een stoere boom en jij ziet die lap en denkt: die hangt er slordig bij, die moet nodig opgevouwen worden. Zo zit dat.’

Afgezien van het feit dat alles wat Cremer hier zegt inhoudelijk volslagen onzinnig is, is het misschien nog wel meer de manier waarop hij de dingen zegt die me stoort. Neem het ‘zo zit dat’ aan het eind – qua toon vergelijkbaar met de toon die Ouariachi aanslaat. ‘Meisje, Simone-de-Beauvoir-Jean-Paul-Sartre-Fairground-at-Porte-d’Orléans-1929-Image-courtesy-of-The-Photographers-Gallerymeisje, ik ben geen vrouwonvriendelijke macho, want ik heb juist het beste met je voor, je hoeft alleen maar naar me te luisteren,’ lijken ze te willen zeggen. Bovenstaand stukje is zo vervelend, omdat hier precies gebeurt waar Jamal in zijn stuk toe lijkt op te roepen: Jan Cremer zegt iets ‘opvallends’, provocerends, en ondertussen is er een man met een genuanceerde mening over man/vrouw verhoudingen niet aan het woord geweest.

Waar Jamal zijn vrouwelijke collega’s afvalt en ze oproept ‘beter hun best te doen’, zou ik mijn mannelijke collega’s dan ook juist op willen roepen om voor hun vrouwelijke medeschrijvers op te komen. Niet omdat die dat zelf niet kunnen, maar omdat ze daarmee ook zichzelf een dienst bewijzen. Het is namelijk niet alleen een vrouwenprobleem. Mannen, pik het niet langer dat de literaire prijzen in Nederland en Vlaanderen al decennialang een soort omgekeerde Opzij-literatuurprijzen zijn. Hou op met elkaar vertellen dat je je een weg omhoog de apenrots op moet schreeuwen. Eis dat jullie boeken vanaf nu ook de concurrentie aan moeten gaan met de boeken van vrouwen! Als het al zo is dat er in de literatuur mannelijke (helder, experimenteel, vernieuwend) en vrouwelijke (empathisch, gevoelig, weet ik veel) eigenschappen zijn, dan is het namelijk veel interessanter om na te denken over waarom we de mannelijke meer waard achten dan na te denken over hoe we de vrouwelijke zo snel mogelijk de deur uit kunnen werken.

Goed dan, nog één keer Ouariachi, omdat het me in parttime zo fulltime bevredigt:

Ik zal echt niet ontkennen dat vrouwen het lange tijd moeilijk hebben gehad in de literatuur. Maar de tijden zijn veranderd. Ik hoef maar om me heen te kijken om te zien dat de mogelijkheid er voor elke vrouw met een originele geest en een spannend gevoel voor taal ligt: het schrijven van Een Boek Dat Alle Andere Boeken Overbodig Maakt.

Hier is weer de feminist in hem aan het woord. Misschien zelfs wel met een punt: er is al een hoop vooruitgang geboekt. Er zijn ook een heleboel mannen die wel boeken van vrouwen lezen, en waarderen, en vrouwen die boeken van vrouwen lezen, en soms schrijft een mannelijke recensent een serieuze kritiek over een boek van een vrouw, en soms wint een vrouw wel een prijs. Dat is waar, en dat is heel fijn, maar zolang belangrijke media als Vrij Nederland en de Volkskrant een podium blijven bieden aan de masculiene arrogantie van schrijvers als Jan Cremer en Jamal Ouariachi, valt er nog een hoop winst te behalen. Gefeliciteerd, Jamal, de literaire prijs voor Het Stuk Over Vrouwen In De Literatuur Dat Alle Andere Stukken Overbodig Maakt gaat naar jou, maar dan wel omdat alles wat je probeerde te weerleggen bevestigd werd door de manier waarop je dat deed.

 

 

 

Eén en ondeelbaar, geopolitiek en romantiek

Vuurwerk op de Krim

Konstantin Paustovski schrijft in zijn memoires (Begin van een onbekend tijdperk, ‘Kijev wordt gekneed’)  over de veldslagen om Kiev in 1919:  ‘De bevolking van Kiev was onderhand zo ziek geworden van al die plotselinge veranderingen en ‘staatsgrepen’ dat het hen ijskoud liet wie er baas was over de stad, zolang de nieuw aangekomenen hen maar niet fusilleerden, plunderden of uit hun huis zetten. De soldaten van Petljoera werden dan ook met diepe onverschilligheid ontvangen. Maar om één uur ‘s middags, drongen de eerste cavalerie-eenheden van Denikin uit de richting van het Holenklooster, op de hielen gevolgd door een regiment Kozakken, het zuidelijk deel van de stad binnen. […] Pas buiten de stad in de buurt van Savjatosjino kwamen ze tot  bezinning. Daar bleven ze staan uithijgen. Hun enige batterij die nog gevechtsklaar was, vuurde op goed geluk een tiental schoten op Kiev af.  Verliezen waren er niet, als men tenminste niet meetelt dat er op de Vladimir-berg een ijstentje kapot geschoten werd en granaat het oor afrukte van het gipsen monument van een van –  beide beschavers van Rusland – de heilige Cirilius of Methodius. De volgende morgen werd er in de stad een bevel van Generaal Bredov opgehangen, dat Kiev van nu af aan zijn plaats weer voor eeuwig zou innemen in het heilige Rusland, dat een en ondeelbaar was.’ 

Ik denk dat dit de emotie is die helpt de Russische claim op delen van Oekraïne te begrijpen. In dit  fascinerende artikel van Ben Judah , de schrijver van Fragile Empire: How Russia Fell In And Out Of Love With Vladimir Putin wordt daar nog aan toegevoegd hoe romantiek de geopolitiek stuurt: ‘This is why Crimea is perfect Putin. Crimea is no South Ossetia. This is not some remote, mountainous Georgian village inhabited by some dubious ethnicity that Russians have never heard of. Crimea is the heart of Russian romanticism. The peninsula is the only part of the classical world that Russia ever conquered. And this is why the Tsarist aristocracy fell in love with it. Crimea symbolized Russia’s 18th and 19th-century fantasy to conquer Constantinople and liberate Greek Orthodox Christians from Muslim rule. Crimea became the imperial playground: In poetry and palaces, it was extolled as the jewel in the Russian crown. (In dit stuk verklaart Judah ook waarom Poetin niet bang is voor het westen: het Westen heeft het ethisch besef  van een hedge-fund.)

De Krim is ook de ‘Dame met het hondje’, ‘Jalta’, miljoenen Russen gingen op vakantie op de Krim. In Marc Jansens prachtige Grensland Geschiedenis van Oekraïne dat over twee weken verschijnt, wordt helder verklaard waarom de Krim precies de plek is waar de Russen dit maal begonnen zijn. Eigenlijk hebben de Russen nooit echt afstand van de Krim genomen. Romantiek en geopolitiek spannen hier samen.  

In 1787 liet Potemkin, adviseur en minnaar van tsarina Catharine de Grote zijn befaamde Potemkin-dorpen opzetten langs de oever van Djnepr: om Cathatrina te tonen hoe ver het al was met de ontwikkeling van de Krim. De dorpen bestonden alleen uit façades, zodat Catherina vanaf de rivier de indruk kreeg dat er flinke bloei en ontwikkeling gaande was.  De Krim appelleert aan de romantiek in de Russenziel en heeft een lange geschiedenis van Russische inmenging, claims, bedrog en valse voorwendselen. Warme gevoelens die een nieuwe Koude Oorlog waard lijken te zijn.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Kop en knot

‘Eén keer in de vier weken onderdompelen in een emmer geitenzeik, om de lokken gezond te houden en er een mooie paardenpluim van te binden. Maar serieus, zeepvrije babyshampoo, dat is de truc,’ aldus De Staart. De redactie van Tirade eet een pizza, en het gaat ineens over haarverzorgingsproducten. Of we nog shampootips hadden.

Tja, ik heb al tijden lang dezelfde shampoo maar was mijn haar niet dagelijks, borstel het slechts af en toe, en dus ziet het er eigenlijk altijd uit alsof ik net uit bed kom. Hoe dan ook, mijn advies zal wel niet geholpen hebben.

Bovendien heeft mijn kapsel al jaren de ‘kritieke tussenlengte’. Daar kwam ik pas achter toen ik laatst een lekker dwarsig artikel in de Volkskrant las.* De kritieke tussenlengte is de lengte tussen over de oren en vast-te-binden-met-elastiekje. De bekendste kritieketussenlengtedrager is André Rieu. Over het algemeen ziet zo’n kapsel eruit als een kruising tussen dat van Mozart en de watergolf van je oma.

De tussenlengte is een stadium dat het haar moet doorlopen om er een knot van te kunnen draaien. Want dat is wat de hipsterman tegenwoordig wil, de mannenknot. Bij voorkeur ziet die eruit als een spontaan genomen beslissing ’s ochtends vroeg voor de spiegel: er zit per ongeluk een elastiekje in. Terwijl het stiekem ontzettend veel werk is om die goed gebalanceerde knot te fabriceren. Acteur Jared Leto schijnt er een zoutoplossing en een of andere peperdure spray (van opgelost goudpoeder of zo) voor te gebruiken.

Volgens wetenschappelijke kringen die aan hipsterduiding doen is dit een lichtend voorbeeld van het hipsterdom. Status gaat namelijk gelijk op met de kennis en vaardigheden die in het uiterlijk vertoon, in de breedste zin van het woord, naar voren komen. Wie op een fixie fietst doet eigenlijk moeilijk-moeilijk-moeilijk** en verdient daar waardering voor. Hetzelfde geldt voor het onderhouden van een mannenknot. Ostentatief pronken met de knot heeft als klap op de vuurpijl het risico dat de drager niet makkelijk aan een negen-tot-vijfbaan zou komen, zeggen dezelfde cultuurvorsers.

Toch is de knotdragende man niet meer weg te denken uit het huidige straatbeeld. Dat begon naar verluidt in 2012 in Brooklyn,*** waar de eerste mannen met knotten sinds lang werden gesignaleerd. De hipsterbashers hebben toen nog geprobeerd deze tendens de kop/knot in te drukken, maar intussen heeft de mannenknot ook de andere kant van de oceaan bereikt. En hij is weer gemeengoed geworden – tegelijk met de terugkeer van de baard.****

Nu zeker niet alleen de hipsters een knot in het haar hebben, kan het niet waar zijn dat iedereen daarmee wil laten zien hoe omstandig hij met zijn kapsel omgaat. Dat de mannenknot populair is vanwege zijn veronderstelde moeilijkheidsgraad is onzin. Er speelt een veel omvangrijkere tendens.

In het afgelopen decennium is het individualisme – een uitwas van de jaren negentig – namelijk op zijn retour geraakt. Tien jaar geleden zat iedereen nog lekker in zijn eigen cocon tevreden te zijn met zichzelf. Niemand keek er gek van op wanneer mensen zich gedroegen als verre tropische vakantie-eilanden, terwijl die extreem egocentrische houding nu grotendeels verdwenen is. Iedereen zit de hele dag aan zijn telefoon gezuignapt, juist om contact te houden met anderen, om elkaar op te zoeken, om dingen samen te doen.

Knotdragers tonen letterlijk hun gezicht.***** Wanneer er geen elastiekje in zit zou het haar waarschijnlijk als een slap gordijn voor de ogen de ogen hangen: als een façade. De knot geeft juist aan dat iemand toegankelijk en benaderbaar is. Mannen met knotten laten zien dat het aan autisme grenzende individualisme wat hen betreft een gepasseerd station is. De knot maakt aanspreekbaar, en is zo een weerslag van een tijd waarin we meer communiceren dan ooit.

 

* ‘Knotsgek’ door Loes Reijmer, de Volkskrant, 26 februari 2014.
** Een ‘doortrapper zonder remmen’.
*** Mijn foto hier is genomen in 2011.
**** Ik ben baarddrager sinds 2009.
***** Het juiste gebruik van ‘letterlijk’.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Onverschrokken

Als Pam met een dienblad de kamer in komt, trekt De Staart trek ik m’n gun uit m’n schouderholster. Ze zet twee wijnglazen op de salontafel en reikt mij m’n cassis aan.

‘Dank.’

‘Waar is Francesco?’

‘Naar huis.’ Ik richt m’n gun op één van de wijnglazen en schiet ’t aan gruzelementen.

‘Jezus Christus… waar is dát nou voor nodig?’

‘Dat vertel ik je straks.’

Ik klok de helft van m’n cassis weg. Pam is naast me komen zitten, ze haalt diep adem. ‘Ik vond het een rare avond,’ zegt ze. Ze gebaart naar de bebloede harpoen en vervolgt: ‘Hoe kwam Francesco aan dat geweer?’

‘Heb ik hier ooit laten slingeren… Ik had dat ding vroeger altijd bij me als ik uitging… als ik dan een lekker wijf zag, dan schoot ik een harpoen in d’r bovenbeen en dan trok ik haar met het touw naar me toe. Soms schoot ik vanaf de motor en – ’

‘Onbegrijpelijk dat de Opzij jou nog steeds geen eigen goochelrubriek heeft aangeboden.’

‘Dat vind ik nou ook!’

‘…’

‘En in mijn studententijd had ik een heel mooi en heel slim Spaans vriendinnetje dat in een vervallen, ongelooflijk romantisch huis achter het stadspark van Sevilla woonde… palmbomen, duiven… Fermina, heette ze. Het liefst wilde ik ieder weekeinde naar haar toe, maar omdat ik me dat niet kon veroorloven, ging ik regelmatig met m’n harpoengeweer naar Schiphol, dan schoot ik die harpoen zo fffff in de romp van een vliegtuig met bestemming Spanje en dan liet ik me aan m’n eigen touw mee naar Sevilla of Málaga zwieren.’

‘Fermina bofte maar met zo’n Tarzan.’

‘Jij zegt het. Ik had een keer ’t verkeerde vliegtuig te pakken, belandde ik in Peking.’

‘Tyn, wat heb ik verkeerd gedaan?’

‘?’

‘Je bent pissig. Ik zie ’t aan je ogen.’

‘…’

‘Zeg ’t nou maar!’

‘Waarom zei je tegen die Lucarotti dat ik een kind van je wilde?’

‘O, is het niet waar dan?’

‘Jawel, maar je hoeft toch niet alles wat ik met jóu deel met de rest van de wereld te delen? Wat heeft dat nou voor zin?’

‘Ik dacht dat jij altijd zo gecharmeerd was van m’n Nietzscheaanse onverschrokkenheid? Dat je altijd zo moest lachen om m’n destructieve acties? Een tijger is geen schaapje, hè? Het is of ’t één of het ander.’

Ik druk snel op de pauzeknop – even ademhalen, even goed nadenken. Zodra ik op play druk begint Pam weer te praten:

‘Eerlijk gezegd ben ik zelf ook een beetje pissig… ik heb de laatste tijd namelijk het gevoel dat ik al jouw slechte eigenschappen aan ‘t absorberen ben… die agressie van je en je narcisme en die roofdierachtige manier waarop je naar het leven kijkt… Soms is ’t net of jij in mijn hoofd bent komen wonen, wist je dat? Het is alsof jouw bloed door mijn aderen stroomt… alsof mijn hoofd jouw gedachten denkt en ik – ’

‘Ja maar dat heb ik ook! En bovendien – ’

‘En ik snap niet hoe dat kan en ik vind het eng en raar en het is een ROTGEVOEL!!!’

Bij dat laatste woord duikt Pam naar voren, trekt m’n gun uit m’n schouderholster, richt met twee handen mijn eigen vuurwapen op mijn eigen blote voorhoofd en haalt vier, vijf, zes keer de trekker over. Klik, klik, klik.

‘Daarom schoot ik net dat glas kapot,’ zeg ik terwijl ik het volle magazijn uit mijn achterzak trek, ‘de laatste bullet moest nog even uit de kamer.’ Ik pak m’n gun terug, steek ’m in m’n schouderholster. ‘We hadden toch nog ragout?’

‘Staat op het aanrecht.’

Ik loop naar de keuken. Als ik met twee bordjes de kamer in kom zegt Pam: ‘Zullen we een andere keer verder gaan met ruziemaken? Ik ben een beetje moe.’

‘Ja, prima. Alleen jammer dat we niks kapot hebben gemaakt. Misschien moet je je glas nog door de kamer gooien?’

Pam leunt naar voren, pakt haar glas, drinkt het leeg, gooit het door de kamer. Het spat uit elkaar tegen de rand van de eetkamertafel. We lachen.

We eten wat van de bladerdeegbakjes met blikragout. De helft laten we staan. Achter Pam pinkelt de Zwitserse sterrennacht door een kier tussen de gordijnen.

‘Ik moet gaan,’ zeg ik nadat ik mijn vorkje als een vlaggenmast in de resten van m’n ragoutbakje heb gestoken.

‘Waar ga je naartoe?’

‘Eerst even bij een vriend langs en dan naar Opoe’s Eethuys, ik moet een inleiding geven bij een leesclub.’

‘Mag ik mee?’

‘Van mij mag alles. Maar check zelf even of er nog plek is.’

Ik sta op, loop naar de muur tot ik de witte vlekjes in de gekleurde streepjes van het behang kan zien.

‘Ciao, Pam,’ zeg ik over mijn schouder.

‘Ciao, Tyn.’

Dan doe ik nog een stapje – ik raak de muur, los erin op.

 ——

Tirade – al het geene tot het literaire eenige betrekking heeft.

Soundtrack: J’me tire – Maître Gims.

Volgende week: BOEKENWEEK!!! De Tirade Leesclub vergelijkt Miek Zwamborns De duimsprong met Isa Hoes’ Toen ik je zag. Twee sterke vrouwen over doorgaan na een groot verlies. Twee prachtige, herkenbare levensverhalen. Om uren over na te praten! Plus: een experiment. Spannend!

Overigens ben ik van mening dat alleen schijnheilen, meelopers, leeghoofden en non-valeurs iets op het – kots, kots – boekenbal te zoeken hebben. Rot toch op met je phony bullshit.

Het opgroeien van de schrijver (I)

Als mensen uit het boekenvak met elkaar praten, gaat het vaak over het mysterie van de bestseller, en een van de dingen die er dan gezegd wordt is dat er geen formule voor een bestseller is, maar we hebben allemaal onze eigen al dan niet heimelijke ideeën over de ingrediënten.

Die ingrediënten veranderen met tijd en mode, maar ik denk dat je nu een kans maakt op goeie verkoop als je iets dik en episch schrijft.

  • Ik denk dat je met een dik boek een grotere kans hebt op verkoopsucces dan met een dun boek. Voor de cadeautjeskoper (ik denk dat dat een aanzienlijk deel is van het publiek dat boeken aanschaft) een simpele kwestie van waar voor je geld: 18 euro voor 200 bladzijden of 22 euro voor 400 bladzijden: met die van 400 bladzijdes héb je tenminste wat. Maar ook de lezer zelf kan blij worden van dikke boeken: mijn Harry Potters kunnen niet lang genoeg duren.
  • Ik denk dat je met iets episch moet komen. Dat kan een familiedrama zijn, een verhaal dat over meerdere generaties en/of een langere tijd speelt, of waar een grote dramatische gebeurtenis in zit, een oorlog of een vuurwerkramp.

Dit is niet per se toepasbaar op de boeken die bewezen bestsellers zijn, maar boeken die aan dit lijstje voldoen, maken volgens mij nu meer kans op verkoop. Kijk naar Leeuwenstrijd van Thomas van Aalten, die zes romans lang zijn eigen weg volgde en nu met een dik familiedrama eindelijk opvalt – hij werd prompt genoemd als tip bij het boekenpanel van DWDD. En dan is een behoorlijke verkoop bijna onvermijdelijk.

Ik zeg overigens niet dat Van Aalten gericht heeft geschreven op een bestseller. Ik denk dat iedere schrijver die doorschrijft uiteindelijk in ieder geval één episch boek maakt. Heel even dacht ik dat het mode was en dat ik met bovenstaand lijstje van twee punten knalhard gelijk had omdat ik meer epiek op de tafels bij de boekhandels zag, maar ik denk nu dat het hoort bij het opgroeien van de schrijver.

 

Volgende week: Het opgroeien van de schrijver (II).

————–

Walter van den Berg (1970) is deze maand Tirade’s zondagse gastblogger. Van den Berg publiceerde tot op heden – behalve vele kortverhalen, columns en reportages – drie romans: De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2013). In Tirade 449 vind je zijn prachtige kortverhaal Voetbalkantine, in Tirade 450 een heftige ‘tirade’.

De prijs is het bewijs

'Joehoe...!'Vanavond – vannacht, beetje afhankelijk van waar je uithangt, tijdzonegewijs – worden de Oscars uitgereikt.

Lees ter voorbereiding nog even wat Tirade schreef over: La Grande Bellezza, Before Midnight, American Hustle, Blue Jasmine.

Een Oscar is overigens geen maat voor kwaliteit, dan was Miguel Gomes’ Tabu namelijk gewoon genomineerd in de categorie Beste Buitenlandse Film.

‘Over prijzen gesproken… hoe is ‘t gisteren afgelopen met de Blogparel?’

‘Ja, Blogparel in je broekje.’

Tirade zou toch verslag doen?’

‘Mooie locatie, leuke mensen, vrolijk nagepraat met Jacqueline Veldman en Sylvia Hubers. ‘

Austin, 26 februari 2014

Lieve Gilles,

Hartelijk dank voor je uitnodiging om elkaar wekelijks te schrijven tijdens mijn verblijf in de Verenigde Staten. Ik heb er nu al zin in, zelfs al ben ik – zoals gebruikelijk na een intercontinentale vlucht – gevloerd door een duizelingwekkende jetlag en een zware verkoudheid.

Zoals je weet ben ik een groot liefhebber van briefwisselingen. Je moet er even voor gaan zitten, maar dat vind ik juist prettig. Een brief geeft je de tijd om je woorden te wegen.

Ik heb er zin in, maar ik wil je ook waarschuwen. De laatste keer dat ik een langlopende correspondentie voerde, kostte me dat een waardevolle vriendschap. Ik wil het hele voorval niet opnieuw oprakelen, maar mijn woorden hadden de geadresseerde kennelijk zo diep gekwetst, dat hij nooit meer iets meer met me te maken wilde hebben. Bepaalde zaken mocht ik van hem niet opschrijven. Toen ik na zijn terugkomst in Amsterdam bij hem langs ging om het uit te praten, belde hij meteen 112 en diende een aanklacht in wegens huisvredebreuk. Tegen de agenten schreeuwde hij iets over een straatverbod, maar dat bleek praktisch niet haalbaar; we woonden recht tegenover elkaar.

Een brief is prachtig, maar bijkomend nadeel is dat het meteen op papier staat. Een brief is onherroepelijk. Je kunt achteraf moeilijk zeggen dat je het zo niet bedoeld had. Er bestaat niet zoiets als een gedachteloze slip of the pen.

Ondanks mijn voorgeschiedenis wil ik van tevoren met je afspreken dat we geen blad voor de mond nemen. Dat we elkaar alles kunnen schrijven, ongeacht de gevolgen, zolang het maar tussen ons blijft.

Vrienden moeten elkaar alles, maar dan ook echt alles kunnen zeggen. Daarin  ben ik zelfs radicaler dan de gemiddelde Amerikaan, heb ik gemerkt. Ik zit hier nu in het land waar the First Amendment, de vrijheid van meningsuiting heilig is verklaard, maar tegelijkertijd is de censuur hier totaal doorgeslagen. Dat is niets nieuws, maar toch blijf ik me erover verbazen. Gisteren zag ik op tv iemand die zijn middelvinger opstak. Nergens ter wereld een probleem, maar hier wordt die vinger in de uitzending door de regie gepixeld. Let wel: we hebben het dus niet over een echte mannenpiemel van vlees en bloed met een kloppende, paarse eikel in close-up, maar over een vinger. Alsjeblieft, laten we afspreken dat we in onze briefwisseling niets pixelen en niet alleen onze middelvinger, maar desnoods onze hele vuist inzetten als we dat nodig vinden.

Ik weet niet of het lukt, maar laten we proberen elkaar brieven te schrijven die het waard zijn om te verbranden. Of om te bewaren. Jaren geleden, toen mijn oma overleed, vonden we in haar nachtkastje een stapel brieven van opa, zeventig jaar lang netjes bijeengehouden in een op maat gemaakt kalfslederen etui. Liefdesbrieven uit de jaren dertig, toen mijn opa op zakenreis naar Friesland ging en daar een midweek doorbracht om veevoer in te kopen. Ik heb ze allemaal gelezen, en allemaal eindigden ze hetzelfde: “Doe voorzichtig lieverd. Stijve kus.”

Kijk, dat heeft eeuwigheidswaarde.

Lieve vriend, deze eerste brief is misschien wat naar binnen gekeerd, maar dat komt omdat ik nog nauwelijks de deur uit ben geweest. Ik beloof je om de volgende keer meer over het leven in Austin te schrijven, als jij belooft me zonder remmingen op de hoogte te houden van je wederwaardigheden in Amsterdam. Ik wil je niet opjagen, maar ik kijk nu al uit naar je antwoord…

Stijve kus,

Your man in Texas,

Arjen

 

 

Vanaf vandaag op zaterdag: een briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin, Texas en Gilles van der Loo, Tiraderedacteur

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Waarom gaat Dante niet voor Matelda?

Bij het lezen van De goddelijke komedie had ik last van te veel ontzag. Ontzag voor de reputatie en de leeftijd van dit boek, waardoor je moeilijk na een paar bladzijden kunt zeggen: ‘Nee, dat spreekt me niet echt aan.’
            In zijn non-conformistische handboek zegt Theo Kars dat je eigenlijk alleen maar boeken moet lezen, die meer dan vijftig jaar oud zijn, die de tand des tijds hebben doorstaan en daardoor een garantie zijn voor kwaliteit. In die zin was het lezen van De goddelijke komedie een veilige optie.
            Ik ben blij dat ik er vanaf nu over kan meepraten maar ik kan niet zeggen dat ik het met enorm veel plezier gelezen heb. Één ding begrijp ik niet: als Dante aankomt in het aards paradijs, ontmoet hij daar Matelda, een knappe en erg lieve vrouw, die in een veld bij een riviertje zingt en bloemen plukt. Veel idyllischer kan het niet. Het moet ook wel een aangenaam moment voor Dante zijn, want hij is zojuist afgedaald in de hel en heeft daarna nog een enorme berg beklommen. Hij heeft met andere woorden het een en ander achter de rug.

            Maar in plaats van dat hij bij deze bloemen plukkende vrouw blijft, loopt hij door naar Beatrice die met veel bombarie aan hem verschijnt. Toegegeven: zij was de reden van zijn reis, de eindbestemming, en bovendien was hij als kind al op haar verliefd. Maar vervolgens krijgt Dante een enorme uitbrander van Beatrice: hij is zondig geweest en heeft na haar overlijden (hij was toen vijfentwintig) toegegeven aan de verlokkingen van het leven. Dante moet flink door het stof, wil hij in genade worden aangenomen door deze strenge (eind)bazin.
            Persoonlijk zou ik toch duizend keer liever een knappe en lachende (Matelda heeft dus ook nog humor) vrouw willen die lief is en me zelfs wil wassen in de rivier (al doet ze dat enigszins hardhandig; ze ‘sleept’ hem ‘achter zich aan’ en trekt hem ‘tot aan de keel’ in het riviertje) dan een nóg knappere vrouw voor wie ik op de knieën moet en die een ontmoeting begint met een strenge en langdurige terechtwijzing. Maar ik ben misschien niet masochistisch genoeg om daar de aantrekkelijkheid van in te zien.
            Het deed me denken aan de beroemde scène in de film A Beautiful Mind, als hoofdpersoon Nash aan zijn vrienden in het café uitlegt dat ze beter niet voor de mooiste vrouw in de ruimte kunnen gaan, omdat ze die dan allemaal niet zullen kunnen krijgen. Het is zullen we maar zeggen de loosersoptie: je gaat voor een middelmatige vrouw (qua uiterlijk) omdat je de mooie niet kunt krijgen. Maar daarvan is bij Dante geen sprake, want Matelda is erg mooi en heeft als bijkomend voordeel dat ze niet met haar schoonheid de toeschouwer verblindt en flauw doet vallen, zoals bij Beatrice het geval is.

Voordat het hieronder reacties gaat regenen: ik snap dat De goddelijke komedie een allegorisch verhaal is en dat het ook als zodanig gelezen moet worden.